Grappige manier tot het ontdekken van een dief.--Het
Brom-vogeltje.--Verschillende zoorten van planten.--Manier
van visschen in Surinamen.--Onderscheidene zoorten van
visschen.--Moed van eene jonge Negerin.--De Pimpelmees.
--De Americaansche Aloë.--De Banille-boom.--Huilende Aapen.
--Verwonderlyke slimheid der wilde Byën.--De krygsbende
van den Colonel FOURGEOUD ontfangt andermaal bevel, om
naar Europa te rug te keeren.--De Guiaansche Nachtuil.
Den 27sten Maart 1776, nam ik op nieuw afscheid van de Stad Paramaribo,
van JOANNA, en van mynen zoon.
Des morgens van dien dag, zelfs eer dat ik vertrok, wierd een Planter,
HALBERG genaamd, door eene groote Iguana hevig gestoken, op het
oogenblik, dat hy myne medgezellen en my noodigde, om ons nog eenige
dagen langer op te houden, en by eene maaltyd, welke hy tot viering van
zynen vyf-en-twintig jaarigen trouwdag gaf, tegenwoordig te zyn. Na
hem ons leed betuigd te hebben over het ongeval, dat hem ontmoette,
gingen wy in een overdekt vaartuig; en dien zelfden avond kwamen wy
op de Plantagie Sporks-gift, aan de Matapica-kreek. Capitain MACNEYL
ontfing ons aldaar, twee dagen lang, op eene zeer gastvrye manier. Ik
verstikte aldaar echter byna door eene sterke reuk van groene koffy,
leggende op den vloer van het kamertje, waar in ik myne hangmat
geplaatst had.
Den 29sten des avonds, en wel zeer laat, kwamen wy op de Plantagie
Goud-Myn, alwaar wy eenen jongen Neger en eene jonge Negerin vonden,
die, dicht by elkander, aan een hoogen balk, met een touw, het welk
aan de duimen van elk hunner was vast gemaakt, waren opgehangen. Dit
touw was agter om hun rug gebonden, hunne schouders werden 'er
byna door ontwricht, en het veröorzaakte hun de verschrikkelykste
folteringen. Ik sneed het oogenblikkelyk af, zonder verlof of omwegen:
ik zwoer daarënboven, dat ik den schelm van een Opzigter, die zulk
eene nieuw uitgedachte en afgryselyke strafoeffening had aangedaan,
vernielen zoude, ten minsten, dat hy my zoude moeten beloven aan deeze
twee ongelukkigen kwytschelding te verleenen; het geen hy, by geluk,
aanstonds en in myne tegenwoordigheid deedt.
Den 30sten, even voor dat wy aan de Hoop ontscheepten, vernam ik,
dat myne Suiker, en het grootste gedeele van myn Rhum weg waren, maar
ik ontdekte den dief door eene aartige list, waar van ik echter niet
beweere de uitvinder te zyn. Ik zeide aan zes Negers, die met roeijen
bezig waren, dat in zes minuten op den neus van hem, die de schuldigste
was, een veder van een Papegaay zoude groeijen: tevens sprak ik eenige
woorden uit, die geen zin hadden, en zwaaide twee of drie malen met
myn sabel, waar na ik my in de hut opsloot. Ik keek aldaar door het
sleutelgat, en hield een naauwkeurig oog op de roeijers, zonder dat
zy 'er iets van bemerkten. Spoedig zag ik, dat één van hun, by elken
slag met de roeyriem, de hand opligte, en aan zyn neus voelde. Ik
kwam dadelyk weder te voorschyn, en regelrecht naar hem loopende,
riep ik hem toe:--"Ik zie de veder, schurk! gy zyt de dief."--De arme
schelm antwoordde my aanstonds:--"Ja, Masera!" Vervolgens, op de kniën
vallende, bad hy den toovenaar, dat hy hem genade bewyzen wilde. De
anderen verëenigden zig met hem, en ik schonk deezen bygeloovigen
schelm, en zyne medeplichtigen vergiffenis, en gaf hun, om dat zy
my de zaak openhartig bekend hadden, een stuk gezouten ossen-vleesch
voor hun middagmaal, met een calebas vol rhum en water.
Ik nam dadelyk na myne aankomst op den wachtpost van de Hoop, het
bevel der Rivier op my, en ik beschouwde my op nieuw als de Vorst
van de Commewyne. Om eene goede woning te hebben, liet ik een Paleis
in de hoogte bouwen, naar dat van den Generaal BONNY te Bousy-Cray
gelykende. Deeze wooning, die byna eene lucht-woning was, was my
van zeer groot nut. Het grootste gedeelte van het land aan deezen
post stond, door de overstroomingen, onder water. Het was niets
meer dan een moeras, zoo weinig acht had men 'er op geslagen, en
'er was geen voetstap meer van myne oude hut te ontdekken. Ik vond
de ellendigste soldaten op deeze plaats. Zy waren aldaar byna naakt,
en hadden tot hunne schoenen verkogt, om zig een maand lang verschen
voorraad te bezorgen. Ik verzachtte intusschen hunne ellende door
myne aanzoeken by den Colonel FOURGEOUD, in wiens gunst ik meer en
meer deelde; en de wachtpost van de Hoop was wel dra een paradys,
in vergelyking van het geen dezelve was, toen ik 'er kwam.
De jagt was toen, gelyk voorheen, myne dagelyksche bezigheid. Den
4den bragt ik Pluviers, Roodborsjes, en byna een dozyn Musschen uit
de zand-woestyn mede.
