De Schepen ligten het anker, en steken in zee.
--Overtocht.--Het Zee-paard.--De Noordkaper.--De
Haay.--De Zuiger-visch.--Het Lootsmanmetje.--De
Bruinvisch.--Zee-orkaan.--De Schepen landen in
Texel aan.--Ontscheping van het krygsvolk in de
stad 's Hertogenbosch.--Dood van den Colonel
FOURGEOUD.--Besluit.
Toen alles tot ons vertrek volkomen in gereedheid was, ligtten de
beide schepen, onder bevel van den Lieutenant Colonel DES BORGNES het
anker den 1sten April 1777, en zeilden noord- en noord-west-waarts
met een oosten wind, en stevige koelte. Ik bleef als een beweegloos
en stom mensch, in het agterste gedeelte van het schip, tot dat
de wolken ons beletteden land te bekennen. Na verloop van eenige
dagen echter gelukte het my, om myne droefgeestigheid te boven te
komen, en eene zoort van rust te erlangen. Daar toe was ongemeen
dienende deeze troostende aanmerking, dat, zoo ik my zelven in zeker
opzigt al benadeeld had, ik ten minsten drie belangryke persoonen,
JOANNA, JHONNY en QUACO namelyk, aan de slavernye onttrokken had,
welke weldaad zy overwaardig waren. Ik was voor deeze goede daad in
voorraad betaald, door de zorgvuldigheden van twee derzelven, waar
aan ik het behoud van myn leven te danken had, terwyl een onëindig
getal menschen rondöm my onder den last der onheilen bezweken was,
anderen hunne gezondheid, verscheiden het gebruik van hunne ledematen,
zommigen hun geheugen, en eindelyk één of twee hun verstand verloren
hadden; zynde allen de slagtöffers van eenen gestrengen dienst in
eene noodlottige luchtstreek.
Van byna twaalf honderd wel gestelde mannen, die tot deezen tocht
waren ingescheept, kwamen 'er ten hoogsten honderd in hun vaderland
te rug, en onder deezen bevonden 'er zig misschien geen twintig in
volmaakte gezondheid. Men telde onder de dooden, (de Heelmeesters
daar onder gerekend) tusschen de twintig en dertig Officiers, onder
wier getal drie Colonels en één Major waren. Dusdanig moet de uitslag
zyn van de gelukkigste krygsönderneemingen in een brandend heet land,
het welk met moerassen en bosschen doorsneden is.
Den 14den April gingen wy over den zonne keerkring. Vervolgens de koers
veranderd hebbende, zeilden wy noord-noord-oost, en noord-oost-waarts,
en wy wierden door stilte overvallen. Ik moet niet vergeten te
verhaalen, dat wy ons op vyftien graden noorder breedte bevindende,
de streeken overzeilden, welken men doorgaans de groene Zee noemt,
uit hoofde van de meenigvuldige zeegewassen, waar van zommige,
tusschen twee bladen papier uitgespreid en in de zon gedroogd zynde,
zeer merkwaardig zyn, en boomen, heesters, bloemen vertoonen, en
stukjens van verschillende zoorten van visschen en schelpen in zig
bevatten. Wy zagen ook het Zeepaard, een visch, die agt of negen
voeten lang is: deszelfs lichaam is met kraakbeenige ringen gevormd;
zyn bek is langwerpig, en zyn kop met een zoort van hoofdhair bedekt.
Den 19den, hield de stilte nog aan. Dagelyks wierden wy vermaakt door
het gezicht van eene groote meenigte vliegende visschen, zee-braassems
en noord-kapers, die voor en agter de schepen zwommen en speelden,
als of zy ons gezelschap hadden willen houden. De Noordkaper is een
visch, tot het geslacht der groote visschen behoorende; hy gelykt een
weinig naar den Dolphyn, maar is veel grooter, en koomt in gedaante
na by den walvisch; zomtyds is hy twintig voeten lang, en ongemeen
vet. Zyn kakenbeen is van veertig zeer scherpe tanden voorzien. Hy
werpt het water uit, door twee neusgaten, en zyne kleur is bruin. Wy
zagen ook van tyd tot tyd, op eenigen afstand van de schepen, en
boven de golven, groote Noordkapers.
