[12] De Kill-devill (een woord, zaamgestelt uit de woorden dooden en
duivel, en het geen waarschynlyk zeggen wil: wie zou de duivel dooden,)
is een zoort van rhum, die men maakt van schuim en droessem van
suiker. Deeze drank is in de Volkplanting zeer gemeen, en de eenige,
die men aan de Negers toestaat. De zuinigheid beweegt verscheiden
Europeaanen, om daar van mede gebruik te maken; maar het is ten
naasten by een langzaam vergift voor hun.
Aant. v. d. Schryver.
[13] Het schynt dat de vogel, waar van STEDMAN hier spreekt, is de
Toucan van Caijenne met een witten hals, of het vrouwtje van den
Toucan met een geelen hals.
Aant. v. d. Franschen Vert.
[14] Verscheiden beminnaars der Natuurlyke Geschiedenis, hebben
aan deeze laatste herschepping getwyffeld. Het staat aan hunne
beöordeeling, of het bewys, door onzen Reiziger bygebragt, gegrond
genoeg is, om hun gevoelen te bepaalen. Mejuffrouw DE MERIAN, van wien
hier gesproken word, was eene jonge Duitscheresse van Frankfort aan
den Main, die, in 't jaar 1699, de reize naar Hollandsch Guiana deed,
om aldaar insecten en kapellen af te teekenen.
Aant. v. d. Franschen Vert.
[15] De heer GREENWOOD, uit den omtrek van Leicester, heeft my
verzekerd 'er één gedood te hebben van twaalf voeten lengte.
Aant. v. d. Schryver.
[16] Het schynt, dat het woord harwar is een bedorven spelling van
het Engelsch en Hollandsch woord Haven. Dus zoude Devil's-Harwar
beteekenen Duivels-haven.
Aant. v. d. Franschen Vert.
[17] "Het Kabinet van Natuurlyke Geschiedenis bezit het beruchte hoofd,
te Maastricht gevonden, en zelfs eenige wervelbeenderen van zommige
deelen van het geraamte, waar toe die kop behoord heeft.... Ik had dit
beruchte hoofd, het welk myne nieuwsgierigheid had gaande gemaakt, doen
afteekenen: het zelve is thans in het Magazin in 't koper gesneden.
"Het is gemakkelyk te zien in deeze versteening, dat 'er verscheiden
koppen van beesten van één en het zelfde zoort zyn; maar welk is het
zoort, waar toe deeze behoord? dit staat nog te beslissen; men heeft
derzelver classe nog met geene zekerheid kunnen bepaalen....
"Dit stuk, eenig in zyn zoort, heeft de aandacht van veele waarneemers
tot zig getrokken.... Het heerschend gevoelen tegenwoordig is, dat
deeze kop tot een nieuw zoort van Krokodillen behoord". (Getrokken uit
een brief van L. A. MILLIN aan Dr. HERMAN, ingelascht in 't Magazin
Encyclopedique, 't 1ste jaar, 6de Deel, bladz. 34., alwaar men ook
eene in 't koper gesnedene afbeelding van deezen zelfden kop vind,
waar van de Burger FAUJAS-SAINT-FOND, Hoogleeraar in 't Museum der
Natuurlyke Geschiedenis, eene beschryving belooft.)
Aant. v.d. Franschen Vert.
[18] Het is de Passiebloem. Mejuffrouw DE MERIAN noemt dezelve
Marquias.
Aant. v. d. Franschen Vert.
[19] Dr. LABORDE zegt drie zoorten van Otters in Guiana te hebben
waargenomen.
1º. De grootste, die van veertig tot vyftig ponden weegt, en wiens
hair zwart, en byna kaal is; hy houd zig op in de Rivieren.
2º. Die geene, waar van de huid geel-achtig is, van de kleur der
Gummi-gutta, en wegende twintig tot vyf-en-twintig ponden; hy bewoond
insgelyks de Rivieren.
3º. De gryze, niet meer dan drie of vier ponden wegende; hy houd zig
op in de gaten by de Rivieren, en is zeer gevaarlyk voor de honden.
Allen ontwyken zy het water, alwaar ebbe en vloed is, en houden zig
alleenlyk op in zoete wateren, in de meiren, of boven in de Rivieren;
zy gaan troepsgewyze naar de verdronken Savanen. Men maakt 'er jagt op,
om hunnen buit te hebben, tot dit einde gaat men in eene hinderlaag
aan den waterkant leggen. Zy zyn wild; en zoo men op hen schiet, terwyl
zy zwemmen, zinken zy naar den grond, en zyn voor den jager verlooren.
De wyfjes werpen maar één jong, zelden twee; zy zyn minder vruchtbaar
dan in Europa. Zy werpen haare jongen in de holen, die zy aan den
waterkant graven. Op de landhuizen voed men deeze dieren op.
Aant. v. d. Franschen Vert.
[20] Dusdanige kruik houd vier pinten, Parysche maat.
Aant. v. d. Franschen Vert.
[21] Volgens Mejuffrouw MERIAN en LINNAEUS is STEDMAN in dit verkeerd
begrip gevallen. De eijeren van de Pipal, uit het lichaam van het
wyfjen uitkomende, worden door het mannetjen vruchtbaar gemaakt; op
de zelfde wyze, als die van alle andere kikvorschen of padden. Het
mannetje duwt ze te gelyker tyd onder zyn buik, en spreidt ze uit
op den rug van het wyfjen: de eijeren kleeven aan de huid vast,
en het vruchtbaarmakend vocht van het mannetje, het geen dezelve
besproeit, doet de bekleedzelen van den rug opzwellen. De eijeren
intusschen worden dik, de jongen broeien uit, komen uit hunnen dop,
en een waarnemer, die hen op dit oogenblik ontmoet, zou gelooven,
dat zy op den rug zelven van hunne moeder zyn voortgebracht.
Aantekening v. d. Franschen Vert.
[22] Men leest in de Beschryving der Dieren van den heer PENNANT,
dat deeze zelfde ARSCOTT, een Engelschman, zoo verre gekomen is, dat
hy eene gemeene padde eenigermaten heeft tam gemaakt. Dezelve was van
eene ongemeene grootte; het was omtrent zes-en-dertig jaaren geleden,
dat deeze padde zig voor de eerste maal aan den vader van ARSSCOTT
vertoond had; hy had langen tyd onder een trap gehuisvest. De zorg,
die men voor zyn onderhoud droeg, maakte hem tot een huisdier,
zoodanig dat hy alle avonden, wanneer hy licht in huis bemerkte,
voor den dag kwam, en de oogen opsloeg, als of hy verwagtte, dat men
hem zoude opvatten, om op de tafel zetten. Aldaar vond hy zyn eeten
klaar gemaakt; dit bestond uit wormen, van het zoort, zoo als men op
bedorven vleesch ziet te voorschyn komen: men bewaarde dezelve voor
hem in zemelen. De pad ging dezelve met aandacht na; en wanneer zig
één van deeze wormen onder zyn bereik bevond, bespiedde hy dien met
het oog, en bleef eenige oogenblikken onbeweeglyk; vervolgens wierp hy
eensklaps zyne tong van verre op den worm, die 'er aan bleef hangen,
door middel van een lymig vocht, waar mede dezelve aan het einde
bestreeken was; deeze beweeging van de tong was zoo gezwind, dat
'er de toekyker geen oog op houden konde.
Het is waarschynlyk, dat deeze padde zeer lang geleefd zoude hebben,
zoo niet een huis-raaf hem op zekeren tyd by den ingang van zyn hol
had aangepakt. De pogingen, welke ARSSCOTT deed, om de padde aan
zynen vyand te ontrukken, konden niet beletten dat deeze hem een
oog uitpikte; schoon hy naderhand nog een jaar geleefd heeft, wierd
hy treurig en kwynende. Hy had veel moeite, om zynen buit meester
te worden, dewyl het verlies van zyn oog hem het vermogen benam,
om denzelven juist te mikken.
Aanteeken. v. d. Franschen Vert.