De Pluviers van Guiana hebben de grootte van een duif. Zy hebben
vederen van eene donker bruine kleur, met wit doormengd, en met
dwarsloopende streepen. Men vindt 'er een groot aantal van in
de verdronkene Savanen, en zy verschaffen een lekker eeten. De
Roodborsjes zyn een zoort van dikke rood-staarten, en hebben het
bovenste gedeelte van het lyf van eene donkere kastanje kleur, en al
het overige van eene bloedkleur. Zy zyn zoo lekker als een leeuwrik,
en op alle Plantagiën zeer gemeen. De wilde Musschen, die zommigen,
zoo ik meen, Anacas noemen, zyn lieve diertjes van de gedaante van een
Papegaay. Hunne vederen zyn volmaakt groen, en zy hebben een witten
bek en roode oogen. Zy doen veel schade aan de ryst- en koorn-landen,
en vliegen met eindelooze hoopen over de Plantagiën.
De Brom-vogeltjes plaatsten zig in zulk een groot getal op de
tamarinde boomen aan de Hoop, dat men ze byna voor zwermen van wespen
zoude hebben aangezien. De Lieutenant SWELDENS doodde 'er dagelyks
verscheiden, door kleine erweten of korrels van Indisch koorn met
een vogelspuit op hen te werpen.
Het Brom-vogeltje (Trochulus, of het Colorietje) is byzonder
merkwaardig, zoo uit hoofde van deszelfs fraaiheid als kleinte; want
hy is zoo lang niet als een derde van een menschen vinger; en wanneer
zyne vederen zyn uitgeplukt, is hy niet veel grooter, dan eene groote
vlieg. ('Er zyn echter verscheiden zoorten, waar van zommige twee
maal zoo groot zyn.) De vederen van deezen vogel zyn gekleurd met eene
sterke weêrschyn: in de schaduw, hebben zy eene schitterende en donker
groene kleur; in de zon, eene bruine en glinsterende purper-kleur,
met hemels-blaauw gemengd. Zyn kop is verciert met een kleine kuif
van groene, zwarte en goud-kleurige vederen; zyne staart en vlerken
zyn van eene helder zwarte kleur; zyn bek, die lang, zwart, en aan
het einde gebogen is, is niet veel grooter, dan eene spelde. Zyne
gespleete tong gelykt naar een rooden zyden draad. Zy dient hem, om
den nectar of het sap der bloemen uit te pompen of uit te trekken,
geduurende welke verrigting hy als een bye stil staat; en dit sap
schynt het eenige voedzel van dit vogeltje te zyn. Dikwils maakt hy
zyn nest op een blad van wilde Ananas, of kruipende Aloë. Dit nest,
het welk niet veel grooter is, dan een nooten-dop, is byna geheel
van catoen gemaakt. Het wyfje legt twee eieren, die van de grootte
van erweten zyn. Mejuffrouw DE MERIAN brengt dezelven tot het getal
van vier; maar ik verzeker, dat ik 'er nimmer zoo veelen in eenig
nest gezien, noch ook gehoord heb, dat zy 'er nu en dan in gevonden
zouden worden. Ik heb getracht twee vogelen van dit zoort op het
natuurlykst, en met hunne kleine wooning, af te teekenen. Het is my
niet mogelyk geweest die afteekening volkomener te maken; want de
beweging hunner vlerken is zoo gezwind, dat men moeite heeft de kleur
'er van te kunnen onderscheiden. Deeze beweging veröorzaakt het zoort
van bromming, waar van deeze vogeltjes hunnen naam ontleenen.
'Er was ook in deezen omtrek eene eindelooze meenigte van Aapen. Ik
zag 'er by de twee honderd op een veld van Suiker-riet, al waar zy
groote verwoestingen aanrigtten. Deeze doorslepen dieren zetten
schildwagten uit rondom de plaats, alwaar zy stroopen, om op het
vernemen van onraad gerucht te maken; en ik ben getuige geweest van
de oplettenheid en het verstand, waar mede zy, die met die zorge
belast zyn, zig van dezelve kwyten. Wanneer deeze stroopers eenig
gevaar vernemen, loopt de geheele bende al springende naar het bosch,
houdende elk den geroofden buit met de poot vast.
Ik vermaakte my ook met zwemmen. Deeze oeffening gaf my kragten, en
bragt veel toe tot behoud van eene goede gezondheid. De voordeelen,
welken men hier door verkrygt, zyn op eene verrukkende wyze afgemaalt,
door den Schryver der Jaargetyden.
"Het is de gezondste oeffening, en de zoete verkoeling der brandende
hitte van den zomer. Op die wyze verkrygen de ledematen sterkte, en
de arm van die Romeinen, die op het overheerde land het bevel voerden,
leerde vooräf, in zyne jeugd, de water-golven te vermeesteren."
Den 14den, doodde ik een Kayman; maar van deezen tocht in een vaartuig
te rug komende, viel een pak brieven, my door den Colonel FOURGEOUD
toegezonden, by ongeluk in het water, en zonk. Eenige Officiers,
die daags daar aan op de Hoop kwamen, berigtten my echter, welke
de voorname inhoud deezer brieven was: zy gaven my kennis, dat de
Overste, besloten hebbende nog eenmaal de bosschen te doorkruissen,
my last gaf, dat alle manschappen, krygs- en mondbehoeften, welken
ik niet volstrekt noodig had, de Rivier moesten worden opgezonden;
dat het Sociëteits krygsvolk, op Oranjeboom post houdende, ook stond
te vertrekken; en dat de één zig naar Maagdenberg, de ander naar de
Peréca moest begeven. Ik behield dus slechts twaalf verminkte soldaten
op de Hoop, en een gelyk getal op Klarenbeek, zonder Heelmeester, noch
geneesmiddelen. Niettemin deed ik, met zulk een zwak getal manschappen,
dagelyks de ronde, zoo te land als te water.--De zelfde Officiers gaven
my ook berigt, dat de Vaandrig VAN HALM was overleden, en dat een schip
vol zieken gereed lag, om onverwyld naar Holland onder zeil te gaan.