Dit zoort van visch gelykt zeer veel naar de Groenlandsche walvisschen,
maar hy is veel gevaarlyker, om dat zyne gestalte kleinder, en zy
ne gedaante platter is. Zyn kakebeen is ook korter, en van kleine
knevels voorzien. Zyne huid is witter, en zeldzaam geeft hy meer dan
dertig vaten traan.
Den 22sten, begon het weder op eene zichtbaare manier te veranderen. Al
het scheepsvolk wierd door verkoudheid, en verscheiden door de koorts
aangetast.
Den 30sten, was een ieder zoo zwak, dat de dienst met moeite volvoerd
wierd. Wy hadden reeds twee matroosen en één soldaat verloren. Den
Lieutenant Colonel DES BORGNES zig zeer ongesteld bevindende, wierd
my het bevel voor eenige dagen opgedragen. Dewyl het andere schip toen
voor uit, en byna buiten het gezicht was, liet ik een vlag opheisschen,
en een kanon-schoot doen, om het zelve te rug te roepen, gelyk ook
oogenblikkelyk gebeurde.
Toen dien zelfden dag een groote Haay aan één der zyden van ons schip
zwom, deeden wy vergeefsche pogingen om hem te vangen. De zee bevat
verscheide zoorten van visschen van den zelfden naam, maar deeze is
de verschrikkelykste van allen, uit hoofde van zyne grootte, want
hy weegt zomtyds duizend ponden, en is zestien of agttien voeten
lang. Zyn kop is platachtig en breed, en men bespeurt in den zelven
twee gaten, door welken het dier het water laat uitspringen. In alle
rigtingen draait hy zyne vooruitstekende oogen, die zyne vraatzucht
te kennen geven. Beneden dezelve is zyn bek geplaatst, die zoo breed
is, dat hy een grooten hond in eens zou inslokken. Zyne tanden,
in vyf of zes reijen gerangschikt, zyn zoo snydend en sterk, dat hy
den arm of het been van een mensch met het grootste gemak afbyt; het
geen verscheidene maalen gebeurd is. Zyn geheele lyf gelykt volmaakt
naar dat der zee-honden, welken men in de Noordelyke Zeeën vindt. Hy
heeft vyf vinnen, één op den rug, twee aan de borst, en twee aan
den buik. Zyn staart is vorkswyze uitgesneden; maar het bovenste
gedeelte is het langste. Van zyne ruwe en slymige huid maakt men
segryn leder. De Haay zwemt altyd met kragt, maar hy is genoodzaakt
zig op zyde te wenden, om zynen buit te pakken, het geen oorzaak is,
dat hem verscheiden visschen ontsnappen.
De Zuiger-visch is een visch, welken men dikwerf vindt, aan de kiel
der schepen en aan de groote zee-monsters, zoo als 'er aanstonds
één derzelven door my beschreven is, vast zittende. Hy heeft eene
gryze kleur, en is twintig duimen lang. Zyn lyf, van eene ronde
gedaante, wordt naar de staart dunner. Zyne vinnen zyn geplaatst,
als die van de Haay. Zyn zuiger maakt hem het meest merkwaardig. Het
is eene kraakbeenige zelfstandigheid, van eene eironde gedaante,
door zydelingsche balken van gelyken aart, die snydend en getand zyn,
afgedeeld. Dit gedeelte van den Zuiger-visch hecht zig met zulk eene
kragt aan alles vast, dat, wanneer hy vast zit, de zwaarste golven
niet in staat zyn hem los te maken.
Het is gepast alhier melding te maken van het Lootsmannetje. Hy is
klein, en verrykt met de schitterendste kleuren, namelyk bruin met
een gouden weerschyn. Men zegt, dat hy niet alleen gevoed wordt door
het overschot der visschen, welke de Haay laat vallen, maar zelfs
dat hy by deszelfs buit de wacht houdt, en van die byzonderheid zynen
naam ontleent.
Van het begin van den overtocht af, ging ik bloots hoofds en
barrevoets; maar den eersten May, juist een maand na ons vertrek,
was ik genoodzaakt my te kleeden, even als myne mede-reisgenooten.
De Heer NEYSSENS, één van onze Heelmeesters, een Crabbo-dago, een
zeer verslindend dier, aan boord hebbende, geraakte dezelve omtrent
te deezer tyd uit zyn hok los, en doodde in éénen nacht alle de
aapen, alle de papegaijen, en al het gevogelte, dat zig op het verdek
bevond. De lieden, die de wacht hadden, redden zig met weg te loopen,
maar één van hun had de onverschrokkenheid, om hem met een stuk hout
dood te slaan.