[23] Indien men zommige reizigers gelooven mag, maakt de Trompetter
zig meester van de voorplaats. Des morgens jaagt hy alle de kalkoenen,
eendvogelen en andere huisdieren naar buiten; en des avonds noodzaakt
hy dezelve om te rug te komen: hy zelf sluit zig niet op; hy slaapt
of op het dak van de voorplaats, of op een naby staande boom.
Aant. v. d. Fransschen Vert.
[24] Deeze driehoeken hebben drie punten, zynde lang en met weerhaken,
gelykende naar kleine dreggen, en die uit een yzeren halsband uitkomen.
Aanteek. v. d. Schryver.
[25] De Lepelaar, of Bécharu, is de Flamant van BRISSON, of de
Flamant van BELON, en de Phoenicopterus der ouden. Men zegt, dat de
laatstgemelde naam, afgeleid van den naam, dien de Grieken aan deezen
vogel gegeven hebben, volgens deszelfs oorsprong beteekend, een vogel
met vuur-kleurige vlerken, en schildert zeer wel den Phoenicopterus,
wiens vlerken in de daad van een zeer levendig roode kleur zyn. De
naam van Bécharu is hem gegeven uit hoofde van de byzondere gedaante
van zyn bek, die gekromd is als het kromhout van een ploeg.
Deeze vogel is eenig in zyn zoort, en maakt een geslacht op zig
zelf uit. Men vind die op 't oude vaste Land; en in Europa, op de
kusten van Spanjen, Italiën, Provence, en Languedoc. De Americaansche
Indianen maken, van zyne fraaije vederen, halsbanden, mutsen, gordels,
waar mede zy zig vercieren. Het vleesch van den jongen Phoenicopterus
wierd door de ouden als eene uitgezochte spyze beschouwd.
[26] Het schynt, dat dezelve de pacobe of bacove van Cayenne is. Men
noemt de vrucht van den Bananen- en Plantain-boom doorgaans bananen;
maar wy hebben dezelven, met den Schryver van dit werk, onderscheiden,
door aan de vrucht van den laatstgemelden, den naam van plantain
te geven. Dit was noodzakeiyk, want hy verwart ze niet, en spreekt
dikwils van beiden te gelyk.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[27] De Schryver van deeze reize verwyst hier den lezer tot de meer
uitgebreide opgaven, door Dr. BANCROFT aangaande dit vergift gegeven
in zyne natuurlyke Geschiedenis van Guiana, een werk, weinig of in
't geheel niet in Frankryk bekend.
BANCROFT begint met te verhaalen, het geen DE LA CONDAMINE voor hem
nopens dit vergift gezegd heeft; zie het zelve hier: "De Yamcos zyn
zeer afgericht op het maken van lange pylkokers, die het gewoonste
jagt-wapen der Indianen zyn. Zy doen daar in kleine pylen van palmhout
passen, welke zy, in plaats van met vederen, met een kleine kloen
catoen voorzien, die de buis naauwkeurig vult. Zy werpen dezelve
door blaazen dertig of veertig schreden ver, en missen byna nooit te
raken. Een zoo eenvoudig werktuig vervult by alle deeze volken met zeer
veel voordeel het gebrek van schietgeweer. Zy doopen de punt van deeze
kleine pylen, als mede die van hunne bogen, in zulk een scherp vergift,
dat het zelve, wanneer het versch is, in minder dan één minuut het dier
doodt, het welk door den pyl gewond is. Schoon wy snaphaanen hadden,
hebben wy, aan de Rivier, nooit wildt gegeten, het welk op eene andere
wyze gedood was, en dikwils hebben wy de punt van den pyl onder den
tand gevonden; daar by is geen gevaar hoe genaamd; dit vergif werkt
niet, dan wanneer het onder het bloed koomt. Dan is het voor den
mensch niet minder doodelyk, dan voor andere dieren. Het tegengift
is het zout, en nog zekerder de suiker"--Op een andere plaats:
"Dit vergift is een uittrekzel, door middel van het vuur gemaakt, uit
de sappen van onderscheidene planten, en in 't byzonder van zekere
heestergewassen. Men verzekert, dat het vergift, ticunas genaamd,
zynde het zelfde, waar mede ik de proef genomen heb, het welk onder
de verschillende zoorten, die langs de Rivier der Amazonen bekend
zyn, het meest geacht is, uit meer dan dertig zoorten van kruiden is
zaamgesteld". (Verkort verhaal van eene reize door de binnen-lánden
van Zuid-America gedaan.)
"De ticunas (dus vervolgt Dr. BANCROFT) wordt waarschynlyk gemaakt
van de zelfde kruiden, als de wourara, een vergift, het welk zynen
naam ontleent van het heestergewas, het welk 'er de grondslag van
uitmaakt. Het vergift der Accawaus-Indianen, het welk voor het
geweldigste gehouden wordt, bestaat slechts uit vyfderley kruiden,
wel verre, dat het uit dertig zoude bestaan, zoo als de heer DE
LA CONDAMINE van de ticunas opgeeft. Andere volken echter, en in 't
byzonder de Arrawks, voegen 'er naar goedvinden de tanden en lever van
een vergiftige slang, als mede roode peper, by; het laatste, om 'er de
werking van te vermeerderen. De Worrows mengen 'er een grooter getal
kruiden onder, misschien uit bygeloovigheid, of om dat zy zig door
onkunde verbeelden, dat zy, meerder dingen onder elkander mengende,
de verlangde uitwerking des te zekerder bekomen zullen.
"Zie hier het voorschrift van het vergift der Accawaus, het welk
verscheiden van hunne Peji of Geneeskundigen my op verschillende tyden
gegeven hebben: allen stemden zy over één met opzigt tot het zoort en
getal der planten; zy verschilden alleenlyk in de hoeveelheid of gifte.
Men neemt van alle de kruiden, waar uit dit mengzel bestaat, even veel.
Men neemt zes deelen van de schil van den wortel van wourara, twee
van de schors van warra cobba courra; één van de schil van den wortel
van concassapi, één van balleti, en eindelyk één van hatchybaly.
Men schraapt alles fyn, doet het in een kruik, en giet 'er water
op. Men zet deeze kruik op een matig vuur, zoo dat het na verloop
van een vierde van een uur begint te koken. Dit gedaan zynde, moet
men het sap met de hand uitdrukken, zorg dragende, dat de huid niet
ontvelle. Men werpt de bast weg, en doet vervolgens het sap op een
matig vuur uitdampen, tot op de dikte van pik en teer. Dan neemt men
het af, en men doopt daar in kleine platte stukken cokarito hout, (een
zoort van palmhout,) waar aan het vergift, wanneer het koud is, blyft
hangen, en dan de gedaante heeft van een roodachtig bruine gom. Deeze
stukken hout dus bestreken zynde, steekt men dezelve in groote holle
rottingen, aan beide einden met een huid toegemaakt. Wanneer men een
pyl wil vergiftigen, werpt men één van deeze stukken hout in 't water,
of men houdt het zelve boven den rook van 't vuur, om door dien damp
week te worden; in het eerste geval doopt men de pyl in 't water, en in
't tweede wryft men die tegen dit stuk hout. De kleinste hoeveelheid
van dit vergift, door eene wonde in de bloedvaten van een dier gebragt
zynde, doet het zelve in minder dan één minuut sterven, zonder eene
blykbaare waare pyn, schoon men zomtyds ligte stuiptrekkingen op het
oogenblik van den dood bemerkt.
De heer DE LA CONDAMINE zegt, dat de Indianen misdadige vrouwlieden
tot het bereiden van dit vergift gebruiken, en dat, wanneer zy den
geest geven, zulks een bewys is, dat het genoeg gekookt heeft: dit
gelykt zeer naar een verdichtsel. De Indianen, die in den omtrek
der Volkplanting van Demerary woonen, doen, hun vergift in de vrye
lucht uitdampen, tot dat het zyne volkomene dikte verkregen heeft,
en zulks zonder het minste gevaar.
"De kruiden, die tot het zamenstellen van dit vergift der Accawaus
gebruikt worden, zyn heestergewassen van onderscheiden zoort.
"Ik heb 'er de proef mede genomen op dieren die ziek waren, en weinig
bloed hadden; ik bevond, dat het een langzaamer uitwerking deed,
dan op sterke en gezonde dieren.