Schoon de Colonel FOURGEOUD steeds te Paramaribo bleef, hield hy
niettemin, met zeer veel nauwkeurigheid, over alle krygs-verrigtingen
het toezicht. Dienvolgende gelastte hy, den 23sten, aan eene bende
van honderd mannen, om het land tusschen Maagdenberg, de Wana-Kreek,
en de Maroni te gaan onderzoeken; maar zy kwamen wederom, zonder iets
ontdekt te hebben.
Dewyl het zig liet aanzien, dat ik nog eenigen tyd op den wachtpost
de Hoop zoude moeten blyven, liet ik myne schapen en gevogelte halen
van de Plantagie, alwaar ik die had agtergelaten, en ik deed aan den
heer GOURLY een geschenk van een ram en een schaap, die alle anderen
van dat zoort in de Volkplanting overtroffen. By de aankomst van deeze
myne kudde vee, zag ik met genoegen, dat zy merkelyk vermeerderd was.
Den 26sten, bragt één van myne soldaten, my een slang, dien hy gevangen
had. Dit dier was niet meer dan vier voeten lang, en niet dikker,
dan de loop van een snaphaan. Bemerkt hebbende, dat hy midden op zyn
lyf een bult had van de grootte van myn vuist, was ik nieuwsgierig
om dezelve open te maken, en ik vond een kikvorsch, levendig en in
zyn geheel, maar waar aan men op den kop en hals een vlak zag, welke
scheen aan te duiden, dat hy begon te bederven. Ik nam de proef, om
een touw aan één zyner pooten vast te binden, en hem in het gras aan
den waterkant te laten, geduurende drie dagen, na verloop van welken
het arme dier nog in goeden staat scheen te zyn, en ik gaf hem zyne
vryheid weder.
Den 28sten, gaf ik een bezoek aan THOMAS PALMER, Schildknaap en
Raad des Konings in Massachufets-Baay, die zig op zyne Plantagie
Fairfield bevond. Zyne slaven leefden aldaar volmaakt gelukkig en wel
te vreden, het geen het gevolg was van het verstandig bestuur van den
eigenaar. Weinige bezittingen van dit zoort, in de West-Indiën, waren
in eene zoo gelukkige gesteldheid, zoo ten aanzien der bevolking, als
der vruchtbaarheid. De beminnelyke wellevenheid, waar mede de eigenaar
deezer Plantagie de vreemdelingen aldaar ontfing, gaf een verheven
denkbeeld van zyn character, het welk in de geheele Volkplanting ten
gunstigsten bekend was.
By myne te rug komst op de Hoop, ontfing ik een brief van den
Bevelhebber, my meldende, dat de Jagers, onder aanvoering van VINSACK,
verscheiden muitelingen gedood, en 'er elf gevangen genomen hadden:
maar dat eene andere party van die zelfde Jagers door den vyand was
verrast geworden, zynde verscheiden van het volk, terwyl zy in hunne
hangmatten lagen te slapen, gedood.
In eene van deeze schermutselingen betoonde een Neger van de
muitelingen eene zonderlinge tegenwoordigheid van geest. Een Jager op
hem hebbende aangelegd, riep deeze Neger hem toe: "Wel hoe! wilt gy
één van uwe medemakkers dooden?" De Jager, geloovende dat dit waar
was, antwoordde hem: "Daar bewaare my God voor"! En zyn wapentuig
nederzettende, kreeg hy dwars door het lyf een kogel, op hem door
zynen vyand afgeschoten, die dadelyk als een blixemstraal uit het
gezicht was. De al te lichtgeloovige Jager stierf 'er van. Een der
gevangenen verhaalde, dat des avonds te vooren een Neger, die wel
eer van de Plantagie Fauconberg was weggeloopen, op last van BONNY
was nedergesabeld.
De haven van de Hoop, onderging, den 6den Mey, een zwaaren orkaan,
verzeld van donder en blixem. Verscheide boomen wierden uit den grond
gerukt, huizen om ver gesmeeten, en dakken afgeworpen. Myn lucht-paleis
in tusschen stond, zonder eenig letzel, den storm door. JOANNA met
mynen zoon den 8sten zynde aangekomen, stelde ik my het zelfde geluk
voor, als ik in 1774 reeds genoten had. Myn huisgezin, myne kudde, myn
gevogelte, waren in dit oogenblik verdubbeld. Ik bebouwde daarënboven
een fraaien tuin; en zoo ik my al in den volsten zin geen Planter
noemen kon, ik had ten minsten eenig recht, om my een kleinen tuinier
te noemen.
Den 29sten, waren wy allen by den heer DE GRAAF, op zyne fraaie
Plantagie Knoppemonbo, aan de Casavinica-Kreek, ter maaltyd. Ik zag
aldaar planten en wortelen, welken ik nog niet had opgemerkt.--De
Taijers, voortkomende uit het midden van een groen heestergewas van
eene meelachtige zelfstandigheid, het welk niet meer dan drie of
vier voeten hoog is, bladeren voortbrengt, die ongemeen breed zyn,
en de gedaante van een hart hebben, en waar van de stam naar die
van den Bananen-boom gelykt. Wanneer de uitwendige bekleedselen van
deeze plant zyn afgeschild, heeft zy het voorkomen van de ignames of
aard-appelen, maar is veel aangenaamer om te eeten, en veel fyner. 'Er
zyn verschillende zoorten van Taijers, en men geeft den voorrang aan
de kleinste, waar van men op de zelfde wyze gebruik maakt. 'Er werden
ook, in groote meenigte, op deeze zelfde plaats, waare aardappelen
gevonden, maar van een minder zoort dan de gemeene aard-appelen in
Engeland, en alleenlyk voor de Negers dienende.
De Tabaks-plant groeide in deezen tuin. Dezelve heeft bladeren, die
nederhangen, en vol vezelen zyn, en leeft tien of twaalf jaaren;
maar zy is van zoo veel geringer caliber, dan de Virginische, dat
'er zig alleenlyk de Negers van bedienen. Deeze plant ontleent haaren
naam van het Eiland Tabago, alwaar zy in het jaar 1560. ontdekt wierd.