Den 3den, hadden wy, op veertig graden zuid-ooster breedte, zwaare
regenbuiën, en stormwind. Dezelve vermeerderde dagelyks tot den 9den,
wanneer hy gematigder begon te worden.
Wy zagen toen Bruinvisschen. De visch van deezen naam heeft vyf of zes
voeten lengte, is zeer vet, zonder schubben, en van eene zwartachtig
blaauwe kleur. Zyne oogen zyn klein; hy heeft puntige tanden, en een
zeer langwerpigen bek. Hy heeft drie vinnen, één op den rug, en twee
aan de borst. Zyn staart is horizontaal, op dat hy boven het water
zoude kunnen springen; het geen hy meenigmalen doet, het zy om te
snuiven of adem te halen, en men kan dan van zeer verre af het gesnuif
van zyne neusgaten hooren. Het vleesch van den Bruinvisch is rood,
en gelykt veel naar zommige zoorten van varkensvleesch.
Den 13den, geduurende een vierde gedeelte van den morgen, en op een
korten afstand van de Azorische Eilanden, wierden wy door eenen
geweldigen storm uit het oosten beloopen. Eene bramsteng dreef
kort daar na op zyde van ons schip voorby. Wy vernamen vervolgens,
dat dezelve van een Hollandsch Oost-Indisch Compagnies Schip was,
het welk in zyne te rug komst in de nabyheid van het Eiland Tercéra
met man en muis verging.
Den 14den, was de wind zoo geweldig, dat wy onze groote bramsteng
verlooren, en het groote zeil scheurde. Het andere schip verloor te
gelyker tyd zyn boeg-spriet.
Den 15den, kregen wy een orkaan, vergezeld van blixem, donder, en
zeer zwaren regen. Dezelve duurde den geheelen nacht, en nam onze
mast weg. Het volk was uittermaten vermoeid, en naauwlyks bestand
tot den arbeid, die 'er noodig was, om eene schipbreuk voor te komen.
De twee volgende dagen behielden wy tegenwind, met een reef in het
fokkezeil. De golven klommen bergs hoogte, en sloegen aanhoudend over
het schip heen. Nacht en dag moesten wy pompende blyven. Kort daar
na deeden wy de gewoone groete aan het Hollandsch Fregat de Alarm,
het welk ons zulks wederkeerig bewees.
Den storm eindelyk ophoudende, peilden wy negen vademen water. Maar
de wind eensklaps noord-oost-waarts draaijende, dreeven wy den mond
van het Kanaal in, tot des morgens van den 21sten, wanneer, ten half
twee uuren, het andere schip een schot deed, om ons te berigten,
dat de vuurbaak der Sorlings Eilanden in het gezicht was; en des
morgens ten vier uuren kwam 'er een loots aan boord.
Op de hoogte van Douvres eene stilte van agten-veertig uuren gekregen
hebbende, zagen wy eerst den 27sten de Hollandsche kust. Dien
zelfden dag kogten wy beste visch, ons door eene Scheveningsche pink
aangebragt, en wy onthaalden 'er al het volk op, schoon nimmer een
schip beter van voorraad voorzien was.
Ons geduurende den nacht van de wal afhoudende, kregen wy eindelyk
Kykduin en den Helder in 't gezicht. Den 28sten, des morgens ten drie
uuren, wierpen de beide schepen het anker op de rheede van Texel,
na negen kanon-schoten gedaan te hebben.
Den 30sten, in de Zuiderzee het kleine Eiland Urk voorby gezeild zynde,
geraakten de beide schepen, het voor den wind hebbende, van zelf op
het Pampus, eene zeer groote zandbank, met water overdekt, niet verre
van Amsterdam afgelegen, en aan deeze Stad tot een natuurlyke wal ter
beschutting tegen alle buitenlandsche vyanden dienende. Alle schepen
moeten daar over heen gaan, of tusschen beiden door geleid worden;
en dit laatste middel verkozen wy.
Eenige Noorweegsche schepen kwamen te gelyker tyd met ons aan. Allen,
die zig op dezelven bevonden, zaten in hun hembd op het dek, en waren
nat van het zweeten, terwyl wy in mantels gedoken waren, en gevoerde
mutsen op het hoofd hadden, om ons tegen de koude te beveiligen.