Men weet geen zeker tegengift tegen dit vergift. Ik twyffel, of
eenig geneesmiddel, langs den weg, tot de spysverteering geschikt,
ingenomen, schielyk genoeg kan werken, om deszelfs verschrikkelyke
gevolgen voor te komen. Om de uitwerking van de ticunas tegen te gaan,
geeft DE LA CONDAMINE het zout, en als een zekerder middel de suiker
op. De blanke inwooners van Demerary schryven dezelfde kragt aan het
sap van het suikerriet toe, maar de Indianen zyn het daar mede niet
eens, en ik heb geene enkele keer het bewys van deszelfs kragtdadige
werking kunnen ontdekken. De zelfde reiziger spreekt van eene proeve,
te Caijenne in tegenwoordigheid van den Bevelhebber genomen, aan
een hoen, door eene vergiftigde pyl gewond, het welk men suiker deed
inneemen, zonder eenig blyk van ongesteldheid te geven. Maar deeze
proef te Leiden, in tegenwoordigheid van verscheiden Hoogleeraars
in de Geneeskunde aldaar, hernieuwd zynde, was zonder het verlangd
gevolg, schoon de koude van den winter ontwyffelbaar de werking van
het vergift verzwakt had.
Wanneer één der watervaten door één van deeze vergiftigde pylen
gekwetst is, volgt 'er eene koortsachtige ontsteeking op. Ik heb
'er een voorbeeld van gezien in een Indiaan, tot zekere Plantagie
behoorende, die zig den voorsten vinger van de linke hand met
één van deeze pylen ligtelyk ontveld had. Dewyl 'er geen bloed
uit liep, vreesde hy niets; maar wel dra wierd zyne wonde pynlyk,
zyne hand zwelde verbaazend op, en dienvolgende kwam deeze man my
raadplegen. De uitwerking van dit vergift toen niet kennende, deed
ik een Peji uit den stam der Arrawks roepen, die in de nabyheid was,
en vroeg hem door een tolk, of hy eenig geneesmiddel tegen dit toeval
had. Hy antwoordde my van neen; maar hy verzekerde my, dat de Indiaan
'er niet van sterven zoude, dewyl 'er geen bloed uit de ontvelling,
die naauwlyks zigtbaar was, geloopen had. De uitwerkzels van het
vergift wierden intusschen steeds geweldiger; en niet alleen zyne
hand, maar zelfs de geheele arm was ontstoken. De pols was hard,
schielyk, afgebroken; de ademhaling moeielyk, met eene koortsige
hette, een brandende dorst, en de oxel-klieren waren gezwollen. De
zieke wierd in tyds adergelaten. Men wond hem den arm in linnen,
het welk in oly en azyn was nat gemaakt. Verscheide middelen, de
ontsteeking tegengaande, wierden inwendig toegediend; maar ik zal
ze niet opnoemen, want ik weet niet, of zy van eenig nut waren. In
twaalf uuren verminderde het geweld der toevallen zichtbaar; en des
anderen daags morgens was 'er geen blyk meer van overig.
"Ik zal 'er byvoegen, als eene andere uitwerking van dit vergift,
dat wanneer een aap door eene vergiftigde pyl gewond is, hy op den
grond valt; wanneer hy door eene gewoone pyl geraakt is, klimt hy op
den top van den boom, en blyft aldaar; zelfs na dat hy reeds dood is".
De proeven van Dr. BANCROFT omtrent het door hem vermelde vergift,
dezelfde zynde, als die van FONTANA aangaande de ticunas, zullen wy
het besluit van deezen Natuur-kenner des aangaande opgeven.
Van de ticunas, of het Americaansch vergift.
"De reuk van dit vergift, wanneer het droog is, is geheel onschadelyk;
en zoodanig zyn ook deszelfs deeltjens, die door de lucht in den mond
of in de neus, en vervolgens in de long komen.
"De uitwaassemende dampen van het Americaansch vergift, (het zy men
het op gloeiende kooien geworpen heeft, het zy men het in een pot
heeft laten koken,) zyn onschadelyk, het zy men ze ruikt, het zy men
ze inademt.
"Schoon het vergift, waar van ik my bediende, door ouderdom veel
verloren had, had het egter zyne wezentlyke eigenschap behouden, om
in zeer korten tyd, en in zeer kleine giften, zeer sterke dieren te
dooden; en het was altyd zonder gunstig gevolg, wanneer ik deszelfs
werking tragte te beletten door suiker en zout, welke ondertusschen
de twee eigenäartige geneesmiddelen zyn van den heer DE LA CONDAMINE,
die daar in het begrip der lieden van dit Land gevolgd heeft.
"Dit vergift ontbindt zig gemakkelyk en zeer goed in water, zelfs
in koud water, als mede in zuuren uit het ryk der mineraalen en
planten. Echter ontbindt het zig veel langzaamer in vitriool-oly,
dan in andere zuuren, en het wordt 'er zoo zwart in als inkt: het
welk met geene der andere zuuren gebeurt.
"Het maakt geene opbruisching, nog met zuuren, nog met loogzouten,
en doet de melk niet schiften, geevende daar aan alleenlyk deszelfs
natuurlyke kleur.
"Het verandert het radys-sap niet, nog in eene roode, nog in in eene
groene kleur; en wanneer men het door het vergrootglas onderzoekt,
ziet men 'er niets regelmatigs en zoutachtigs in; maar het schynt
grootendeels uit zeer kleine onregelmatige rondachtige lichaampjes
zaamgesteld, even als sappen van planten. Het droogt zonder barsten,
verschillende daar in van het slangen-vergift: en op de tong gelegd
zynde heeft het eene zeer bittere smaak.
"Uit allen deezen besluit ik, dat het noch zuur, noch loogzoutig is,
en dat het niet bestaat uit zouten, die zigtbaar zyn, zelfs door
middel van het vergrootglas.
"Het Americaansch vergift is geen vergift, wanneer men het op de
oogen legt, zelfs na dat het in water ontbonden is; en het doet op
deeze deelen geene werking.
"De heer DE LA CONDAMINE, en alle Americaanen gelooven, dat dit
vergift, inwendig genomen, geheel onschadelyk is.
"Volgens verscheide waarneemingen, genomen aan dieren, die 'er van
gestorven zyn, besluit ik als eene waarheid, dat het Americaansch
vergift, inwendig genomen, een vergift is, maar dat 'er eene wezentlyke
hoeveelheid verëischt word, om zelfs een klein dier te dooden.
"Andere, naderhand genomene proeven, zoo aan vogelen, als aan
viervoetige dieren, hebben my doen befluiten, dat het Americaansch
vergift, op de huid gelegd zynde, schoon dezelve naauwlyks door eene
krabbing ontveld is, den dood kan veroorzaaken, hoe wel niet altyd,
en in alle omstandigheden. De grootste dieren wederstaan de werking
van dit vergift het gemakkelykst, en wanneer zelfs de zwakste dieren
'er niet van sterven, bevinden zy zig in korten tyd zoo gezond als
te vooren.
"Men behoeft omtrent een honderdste gedeelte van een grein van dit
vergift, om een klein dier te dooden, en het is noodig, dat dit vergift
ontbonden zy, om den dood te veroorzaken, of tot eenige verwarring
van aanbelang in de dierlyke huishouding gelegenheid te geven.
"Wanneer 'er weinig bloedvaten in het aangetast deel zyn, word het
kwaad niet medegedeeld, of is ten minsten niet doodelyk.
"De pylen zyn veel gevaarlyker en doodelyker, dan het vergift, het welk
in water ontbonden is, en eenvoudiglyk op het gewonde deel gelegd word.
"Het vergift der pylen is krachtiger, indien men ze vooraf
in warm water doopt; en dan werken zy met meer zekerheid en
gezwindheid. Deszelfs werkzaamheid is nog veel grooter, indien men
de pylen doopt in het vergift, het welk in water tot de dikte van
een drank gekookt is.
"Het Americaansch vergift verliest zyne doodelyke hoedanigheden,
wanneer het in de drie zuuren uit het mineraalen-ryk ontbonden word;
maar in rhum en azyn ontbonden zynde, behoudt het dezelve.