Men zag hier ook nog een zoort van wilde thee, welke men als zeer
gezond beschouwt; maar die, naar myn inzien, niet veel beter is dan
ons kruipend eiloof. Ik vond bovendien aldaar eene groote meenigte
van Goud-appelen; maar dewyl men die in verscheiden Engelsche tuinen
aankweekt, behoeve ik 'er geene beschryving van te geven: ik zal alleen
opmerken, dat de Joden in dit Land 'er ongemeene liefhebbers van zyn,
en ze by het vleesch koken, in plaats van uijen.
De heester, waar aan de geneeskragtige noot groeit, was ook onder
de planten in deezen tuin. Dezelve is rank, en tien of twaalf voeten
hoog. De vrucht bevat een noot, naar een amandel gelykende. Deeze noot
is zeer goed om te eeten, mits men 'er een dunne en witte schil, die
'er om zit, af doet; want zonder dat veröorzaakt zy oogenblikkelyk
de geweldigste braking en buik-ontlasting. Men deedt my ook opmerken
verscheide zoorten van erweten, boonen en zoortgelyke peulvruchten, en
onder anderen de Cassia, welker kleine, harde, geele en helderschynende
zaden besloten zyn in een houte pyp van by de zes duimen lang,
maar zeer naauw, en welke een zwart vleesch bevat, zoo zoet als
honig. Men houdt de Cassia voor een uitmuntend ontlastmiddel. Zy
is in Guiana zeer gemeen, en word aldaar genaamd Zoete Boontjes
en Cotiaan. Een ander zoort van heester-gewas in dit Land, draagt
den naam van Zeven-jaars Boontjes, om dat het zeven jaaren bloeit,
alvorens eenige vrucht voort te brengen. Het boompje, genaamd Snaky
wiry-wiry, wierd ook op deeze zelfde plaats gevonden. Men verzekerde
my, dat het een onfeilbaar middel tegen de koorts was, en ik geloof,
dat het 't zelfde was met de Serpentaria Virginiana, of Virginische
Slangekruid. Eindelyk zag ik een plantgewas, genaamd Zeven-bloemen,
waar van de jonge Negerinnen zig dik wils bedienen, om de vrucht af
te dry ven. De groene pyn-appelen hebben ook, zoo men zegt, dezelfde
uitwerking.
Op deeze wyze eenen dag te Knoppemonbo hebbende doorgebragt, welke
niet alleen tot myn vermaak, maar ook tot myne onderrigting diende,
namen wy des avonds afscheid van onze vrienden, en keerden, wel te
vreden, naar de Hoop te rug, in een vaartuig vol met allerleije zoort
van geschenken, waar onder schoone Cocos-noten waren, welken één
der slaven in onze tegenwoordigheid plukte, na met eene ongemeene
gezwindheid den boom te zyn opgeklauterd, en aldaar een gevecht
te hebben doorgestaan tegen een zwarten slang, dien hy met zyn mes
overwon, en voor onze voeten dood deedt nedervallen.
De slaven van de Hoop en Fauconberg betoonden hunne achting voor
JOANNA en haaren zoon, door aan haar gevogelte, wild, visch, eijeren
en vruchten aan te bieden. De heer PALMER gaf ons eene groote meenigte
Indisch koorn tot voedzel voor ons gevogelte. Alles scheen dus tot
myn geluk mede te loopen, het welk echter merkelyk veranderde, toen
ik, den 18den, de tyding ontfing van het verlies van mynen vriend,
den heer WALTER KENNEDY, die korten tyd na zyne te rug komst in
Holland overleedt.
Om het leed, my door deeze gebeurtenis veroorzaakt, te verzetten,
gaf ik een kort bezoek aan den heer DE CACHELIEU, op zyne Plantagie
Egmond. Ik vond aldaar, onder meer andere lieden, eenen Planter,
een Italiaan van geboorte, die maar één arm had. Deeze man zat
naast my aan de tafel; en zonder dat hy eenige de minste uitdaging
van myne zyde konde bybrengen, nam hy een mes, en stak naar my van
agteren, tot groote verwondering van alle de dischgenooten. Den steek
gelukkiglyk hebbende afgekeerd, door hem den elleboog op te ligten,
het geen maakte, dat de punt van het mes over myn schouder heen ging,
stond ik oogenblikkelyk op, en ik zoude hem daar ter plaatse vermoord
hebben, zoo men my niet had tegen gehouden. Ik bood hem toen aan
met my te vechten, met zoodanig wapen, als hy verkiezen mogt, en
met éénen arm; maar de lafhartige zulks geweigerd hebbende, wierd hy
uit het gezelschap verjaagd, en naar zyne Plantagie, Hazard genaamd,
te rug gezonden.
Deeze schelm was zoo geweldadig, dat hy korten tyd te voren eene
Negerin, die agt maanden zwanger was, had laten geesselen, tot dat haar
de darmen uit het lyf kwamen, om dat zy een glas gebroken had. Een
van zyne mans slaven, die zyne gramschap poogde te ontwyken, wierd
door hem op staande voet om 't leven gebragt. Hy had 'er geen één,
wien het lichaam van het hoofd tot de voeten niet was van één gereten,
door de meenigvuldige kastydingen, welken hy hun deedt ondergaan.
