De Muitelingen trekken de Rivier Maroni over.--Derde
tocht naar Gado-Saby.--De Land-Scorpioen.--Verscheiden
zoorten van timmerhout.--Boom, welke een vrucht
voortbrengt, de Marmelade-doos genaamd.--Het aankweeken
van Ryst.--Buitengewone hitte, die alle de moerassen
opdroogt.--De Oppossum van het vrouwelyk geslacht.--De
Brazilsche Wezel.--De Mierëeter.--De Tamandua.--Hout-
luizen en vliegende luizen.--Tafereel van ellende en
sterfte.--De Vrede aan de Volkplanting bezorgd.--De
Poelsnip.--De Lepelgans, en de Brazilsche Ojevaar.
--Wilde Eendvogels van verschillende zoorten.
Den 10den November, begaf ik my, in een talryk gezelschap, met een
vaartuig naar de legerplaats aan de Cassipory-Kreek. Des anderen daags
was de geheele Volkplanting met rook overdekt, dewyl de bosschen aan
het zee-strand in brand geraakt waren, zonder dat men 'er de reden van
konde opsporen. Op de reize ontmoetten wy een hoop krygsvolk, onder
bevel van den Colonel TEXIER, die van Vrydenburg, aan de Maroni-Kreek,
te rug kwam. Deeze Officier verzekerde ons, dat de muitelingen, na den
gevoeligen neep, dien wy hun door het inneemen van Gado Saby hadden
toegebragt, die groote Rivier overvluchtten, en by de Franschen, in
Caijenne wonende, eene schuilplaats vonden. Hy voegde 'er by, dat hy
van hun eene vrouw gevangen had, en de Lieutenant KEEN twee mannen,
na 'er verscheiden gedood te hebben; dat de beide nieuwe compagniën
van vrywillige Negers de eer van hunne vaandels, door hun met groote
staatsie van den Gouverneur ontfangen, ophielden, door het medebrengen
van gevangenen, welken zy aan het strand agter Paramaribo gemaakt
hadden; dat zy by deeze gelegenheid geholpen waren geworden door de
Indianen, die vrywillig gestreden hadden, en meer dan eenmaal op die
zelfde plaats den vyand afbreuk hadden gedaan. Alles deed zig dus
aan ons voor, om onze onderneming met eenen goeden uitslag bekroond,
en de rust in de geheele Volkplanting hersteld te zien.
De Plantagie Saardam, die toen aan den Colonel DES BORGNES, uit hoofde
van zyn huwelyk, toebehoorde, op onzen weg liggende, hielden wy daar
stil. Ik vond 'er eenen Americaanschen matroos, welke melasse, of
suiker-syroop, inlaadde. De bekwaamheid van den nieuwen Planter en
zynen Opzichter willende beproeven, haalde ik deezen matroos over,
om twee kruiken kill-devil (by de Hollanders genoemd kelduivel,)
die op deeze Plantagie gemaakt was, te kleuren, en te verzekeren,
dat hy dezelve als rhum van Antigoa aanbragt. Hy deed het geen ik
hem zeide. Men vond zyne zoogenaamde rhum uitmuntend; men maakte 'er
punch van voor het geheele gezelschap, en men gaf hem wederkeerig zes
andere kruiken van die zelfde kill-devil. De Americaan beloofde my
die insgelyks te zullen kleuren; en hy hoopte zyn vaartuig boordvol
geladen te hebben, voor zyn vertrek van Paramaribo. Zoo veel vermogen
heeft het vooröordeel in alle Landen.
Wy verlieten de Plantagie Saardam, alwaar wy volmaakt wel ontfangen
waren, en wy kwamen den 13den, zonder het ontmoeten van eenig onheil,
op onze legerplaats by de Cassipory-Kreek aan de Cottica. Geene
schoenen, noch koussen aan hebbende, wierd ik byna gestoken door een
Land-Scorpioen, toen ik myne voeten aan den wal zette. Dit insect
heeft de grootte van eene kleine kreeft. Zyn lyf, zynde van eene
eyronde gedaante, en van eene roetkleur, is met beweegbaare ringen
bedekt. Hy heeft agt pooten, welke in geleden verdeeld zyn. Twee
armen, insgelyks in geleden verdeeld, komen uit zyn kop, en schynen
een gedeelte van zyn lyf uit te maken. Zyne oogen zyn zoo klein,
dat men ze naauwlyks zien kan. Zyn staart heeft zeven klootvormige
verdeelingen, naar koraalen van glas gelykende, en eindigt met een
dubbele ring. Het wyfje kronkelt dezelve op haaren rug in elkander, om
haare jongen voor de aanvallen van andere insecten te beveiligen. De
steek van den Land-Scorpioen is niet doodelyk, maar veröorzaakt eene
stekende pyn en koorts. Men zegt, dat hy van huid verandert, even als
de krabben van schelp veranderen. Men vindt hem meestäl op oude boomen,
oud huisraad, en ook dikwils onder het vuilnis, en in het drooge gras.
Onder de ongelukken, welken ik hier zag, moet ik niet vergeten het
verlies van eenen zee-soldaat, die, zig in de Rivier badende, door
eenen grooten Kayman eensklaps wierd naar den grond getrokken. Zoo
dra ik zyn ongeluk bemerkte, ontkleedde ik my, sprong oogenblikkelyk
in het water, en droeg zorg, dat ik altyd het eene been in beweging
hield. Met dit al, ik vond niet den geen, dien ik zogt, en liep zelf
groot gevaar. Ik had door eenen Neger eene lange roeyriem in een
lynregten stand doen houden, ten einde ik my daar aan vast hield,
en hy dezelve, wanneer ik 'er op sloeg, naar zig toe zoude haalen;
maar de Neger, my kwalyk begrypende, maakte met die roeyriem zulk
eene geweldige beweging, dat ik naar den grond zonk. Ik kwam niet
weder boven, dan omtrent in het midden van den stroom, en bereikte
den oever niet dan met zeer veel moeite.
Den 20sten, bevel ontfangen hebbende om naar Gado-Saby te trekken,
vertrok ik des morgens ten zes uuren, aan het hoofd van twee
Lieutenants, drie Sergeanten, zeven Corporaals en vyftig soldaten,
zonder een Heelmeester en den Neger, GOOSSASY, dien wy in drie of vier
uuren kwyt raakten, daar by te rekenen. Wy sloegen ons neder aan de
oevers van de zelfde Cassipory-Kreek, zonder meer dan zes mylen ten
westen van derzelver mond te hebben kunnen voorwaarts komen.