De stad Amsterdam zond thans eene groote meenigte ververschingen aan
boord, dezelven aan de verlossers eener Volkplanting aanbiedende, by
welke zy een zoo merkelyk belang had. Het volk van onze beide schepen,
op 't punt zynde van hunne nabestaanden en vrienden weder te zien,
was opgenomen van vreugde. Men moet echter daar van een enkelen
uitzonderen, die thans van zyn geluk verstoken was.
Den 3den Juny, ging ons volk over op zes kleine vaartuigen, waar mede
zy naar 's Hertogenbosch werden overgevoerd, eene Stad, alwaar men
deeze krygsbende voltallig maakte, en dezelve in bezetting hield. By
het ontschepen begroetten ons onze schepen met negen kanon-schoten, en
wy beantwoordden hen met een driewerf geroep van Hoezée. Wy namen den
weg over Saardam, Haarlem en ter Goude, welke plaatsen ik zeer fraay
vond: ik bewonderde vooral de geschilderde glazen van de hoofdkerk
der laatstgemelde stad. Maar de inwooners, die, door nieuwsgierigheid
gedreven, ons in meenigte omringden, scheenen my toe een wonderlyk
slag van menschelyke wezens te zyn, met lappen bekleed, en door de
gaven der natuur zeer weinig begunstigd. Het was tegen dit volk niet
alleen, dat ik zulk een vooröordeel had; alle de Europeanen hadden
by my een gelyk voorkomen, wanneer ik ze vergeleek by de geenen, die
ik verlaten had, by die menschen, wier oogen vol vuur zyn, de tanden
zoo wit als ivoor, en de huid steeds van eene ongemeene zindelykheid
glinsterende. Intusschen dagt ik niet aan het buitengewoon voorkomen,
het welk wy maakten, wier taanige kleur door de zon verbrand was,
en die, door zoo veele ellenden en vermoeijenissen uitgeput, niets
meer dan wandelende geraamten waren. Ik zoude 'er kunnen byvoegen,
dat wy zoo lang in de bosschen geleefd hebbende, geen ander voorkomen
dan van wilde menschen hadden; en ik zelf in 't byzonder verdiende
en verkreeg dien bynaam.
In dien staat kwam ik in de Stad s' Hertogenbosch aan, alwaar onze
laatste ontscheping den 9den plaats had.
Op deeze wyze eindigde één der buitengewoonste tochten, die immer
door Europeesch krygsvolk waren ondernomen, en waar by men slechts
op eenen verren afstand den oorlog tegen de Americaansche Zeeroovers
in vergelyking stellen kan.
By onze aankomst ontmoetten wy den Lieutenant Colonel WESTERLOO, die,
in 't jaar 1773, in Europa ziek was te rug gekomen, en thans zelfs
nog niet geheel en al hersteld was. Hy noodigde my, benevens eenigen
van myne medgezellen, ter maaltyd aan eene gemeene tafel, voor een
gedeelte bestaande uit Hollandsche Officiers, die zig beklaagden, dat
het eeten naar den rook smaakte, en dat het rundvleesch slecht was;
terwyl wy, ellendige gelukzoekers, verklaarden nooit beter maaltyd
gedaan te hebben. Maar te gelyker tyd, dat deeze heeren de lekkerheid
der aardbeziën, kerssen, en andere Europeesche vruchten roemden,
vonden wy dezelven verre beneden de advocaaten-peer, de water-meloen,
de ananas, enz. die ons zoo langen tyd tot eene lekkernye gestrekt
hadden.--Alles wat in deeze weereld goed of kwaad is, is enkel
betrekkelyk, of door vergelyking.
Des anderen daags wierden wy op de parade aan den Generaal HARDENBROEK
voorgesteld.
Den 18den, ontfingen wy onze agterstallige soldye, en men stond
aan allen, wien zulks geliefde, toe, om tot hun voorig Regiment te
rug te keeren. Zommige soldaten hadden vier of vyf honderd guldens;
maar zy bragten ze zeer schielyk door.
Het was toen het oogenblik ter uitvoering van myn reeds voorlang
genomen besluit, om namelyk het Regiment van den Colonel FOURGEOUD
te verlaten. Dadelyk na onze ontscheping, verzogt ik myn ontslag aan
den Prins van Oranje, die my het zelve den 20sten verleende, en my
aanstelde tot Capitain onder het Regiment van den Generaal STUART,
het welk ik in September 1772 verlaten had.