Dewyl de Colonel FOURGEOUD my eene versterking van soldaten, benevens
een Heelmeester en geneesmiddelen, gezonden had, kreeg de wachtpost
van de Hoop een geheel ander voorkomen: vergenoegdheid en gezondheid
vertoonden zig aldaar wel dra op aller aangezichten. Ik zette vooral
de soldaten aan om visch te vangen, die alhier in grooten overvloed
was; en de Negers leerden hun de manier om dit te doen, het zy met
den haak, het zy met de mand. De eerste bestaat daar in, dat men een
buigbaaren en sterken stok in den grond steekt, en aan deszelfs einde
eene dubbele lyn vast maakt, welkers kortste gedeelte aan een stokjen
van tien duimen lengte gehecht is; het andere insgelyks aan een stok
van dezelfde lengte, maar veel lager vallende. Aan het einde van de
tweede lyn haakt men een kleinen visch aan de vinnen, latende hem de
mogelykheid van te zwemmen, en zorg dragende, dat hy aan een grooter
zoort van visch tot aas kan dienen; vervolgens steekt men nog twee
andere stokken in den grond, maar zoodanig, dat zy boven het water
uitsteken; men hecht dezelven te zamen door een anderen stok, die
zoo lang niet is, en aan het geheel de gedaante van een galg geeft,
boven welke de buigbaare stok door middel van deszelfs dubbele lyn en
kleinere stokken wordt heen getrokken, maar echter zoo gemakkelyk,
dat op de minste beweging, de geheele toestel uit elkander geraakt;
en deeze buigbaare stok zig dan van zelf opheffende, hangt de visch,
die met het aas gevangen is, aan een haak in de hoogte.
De tweede manier, Mansoa genaamd, gelykt veel naar de voorgaande. Men
werpt eene kleine biezen mand, die als een broodsuiker gemaakt is, in
het water, aan welkers punt men den buigbaaren stok vast maakt, terwyl
het ander einde even als een val open blyft, wordende het geheel door
een gespleten stuk hout in een rechten stand gehouden. Men doet ook
een kleinen visch in deeze mand; en zoo dra dezelve door een grooter
visch is ingeslokt, sluit de val of ingang van de mand zig agter
hem toe. Dit zoort van vischvangst verschilt daar in van de andere,
dat men geen haak noodig heeft. Deeze oordeelkundige manieren kunnen
een denkbeeld geven van de slimheid der Negers. Dezelve zyn daarom te
nuttiger, dewyl zy geen tyd doen verliezen, en men des anderen daags
den visch gevangen vindt; zynde doorgaans de Newmara of Barracota,
van welken ik reeds gesproken heb.
Onder de onderscheidene visschen, welken ik hier heb zien vangen, vind
men de Siliba, die klein is, van eene eyronde gedaante, en gespikkeld
als een ananas; de Sokay, die lekker en zeer dik is; de Torro-torro,
en nog een genaamd de Tarpoen: de eerste is drie voeten lang, en de
tweede, die wit is, omtrent twee voeten, zes duimen.
Den 26sten, zag ik eene jonge Negerin, Clardina genaamd, wier moed,
kragt, en gezwindheid ik zeer bewonderde. Een hart, zig van zyne troep
hebbende afgezonderd, liep den weg op; deeze vrouw greep hem aan een
agterpoot, in het midden van zynen loop; maar hem niet kunnende doen
stil staan, liet zy zig een zeer groot einde van den weg voortslepen,
en raakte haaren buit niet kwyt, dan na het bekomen van eene zwaare
wonde.
De post van de Hoop verschafte toen een aangenaam verblyf. De grond
was 'er volmaakt vast, en doorsneden met canalen, waar in by hooge
vloeden het water kwam. De heggen, die de tuinen en velden omheinden,
waren wel onderhouden, en bragten vrugten en groenten van allerleije
zoort voort, die ons tot levensmiddelen dienden. De huizen en bruggen
waren weder in orde gemaakt. Ik moedigde de soldaten aan, en beval
hun de grootste zindelykheid. Mitsdien had ik geen enkelen zieken,
onder vyftig manschappen, waar uit myne krygsbende bestond, op een
plaats, alwaar bevorens de land of zee-scheurbuik, en alle kwalen, die
door luiheid, morssigheid en ellende veröorzaakt worden, de grootste
verwoestingen hadden aangerecht. Van de zoo even vermelde twee zoorten
van scheurbuik, bedekte de eerste het geheele lyf met puistjes,
en de tweede deedt voornamelyk het tandvleesch en de tanden aan.
Ik genoot toen het volmaaktste genoegen, en de volkomenste gezondheid,
terwyl de meeste myner reisgenooten of gestorven, of naar Europa
vertrokken waren: 'er was toen geen enkel Officier in rang boven my,
uitgenomen de geenen, die zedert lang aan het luchtgestel van Guiana
gewend waren.
Maar laten wy naar mynen tuin te rug keeren.--Dezelve verschafte
my thans wortelen, kool, uijen, komkommers, latouw, radys, pry,
waterkers, enz. alles even goed als in Europa. 'Er was ook zuuring
van tweederleije zoort, gemeene en roode; de laatste groeit aan een
boompjen. Bloemen ontbraken my al mede niet; ik had verschillende
zoorten van Jasmyn. De meest geächte is een klein boompje, welkers
bloemen van eene bleek roode kleur zyn, maar fraay, en van eene
aangenaame geur; het heeft dikke, glinsterende bladeren, die vol
van een melkachtig sap zyn. Een zoort van kruidje roer my niet,
Shanne-shanne genaamd, vercierde mede deezen tuin; het geleek naar de
slaapende plant, aldus genoemd, om dat derzelver bladeren, by paaren
geplaatst, zig by het ondergaan der zon toesluiten, en dat de twee
'er dan slechts één schynen uit te maken; maar zoo dra dit hemellicht
opkoomt, scheiden zy zig van één, en vertoonen zig onder hunne dubbele
gedaante. Deeze gewassen waren tusschen myne heggen verspreid, en ik
kweekte bovendien granaat-boomen en Indische rozen-boomen [63] aan,
die dagelyks bloeijen. Eenige roode leliën, wier bladen glad, en van
eene zeer schitterende groene kleur zyn, omzoomden myne grachten:
zy groeien natuurlyk in de zand-woestynen.