"Het schynt derhalven, dat de zuuren uit het mineralen-ryk aan het
Americaansch vergift deszelfs schadelyke hoedanigheden ontnemen: ik
zeg eenvoudig, dat dit zoo schynt, om dat men nog zoude kunnen denken,
dat 'er een weinig zuur met het vergift vereenigd blyft, schoon men
het heeft uitgedampt, en dat dit zuur op de vaten van de huid zyne
werking doet. Het verschroeit dezelve, en byt ze eenigermaten weg.
"Schoon de zuuren de werking van het vergift beletten, schynt het,
dat zy een nutteloos en gevaarlyk middel zyn, indien men ze op de
vergiftigde spieren van het dier legt.
"'Er is een bepaalde tyd noodig, op dat het Americaansch vergift
aan het dier worde medegedeeld. Deeze tyd is veel aanmerkelyker,
dan die 'er tot de mededeeling van het vergift der slangen verëischt
word. Deszelfs uitwerkingen op de dieren zyn veel onbepaalder en
meer verschillende. Beiden kan men geneezen door het afzetten der
deelen, wanneer zulks zonder doods-gevaar geschieden kan, en mits
deeze afzetting in tyds geschiede.
"Het vergift, in het bloed gekomen zynde, doodt oogenblikkelyk: waar
uit ontwyffelbaar blykt, dat, wanneer het uitwendig op een gewond
deel van een levend dier gelegd word, het zelve groote wanorden in
de dierlyke huishouding kan en moet veroorzaken, of zelfs den dood
aanbrengen.
"Het vergiftigt de zenuwen niet; en is een onschadelyk sap, op welke
wyze het dezelve ook aanraakt. Maar het is doodelyk, zelfs in de
kleinste gift, indien men het door den strot-ader in het bloed brengt,
even als het vergift der slangen doet. De geheele werking van dit
vergift is dus op het bloed.
"De dood, die onmiddelyk volgt, zoo dra het vergift in 't bloed gekomen
is, zoude kunnen doen denken, dat 'er in het bloed een werkzaamer,
fyner, vlugger beginzel is, het welk aan het beste gezicht, en
zelfs aan het vergrootglas ontsnapt. Dit beginzel zoude, in die
veronderstelling, voor het leven noodzakelyk schynen; en op dit
beginzel zelfs schynt het vergift onmiddelyk deszelfs werking te doen.
"Voor het nemen myner proeven, zoude niemand getwyffeld hebben, of het
Americaansch vergift deedt zyne werking onmiddelyk op de zenuwen. Alle
uiterlyke teekenen kondigden dit mede aan. Deeze teekenen gaan dus
niet zeker; en de Geneeskundigen beschouwen dezelve ten onrecht als
een bewys, dat de ziekte eene zuivere zenuw-ziekte is" (FONTANA,
Memoire sur le poison Americain, appellé ticunas. Tom. II. pag. 83.)
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[28] Men vindt in het Kabinet van oudheden, in de Nationale Boekereije,
eene merkwaardige reeks van kleederen en huisraad, door Asiätische,
Africaansche, en Americaansche volken gebruikt wordende. Deeze
dingen zyn, by gebrek aan plaats, onder de Grieksche en Romeinsche
gedenkstukken ongelukkiglyk verward geraakt; maar men moet de
Opzichters van dit Kabinet deswegens niet beschuldigen, daar zy liever
verkozen hebben de voorwerpen op één te stapelen, dan ze verborgen
te houden. Hun oogmerk, met die dingen in hun Kabinet te verzamelen,
is, om na de gedenkstukken, die tot de geschiedenis der oude volken
betrekking hebben, als daar zyn de Egyptenaaren, de Grieken, en de
Romeinen, tevens aan de nieuwsgierigheid aan te bieden die geene,
welke tot de geschiedenis der volken in afgelegene Gewesten behoord
hebben, als de Chineezen, de Japoneezen, de bewooners van de Kust
van Guinee, van de Landen in de Zuid-zee, van Peru, van Mexico,
enz. Het was te wenschen, dat men de zaal afmaakte, die voor deeze
gedenkstukken in de Nationaale Boekereije bestemd is, en dat men,
overëenkomstig het verlangen der Opzichters, de even vermelde zaaken
op ééne plaats by elkander voegde. Alles wat op deeze plaat vertoond
word, is in het Kabinet der Boekereije te zien. Men ziet 'er bovendien
een hut der wilden, waar in alle deeze werktuigen in 't klein met
eene groote juistheid zyn nagemaakt, even als het verkleind model van
onderscheidene gewerkte stoffen, het welk de gewezen Hertog van Orleans
had laten maken, om in de bewaarplaats der konsten gezet te worden.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[29] Zie hier het geen Dr. BANCROFT van deezen aap zegt: "De quato
(of coïata) is groot, en geheel met lange zwarte hairen bedekt,
uitgenomen het aangezicht, het welk kaal en gerimpeld is. Zyne ooren
zyn breed, en hebben de gedaante van menschen-ooren, Zyne oogen zyn
zeer ingedoken, en zyn neus gelykt naar die van een Neger; maar is
veel kleiner. Zyn lichaam heeft by de twee voeten lengte, en agttien
duimen in den omtrek, aan de borst gerekend. Deeze Aap heeft geen
baard, en ook geen staart. De dieren van dit zoort worden gemakkelyk
zeer gemeenzaam. Zy betoonen in alle hunne daden veel behendigheid,
en een zoort van list, waardoor zy opmerkelyk worden. Wanneer men
hun de voorpooten of handen agter op den rug bindt, loopen zy met
het lichaam over einde, en op hunne agterpooten, geheele dagen lang,
en met zoo veel gemakkelykheid, als of zy in hunnen natuurlyken
stand waren. Indien men een quato slaat, klautert hy dadelyk op een
limoen-, of orange-boom. Indien men hem aldaar wil vervolgen, werpt
hy de limoenen of oranje-appelen op het hoofd van den aanvaller;
hy tracht hem zelfs af te weeren, door hem zyne vuiligheid toe te
werpen; en hy trekt te gelyker tyd allerleije wonderbaarlyke gezichten;
hy maakt duizend kromme sprongen, die aan de toekykers een oneindig
vermaak verschaffen. De mannetjes zyn zeer wellustig, en men betrapt
hen meenigmaal op zaad-verspillingen". (Natural History of Guiana,
pag. 131.)
Aanteek. v.d. Franschen Vert.
[30] Het is zeer waarschynlyk, dat ULLOA dit heeft overgenomen uit
de Geschiedenis der West-Indiën van ACOSTA. Deezen doet men zeggen
in eene vertaaling, in 't jaar 1604 gedrukt.
"Deeze aapen springen, waar zy willen; en om den sprong te doen,
draaien zy de staart rondom een tak. Wanneer zy lust hebben, om verder
te springen, dan zy in eens doen kunnen, gebruiken zy een vernuftig
middel, daar in bestaande, dat zy zig met de staart aan malkander
vast binden. Op die wyze maken zy een zoort van keten, en springen
op een grooten afstand."
ACOSTA zegt, dat hy zelf geen getuige van dit gebeurde geweest is,
maar hy staat in voor de waarheid van het volgende. Zie hier zyne
woorden: "Ik heb aan 't huis van den Gouverneur van Carthagena
een aap gezien, die zoo wel geleerd was, dat hy dingen deed, die
ongelooflyk schynen. Men zond hem om wyn te haalen naar de herberg,
doende hem de pot in de eene, en het geld in de andere poot nemen;
en het was onmogelyk het geld van hem te krygen, eer men hem aan
den wyn geholpen had. Indien hem op straat kinderen ontmoetten,
en steenen naar hem wierpen, zette hy zyn pot op den grond neder,
gooide de kinderen de steenen weder toe, tot dat zy den weg vry hadden
gelaten; en dan keerde hy met zyn pot naar huis. Maar het sterkst van
allen is, dat schoon hy veel van wyn hield, hy nooit den wyn aanraakte,
dien hy t'huis bragt, zoo lang men 'er hem geen verlof toe gaf."
Aanteek. v.d. Schryver.