Den 21sten, vorderden wy zeven of acht mylen noordwaarts, en wy vonden
geen enkelen drop water, om den hevigen dorst te lesschen, die ons
allen verslond. Wy waren te midden van het saisoen van droogte,
waar van de hitte dit jaar brandender was, dan ooit.
Toen onzen weg veranderd, en denzelven noord-oost-waarts genomen
hebbende, doorwaadden wy, des morgens van den 22sten, het moeras;
en tegen den middag bereikten wy wederom het drooge; vervolgens,
na nog één uur te zyn voorwaarts getrokken, gingen wy naar den
westkant. Wy ontmoetten aldaar een groot veld, met ignames beplant,
het welk wy verwoestten. Dit gedaan hebbende, trokken wy lynrecht
voort, en sloegen ons neder op het oud verblyf der Negers, Cofaay
genaamd. Het gebrek aan water deed ons verschrikkelyk lyden. De
slaven echter vonden middel, om ons hier water te bezorgen; en hoe
stinkend het ook wezen mogt, dronken wy het zelve, na het door onze
hembds-mouwen te hebben laten doorloopen.
In weerwil van de onaangenaamheden van deezen tocht, onderzocht ik
de volgende boomen, door my nog niet beschreven: de Carnavatepy en
de Berklack, waar van het hout zeer dienstig is. Het eerste heeft
heerlyke zwarte en bruine streepen: het gelykt zeer veel naar het geen
men Brasilisch hout noemt; en wanneer het bewerkt wordt, verspreidt
het een geur, welke voor die van den nagelbloem niet behoeft onder
te doen. Het tweede heeft eene bleek ronde of violet kleur; het
is insgelyks geschikt tot alle werk, waar toe men het gebruiken
wil. Men bood my ook een zeer zonderling zoort van vruchten aan,
genaamd de Marmelade-doos. Dezelve heeft de gedaante van een grooten
appel, maar een weinig meer ey-rond, en geheel met dons bedekt. In
't begin is deeze vrucht groen, maar ryp wordende, wordt zy bruin. De
schil is hard, en door eene zekere beweging scheidt zy zig in tweën,
even als een noot. Het vleesch of merg koomt dan te voorschyn,
gelykende naar dat van een mispel: het is eene zoete en bruin-kleurige
zelfstandigheid, die aan groote pitten vast zit; de inwooners zuigen
dezelve met graagte uit. Het spyt my, dat ik van den boom, die deeze
vrucht voortbrengt, en van wien dezelve haaren naam ontleent, geene
beschryving geven kan.
Den 23sten, trokken wy ten westen van Cofaay, in de hoop om het een
of ander van den vyand te vernemen. Wy volgden een voetpad, loopende
dwars door bebouwde landen, en met den weg gemeenschap hebbende:
wy ontdekten verrukkelyke gezichten; maar wy ontmoetten niets anders
dan een grooten hoop wilde varkens, wier geknor en geraas op den weg
ons, eer wy ze gezien hadden, hen deed houden vooreen afgezonden hoop
muitelingen, en wy maakten ons gereed om dezelven wel te ontfangen.
Tegen den middag kwamen wy weder te Gado-Saby, alwaar wy, naauwlyks
nedergezeten zynde, om van de vermoeienis van onzen tocht een weinig
uitterusten, in ons midden zagen verschynen eenen ouden Neger, hebbende
een langen witten baard, en een stuk van een sabel in de hand. Ik stond
dadelyk overëind, en aan een ieder, wie hy ook wezen mogt, verbiedende
op hem te schieten, zeide ik hem dichter by te komen, hem verzekerende,
dat niemand van de geenen, die onder myn bevel stonden, hem zoude
durven mishandelen, en dat ik hem zelfs alle hulp zoude toebrengen,
die hy benoodigd mogt hebben.--"Neen, neen, Massera! antwoordde hy my
met zeer veel standvastigheid"; en met het hoofd schuddende, liep hy
weg. Onaangezien myne beveelen, wierd door twee van myne soldaaten op
hem geschoten; maar tot myn groot genoegen raakten zy hem niet. Deeze
elendige omzwerver zogt een onzeker bestaan in die verlatene velden,
welken wy meer dan eens verwoest hadden.--De reden, waarom de Negers
zoo moeielyk met een kogel te raken zyn, bestaat hier in, dat zy
nooit in eene rechte lyn, maar altyd kronkels-gewyze, loopen.
Overëenkomstig myne beveelen, verwoestte ik Cofaay, en deszelfs omtrek,
op nieuw, maar het deed my echter leed, om des ouden Negers wille. Na
het om ver hakken van verscheiden catoen-boomen, bananen-boomen,
althaea-planten, duiven-boonen, Indisch koorn, ananassen en ryst,
die grootendeels zedert de eerste aldaar door ons gedaane verwoesting
waren opgeschoten, konde ik niet nalaten, om voor eene kleine hut,
in welkers nabyheid heete asch en bananen-schillen lagen, een weinig
scheeps-bischuit, een groot stuk gezouten ossen-vleesch, en een fles
nieuwe rhum agter te laten, voor den ongelukkigen, die aldaar zyn
verblyf hield. Vervolgens sloegen wy ons andermaal op de vlakten van
Cofaay neder.
Zoo dikwerf gesproken hebbende van velden met ryst bezaaid, verwagt
de lezer waarschynlyk eenige byzonderheden omtrent derzelver
aankweking. De plant, die het graan van deezen naam voortbrengt,
heeft, schoon sterker zynde, vry wat gelykheid met het koorn. Zy
brengt holle gegroefde stammen voort, op zekere afstanden knoopen of
knobbels hebbende, en zig tot de hoogte van vier voeten verheffende. De
bladeren zyn rank, even als van het riet. De zaden zyn ten naasten
by op dezelfde wyze gerangschikt, als de garst, en groeijen aan
halmen, langs welken zy beurtelings geplaatst zyn. De oriza of ryst,
heeft hitte en vocht noodig. De ryst-korrels zyn langwerpig rond;
de beste zyn wit, doorschynend en hard. De nuttigheid van de ryst
is zoo over bekend, dat ik 'er niets anders van zeggen zal, dan dat
dezelve voorkwam, dat onze arme soldaten niet van honger stierven,
voornamelyk in Augustus 1775, toen zy voor een geheel rantsoen daags
niet meer hadden, dan een scheeps-bischuit, en drie koorn-airen van
Indisch graan, voor vyf mannen.