In deezen gelukkigen staat, ontfingen wy het bezoek van verscheiden
lieden, en vooral van Mevrouw Z......, vergezeld door haaren broeder,
en door nog een ander, SCHADTS genaamd, die alle drie uit Holland
kwamen. Deeze vrouw wierd gehouden voor eene der schoonste vrouwen van
Europa, en te gelyk allerbekwaamst. Zy sprak verscheidene talen; in
de zang- en schilder-kunst muntte zy uit; zy danste met bevalligheid,
en reedt volmaakt te paard; zy kon met het geweer omgaan, en ging ter
jagt, enz. Haar in alle zoorten van oeffeningen willende onderricht
zien, bood ik haar aan om haar te leeren zwemmen, het geen zy gepast
oordeelde, om met een glimlach te weigeren.
De soldaten en Negers, die onder myn bevel stonden, en onder welken
de grootste eendracht heerschte, scheenen op dit oogenblik volmaakt
gelukkig. Ik zette de jonge lieden aan, om zig des avonds te vermaken,
en aan de in jaaren meer gevorderden schonk ik eenige glazen rhum uit.
Te midden echter van dit vrolyk leven, gaf ik eenen geheimen last,
om vuur te geven, en alarm te slaan, als of de vyand op de Plantagie
was. Ik had toen het genoegen te zien, dat alle de soldaten hunne
wapenen opvatteden, en met veel orde en onverschrokkenheid zig by
elkander verzamelden. Ik besloot vooral van deezen list gebruik te
maken, om dat men my berigt had, dat de muitelingen het oogmerk hadden
aan de Commewyne een bezoek te geven.
Onäangezien al het vermelde nopens onzen voorspoed, ondervonden wy
wel dra, dat 'er niets volmaakt, nog duurzaam op de weereld is. Het
saisoen van droogte eensklaps hebbende opgehouden, sleepten de ziekten
verscheiden van ons volk in het graf; en 'er stierven dagelyks tien
of twaalf op de legerplaats te Maagdenberg en aan de Java-Kreek.
Den 3den, verloor ik mynen Vaandrig CABANUS. Zyn dood deedt my zeer
leed. Hy had zyne aanstelling op myn verzoek verkregen, en bezat
eenen uitmuntenden inborst.
Den 4den Juny, verbrak de hooge vloed onze sluizen, terwyl wy op de
gezondheid van den Koning dronken, en de geheele wachtpost geraakte
daar door onder water, het geen eene groote verwarring veröorzaakte. In
deezen deerniswaardigen toestand, weigerde de Opzichter van de Hoop,
genaamd BLENDERMAN, my het toebrengen van de minste hulp, en daar
op volgde zulk een hevig geschil tusschen ons, dat hy tot zyn geluk
het hazenpad koos, en de Plantagie verliet. Nooit kwam ik ten einde,
indien ik alle de trekken van onbeschoftheid van deeze schelmen,
die grootendeels het uitschot van hun Land zyn, of Duitschers, aan
den Corporaals-stok gewoon, wilde opnoemen.
Den 7den, ging ik myne opwagting maken by den heer MORIN, Bestuurder
van de Plantagie de Hoop, en zig bevindende op een stuk land, dat
kortlings aangelegd, en aan de andere zyde der Rivier gelegen was,
ten einde hem recht te vragen tegen den onbeschoften Opzigter, die
by hem was. Maar de laaghartigheid van den laatstgemelden gelyk
staande met zyne onbeschaamdheid en wreedheid, gaf hy alles toe,
wat ik vorderde, en beloofde zelfs de sluizen te doen herstellen.
Op zekeren dag op deeze nieuwe velden, alwaar men reeds een zeer fraai
huis gebouwd had, wandelende, merkte ik eenige schoone vogelen op,
waar onder was de Pimpelmees. Ik had hem reeds voorlang behooren te
beschryven, gelyk nog een anderen, wiens naam my onbekend is, om dat
ik 'er gelegenheid toe gehad heb, toen ik myn verblyf op Maagdenberg
verhaalde; maar ik heb ze toen alleenlyk afgeteekend. De Pimpelmees
gelykt, wat de gedaante van zyn lyf belangt, ten naasten by naar
een Lyster. Zyne vederen zyn van eene fraaie kaneel-kleur, tusschen
bruin en geel gemengd; maar aan de stuit is hy geheel en al van de
laatstgemelde kleur. Eene kuif van kleine vederen, van dezelfde kleur
als het lyf, bedekt hem den kop, zyn staart is lang en zwart, zyn bek
recht, schraal, spits, en van eene zee-groene kleur. Zyne pooten en
oogäppels zyn ook van dezelfde groene kleur, en onder de laatstgemelden
ziet men van wederzyden twee vlakken van eene schoone karmosyn-kleur.
De andere vogel, wiens naam ik niet weet, maar dien de Negers echter
Woudo-lousso fowlo noemen, om dat hy zig met houtluizen voedt,
is grooter dan de eerste, en van ongemeene schitterende vederen
voorzien. Zyn kop en het bovenste gedeelte van zyn lyf zyn van eene
schoone grasgroene kleur; zyn borst en buik van een karmosyn-kleur,
en door eene aschgraauwe streep afgescheiden. Hy heeft een lange en
ligt blaauwe staart. De slagvederen van elk zyner vlerken, waar van de
plooy van het groen van het lyf door eene andere aschgraauwe en zeer
breede streep schynt afgescheiden te zyn, hebben dezelfde kleur als
de staart. Zyn bek is geel en gekromd, en met eene meenigte kleine
zwarte vederen bedekt, even als de omtrek van het oog, welks appel
eene bloedkleur heeft. Ik zag ook eenige Gallinas of Guineesche
hoenderen, alhier Tokay genaamd, en die overvloedig bekend zynde,
geene beschryving behoeven.