[31] Onze Reiziger zegt, dat de Franschen deezen boom Latanus-boom
noemen: men weet, dat 'er twee van dien naam zyn. Hy heeft den
eersten, die tot het geslacht der Palmboomen behoort, in het
I. Deel, X. Hooftst. bladz. 308. beschreven. De beschryving van
zynen Mauricy past op den tweeden niet. Verscheiden Natuurkenners,
welken ik geraadpleegd heb, hebben hem geenen naam, die aan zyn zoort
byzonder eigen was, kunnen geven; ik heb dus gemeend, zoo hier als op
de Plaat, die hem vertoont, den naam te moeten behouden, welken hy in
het oorsprongelyke heeft. Dr. BANCROFT spreekt, in zyne Natuurlyke
Geschiedenis van Guiana, van den Mauricy niet; misschien is hy niet
in de gelegenheid geweest denzelven te zien.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[32] 'Er wordt hier waarschynlyk gedoeld op de amandel, welke
men aard-pistache of aard-appel noemt, waar van de bloemen, uit
welken zy voortkomen, naar den grond buigen, tot dat zy denzelven
raaken. Wanneer de bloem heeft uitgebloeit, gaat de noot in den grond,
werkt zig aldaar hoe langer hoe dieper in, en wordt een bultachtige,
asch-kleurige, ronde en bogtige bol, van de grootte van een vinger,
doorweven met draden, uit den wortel voortkomende. Deeze bol, die
onder den grond ryp wordt, bevat twee of drie ronde roodachtige pitten,
van de grootte van onze hazelnoten, en van denzelfden smaak.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[33] Zie hier, het geen Mejuffrouw DE MERIAN ten deezen opzigte zegt:
"De roode, blaauwe en witte druif groeit weelig in het Surinaamsch
Gewest; een wynstok, gesneden en in den grond gestoken zynde,
brengt zes maanden daar na rype druiven voort; zoo dat men alle
maanden plantende, het geheele jaar door druiven hebben kan. Het
is te betreuren, dat 'er in dit Land geene lieden gevonden worden,
die zig op het aankweeken van deeze plant toeleggen; want wel verre,
dat het noodig zoude zyn, om wyn naar Surinamen te voeren, zoude
deeze Volkplanting dien zelfs aan Holland kunnen leveren, dewyl men
verscheiden malen 's jaars zoude kunnen oogsten". Men vindt, in de
verzameling der afbeeldingen van deeze Juffrouw, een Surinaamschen
druiven-tros. Iets verder spreekt zy ook van kerssen; maar zy zegt,
dat ze niet goed zyn: misschien had men in haaren tyd pogingen gedaan,
om verscheiden van deeze vruchten in de Volkplanting van Surinamen
aan te kweeken, en het welk niet gelukt zynde, STEDMAN dezelve niet
zal hebben kunnen vinden.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[34] Men kan een slaaf van goed gedrag, in Surinamen, niet afzonderlyk
verkoopen, zonder de toestemming van zynen vader, moeder, broeders
en zusters.
Aantek. v. d. Schryver.
[35] Ik heb gezegd, dat JOANNA de dogter was van een fatsoenlyken
Hollander, en dat het geslacht van haare moeder onder de aanzienlyksten
op de Africaansche kust was.
Aantek. v. d. Schrijver.
[36] De Neger-Jagers hadden de gewoonte, om elken muiteling,
dien zy doodden, de rechte hand af te kappen, en dan ontfingen zy
vyf-en-twintig gulden. Men gaf hun vyftig gulden, wanneer zy 'er één
levendig vongen, en duizend gulden voor het ontdekken van een gehucht
of bezitting.
Aanteek. v. d. Schryver.
[37] De Negers hebben de onmenschelyke gewoonte, om de lyken hunner
vyanden te verminken en te verscheuren; zommigen zelfs doen dit,
even als de Caraïben, met hunne tanden.
[38] Men zie het Pourtrait van den Schryver, voor het eerste Deel
van dit werk geplaatst.
[39] De Indianen maken de buitenste bast van deeze vruchten glad,
na dat ze ledig gemaakt en gedroogd zyn, en doorvlammen dezelve op
eene fraaije wyze met Roucoa en andere schoone kleuren, in acajou gom
gemengd zynde. Hunne teekeningen, in 't wilde gemaakt, zyn vry juist
voor lieden, die geene liniaalen noch passers hebben. Men ziet deeze
werken nu en dan in de kabinetten van zeldzaamheden.
De inwooners der plaatsen, alwaar de Calebassen-boom groeit, beschouwen
het vleesch van deszelfs vrucht als een algemeen geneesmiddel voor
een groot aantal ziekten en toevallen. Zy gebruiken het tegen de
waterzucht, buikloop, kwetsingen door vallen veröorzaakt, kneuzingen,
ongemakken van wegen het steken der zon, hoofdpynen, zelfs om
verbrandingen te geneezen. Zy maken 'er een geestryken drank van,
naar onze limonade gelykende. Tegenwoordig heeft men het gebruik,
om dit vleesch te laten koken, het afkookzel door een doek te gieten,
vervolgens suiker daar in te mengen, en daar van eene buikzuiverende
Syroop te maken, welke men op de Eilanden dikwils gebruikt, om
geronnen bloed kwyt te raken: deeze Syroop word tans in Frankryk
gemeen, alwaar men ze voor de borst gebruikt. Zy is bekend onder den
naam van Calebassen-Syroop.
MILLER bericht ons, dat men, uit aartigheid, en met een goeden
uitslag, den Americaanschen Calebassen-boom, in een broeikas van
gematigde warmte, in Europa had aangekweekt; deeze boom vordert een
ligten grond, en meenigvuldige besproeijingen. Men plant hem voort
door stekken en versche korrels of pitten in den grond te steken.
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.
[40] STEDMAN zegt in eene aanteekening, by deeze gelegenheid, te
gelooven, dat deeze slang tot het zelfde zoort behoort, waar van
Dr. BANCROFT spreekt, die, in navolging van de Indianen, denzelven
de kleine Labarra noemt, waar van de beschryving alhier volgt:
"De kleine Labarra heeft ten naasten by de lengte van veertien voeten,
en de dikte van een gewoone zwanen-schacht. Hy is bedekt met kleine
blinkende schubben van eene donker bruine kleur, en eene meenigte witte
vlakken. Zyne staart is klein en spitsachtig toeloopende, zyn kop een
weinig plat, en grooter dan het overig gedeelte van zyn lichaam. Een
ongelukkig voorval, onlangs op de Plantagie la Conception, in de
Volkplanting Demerary, gebeurd, bewyst de kwaadaartigheid van het gift
van deezen slang. Hy, die daar van de doodelyke gevolgen ondervondt,
was een Neger-slaaf, een timmerman van zyn ambacht. Aan zyn werk zynde,
en een stuk hout willende omkeeren, beet een slang van dit zoort, die
'er onder verborgen lag, hem in dien voorsten vinger van zyne rechte
hand. De uitwerking van dit vergift was allergezwindst. De Neger had
naauwlyks den tyd gehad, om den slang te dooden, of hy konde het niet
langer op de been houden, maar viel op den grond ter neder, en stierf
in minder dan vyf minuten. Het bloed, eene zoo schielyke ontbinding
ondergaande, liep uit de slagaderen, en deedt op alle de uitwendige
deelen van het lichaam purper-vlakken te voorschyn komen. 'Er volgde
ook eene bloedstorting uit neus, ooren en mond, enz. Ik ben van
dit geval geen ooggetuige geweest, maar ik verhaale het volgens
het gezegde van lieden, wier geloofwaardigheid niet in twyffel kan
getrokken worden, en die 'er by tegenwoordig waren, toen het voorviel".
De andere slang, waar van STEDMAN in het vervolg spreekt, schynt de
Cenco te zyn, en met de evengemelde veel overëenkomst te hebben.
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.
[41] Men vindt van dit dier, onder deeze benaming, eene beschryving
in het Dictionn. d'Hist. Natur.
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.
[42] Men schoot het kanon af by het aannaderen van het gevaar;
de nabuurige Plantagiën herhaalden telkens de schoten; het alarm
verspreidde zig dadelyk van wederzyden der Rivier, en de hulp kwam
van alle toeschieten.