Mynen last toen volkomentlyk ter uitvoer gebragt hebbende, hernam ik,
met myne manschappen, den weg naar de Cassipory-Kreek, trekkende
door de verwoeste velden van Gado-Saby die niets anders dan eene
dorre woestyn vertoonden. Wy gingen vervolgens zuid-oostwaards,
daar na geheel en al zuidwaarts, en hingen toen onze hangmatten in
de nabyheid van onze eerste legerplaats op. Het is opmerkelyk, dat
alle de moerassen door de buitengewoone hitte waren uitgedroogd; en
tevens was de stank, die door eene meenigte van visschen, voornamelyk
tot het zoort van de Warappa's behoorende, welke by het afloopen
van het water gestorven waren, wierd opgegeven, aller ongezondst
en ondraaglykst. Onze slaven echter zogten de minst bedorvene van
deeze visschen uit; des avonds lieten zy ze in de pan bakken, en aten
dezelven als een lekker beetjen.
Des anderen daags morgens, trokken wy verder zuidwest-waarts
ten westen, en hielden omtrent vier mylen van de Cassipory-Kreek
stil. Den 26sten, onzen weg zuid-zuid-westwaarts nemende, kwamen wy
in het hoofd-kwartier, zeer vermoeid, zeer vermagerd, en ik had zelf
de roos in het aangezicht. Ik stelde myn dagverhaal ter hand aan den
Lieutenant Colonel DES BORGNES, die het bevel voerde.
Een hoop van vyftig soldaten wierd, den 27sten, naar den post van
Jerusalem, en deszelfs omtrek, op kondschap uitgezonden, en den 6den
December, kwam de zoo lang verwagte versterking, uit drie honderd
vyftig mannen bestaande, in de Rivier Surinamen aan; zy hadden, van
hun uitzeilen uit Holland af gerekend, de reize gedaan in agt-en-zestig
dagen, maar 'er vyftien van te Plymouth doorgebragt.
Wy vernamen toen, dat Capitain JOACHIM MEIJER, die eene aanzienlyke
somme gelds voor ons volk aan boord had, door de Mooren genomen was
geworden, en met alle zyne scheepsgezellen te Marocco opgebragt,
alwaar zy slaven van den Keizer wierden:--dat het Schip Paramaribo,
Capitain SPRUIT, (één van de geenen, waar in men in het begin van
de maand Augustus de zieken inscheepte,) in het Kanaal op de klippen
van Ouessant schipbreuk had geleden; maar dat, met behulp van eenige
Fransche visschers, allen, die zig aan boord bevonden, gered en naar
Brest gebragt waren, van waar zy wederom naar Texel inscheepten:--dat
de Prins van Orange, uit weldadigheid en menschlievenheid, onder de
Officiers en soldaten, ten getale van meer dan honderd, de navolgende
sommen gelds had laten uitdeelen, namelyk, omtrent veertig guldens
aan elken soldaat, zes honderd aan elken Lieutenant, agt honderd
aan elken Capitain, en duizend aan den Major MEDLAR, die het bevel
voerde. Alle de geschenken, welken ik aan myne vrienden in Europa
gezonden had, waren op dien zelfden bodem, en alzoo, tot myn groot
hartzeer, verloren geraakt.
Zedert meer dan een maand had ik tot myne woonplaats niets anders,
dan eene slechte hut, voor regen en wind bloot staande. Doch thans
vernomen hebbende, dat, in weêrwil van de aangekomene versterking,
men ons bestemd had, om ons eenigen tyd in de bosschen te blyven
ophouden, het geen aan veelen van ons volk zeer leed deed, begon
ik, den 1sten December, om zonder hamer, of spykers, voor my eene
wooning te laten bouwen, die in zes dagen was afgemaakt, schoon twee
verdiepingen, eene overdekte gaandery met een hek, en eene kleine
keuken hebbende. Dicht daar by was een tuin tot myn gebruik, alwaar
ik op jong plantsoen, de namen van JOANNA en JOHNNY sneed. Tot gebuur
had ik mynen vriend den Capitain BOLTS, die een geyt had, waar van de
melk ons van groot nut was. Anderen hielden eendvogels en hoenderen;
maar de laatstgemelde hadden geene haanen; men was bevreesd voor hun
gekraay, en had dezelven gedood. Alle onze Officiers eindelyk bouwden,
aan den oever, eene reije van zeer zindelyke wooningen; aan de overzyde
had men meer dan honderd hutten, (die toen allen groen waren,) voor het
nieuwe krygsvolk opgericht, en het geheel maakte eene fraaije straat,
waar van niettemin de bewooners een zeer slecht voorkomen hadden.
Het was aan myne wooning merkwaardig, dat men 'er door het dak
inkwam. Door dit middel zag ik my ontheven van alle die aanloopende
bezoeken, die myn voorraad uitputten, en my meenigmaalen hinderden,
wanneer ik met teekenen, schryven of lezen bezig was. Onze legerplaats
was daarënboven zeer aangenaam. Wy waaren op eene hoogte, alwaar
wij van de schadelyke dampen, die aanhoudend uit den grond opkomen,
en elders een groot getal manschappen hadden doen sneven, niets te
vreezen hadden.
Geduurende de zeer korte oogenblikken, dat ik hier eenige rust had,
maakte ik in het klein, op een plank van agtien duimen lengte en
twaalf duimen breedte, de boeren-wooning, welke ik aan de Hoop bewoond
had. Ik gebruikte daar toe insgelyks takken van Latanus-boomen, en
elk beschouwde het als iets, dat zeer merkwaardig was. Ik gaf het
ten geschenke aan mynen vriend den heer DE GRAAF, die het vervolgens
in zyne verzameling van zeldzaamheden te Amsterdam plaatste. Dewyl ik
thans van dit onder werp spreeke, zal ik aan den lezer een gezicht van
beide myne wooningen aanbieden, de eene aan de Hoop, alwaar ik zulke
gelukkige dagen doorbragt, de andere slechts voor een korten tyd, zoo
als wy die in de bosschen bouwden, om aldaar voor het slecht weder
beveiligd te zyn. De eerste kan beschouwd worden als het zinnebeeld
van huisselyk geluk; de tweede als het zinnebeeld van allerleije
vermoeijenissen en gevaaren.
Het regen-saisoen onverwagt zynde opgekomen, handelde het krygsvolk
der Sociëteit van Surinamen, dat aan de Wana-Kreek lag, verstandig
met op te breken, en trok den 26sten voor by onze legerplaats, de
Cottica afzakkende, om zig naar de Plantagiën aan de Peréca-Kreek te
begeven. Intusschen waaren wy verwezen, om in deeze legerplaats aan de
Cassipory-Kreek gebrek te lyden, terwyl de Colonel FOURGEOUD zig zeer
gerust op Paramaribo bevond. De Officiers van dit volk berigtten ons,
dat eenige andere muitelingen, aan den kant van de Rivier Maroni,
gevangen genomen waren. Wy behaalden zulk een voordeel niet, schoon
wy van alle kanten geduurig ronden deeden.
