Aanwerving van twee Compagniën Vrywilligers, bestaande uit
Negers en vrye Mulatten.--Verscheidene zoorten van Visschen.
--Arrowoukas. Indianen.--De krygsbende van den Colonel
FOURGEOUD ontfangt bevel, om naar Holland in te schepen.
--De Ratel-slang.--De blaauwe Dypsas.--De Amphisboena of
tweehoofdige slang.--Eene fraaije Kapel.--De Colonel
ontfangt naderen last.--Het krygsyolk trekt weder in de
bosschen.--Koophandel in de Volkplanting van Surinamen.
--Beschryving van eene Cacao-Plantagie.--Heldendaad van
eenen Neger.--De Ananas.--De Muscaat- en Water-Meloen.
Op nieuwe jaars dag deedt de Colonel SEYBOURG my zyne groete doen, met
verzoek om myne aanhoudende vriendschap. Ik ging hem oogenblikkelyk
van de myne verzekeren, en hy verklaarde my een oprecht leedwezen
te hebben over de kwade bejegeningen, waar aan hy zig ten mynen
opzigte schuldig had gemaakt. Hy verzekerde my, dat zyn Adjudant
en spion GIBHART, 'er de voornaame oorzaak van was; vervolgens my
by de hand vattende, stondt hy my toe, om tans naar Paramaribo te
gaan, of werwaarts ik goedvond, tot dat ik anderen last ontfangen
zoude hebben. Deeze behandeling deedt my een innerlyk genoegen,
en wy dronken al het overschot onzer vyandschap af, niet met wyn,
maar in rhum met water gemengd. Dien zelfden avond derhalven afscheid
genomen hebbende, zoo van mynen nieuwen vriend, als van de legerplaats
aan de Java-Kreek, zakte ik, zeer wel te vreden zynde, de Rivier af,
om my naar de hoofdstad der Volkplanting te begeven.
Na een gedeelte van den weg slapende te hebben overgebracht, bevond
ik my des anderen daags morgens te Devil's Harwar, alwaar ik vernam,
dat die zelfde GIBHART, van wien ik zoo even sprak, kortlings aldaar
was overleden. Des avonds kwamen wy op de Plantagie Beekslied. Myne
roeijers arbeidden met veel yver. Om elkander daar toe aan te zetten,
kliefde de een het water met zyn riem in diervoegen, dat het een
onderscheiden geluid gaf, en zyne medgezellen volgden hem gezamentlyk
daar in naar.
Den 3den, kwam ik op het Fort Amsterdam aan, alwaar ik een uitstekend
middagmaal deed met onderscheidene zoorten van visch, genaamd Passary,
Prare-Prare, Provost, en Curema. De Passary is meer dan twee voeten
lang, en weegt zomtyds twintig ponden. Zyn kop is breed en plat. Hy
heeft twee lange knevels, maar geene schubben, zyn vleesch is aller
lekkerst. De Prare-Prare is ten naasten by van dezelfde gedaante en
insgelyks goed. De Provost is breed, heeft dikwils de lengte van vyf
voeten, en eene geelachtige kleur. Zyn vleesch is minder aangenaam,
dan dat van de twee voorgaande, maar geeft eene goede oly. De Curema
is een zoort van harder, zomtyds van twee voeten lengte, hebbende
twee groote witte zilverachtige oogen, en de benedenste kaak meer
voor uit staande dan de bovenste. Ter deezer plaatse vangt men ook
een zoort van zeeslak, waar van Mejuffrouw DE MERIAN melding maakt,
en welker voorste gedeelte juist gelykt naar dat van een garnaal.
Des avonds van dien dag, ten zes uuren, trad ik in de stad
Paramaribo binnen. Ik vond aldaar JOANNA en mynen zoon in volmaakte
gezondheid. Beiden waren zy, van wegen de gevolgen hunner ziekte, drie
weken lang blind geweest. Myn vriend, de heer DE GRAAF, noodigde my,
om met haar by hem myn intrek te nemen.