Aanteek, van den Schryver.
[43] Deeze regels zyn uit het treurspel van Hamlet overgenomen.
[44] In het vierde deel der Natuurlyke Geschiedenis van BUFFON,
pl. 83, vindt men één van deeze vledermuizen, die slechts drie klaauwen
aan elke vlerk heeft.
Aanteek. van den Schryver.
[45] Zommige Schryvers noemen hem het Rivierpaard van Zuid-America. Ik
zal dit dier op een geschikter plaats, beschryven.
Aanteek. van den Schryver.
[46] Dit was des te aanmerkelyker, om dat wy met alle de Indianen in
vrede waren, en dat de Negers de gewoonte niet hebben om het zelve
weg te nemen.
Aanteek. van den Schryver.
[47] Locust-tree.--STEDMAN noch BANCROFT geven den Latynschen
naam niet op van deezen boom, welken de Engelsche woordenboeken,
door my gebruikt, vertaalen door het woord Caroubier of Brood-boom
De beschryving, welke zy beiden van deezen boom geven, koomt niet
juist overëen met de beschryving van den boom, die onder den naam
van Broodboom bekend is. Zie hier, wat de laatstgemelde, van den
Locust-tree sprekende, zegt.
"Deeze boom, die dikwils zeventig voeten hoog is, en een omtrek van
negen voeten heeft, behoort tot het geslacht der peulvrucht-dragende
planten. Zyne schors heeft eene gryze heldere asch-kleur. Zyne
takken, die alleenlyk aan den top uitschieten, zyn zeer talryk, en
bedekt met eironde bladen, van omtrent drie voeten lang, en eene
zeer donkere groene kleur. Dezelve zyn aan een enkele steel twee
aan twee verspreid, en altyd in het midden door eene ribbe ongelyk
verdeeld. In plaats van zyne bloemen, die veel van de gedaante van
kapellen hebben, komen platte peulvruchten, van omtrent drie duimen
lengte, en anderhalve duim breedte, van eene heldere bruine kleur,
wanneer ze ryp zyn, en bevattende drie purperkleurige amandelen, die
veel naar de Windsorsche boonen gelyken, maar veel kleiner zyn. Deeze
amandelen zyn bekleed met eene meelachtige zelfstandigheid, van een
suikersmaak en helder bruine kleur, welke de Indianen met graagte
eeten, en die aangenaam en zoet is.--Uit de voornaamste wortels van
deezen boom druipt eene harstächtige, heldere, doorschynende,geel-
of rood-kleurige gom. Men vindt 'er stukken van in den grond tusschen
deeze wortels. In overgehaalden brandewyn gesmolten zynde, (want
in water laat zy zig niet ontbinden,) levert zy een vernis op, het
Chineesch verlakt zelfs overtreffende. Het hout van den Brood-boom
is van eene helder bruine kleur; het is hard, zwaar en duurzaam;
maar het vergaat in het water, even als het hout van byna alle de
boomen in dit Land" (BANCROFT, Nat. Hist. of Guiana.)
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.
[48] Alle de Matroosen, Soldaten en Negers zyn zeer ongelukkig,
wanneer zy gebrek aan tabak hebben. Dit houdt hen, zoo zy zeggen,
wel te vreden, en zommigen zouden liever gebrek aan brood hebben.
Aanteek. van den Schryver.
[49] Zommige natuurkenners beweeren tegen het gevoelen van onzen
reiziger, dat dit dier deeze snuit naar willekeur kan uit en intrekken,
byna op de manier van een Olyphants snuit, of den hoorn van een
Rhinoceros.
De Zee-paarden, in de huizen te Caijenne opgevoed, zyn uittermaten
gemeenzaam, en worden gaarne gestreeld en gekrabd; zy loopen over al
heen zonder kwaad te doen. Op het eetens-uur ziet men deeze dieren
aankomen, als of zy tot het huisgezin behoorden; zy vermoeien de
lieden, die aan tafel zitten, zeer; zy vragen hun op eene lompe wyze
met hun snuit, om eeten te hebben; zy loopen rondom de eetens-tafel;
zy eeten brood, cassave, vruchten, en dikwils, eer zy heen gaan,
wryven zy zig tegen het huisraad.
De Indiaansche wilden bereiden de huid van deeze dieren, door dezelve
uit te spannen en in de zon te laten droogen; zy bekleeden 'er hunne
rondassen of oorlogs-schilden en hunne stormhoeden mede: de pylen en
kogels doordringen met moeite dit gedroogde leder, het welk zeer hard,
zeer dik, en waar van het weefzel zeer vast en in één gedrongen is. Te
Caijenne maakt men 'er schoenen van, die langer duuren dan schoenen
van ossen-leder; het water doorweekt dezelven niet ligt.
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.
[50] Veele Reizigers maken melding van Zee-menschen, waar aan zy den
naam gegeven hebben van Tritons, Nereïden, Sirenen, half visch, half
vrouw, of Ambizen. Allen komen daar in over één, dat het zeemonsters
zyn, naar menschen gelykende, ten minsten van het hoofd tot het
midden toe.
Men leest in zeker boek, genaamd Delices de la Hollande, dat in het
jaar 1430, na eenen zwaaren storm, die de dyken in Westvriesland had
doorgebroken, een Meermin in het slyk gevonden wierd. Men bragt dezelve
naar Haarlem; men kleede haar, en leerde haar spinnen; zy gebruikte
ons voedzel, en leefde eenige jaaren, zonder het spreken te hebben
kunnen leeren, en had altyd een trek naar het water behouden. Haar
geluid had veel overëenkomst met dat van een stervend mensch.
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.
[51] Hy hieldt hardnekkiglyk staande, dat deeze gezouten spyzen
uitmuntend voor de gezondheid waren; en met dit al had hy drie koks
uit Europa medegenomen.
Aanteek. van den Schryver.
[52] In plaats van dezelve neemt men ook wel een schelp, een
visch-graat, of tyger-tanden.
Aanteek. van den Schryver.
[53] Verscheiden Natuur-kenners zyn van dit gevoelen niet. Onder dit
getal behoort BUFFON, die in zyne Natuurlyke Geschiedenis van den
Mensch zegt:--"De witte of blanke kleur schynt de oorsprongelyke kleur
der natuur te zyn, welke de luchtstreek, het voedzel en de zeden zelfs
tot in het geele, bruine of zwarte doen veranderen, en die in zekere
omstandigheden weder te voorschyn koomt, maar met eene zoo groote
verandering, dat ze niet gelykt naar de oorsprongelyke witte kleur,
die door de opgegevene oorzaaken in de daad van natuur veranderd is".
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[54] Ik heb reeds gezegd, dat de Indiaansche vrouwen zonder smart
kinderen baaren.
Aanteek. van den Schryver.
[55] Dit is onder hen zeer zeldzaam, want 'er is geen vreedzamer volk,
dan zy.
Aanteek. van den Schryver.
[56] De inwoonders van Nieuw-Zeeland noemen hunne knodsen patou
patous, welke gelykluidende uitdrukkingen te merkwaardiger zyn,
naar mate van den zeer verren afstand, die hen van elkander scheidt.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[57] Ik begryp niet, hoe Mejuffrouw DE MERIAN van dit kruipend gedierte
kan zeggen, dat het zyne jongen levendig werpt.
Aanteek. van den Schryver.
[58] De Staaten van Holland weigerden den Koning dit verzoek.
Aanteek. van den Schrijver.
[59] 'Er zyn jaaren van vier, andere wederom van zes schepen.
Aantek. van den Schryver.
[60] Ik heb reeds gezegd, dat men in deeze Volkplanting geen rhum
maakt, en geen suiker raffineert.
Aanteek. van den Schryver.
[61] Men zie Plaat VIII, te vinden in het 1ste Deel van dit werk,
tegen over bladz. 128.