Onder de planten, welken ik op deeze zelfde plaats vond, merkte ik
de Americaansche Aloë op, welkers stam een half voet dik en twintig
voeten hoog was. Deeze stam, die altyd groen is, is vol met merg,
en voorzien van zeer spitse bladeren, welke aan den top in grootte
verminderen. Die aan den voet des booms zyn zeer talryk, lang en breed,
puntig, getand, en van zeer scherpe stekels voorzien. Boven aan den
stam groeit een hoop bloemen, waar van de steel het zaad, of de kiem
van de aanstaande Aloë bevat, welke in den tyd van twee maanden tot
den staat van volkomenheid koomt, zonder dat dit ooit faalt.
Aan de zyde der bosschen, die ons omringden, zag ik ook de
Banille-Boom, eene plant, die door middel van haare kronkelende ranken,
zig, even als het eiloof, aan den stam der boomen vasthecht. Deszelfs
bladeren zyn ongemeen dik, en van eene donker groene kleur. Zyne vrucht
bestaat in eene driehoekige peul van zes of agt duimen lengte, en vol
met gladde zaadjes, Deeze peulen, welken men in één agter-middag in de
zon laat droogen, worden bruin, hebben eene uitmuntende specery-reuk,
en een aangenaamen smaak, het geen de reden is, dat men 'er zig van
bedient, om aan de chocolaad een geur te geven. 'Er zyn verscheiden
zoorten van Banille-boomen, maar de meest geachte heeft lange en
dunne peulen. De Negers vertoonden my ook een klein zoetachtig zaad,
het welk zy bongora noemen.
By myne te rug komst aan de Hoop, ontmoete ik COJO, den oom van JOANNA,
die my een huilenden Aap bragt, door hem gedood. De Aapen van dit
zoort hebben de grootte van een kleine steendogge. Zy hebben een
baard, lange en roode hairen, en over 't geheel zyn zy uittermaten
leelyk. Maar het geen hen voornamelyk van andere Aapen onderscheidt,
is het ysselyk gehuil, het welk talryke hoopen van deeze dieren
gezamentlyk doen hooren, en op zulk een hoogen toon, dat het op den
afstand van een myl door de ooren klinkt. De Negers verzekerden my,
dat zy doorgaans, dag en nacht, by hoog water, het welk zy door eene
aangeborene neiging weten, deeze wanluidende gezangen herhalen.--Van
zoodanig een verstand der dieren sprekende, kan ik niet nalaten het
volgende aller zonderlingst geval te vermelden; ik zal vervolgens
tot het geschiedkundig gedeelte van myn verhaal te rug keeren.
Ik ontfing, den 16den, een bezoek van één myner buuren, wien ik
myn trap deed opklimmen; maar hy had nog naauwlyks den voet in myne
lucht-woning gezet, of hy sprong van boven naar beneden, schreeuwende
van de verschrikkelykste pynen; en hy dompelde zig dadelyk in de
Rivier, met het hoofd vooruit. Boven my heen kykende, ontdekte ik wel
dra, dat dit voorval veroorzaakt was door een zeer groot nest van wilde
byën, of wassy-wassy, het welk zig geplaatst had in het rieten dak,
recht boven myn hoofd, wanneer ik in myne kamer intrad. Ik liep dus
ook op myn beurt weg, en gelastte de slaven, om dit nest onverwyld
uit te roeijen. Zy gongen aan het werk, toen een oude Neger hen
tegenhield, en zig onderwierp tot het ondergaan van alle straffen,
die ik hem wilde aandoen, indien eene enkele van deeze byën my ooit
of ooit steken zoude. "Massera, zeide hy my, deeze dieren zouden u
reeds lang mishandeld hebben, indien gy hun vreemd geweest waart,
maar zy zyn uwe huisgenooten; gy hebt hun stilzwygend toegestaan,
om alhier hunne woonplaats te houden; zy kennen u zekerlyk, en nooit
zullen zy u, nog de uwen, kwetsen". Ik stemde dadelyk in het voorstel
van deezen man toe; en hem aan een boom hebbende doen vastbinden,
gelastte ik QUACO de trap op te klimmen, byna naakt, het geen hy deedt,
zonder gestoken te worden. Toen waagde ik het om hem te volgen; en ik
verklaar op myn woord van eer, dat zelfs na aan het nest geschud te
hebben, waar op de byën 'er al brommende uit vlogen, en rondom myn
aangezicht heen draaiden, geene derzelver my trachte te steken. Ik
stelde dus den ouden Neger weder in vryheid, en gaf hem een glas rhum,
en vyf schellingen, tot zyne belooning. Ik behield vervolgens deeze
kleine byënkorf, zonder eenig gevaar voor my zelf, en ik maakte 'er
myne lyfwagt van. Tot myn groot vermaak deeden zy eenige Opzichters,
welken ik, onder het één of ander voorwendzel, de trap deed opklimmen,
wanneer ik hunne onrechtvaardigheid en wreedheid straffen wilde,
verscheiden malen aartige sprongen doen.
Dezelfde Neger verzekerde my, dat 'er voorheen op de Plantagie van
zynen meester een boom stond, waar op, zoo lang zyn geheugen reikte,
een gezelschap van vogelen en een zwerm byën genesteld waren, die in
eene volmaakte eendracht zamen leefden: maar indien eenige vreemde
vogelen de byën kwamen stooren, verdreven hunne gepluimde bondgenooten
dezelven aanstonds; zoo ook, wanneer vreemde byën tot in de nesten
der vogelen durfden doordringen, wierp zig de zwerm, die aldaar
t'huis hoorde, op de aanvallers, en doodde dezelven. De eigenaar
der Plantagie en zyn geheele huisgezin, hadden zulk een eerbied voor
deeze maatschappye, dat zy den boom als heilig beschouwden en niet
gedoogden, dat men dien om ver hakte. Dienvolgende viel hy eindelyk
van ouderdom om ver.