Daags daaraanvolgende at ik met den Colonei FOURGEOUD, die zig zoo
wel bevondt als ooit. Hy onthaalde my, als naar gewoonte, op gezouten
kost, [51]en behandelde my zeer vriendelyk. Hy berigtte my, dat 'er
twee compagniën vrywilligers, uit Mulatten en vrye Negers bestaande,
wierden aangeworven; dat de Oucas- en Sarameca-Negers de muitelingen
begunstigden, en in de daad groote schelmen waren; dat men eenigen
van de laatstgemelden by de Casiwinica-Kreek gedood had; dat hy hunne
verblyfplaats Fissy-Hollo hoopte te vernielen; dat BONNY en de zynen,
in weerwil van hunne strooperyen, die niet lang meer duuren konden,
in de bosschen van honger stierven, en dat hy besloten had, zoo lang
hy een enkelen soldaat overig had, dien muiteling te vervolgen,
hem zoo mogelyk gevangen te nemen, of ten minsten met zyne bende
uit de Volkplanting te verjagen. De Colonel verhaalde my al verder,
dat zeker Franschman, die den platten grond der vestingwerken,
enz. voor den Gouverneur van Caijenne afteekende, op het oogenblik,
dat hy stondt te worden opgehangen, ontsnapt was; dat hy aan den
Capitain TULLING, wegens het door hem in stilte aangegaan huwelyk,
vergiffenis geschonken hadt; en dat de Lieutenant Colonel DE BORGNES
met eene ryke weduwe ging trouwen.
De Bevelhebber was, met één woord gezegd, ten mynen opzigte een
geheel ander mensch geworden. Zyne manieren waren toen zoo geschikt,
dat ik niet verlangen konde mynen tyd in beter gezelschap door te
brengen. Hoe was het mogelyk, dat ik te gelyker tyd de vriend van twee
Oversten was, die door nyd jegens elkander gedreven wierden. Dit is
een geheim, het welk ik nimmer heb kunnen ontdekken; misschien, daar
zy geslagen vyanden waren, wilden zy my beiden winnen. Wat daar ook
van zy, ik besloot, de stiptste ononzydigheid in acht te nemen. Ik
gedroeg my ook op dezelfde wyze jegens den Gouverneur, die my den
tweeden dag na myne aankomst ten eeten verzogt, en, in plaats van my
op gezouten ossen-vleesch te onthalen, overënkomstig zyne gewoonte,
eene deftige maaltyd liet aanrechten.
Ik gaf ook een bezoek aan myne verdere vrienden, namelyk aan Mevrouw
GODEFROY, als mede ten huize van DEMELLY, GORDON, MAC-NEYL; en ik
bragt ook zeer vrolyk den dag door met de zwarte Mevrouw SAMPSON,
of ZUBLY, die tans weduwe was.
Ik woonde ook een dans-party van Mulatten by, op welke men echter
geene slaven zag. De musiek, het licht, de dans, het avond-eeten,
waren aldaar in de volmaaktste orde geregeld. De grootste pracht stak
voornamelyk in de kleederen uit. Vrolykheid en betamelykheid hadden
'er beiden plaats, en wel zoodanig, dat dit gezelschap ten voorbeelde
strekken kon aan dat van veele inwooners van eene andere kleur,
die zig verbeelden beschaafder zeden te bezitten.
Den 20sten, een groot aantal Indianen en Negers van beide kunne,
in de Rivier by het Fort Zelandia hebbende zien zwemmen, wilden de
jonge DONALD MAC-NEYL en ik van de party zyn. Nimmer zag ik eene
dergelyke vaardigheid; dan die der Negers, in het water. Zy hielden
een zoort van gevecht, waar in zy als visschen duikten, en elkander
met de voeten, maar nooit met de handen, raakten. De Indianen, die
tot het geslacht der Arrowoukas behoorden, waren ook bekwame zwemmers,
en scheenen zoo wel in 't water, als op 't land, te kunnen leven.