[62] Schoon de Europeanen in de verzengde luchtstreek bleek worden,
hebben de inboorlingen des Lands, en inzonderheid de Mulatten en
Quarteron-Negers eene zeer frissche kleur.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[63] Hier wordt misschien bedoeld het zoort van rozen-boomen, het welk
bloemen voortbrengt, Caraïbische rozen genaamd, en waar van Mejuffrouw
DE MERIAN zegt:--"Deeze rozen zyn uit het Land der Caraïben gebragt
naar Surinamen, alwaar zy welig groeien. Des morgens, wanneer zy open
gaan, zyn zy wit, des middags rood, en des avonds vallen zy af".--Zy
is de Rosa Sinuensis van FERRARIUS.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[64] De groote en kleine Zurzak, of Zursaka, zyn onder den naam van
Anona in de plant-tuinen in Holland bekend.
Aanteek. v. d. Franschen Vert.
[65] Men weet dat verscheiden dieren, zoo als de konynen en muizen,
die volmaakt wit zyn, oogen van eene bloedkleur hebben.
Aanteek. van den Schryver.
[66] Deeze boom groeit tot eene aanmerkelyke hoogte. Zyn dikke
en rechte stam is omkleed met een gryze schors, met stekels
bedekt. Zyne takken zyn zeer wyd uitgespreid, en zyne bladeren zyn
klein en getand. Alle drie jaren brengt hy catoen voort, maar die niet
overvloedig, en niet zeer wit is, en daarom weinig gezocht wordt. Deeze
boom, die zeer veel overëenkomst heeft met den Engelschen eikenboom,
overtreft denzelven echter uit hoofde der grootte en cierlykheid,
waar mede hy zig vertoont.
Aanteek. van den Schryver.
[67] Deeze slang heeft van drie tot vyf voeten lengte, en is in
't geheel niet gevaarlyk. Hy is niet bevreesd, om zig, zelfs door
den mensch, te laten aanraken. De weergalooze glans van zyne kleuren
noopt zelfs de Negers, om hem aan te bidden.
Aanteek. van den Schryver.
[68] Het geval is in dit Land bekend, dat een Neger, die by zynen
meester mishandeld was geworden, 'er op de volgende wyze wraak over
nam.--Toen deeze met zyne vrouw was uitgegaan, sloot de Neger alle de
deuren toe; en by hunne te rug komst, vertoonde hy zig met hunne drie
kinderen op een plat dak boven op het huis. Zyn meester en meesteresse
vroegen hem, waarom hy niet open deed, en tot antwoord, wierp hy de
jongste hunner kinderen voor hunne voeten; zy dreigden hem, hy wierp
de tweede; zy smeekten hem, hy wierp de derde, en allen vielen zy voor
de voeten hunner ongelukkige ouderen dood ter neder. Deeze woedende
Neger zeide hun toen, dat hy voldaan was; en vervolgens wierp hy zig
zelven van boven neder op de straat.--Een andere Neger, om zig over
zyne meesteresse te wreeken, doorstak den man, die hem niet beledigd
had, en verklaarde wyders, dat haar dood hem de wraak van slechts een
oogenblik bezorgen zoude; maar dat haar te berooven van het geen haar
het liefste was, haar tevens veröordeelde tot eene eeuwigdurende straf,
waar van het denkbeeld alleen voor hem genoeglyk was.
Aanteek, van den Schryver.
[69] Na het naauwkeurigst onderzoek, en het bekomen van overtuigende
bewyzen, kan ik verzekeren, dat dit alles met de waarheid
overëenkomstig is.
Aanteek. van den Schryver.
[70] Volgens eene wet, in den Raad van Jamaica vastgesteld, is de
straf van eenen Neger gewoonlyk twaalf zweepslagen, maar kan nooit
boven de negen-en-dertig gaan. Ik heb, in Surinamen, eene vrouw twee
honderd slagen zien ontfangen, en ik was oorzaak, dat zy, op het
zelfde oogenblik, die straf voor de tweede maal onderging.--Men zie
hier boven het II. Deel, bladz. 89.
Aanteek. van den Schryver.
[71] In de maand October 1789, wierden in drie dagen tyds, op Demerary,
twee-en-dertig Negers ter dood gebragt; zy trotseerden den dood
met eenen gelyken moed als hy, wiens geschiedenis alhier door my
is opgegeven.
Aanteek. van den Schryver.
[72] De volgende beschryving zal misschien deeze behandeling beter
ontwikkelen.
"Men moet, om Indigo te maken, drie kuipen hebben, die op verschillende
hoogten naast elkander geplaatst zyn. Men zet ze op een plaats,
alwaar men onbekrompen water bekomen kan.
"De eerste kuip is doorgaans van vyftien tot agtien voeten lang,
twaalf voeten breed, en drie of vier voeten diep. Men maakt dezelve
anderhalf voet wyd, en volkomen digt.
"De tweede is gewoonlyk de helft minder groot, dan de eerste; en de
derde is een derde gedeelte kleiner, dan de tweede. De drie kuipen zyn
zoo ingericht, dat zy door openingen, die in den bodem gemaakt zyn,
uit de bovenste het daar in vervatte vocht ontfangen kunnen.
"Men noemt de eerste kuip de Uitweek-kuip, de tweede de Slag-kuip, en
de derde de Zink-kuip, naardien in dezelve, het geen uit de twee eerste
koomt, bezinkt, en de Indigo daar in tot volkomenheid gebragt wordt."
"Het is van aanbelang, dat deeze kuipen wel bepleisterd zyn, en eene
zekere dikte hebben, om de gisting, die daar in ontstaat, te kunnen
wederstaan. Zy worden in gebakken of gehouwen steenen gemaakt."
Indien ze van uitgehold hout gemaakt worden, en dat men ze langen
tyd wil doen duuren, moet men dezelve met zeer dun lood beleggen.
De Indigo van Cayenne is van een blaauwer kleur, dan die van
St. Domingo. Zy is aan de rupsen zoo niet onderworpen. (Maison rustique
de Cayenne.)
De ouden hebben den oorsprong van de Indigo in 't geheel niet
gekend. PLINIUS gelooft, dat het een schuim van riet is, zig vast
hechtende aan een zoort van modder, die zwart is, wanneer men ze wryft,
en eene fraaije bruine kleur geeft, met purper gemengd, wanneer men
ze weekt. DIOSCORIDES gelooft, dat het een steen is.
De Indigo plant koomt in Europa alle jaaren voort. Zie hier de manier,
op welke men dezelve aldaar aankweekt. Men zaait ze in de lente, op
een bed, en wanneer zy spruiten van twee of drie duimen hoog geschoten
heeft, brengt men ze over in kleine kistjes, met goede aarde gevuld,
en men zet deeze kistjes in een warm bed van rum. Wanneer deeze
planten eenige kragt verkregen hebben, geeft men aan dezelve veel
lucht, door de raamen der broeykassen open te zetten, en in de maand
Juny brengen zy bloemen voort, die spoedig in peulen veranderen.
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.
[73] Het is een heestergewas of boompje van middelmatige hoogte. Het
brengt één of meer stammen voort van een duim in den omtrek, die zes
of agt voeten hoog groeijen, alvoorens takken te doen uitspruiten. Tot
dat de stammen beginnen takken te schieten, zyn zy over haare geheele
lengte van bladeren voorzien, die zy doorgaans na het vormen der
takken laten vallen.
De stam van dit boompjen is langwerpig rond en grysachtig. De
jonge uitspruitzels hebben eene groene schors met eenige weinige
witte stippen; die van de takken is, in het eerste begin, van eene
fraaije roode kleur naar het bruine hellende, en ouder wordende met
eenige grysächtige lynen geteekend. De bladen groeiën wederkeerig,
en bestaan uit drie of vier reijen van blaadjes zonder steelen, maar
van eene eironde gedaante. Het Quacy-hout is zelden zonder bladeren.