Den 29sten, eindelyk, wierpen zes schepen, beladen met een gedeelte
van het krygsvolk, het welk uit Holland was aangekomen, het anker
tegen over onze legerplaats. Ik kon niet nalaten de ongelukkigen, die
zig met ons vereenigden, te beklagen, en dit was niet zonder reden,
dewyl verscheiden van hun reeds door de scheurbuik, en andere akelige
ziekten, waaren aangetast. Intusschen bouwden wy een oven van steen,
en deeden al wat wy konden, om hun hulp te verschaffen. Een zekeren
voorraad van wyn ontfangen hebbende, onthaalde ik tevens alle de
Officiers; maar deezen drank den Capitain P----T naar het hoofd
gevlogen zynde, daagde hy my, wegens een kwalyk verstaan, tot een
tweegevecht uit. Wy gingen dus een weinig ter zyden van de legerplaats;
en toen wy den sabel in de hand hadden, trok deeze Officier af met een
schaterenden lach, wierp zyn wapentuig weg, en zeide my: "Dat ik hem
konde afrossen, zoo ik wilde; maar dat hy te veel achting voor my had,
om my den minsten tegenstand te kunnen bieden", en daarop omhelsde hy
my hartelyk. Ik deed hem een vriendelyk verwyt, en bragt hem weder by
het gezelschap, met het welk wy het oude jaar vrolyk ten einde bragten.
Op nieuwe jaars dag van het jaar 1777, gingen wy onze gelukwenschingen
by den bevelhebbenden Officier afleggen; en, onder weg, vertoonde men
my de Philander, of de Oppossum van Mexico, alhier Awary genaamd. Het
was een wyfje, welke men met haare jongen levendig gevangen had.
Ik heb reeds van de Oppossum gesproken; ik zal my dus hier alleenlyk
met die byzonderheden bezig houden, welke ik in het thans aan my
vertoonde dier opmerkte; zy zullen zelfs zeer weinige in getal
zyn, want het dier bevond zig op den bodem van eene ledige kist;
en vreezende door het zelve gebeten te worden, dorst ik het 'er
niet uit haalen. Zoo groot zynde als een Noorweegsche rot, was
deeze Oppossum mitsdien veel grooter, dan die ik bevorens in dit
werk beschreven heb. Derzelver hair had eene geelachtige gryze kleur
op den rug, en eene vuile witte kleur onder aan den buik en aan de
pooten. Haare bek was voorzien van lange knevels en minder puntig,
dan de andere Oppossum. Een zwarte kring liep rondom haaren oogbol;
de oogen waaren wel niet zwart, maar stonden zeer levendig. Haare
staart was uittermaten lang, dik, van zwaar hair voorzien, vooral
ter plaatse waar dezelve aan het lyf vast is, en diende haar tot een
aanvallend wapentuig. Deeze Oppossum had onder den buik een zak,
van een plooy of kreuk in de huid gemaakt, en van buiten zoo wel
als van binnen hairachtig. Haare jongen, ten getaale van vyf of zes,
kwamen 'er nu en dan uit, wanneer de moeder zig stil hield; maar op
de minste beweging of het minste gerucht, begaven zy 'er zig weder
schielyk in. Met dit arme dier, het welk men reeds lang gekweld had,
medelyden hebbende, deed ik de kist op zyde tuimelen. Toen ontsnapte
de gevangene met haare jongen, en klauterden allen gezwindelyk op den
top van eenen hoogen boom, staande in het gezicht der wooning van den
Colonel SEYBOURG. De moeder maakte zig vervolgens met haare staart aan
één van de takken vast; maar dewyl dit zoort van dieren het gevogelte
vernielt, deed de Colonel, voor zyne hoenderen bang zynde, op haar en
haare jongen schieten. By het geen ik gezegd heb, moet ik nog voegen,
dat de gezwindheid van deeze Oppossum my des te meer verwonderde,
om dat verscheiden Schryvers die hoedanigheid in dezelve ontkennen.
Onder de vernielers van het gevogelte, vindt men ook een ander dier, in
dit Land bekend onder den naam van Quacy-Quacy, door zommige persoonen
genoemd het Indisch Konyn, maar zynde in de daad de Coati-moudi, of
het Brazielsche wezeltje. Men vergelykt hem zeer voegzaam met de Vos;
want zoo wel als hy genoegzaame kragten heeft, om een kalkoen of een
gans weg te nemen, is hy ongemeen behendig. Dit dier is zomtyds by
de twee voeten lang. De gedaante van zyn lichaam is als die van een
hond. Deszelfs hair is gewoonlyk zwart, of liever donker bruin; maar
verscheiden van dat zoort hebben het zelve van eene blinkende roode
kleur. Hy heeft eene lange dik gehairde staart, met zwarte streepen als
ringen, en van eene donkere buffels kleur: hy houdt dezelve doorgaans
in de hoogte. Het hair van de borst en van de buik van den Coati is van
eene vuile witte kleur. Zyn kop, van eene helder bruine kleur, heeft
lange kakebeenen, en een zwarte varkensmuil, die by de twee duimen
overhangt, zig in de hoogte opstroopt, de vertooning maakt van een
krom gebogen en opgeheven bek, en beweegbaar is even als die van den
Tapira. Zyne oogen zyn klein; zyne ooren kort, rond, en van wederzyden
door een diep bindzel aan den bek vast zittende. Zyne pooten zyn kort,
en vooräl de voorpooten; dezelve eindigen met zeer langwerpige voeten,
verdeeld in vyf klauwen, met sterke nagels gewapend. Schoon de Coati,
even als de beer, altyd op de hiel loopt, en zig op de agterpooten
staande houdt, is 'er geen dier, (den aap uitgezonderd,) dat met meer
gezwindheid de boomen opklimt. De vogelnesten, met al wat 'er in is,
zyn aan zyne vernielingen bloot gesteld. Hy plundert voornaamlyk de
hoender-hokken; en dienvolgende stelt men alles te werk om hem uit
te roeijen.