Den 22sten, kwamen eenige manschappen van Rietwyk aan de Peréca aan,
en berigtten my, dat een gedeelte van ons krygsvolk aan de Java-Kreek
was te rug gekomen, na tot by Vrydenburg aan de Maroni geweest te
zyn; dat zy, gezamentlyk met de Jagers, geduurende deezen veldtocht,
verscheiden bezaayde landen, aan de muitelingen toebehoorende,
verwoest hadden; en dat deeze zelfde Jagers, uit hoofde van hunne
byzondere diensten, van de Compagnie nieuwe wapenen ontfangen hadden,
als mede eene monteering, bestaande in een groen buisje, zynde dit het
eerste, het welk zy gedragen hadden. Ik vernam ook, te gelyker tyd,
dat de genen, die aan de Oucas- en Sarameca-Negers gezonden waren, na
eene nuttelooze reize waren te rug gekomen; want deeze beide volken
wilden ons met geene hulp bystaan. Ingevolge van deeze weigering,
nam de Colonel FOURGEOUD, die zig eindelyk afgemat gevoelde, en zyn
volk door het vernielen van het grootste gedeelte van de bezittingen
der muitelingen had uitgeput, het besluit om deezen tocht te staken;
maar vooraf gaf hy van dit zyn besluit kennis aan zyne Doorluchtige
Hoogheid den Prins van Orange.
Den 23sten, ontfing ik stelligen last, om my tot myn vertrek gereed
te houden tegen den 15den July, met al het volk, het welk onder myn
bevel stond, vervolgens de Commewyne te verlaten, en naar Paramaribo
af te zakken, alwaar schepen gereed lagen, om ons naar Holland over
te voeren. Ik las oogenblikkelyk dit bevel aan alle myne soldaten
voor, die het met vervoering van vreugde, en driewerf herhaalde
toejuichingen, aanhoorden.--Maar ik zuchtte 'er over. Myne geliefde
JOANNA en myn zoon waren beiden toen zeer ziek, de eerste had de
koorts, de ander was door struiptrekkingen aangetast, en men wanhoopte
aan hun leven. Om myne ellende ten hoogsten top te brengen, indien men
de kwaalen van het lichaam met die der ziele gelyk kan stellen, trapte
ik ter zelfder tyd op een spyker, die vry diep in den voet indrong.
In deeze smartelyke gesteldheid, kwam de Nacht-uil van Guiana ons
regelmatig zyn nacht-bezoek geven. Hy kwam zelfs in myne kamer, en liet
aldaar zyn naar geluid hooren. Deeze vogel wordt alhier Ourou-coucou
genoemd, om dat zyn geschreeuw met deeze woorden eenige overëenkomst
heeft. Hy heeft ten naasten by de grootte van een duif. Zyn bek is
geel en gekromd even als die van een valk; hy heeft een gespleten tong;
zyne oogen zyn ook geel, en zyne ooren zeer zichtbaar. Hy heeft korte,
sterke pooten met zeer puntige nagels gewapend. De algemeene kleur
der vederen van deezen Nachtuil is helder bruin, uitgenomen aan den
hals en aan de buik, die wit zyn, met eenige gryze vlakken daar onder
gemengd. De Negers, die zeer bygeloovig zyn, stellen algemeen, dat
de tegenwoordigheid van den Nachtuil een teeken van den dood is. Dit
vooroordeel is echter verschoonlyk, om dat deeze vogel vermaak vindt
met zig in een zieken-kamer optehouden; mogelyk wordt hy derwaarts
gelokt door het licht der lampen, welken men den geheelen nacht brandt,
of liever door de benaauwde lucht, die hem doet hoopen, aldaar eenigen
buit aan te treffen,
Eene oude Indiane, aan welke JOANNA kennis hadt, haar te deezer tyd op
de Hoop een bezoek zynde komen geven, was ik door haare bekwaamheid en
zorge spoedig geneezen. Maar myn klein huisgezin bleef by aanhoudenheid
in zulk een ellendigen staat, dat ik besloot haar naar Paramaribo
te doen vertrekken, eer het te laat mogt zyn. Den 10den zond ik ook
myne kudde vee en gevogelte naar Fauconberg: ik hield echter twee
vette schapen, die ik liet slachten, en waar op, mitsgaders op wild
en visch, ik geduurende twee dagen vier-en-twintig der aanzienlykste
inwooners uit den omtrek deezer Rivier onthaalde. Myn waarde vriend,
JACQUES GOURLEY, gaf my, by deeze gelegenheid, wit brood, Spaanschen
wyn, en vruchten ten geschenke.
Den 13den, gelastte ik aan het krygsvolk, het welk op Klarenbeek
geplaatst was, alwaar men voor de tweede maal een Hospitaal had
opgericht, de Rivier af te zakken; en dien zelfden avond kwamen zy
op de Hoop aan.
Den 14den, kwam een Officier van 's Compagnies krygsvolk my in het
bevel aan de Rivier aflossen; en van dit oogenblik begonnen zyne
soldaten den dienst waar te nemen.
Des avonds van dien zelfden dag, nam ik afscheid van de nabestaanden
van JOANNA, die op de Plantagie Fauconberg woonden. Deeze goede lieden
omringden my, en betuigden my hun innerlyk leedwezen over myn vertrek;
en met de traanen in de oogen, baden zy den Hemel my te beschermen,
en my eene voorspoedige reize te schenken.
Den 15den, verlieten wy eindelyk den wachtpost van de Hoop. Myne
soldaten gingen des morgens ten tien uuren aan boord van de vaartuigen;
op den middag deed ik een pistool-schoot, om het anker te doen ligten;
wy zakten vervolgens de Commewyne af, om op de rheede van Paramaribo
te komen, en ons van daar naar Europa in te schepen.