Dit boompje is alleräangenaamst voor het gezicht, uit hoofde van de
meenigte zyner roode bloemen, en de verscheidenheid van kleuren in
deszelfs bladeren. De wortel, het eenige gedeelte van den boom, het
welk gebruikt wordt, is ligt, en geheel van week hout; deszelfs schors
is fyn, grys en knoestig, en op zommige plaatsen als gespleeten. Deeze
wortel is, even als de geheele boom, uittermaten bitter. Men oordeelt
dit hout zeer balsemächtig te wezen, en door zyne bitterheid geschikt,
om zuure stoffen en verrotting te wederstaan. Men bedient 'er zig in
America van tegen de tusschenpoozende, aanhoudende, kwaadäartige,
en rotkoortsen. Men neemt het in als een poeder, en, om des te
beter te werken, als een afkookzel in wyn of water. Het is nog maar
weinige jaaren geleden, dat dit middel in Europa in de Geneeskunde
is ingevoerd. Men bedient zig ook van een aftrekzel van dit hout
in wyn, tegen de jicht, en om de maag te versterken. In één woord,
het Quacy-hout kan het gebrek van de Kina vervullen.
Aanteek. van den Franschen vert.
[74] De koffy wierd in 't 1554. uit Arabië naar Constantinopolen
overgebragt.--Omtrent in het midden van de zestiende eeuw wierd
derzelver gebruik te London ingevoerd; en in 't jaar 1728, plantte
de heer NICOLAAS LAWS de eerste Koffyboon te Jamaica.
Aanteek. van den Schryver.
Men heeft reden te gelooven, dat de Italianen de eerste onder de
Christen volken zyn, by welken deeze beroemde drank is ingevoerd. Zy is
vervolgens voor het jaar 1643 naar Parys overgebragt. 'Er zyn bewyzen,
zegt AUBLET, dat geduurende de regeering van LODEWYK XIII, onder het
kleine Gerechtshof te Parys, gekookte koffy verkogt wierd, onder den
naam van cahové of cahovet. De Turken noemen dezelve cahveh, het welk
koomt van het waord cahoah of cahoueh, waar door de Arabieren dien
drank aanduiden, dien zy het eerst gekend en in gebruik gebragt hebben;
schoon dit Arabisch woord allen drank in 't gemeen beteekent. Het is
waarschynlyk, dat 'er niet zeer veel van verkogt wierd, en dat dit
niet lang geduurd heeft.
Het jaar 1669, in onze Geschiedenis over bekend door het plechtig
Gezandschap van SOLIMAN AGA, die door Sultan MAHOMET IV aan LODEWYK
XIV gezonden wierd, moet gehouden worden voor het waare tydperk van
de eerste invoering van het gemeene gebruik der koffy te Parys. Deeze
Gezant, en zyn gevolg, boden, volgens de gewoonte van hun Land, deezen
drank aan de Hovelingen, en verdere persoonen, die uit beleefdheid
aan den Turkschen Minister een bezoek gaven, waar door veele inwooners
deezer hoofdstad 'er smaak in kregen, en 'er zig aan gewenden.
Aanteek. v. d. Franschen Vertaler.
[75] Alle vrylating is, in de Volkplanting van Surinamen, aan de
volgende bepalingen onderhevig: indien dezelve geschiedt ten voordeele
van een manspersoon, is deeze genoodzaakt de Volkplanting tegen
derzelver binnen- en buitenlandsche vyanden te dienen: de vrygelatene,
van welke kunne die ook zy, kan geen getuigenis geven tegen zynen
ouden meester; en indien hy in de Volkplanting koomt te sterven,
erft zyn voorige meester het vierde gedeelte zyner nalatenschap.
Aanteek. v. d. Schryver.
[76] Daar de laatstgemelde zynen post kortlings heeft nedergelegd,heb
ik het genoegen het Publiek te berigten, dat de Heer FREDERIK,
die brave Officier, waar van ik zoo dikwils gesproken heb, en die,
eenigen tyd bevoorens, onder het krygsvolk der Sociëteit van Surinamen
te rug keerde, in het jaar 1792. tot Gouverneur der Volkplanting
benoemd wierd.
Aanteek. van den Schryver.
[77] Deeze Officiers, welken men steeds als de waare vertegenwoordigers
van de Schotsche Brigade beschouwde, zagen hunne braafheid beloond door
het herstel van deeze oude krygsbende, onder bevel van den Generaal
FRANCIS DUNDAS; en dezelve wierd naar Gibraltar in bezetting gezonden.
Aanteek. van den Schryver.
[78] Haar broeder HENDRIK, die zyne vryheid verkregen had, ondervond
het zelfde lot.
Aanteek. van den Schryver.
[79] Exposé des moyens de mettre en valeur & d'administrer la
Guiane.--Eén Deel in 8vo; met een Kaart: by DUPONT, rue de la Loi.
[80] Dit is geschreven in 't jaar 1786. De hoeveelheid van de
voortbrengzels deezer Volkplanting is tegenwoordig ten minsten
verdubbeld.
[81] De Hollandsche roede is van 12 voeten Rhynlandsche maat, het
welk ten naasten by 11 Fransche voeten. (of 3 metres, 572,) uitmaakt.
[82] De groote verwagting, die men van Fransch Guiana had opgevat, deed
aan het zelve eenigen tyd den naam geven van Middel-lynig Frankryk,
of France Equinoxiale.
[83] De Burger LESCAILLIER ontvouwt dit verschynfel op eene voldoende
wyze, in zyn werk, ten titel voerende: Exposé des moyens de mettre en
valeur, & d'administrer la Guiane, &c. chez Dupont, imprimeur-libraire,
rue de la Loi, Nº. 1231.
[84] PIERRE BARRERE, Correspondent van de Koninglyke Academie der
Wetenschappen te Parys, en Genees-Kruidkundige van den Koning op het
Eiland Cayenne.
[85] ANTOINE BIET, de opperste der Zendelingen, die toen naar Guiana
vertrokken, verhaalt, dat elk der deelgenooten, welken men Seignieurs
associés noemde, het bevel wilde voeren. ROIVILLE lag ziek, toen hy
vermoord wierd. Hy scheen 't lot, het welk hem over het hoofd hing,
te voorzien, en was zeer ontroerd van geest. Den 17 September 1652,
omtrent middernacht, werd BIET door een zeer sterk geraas ontwaakt;
en op het zelfde oogenblik hoorde hy een geroep: Werp dien schurk in de
zee. Willende zien wat 'er gaande was, wierd hy te rug gestooten. Kort
daar op deeden hem de moordenaars by hun komen. Hy beklom de hut, en
schrikte op het zien van het bed van den Generaal, geheel met bloed
besmet, en waar op twee bebloede baijonnetten lagen. Men verklaarde
aan den Zendeling, dat de deelgenooten raadzaam geöordeeld hadden
zig te ontdoen van eenen man, die het voornemen had hen allen van
kant te helpen. BIET ging heen; maar des anderen daags liet men hem
wederkomen, hem aanzeggende, dat hy den dood van den Generaal aan
al het scheepsvolk zoude hebben bekend te maken. De Geestelyke was
'er zeer verlegen mede. Hy besloot echter te gehoorzamen, maar hy
deed zulks, zonder den gepleegden moord te rechtvaardigen.
[86] Men kan niet zonder yzing aan den naam van Kourou denken, zegt
de Burger LESCAILLIER; aan die plaats, alwaar 13000 menschen het leven
lieten, en de slachtöffers werden van een ontwerp, het welk misschien
uitvoerlyk geweest was, indien het met gematigdheid en voorzorge was
aangelegd geweest; alwaar de Staat dertig millioenen aan onkosten
verspilt heeft, met geen ander gevolg, dan dat, deeze ongelukkige
Volkplanting een geruimen tyd haare achting verloren heeft; terwyl men
aan den aart der luchtstreek toeschreef, het geen slechts de misslag
der Regeering, en het gevolg van een verkeerd overleg was. (Exposé
des moyens de mettre en valeur, & d'administrer la Guiane, an VI.)
[87] In de ver af gelegene Binnen-Landen zyn Indianen van eene
verhevene gestalte, en sterk gespierd.
[88] Ik vermeene alhier, ter eere van deeze beide huwelyks
verbintenissen, te moeten herïnneren, dat het geen de Burger
LESCAILLIER gedacht en beproeft heeft, overëenkoomt met den raad,
door RAYNAL gegeven, in zyne Histoire Philosophique des deux Indes,
Liv. XIII. Tom. III. pag. 359. & suiv. Edit. in 4º.
[89] Zie RAYNAL, Livr. XIII. pag. 291. Edit. in 4º.