Alvoorens de Surinaamsche bosschen te verlaten, moet ik nog een
ander dier beschryven, het welk dezelven bewoont, en voornamelyk van
mieren leeft; het is de groote Mier-eeter, de mier-eetende Beer, of
de Mieren-Leeuw; Ofa Palmera by de Spanjaarden genoemd. Het lyf van
dit dier (twee maalen grooter zynde, dan dat van den Coati-moudi,)
is overdekt met lange en dikke hairen, zwart op den rug en aan den
buik, grys of witachtig geel aan den hals en in de zyden. Zyn kop
is niet zeer dik, maar uittermaten langwerpig, en eindigende met een
grooten bek van eene helder roode kleur. Zyne oogen zyn zeer klein;
zyne ooren kort en rond; en zyn mond, die geene tanden heeft, is niet
grooter dan noodig is, om zyne tong te kunnen bevatten. Zyne staart
is van eene verbaazende grootte, en van zeer lange hairen voorzien,
welke dezelven naar die van een paard doen gelyken. Het dier bedient
zig van deeze buitengewoone staart, om zyn lyf te dekken, wanneer hy
slapen wil; het geen hy doorgaans over dag doet, wanneer hy zig voor
den regen wil beveiligen. Anderzints sleept hem dezelve agter aan,
en hy veegt 'er den grond mede. Hy heeft dunne pooten, maar met zeer
lange hairen overdekt; de agterpooten zyn zwart, korter, en eindigen
met vyf klaauwen; de voorpooten hebben eene vuile witte kleur, maar
eindigen alleen met vier klaauwen, waar van de twee middelste langer
zyn, dan de andere; allen zyn ze met zeer scherpe nagels gewapend.
De groote Mier-eeter is, een slecht looper. Hy zet zig altyd op het
achterste van de langste zyner pooten, even als de Coati, of de
Beer; maar hy klautert beter; en hy is zoo sterk in het vechten,
dat geen hond zig aan hem durft wagen; want geen dier, dat onder
zyne voor-klauwen koomt, en zelfs de Jaguar, of de Guiaansche Tyger,
wordt door hem los gelaten, dan wanneer hy hem dood gemaakt heeft. Zyn
voedzel, zoo als if gezegd heb, bestaat, voornamelyk in mieren, welken
hy op de volgende wyze vangt:--Wanneer hy by een mieren-nest koomt,
steekt hy zyne tong uit, die by de twintig duimen lang is, en zeer veel
gelykheid op een worm heeft; door eene slymige stoffe, of speekzel,
bevochtigd zynde, blyven de mieren 'er in een groot aantal aan hangen;
de mier-eeter haalt vervolgens zyne tong in zynen bek te rug; en hy
herhaalt deeze bewerking, zoo lang nog eenige van deeze insecten in
hunnen schuilhoek overig zyn; daar na gaat hy elders zoeken, om het
zelfde zoort van voedzel op gelyke wyze naar zig te nemen. Hy klautert
ook op de boomen, om aldaar houtluizen en wilden honig te eeten; maar
indien hy het noodige voedzel voor zig niet vindt, kan hy een langen
tyd vasten, zonder daar van het geringste ongemak te ondervinden. Men
zegt, dat men dit dier kan tam maken, en dat hy, in dien huishoudelyken
staat, kruimels brood, en zeer kleine stukjens vleesch doorslikt;
men beweert bovendien, dat zyn vleesch aan de Indianen en Negers
een goed voedzel verschaft; ik heb de laatstgemelden ten minsten het
zelve met smaak zien eeten. Eenige mier-eeters zyn niet minder dan
agt voeten lang, van den kop tot de staart gerekend.
In Surinamen vindt men ook een dier van het zelfde zoort, Tamandua
genaamd: maar hy is kleiner en zeldzamer. Hy verschilt van den
bovengenoemden daar in, dat hy twintig klaauwen heeft, den kop naar
evenredigheid grooter, de staart kleiner, en afgedeeld door zwarte
streepen, en van eene bleek geele kleur. 'Er is ook nog een derde
zoort, welk dier insgelyks den naam van Mier-eeter draagt; maar ik
heb hem nooit gezien.
Den 3den kwamen zes andere vaartuigen van Paramaribo aan; zy waren
geladen met soldaten, die het getal van drie honderd vyftig mannen,
uit Holland gezonden, volkomen uitmaakten. Vernomen hebbende, dat
onder deeze nieuw aangekomenen zig bevond een Capitain, CHARLES SMALL
genaamd, die onder de Schotsche Brigade gediend, en met den Vaandrig
MACDONALD geruild had, zakte ik dadelyk in een kano de Rivier af, om
deezen Officier op te zoeken, en hem mynen dienst aan te bieden. Ik
was naauwlyks op zyn vaartuig gekomen, of ik zag hem aan eene heete
koorts in zyne hangmat ziek leggen. My niet herkennende, uit hoofde van
myn plunje, die niet veel beter was, dan van den gemeensten matroos,
vroeg hy, wat ik begeerde; maar wanneer hy in my zynen ouden vriend
STEDMAN herkende, in eenen zoo verschillenden staat, als hy hem voor
deezen gekend had, drukte hy my de hand, en smolt in tranen weg,
zonder een enkel woord uit te brengen. Deeze aandoenlyke beweging,
waar door zyne ziekte verërgerde, gaf my een sterker bewys van zyne
vriendschap voor my, dan eenig gesprek zoude hebben kunnen doen. Ik
nam hem derhalven in myne kano, en bragt hem in myne hut, alwaar men
veel moeite had, om hem door een gat, het welk men opzettelyk maakte,
te doen binnen treden, want het gat in het dak konde alleenlyk voor
my tot een ingang dienen. Zyne hangmat dicht by de myne hebbende doen
ophangen, liet ik water koken, waar in ik rhum, suiker en een weinig
bischuit deed; de zieke nam deeze soup, en van dit oogenblik aan wierd
hy beter. Hy verhaalde my, dat één van zyne soldaten in den overtocht
verdronken was, en dat wanneer de Colonel FOURGEOUD aan de nieuwlings
ontscheepte Officiers een dans-party gegeven had, op welke één van zyne
koks en twee soldaten de plaats van Musikanten vervulden, hy aldaar,
door te veel te danssen, zig zyne ziekte had op den hals gehaald.
Korten tyd daar na, verscheen de Colonel zelf in de legerplaats,
en kondigde ons aan, dat door de aankomst van nieuwe Officiers,
verscheiden onder ons hunnen rang in het Regiment en in het
leger verloren: dit was de belooning voor allerleije zoorten van
vermoeijenissen, gevaaren, en onäangenaamheden, geduurende vier
jaaren lang in eene verzengde luchtstreek. Om de maat van ellende
vol te meten, gelastte men ons, in plaats van ons naar Europa te rug
te roepen, om in de bosschen van Surinamen te blyven, en aldaar de
geenen, die ons moesten vervangen, in den dienst te onderrigten.