Ik veranderde dus van monteering, en kleede mynen getrouwen QUACO
in eene deftige livrey. Ik onthaalde vervolgens myne reisgenooten,
met welken ik zoo veele gevaaren had doorgestaan, ter maaltyd,
en wy scheidden van elkander met wederzydsche betuigingen van eene
eeuwigduurende vriendschap. Des anderen daags morgens vertrok ik,
om my by myne oude krygsbende te vervoegen, alwaar ik met de blyken
van de levendigste vreugde ontfangen wierd.
Den 25sten Augustus, begaf ik my naar het Lusthuis het Loo, in
Gelderland, alwaar ik door mynen Colonel wierd voorgesteld aan zyne
Doorluchtige Hoogheid, den Stadhouder, die my op de vriendelykste
wyze ontfing, en my spoedig bevorderde tot den rang van Majoor in
het Regiment, waar toe ik thans behoorde.
Ik had ook het genoegen, om eenigen van myne oude medgezellen,
en zelfs die geenen, die zonder het te weten, met hunnen ondergang
bedreigd waren geworden, op eene eerlyke wyze beloond te zien.
Den 24sten September, ging ik naar den Hage, alwaar ik zyne
Doorluchtige Hoogheid verzogt, om agttien beeldtenissen van wasch,
door my zelven gegoten, als een blyk van erkentelykheid te willen
aanneemen, gelyk hy ook de goedheid had te doen. Zy verbeeldden
Indianen van Guiana, en Negers uit de Volkplanting van Surinamen,
met onderscheiden arbeid bezig zynde op een Eiland, het welk op een
glas van krystal geplaatst was.
Ik gaf ook mynen Neger QUACO (met zyne toestemming,) aan de Gravin
VAN ROSENDAAL, aan wier geslacht ik groote verpligtingen had,
tot een geschenk. Deeze vrouw, verrukt over het goed gedrag en de
eerlykheid van deezen jongen Neger, liet hem met myne goedkeuring naar
mynen naam doopen, met belofte, dat zy altyd voor hem zoude zorgen,
en hem voordeelen doen genieten, welken ik niet in staat was hem
te beschikken.
Omtrent op het einde van de maand October, boden de Bewindhebberen
der Compagnie van de Berbices my den post aan van Vice-Gouverneur
deezer Volkplanting, in de nabyheid van die van Surinamen gelegen. Ik
begaf my dus naar Amsterdam, om te vernemen, welke hunne voorslagen
waren. Zy bepaalden my eene zeer zwaare bezolding, en beloofden
my groote voordeelen; maar ik hield aan op de belofte, om aan den
tegenwoordigen Gouverneur by deszelfs eerder afsterven te zullen
opvolgen, als mede op eene behoorlyke jaarwedde, by myne te rug komst,
na een bepaald getal van jaaren. Deeze heeren beweerden dit verzoek
niet te kunnen toestaan, en dienvolgende bedankte ik hun voor hun
aanbod. Ik oordeelde het voorzichtiger te zyn myne gezondheid in Europa
te herstellen, dan andermaal in de gezengde luchtstreek te gaan kwynen,
zonder hoop om, in myn vaderland te rug komende, myne dagen in stilte
te kunnen eindigen. Intusschen kreeg ik spoedig myne kragten wederom,
en was zoo welvarende, als ik immer geweest was. Onder honderd van
myne medgezellen was 'er ter naauwer nood een enkele, die op zulk
een geluk roemen konde.
De Colonel FOURGEOUD zelf had weinig genot van zyn fortuin. Eenigen tyd
na zyne te rug komst in Holland, wierd hy in zyn bed dood gevonden. Hy
wierd met alle krygsëer in den Hage begraven.