De post van Majoor wierd my toen opgedragen. Dezelve was zeer
onäangenaam: men moest dagelyks soldaten kastyden, die om hunnen honger
te stillen, het magazyn beroofden; want hun ontbrak brood eene geheele
week lang, dewyl de oven reeds was afgebroken. Een van deeze arme
keerels wierd byna tot den dood toe gegeesseld, om dat hy een gerookte
worst ontvreemd had van den Colonel, die nooit vergat, om ten minsten
zes sterke Negers te beladen met allerleije zoorten van gezouten kost,
thee, koffy, suiker, Madéra-wyn, brandewyn, genever, enz.
Den 8sten, kwam eindelyk een vaartuig aan, niet alleen gezouten vleesch
en bischuit in hebbende, maar ook een levendige os en twee varkens.
Deeze dieren waren een geschenk van zekeren Colonist, FELMAN genaamd,
die door zyne vrouw en eenige vrienden vergezeld zynde, den Colonel
een bezoek kwam geven. De varkens en de os wierden dadelyk geslagt,
en onder vier honderd menschen verdeeld, zoo dat men gemakkelyk kan
naargaan, dat ieders rantsoen niet zeer groot geweest kan zyn. Na deeze
uitdeeling, bezichtigde het geheele gezelschap onze onderscheidene
woningen. Aan de myne gekomen zynde, wandelde de Colonel dezelve
rond; maar geen deur ziende, riep hy uit: "Is hier niemand in?" Ik
stak oogenblikkelyk myn hoofd door het gat in het dak, en bood de
vrouwen aan, om door het zelve by my in te komen; maar zy bedankten
'er beleefdelyk voor. Ik heb den Colonel nooit zoo hartelyk zien
lachen. Zoo dra hy spreken kon, riep hy uit: Men moet STEDMAN zyn!--Men
moet zoo origineel zyn, als hy. Hy bragt vervolgens het gezelschap
weder in zyne woning; maar vooraf noodigde hy my, om hem aldaar te
volgen.--Toen de Capitain SMALL en ik van daar heen gingen, deeden wy
eene wandeling in eene fraaije Savane, alwaar wy eene hut van takken
van boomen hadden opgericht, waar aan wy den naam gaven van Ranelagh,
en wy namen aldaar van tyd tot tyd eenige ververschingen van koud
eeten, waar door myn voorraad schielyk op geraakte. Wy moesten dus by
vervolg van ons rantsoen leven; maar SMALL had toen het genoegen te
zien, dat zyne medgezellen van gelyken deeden. Deeze, niet gewoon zynde
aan het zuinig leven, het welk in onze bosschen zoo noodzakelyk was,
hadden van hun meel puddings gemaakt, en zagen zig toen gedwongen,
om scheeps-bischuit te eeten.
Den 12den, kregen honderd vyftig mannen van het nieuwe krygsvolk bevel,
om op te trekken. Elk hunner was, behalven met zwaare kleederen, met
een hangmat en een zeer zwaar randsel beladen. Myn vriend SMALL was
onder dit getal; hy was zeer dik, en zoo verzwakt, dat hy naauwlyks
gaan konde. Ik deed dit aan den Colonel opmerken, die hem veroorloofde,
om zig voor een gedeelte van dien toestel te ontlasten.
Alles op die wyze in gereedheid zynde, nam deeze hoop krygsvolk haaren
weg rechts af, en, vertrok met den Colonel FOURGEOUD aan het hoofd,
om zig naar de Rivier Maroni te begeven.
De Colonel was in dit oogenblik ten mynen opzigte wel zoo beleefd,
als ik hem verlangen konde, maar de rechtvaardigheid dwingt my te
verklaaren, dat hy in alle andere opzigten zoo heerschzuchtig en
onmeedogend was, als ik hem immer gezien heb. Hy scheen in het begrip
te staan, dat zyn rang die handelwyze van hem vorderde.
In zyne afwezigheid voer ik de Rivier over, en hieuw aan de andere
zyde van de Cottica eenen palmboom om, het geen ik deed, niet alleen
om de kool, maar om dat ik wist, dat de worm in veertien dagen goed
zoude zyn om te eeten.
Het bosch van dien kant met mynen Neger QUACO doorwandelende, viel
myn oog op den cederboom, het bruine hart, en de kogel-boom. De
eerste verschilt, in weêrwil van deszelfs naam, van den cederboom op
den berg Libanon, die eene spits toeloopende gedaante heeft. Die van
Surinamen groeit mede tot eene groote hoogte op; maar men stelt zyne
waarde voornamentlyk daar in, dat deszelfs hout nooit door wormen,
noch andere insecten geknaagd wordt, en een ongemeen bitteren smaak
heeft. Het heeft ook een aangenaame geur, en men verkiest het daarom
boven alle ander hout, om koffers, kisten, kassen, en allerleije zoort
van schryn-werk te maken. Het dient ook tot het bouwen van tent-jachten
en andere vaartuigen. De kleur van het spint van dit hout is bleek
oranje. Het is hard en te gelyk ligt; en uit den stam druipt een gom,
veel gelykende naar Arabische gom: dezelve is doorschynende en zeer
welriekende.
De boom met het bruin hart is van dezelfde dikte en hardheid, als
de boom met het purper hart, en die met het groen hart, waar van ik
melding gemaakt heb. Hy dient tot groote werken, en voornamelyk tot
het bouwen van molens. De kleur, die zeer fraay is, is met deszelfs
benaming overeenkomstig.
De Kogelboom groeit zomtyds hooger dan zestig voeten; maar naar mate
van zyne hoogte is hy niet dik. Zyne schors is gryskleurig en glad;
zyne spint bruin, over 't geheel wit gevlakt. Geen boom is hem in
zwaarte gelyk; de zyne gaat die van het zeewater te boven. Hy is zoo
in één gedrongen, dat zonneschyn en regen geene uitwerking op hem
doen. Dienvolgende maakt men 'er latten van, om 'er de daken mede te
dekken, in plaats van met leijen of pannen, die in dit Land te zwaar
en te heet zouden zyn. Men verkoopt deeze latten voor meer dan veertig
guldens de honderd te Paramaribo, en men behoeft ze niet te vernieuwen,
dan na verloop van vyf en twintig jaaren.
Ik moet ook nog spreken van een anderen boom, Ducolla-bolla genaamd,
die men insgelyks in de bosschen van Guiana vindt. Hy heeft eene zeer
donkere roode kleur, en een zeer gelyk en fyn erf. Zyne hardheid en
zwaarte maken hem voor den schitterendsten glans vatbaar.
Omtrent op deezen zelfden tyd, wierd het geheele leger gekweld door
insecten, in Surinamen genoemd hout-luizen, maar welken men met
meerder gepastheid witte mieren zoude kunnen noemen, want zy hebben
zeer veel gelykheid op mieren. Het grootste onderscheid tusschen
deeze beiden bestaat daar in, dat de mieren in den grond woonen,
en deeze houtluizen hunne nesten op stammen van boomen maken. Deeze
nesten, die zwart, rond, onregelmatig zyn, veel gelykende naar den
wolligen kop van eenen Neger, maar zomtyds zoo groot als een half
vat, zyn gemaakt van eene roodachtige aarde, zoo in één gedrongen als
mastik, en ondoordringbaar voor het water. In dezen hoop, bestaande
in een eindeloos getal gemeenschappelyke wegen of loopgraven, die
de gedaante hebben van de schacht van een ganzen-veder, leven deeze
dieren in talryke zwermen; en wanneer zy 'er uitkomen, richten zy de
verschrikkelykste verwoestingen aan, meer dan eenige andere insecten
in Guiana. Zy doorknagen het hardste hout, het leder, het linnen,
en alles wat zy ontmoeten. Zy komen dikwils in de huizen door een
bedekten weg, van eene halve cirkelswyze gedaante, welken zy in de
beschotten maaken, en die door deszelfs omwegen zomtyds verscheide
honderde voeten lang is. Dewyl zy alles tot stof vermalen, indien
men, dezelven bespeurende, geene zorge draagt om ze uit te roeijen,
het geen door middel van rottekruid en terpentyn-olie geschiedt,
zyn deze insecten in staat om het geheele huis met eene volkomene
instorting te bedreigen. De houtluizen verschaffen, in weerwil van
hunne walgelyke en stinkende reuk, een goed voedzel aan het gevogelte,
het welk, zoo men zegt, 'er veel gretiger op is, dan op het graan
van Indisch koorn. Ik moet niet met stilzwygen voorbygaan, noch hun
ongemeen vernuft in het herstellen van hunne woning, wanneer die
beschadigd is, noch hun voortteelend vermogen, het welk zoo groot is,
dat men, welke verwoesting men ook onder hen maakt, hen spoedig weder
ziet te voorschyn komen, in een zoo aanzienlyk getal als bevoorens.
Wy wierden bovendien dikwils gekweld door geheele wolken van vliegende
luizen, die zomtyds onze kleederen zoodanig overdekten, dat ze het
voorkomen van eene gryze kleur hadden. Dit ongemak sproot voort uit
de uitspreiding van haare vlerken, (vier in getal zynde) die aan
de stoffe van het kleed blyven vast zitten, en zig van het lichaam
van het insect afscheiden, wanneer het in de hoogte vliegt. Eenige
Natuurkundigen beweeren, dat de vliegende luizen geene andere zyn,
dan de bovengemelde houtluizen, en die, tot zekeren ouderdom gekomen
zynde, vlerken krygen, hun nest verlaten en rond vliegen, even als
zommige andere mieren, zoo in Europa, als in America.
De krygstucht was toen zoo gestreng in het leger, dat ieder, die
het minste gerucht maakte, zwaar gestraft wierd, en zelfs gedreigd,
om te worden doodgeschoten. De schildwachten hadden last, om van de
aankomst van rondes alleenlyk door fluiten bericht te geven, en men
beantwoordde hun op gelyke wyze.
Een van onze soldaten, den 18den, veroordeeld zynde geworden, om
door de spitsroeden te loopen, vermits hy hard gesproken had, vond ik
middel, by afwezigheid van den Colonel FOURGEOUD, om hem vergiffenis
te doen verkrygen, op het zelfde oogenblik, dat hy reeds uitgekleed
was, om zyne straf te ontfangen.
Den 23sten, ontfing ik verschen voorraad en wyn, my van Paramaribo
gezonden; alles kwam zeer ter sneede. Den zelfden dag kwam de Colonel
FOURGEOUD met zyne manschappen van zynen tocht naar de Rivier Maroni te
rug. Hy had negen en vyftig huizen verwoest, en drie bebouwde velden
vernield. Op die wyze wierd zekerlyk aan de muitelingen de doodsteek
toegebragt, daar zy, geen middel meer hebbende, om aan deeze zyde der
Rivier te kunnen bestaan, genoodzaakt waren dezelve over te trekken,
en zig in de Fransche Volkplanting van Cayenne te gaan nederzetten. Op
deezen moeijelyken, doch noodzakelyken tocht, hadden de soldaten,
en vooral de nieuwlings ontscheepten, verbazend veel geleden. Men was
verplicht een groot aantal derzelver in hunne hangmatten te dragen;
men liet meer dan dertig zieken op den wachtpost aan de Maroni,
en myn vriend SMALL kwam 'er vry wat vermagerd van daan.
'Er waren toen meer dan honderd mannen, die in het hospitaal van
onze legerplaats gevaarlyk ziek lagen. Men hoorde niets, dan zuchten
en kermen, en daar by alle nachten het geschreeuw der Guiaansche
steen-uilen. De kramp, een ongemak, in Surinamen zeer gemeen, kwelde
de geenen, die anderzints nog in staat waren om dienst te doen. Elk
was in de grootste droefheid gedompeld. Hier zag men iemand, van
het hoofd tot de voeten, met bloedende zweeren bedekt; daar weder
een ander, die door twee van zyne medgezellen gedragen wierd, en in
eenen diepen slaap bedolven, den eeuwigen slaap ingong, in weerwil
van alle de schuddingen en bewegingen, die men te werk stelde om hem
te doen ontwaken. Een derde, door de waterzucht opgezwollen, stierf,
door het water verstikkende, na den Heelmeester, (die doorgaands
antwoordde, dat het te laat was,) vrugteloos gebeden te hebben, om
hem het zelve af te tappen. Zommigen, zig in het Hospitaal bevindende,
baden God met gevouwen handen, om hun te hulpe te komen. Verscheiden,
door eene heete koorts aangetast, trokken zig de hairen uit, braakten
lasteringen uit tegen de Voorzienigheid, en vervloekten den dag hunner
geboorte. Om kort te gaan, onze gesteldheid was zoodanig, dat men de
pen van eenen MILTON zoude noodig hebben, om ze te beschryven; en
terwyl de dood dagelyks nieuwe verwoestingen aanrechtede, geraakte
een gedeelte der legerplaats, door zeker toeval, geheel in brand;
maar de Negers bluschten den brand spoedig, zonder dat 'er eenige
wezentlyke schade uit voortkwam.