Zyn gezworen vyand, de Gouverneur der Volkplanting Surinamen,
overleefde hem niet lang. Zyne plaats wierd door den Colonel TEXIER
met eere vervuld, aan wien de waardige heer WICHERS naderhand
opvolgde. [76]
Den Duitschen Keizer de grenssteden van Holland in 't jaar
1782. hebbende ingenomen, was het Regiment van den Generaal STUART
het laatste, het welk de stad Namur ontruimde, alwaar het Keizerlyk
krygsvolk dien zelfden dag, dat hy 'er uittrok, binnen rukte. Kort
daar na wierd de Schotsche Brigade, waar van de soldaten uit
lieden van allerleije natiën bestonden, door de Staaten van Holland,
genaturaliseerd, dat is, tot drie Hollandsche Regimenten gevormd, ter
gelegenheid van den oorlog met Groot-Britanniën, die ons, de meeste
voornaame Officiers en my zelven, noodzaakte om ons afscheid te nemen,
als tegen onzen Koning en ons Land niet begeerende te dienen.
De Prins van Orange gaf my, by het verleenen van myn afscheid, den rang
van Lieutenant-Colonel. Toen wy allen in Engeland waren te rug gekomen,
nam zyne Brittannische Majesteit, uit hoofde van onze getrouwheid,
ons onder zyne bescherming. Den 18den Juny, wierden elf van de onzen,
onder wier getal ik het geluk had te behooren, te Saint James door
den Generaal CONWAY aan den Koning voorgesteld, en hadden de eer om
de hand van zyne Majesteit te kussen.
Den 27sten van dezelfde maand, wierd ons allen, door het Huis der
Gemeente in het Engelsch Parlement, eene halve soldye toegestaan,
volgens den rang, dien elk van ons bekleedde op het oogenblik, dat
hy uit het Regiment ontslagen wierd. [77]
Het Publiek zal zig een denkbeeld van de oudheid en dapperheid der
Schotsche Brigade kunnen vormen, wanneer hy onderrigt wordt, dat
dezelve in 't jaar 1570. in Holland ontscheepte, onder den naam van
vrye Compagniën, onder het bevel van eenige Edellieden van den eersten
Schotschen adel; en dat zy naderhand altyd heeft uitgeblonken in de
oorlogen, door Holland gevoerd, zoodanig dat zy den eernaam verdiend
heeft van het bolwerk der Republiek.
Ik zal myn verhaal besluiten met nog eenmaal aan te stippen eenen
naam, dien men zoo dikmaals heeft aangetroffen, den naam van JOANNA,
van JOANNA, die niet meer in leven is!
In den loop van de maand Augustus 1783, ontfing ik van den heer GOURLAY
eenen brief, die my het hart doorboorde. Dezelve gaf my bericht, dat de
schoone en deugdzaame JOANNA den 5den November was overleden, en dat
men haaren dood aan vergif toeschreef. [78] Men had verdenking, dat
haar vergif was ingegeven uit nyd en jaloersheid, die men tegen haar
had opgevat, uit hoofde van de blyken van byzondere achting, die haar
van wegen haare meer dan gemeene hoedanigheden door de aanzienlykste
lieden in de Volkplanting bewezen werden. Haare moeder door aanneming,
Mevrouw GODEFROY, bezorgde aan haar lyk eene eerlyke begravenis in
het bosjen van oranje-boomen, door haar bewoond. Het beminnelyk kind,
het welk zy my agterliet, wierd my toegezonden met een bankbriefjen
van twee honderd ponden sterling, zynde deszelfs byzondere eigendom,
door hem van zyne moeder geërfd: zyne beide voogden overleden korten
tyd daar na.
Hy wierd in het Graafschap Devon opgevoed, en muntte uit door schielyke
vorderingen in zyne studiën. Hy bezat alle de goede hoedanigheden van
eenen zeeman, en deed twee reizen naar de Westïndiën. In den oorlog
tegen Spanje, diende hy met eere als Adelborst op de schepen zyner
Majesteit Southampton en Lezard. Hy was steeds gereed, om ten nutte
van den dienst zig aan alle gevaaren bloot te stellen. Maar hy leeft
niet meer; hy is op zee gebleven, op de hoogte van het Eiland Jamaica.
Ik heb dus aan den lezer niets meerder te berigten aangaande het lot
der geenen, die my zoo dierbaar waren. Laat het my alleenlyk geöorloofd
zyn, hem by het slot van dit myn verhaal te herinneren, dat ik in alle
myne opgaven de eenvoudige waarheid steeds tot leidsvrouwe genomen heb.
Einde der Reize van den Capitain STEDMAN.
AANHANGZEL TOT DE REIZE VAN J. G. STEDMAN,
ACHTER DE FRANSCHE VERTAALING VAN DEZELVE GEVOEGD