Den 26sten, echter, begon myne ellende ten einde te loopen. De Colonel
bood my, tot myne groote verwondering, aan, om hem naar Paramaribo te
vergezellen, het geen ik zonder bedenking, en met genoegen aannam. Ik
gaf derhalven myn huis, de hut in de Savane, en myn voorraad van
levensmiddelen aan mynen vriend, den Capitein SMALL, ten geschenke. Ik
onthaalde hem, benevens eenige andere Officiers, ter middagmaal, en
gaf hun een kookzel van kool en palmboom-wormen, die nu volkomen goed
geworden waren. Wy besproeiden dit eeten met eenige glazen wyn, die
van goeder harter wierden ingeschonken, en ik nam myn afscheid. Te
middernacht ging ik met den Colonel en twee andere Officiers, in
een fraay vaartuig van zes roey-riemen. Ik verliet derhalven nog
eenmaal deeze sombere bosschen, alwaar men zoo veele wonderen ziet,
maar tevens onheilen ondervindt, die naar de gedachten van hun, die
dezelven moeten doorstaan, de tien plagen van Egypten te boven gaan.
Toen het vaartuig het anker geligt had, verklaarde ons de Bevelhebber,
dat hy de bosschen der Volkplanting van alle kanten gezuiverd,
en de muitelingen genoodzaakt hebbende, de Maroni over te trekken,
besloten had om deezen langen en gevaarlyken tocht in eenige weeken
te doen eindigen.
Na den geheelen nacht gevaaren te hebben, bevonden wy ons des morgens
tegen over den nieuwen weg van gemeenschap, dien wy ons by onzen
ouden wacht-post van Devil's Harwar gebaand hadden; en des middags,
kwamen wy op de Plantagie la Paix, welkers eigenaar, de heer RIVIERE,
ons ter maaltyd onthaalde. De Colonel en zyn Adjudant begaven zig
vervolgens naar Paramaribo, maar een ander Officier en ik verlieten
hem hier, en gingen naar het strand, op eenen kleinen afstand van de
laatstgemelde Plantagie, om wulpen en watersnippen te schieten.
By het gaan en te rug komen gingen wy voorby twee posten van
het krygsvolk der Sociëteit, wier Bevelhebbers de vaandels lieten
opsteeken, en ons ververschingen, en alles, wat in hun vermogen was,
aanboden. Onze jagt was niet zeer voordeelig, en wy schoten alleenlyk
watersnippen. Zy vlogen 'er in zulke talryke meenigte, dat men ze
voor wolken die de lucht verduisterden, zoude hebben aangezien. Het
was dus voldoende, wanneer wy in het wilde schoten, om 'er twintig
te gelyk te doen vallen; maar zy waren van zulk een klein zoort,
dat het der moeite niet waardig was, om ze op te raapen. Wy zouden
vogelen van meer aanbelang hebben kunnen dooden, als lepel-ganzen,
Brazilsche oyevaars, roode wulpen, en verscheiden zoorten van wilde
eendvogels, indien de zee by ongeluk niet eenige landen overstroomd
had, die tusschen ons en de bank, waar op deeze vogelen zig bevonden,
gelegen waren. Wy hadden met dit al het genoegen van dezelven te
zien. Deeze bank geleek, op eenigen afstand, naar een scharlaken en
purperkleurig tapyt, met verscheiden zoorten van kleuren doorweven.
De Lepel-gans heeft de grootte van een gewoone gans, en gelykt veel
naar een kraanvogel. Zyne korte pooten zyn aan het einde voorzien van
een vlies, maar het welk zig niet verder uitstrekt dan tot op een derde
der lengte van deszelfs klauwen. Zyne vederen, die wit zyn, wanneer
de vogel jong is, krygen vervolgens eene fraaije rozen-kleur. Zyn bek
is waarlyk opmerkelyk: rond, plat, en breeder zynde aan het einde,
dan aan het begin, en in het midden, gelykt dezelve naar een spatel;
en van die overëenkomst ontleent deeze vogel ook zynen naam. Men
zegt dat hy kikvorschen, hagedissen en rotten eet; maar visch moet
zyn voornaame voedzel wezen, want zyn vleesch smaakt 'er naar: hy
wordt veel aan het strand gevonden.
Den Surinaamschen Jabiru kan ik niet beter vergelyken, dan by een
oyevaar; maar hy is veel dikker. Hy wordt daarom ook wel de Brazilsche
Oyevaar genoemd. Deeze vogel heeft eene pluimaadje op het lyf zoo wit
als melk; maar de vederen der vlerken en de staart zyn zwart. Zyne
pooten en klaauwen zyn uittermaten lang; en ik heb opgemerkt, dat hy,
strydig met het gebruik van alle andere vogelen, zig dikwils op het
agterste gedeelte van zyne pooten zet. Zyn hals en bek zyn buitengewoon
lang; de laatstgemelde is sterk, en eindigt met een kromme bogt. De
kop van den Jabiru is volmaakt zwart; de Hollanders noemen hem daarom
Neger-kop. Hy houdt zig op aan de zee-kusten, even als de voorgemelde,
en leeft alleen van visch. Men maakt hem gemakkelyk tam. Ik heb
'er twee onder het gevogelte van den Colonel FOUREROUD gezien.
'Er zyn in Surinamen onderscheiden zoorten van wilde eendvogelen:
zy zyn niet groot; maar hunne fraaije vederen hebben verschillende
schitterende kleuren. Daar onder munten voornamelyk uit de Cawerirky,
de Soukourourky, en de Annaky: de laatstgemelde is de kleinste van
allen. Geen waterhoen, van wat zoort die ook wezen mag, is lekkerder
om te eeten, dan deeze eendvogels. Men maakt ze insgelyks tam, en
ontmoet ze dikwils onder het gevogelte op de Plantagiën.
Den 28sten een vaartuig gevonden hebbende, het welk de Cottica afzakte,
maakte ik 'er gebruik van, om my naar Paramaribo te begeven, alwaar
ik dien zelfden avond wel gemoed en gezond aankwam.
Myne vrienden wenschten my geluk, dat ik nog leefde, na aan zoo veele
gevaaren bloot gesteld te zyn geweest; na van alle hulp ontzet, door
distelen en doornen van één gereten, door insecten gestoken te zyn;
na uitgehongerd, afgemat, en op alle manieren gefolterd te zyn; na
dikwils gebrek aan kleederen, geld, ververschingen, of geneesmiddelen
gehad te hebben; en eindelyk na het verliezen van zoo veele brave
medemakkers, die in dit Land hun graf gevonden hadden. Dus eindigde
myne zevende en laatste veldtocht in de bosschen van Guiana.