Ons door dit genomen bad genoegzaam verkoeld hebbende, gingen wy aan
den oever nederzitten, alwaar ik het genoegen had het maakzel en de
trekken van eene jonge Indiane te beschouwen, die als een venus-beeld
uit het water opkwam.--De Arrowoukas zyn zeer verschillende van alle
de andere Indianen, over welken ik reeds den lezer onderhouden heb;
hy herinnert zig misschien myne belofte, om van hun in het byzonder te
spreken, en deeze zal ik tans volbrengen.--Ik merkte op, dat de huid
van dit jong meisjen, by het uitkomen uit het water, niet meer met
Roucou geverwd zynde, my veel schooner voorkwam, dan de koper-kleurige
huid der vrouwen van andere Indiaansche volken. Haare leden waren
door geene naauwe ringen, of styve catoene banden ontcierd. Haar
hoofdhair hing niet los; maar was netjes rondom haar hoofd opgebonden,
en op den kruin door eene breede zilvere plaat vast gemaakt. [52]
Het eenige kleed, dat zy in het water aanhieldt, bestondt in een klein
vierkant voorschoot, van koraalen gemaakt, zoo als ik die hier boven
reeds beschreven heb: zy was derhalven, ten aanzien van de overige
deelen van haar lichaam, geheel en al naakt. Zy had een aangezicht,
zoo bevallig, als men zig verbeelden kan. Haare reizige gestalte,
haare kragt, haare jeugd, haare levendigheid, alle de teekenen van
eene goede gezondheid, overtuigden my van de waarheid, dat wanneer
het lichaam zig geheel aan het oog ontdekt, men op de schoonheid van
het aangezicht weinig acht slaat. Haar gelaat kondigde die beminnelyke
eenvoudigheid, dien onschuldigen ernst aan, die op geenen onëerbaaren
aanval zelfs verdacht is, en niet kan nagebootst worden door haar, die
zig aan den geringsten misstap schuldig kent. Eene geverwde olyfkleur
is met de schoonheid zeer wel bestaanbaar: deeze is de natuurlykste
kleur van alle menschelyke schepselen; want het is waarschynlyk,
dat blank en zwart slechts trapswyze opklimmingen zyn, veröorzaakt
door overmaat van warmte en koude. [53] Dit jong meisje, zoo volmaakt
schoon, scheen zelfs ook volmaakt gelukkig te zyn. Men vindt, zegt
RAYNAL, in den staat der zuivere natuur het geluk meenigvuldiger,
dan in den staat der volmaaktste beschaafdheid. Het is zeker, dat
eene Europeesche vrouw tot aan de toppen der vingers zoude bloozen,
op het enkele denkbeeld van naakt in het openbaar te verschynen; maar
opvoeding en vooröordeel doen alles, vermits het een ontwyffelbaare
regel is, dat, wanneer men inwendig zig niets te verwyten heeft,
men voorzeker van geene schaamte weten kan.
Ik herinner my te Bergen op Zoom eenen jongen Indiaan uit den omtrek
van de Volkplanting de Berbices, genaamd WILKY, gezien te hebben. De
Generaal DESALVE, die hem had medegebragt, liet hem kleeden, en gaf
hem een zeker zoort van opvoeding. Deeze Indiaan had onder anderen
het koken en kleeder-maken geleerd, willende zig zelven, zoo hy zeide,
tevens van alle noodwendigheden voorzien. Na verloop van eenigen tyd,
betuigde hy zyn verlangen, om naar de Volkplanting te rug te keeren;
en hy had slechts even den Americaanschen grond betreden, of hy wierp
zyne kleederen weg, begaf zig naakt in het diepste der bosschen,
alwaar hy, even gelyk de Hottentot, van wien ROUSSEAU spreekt in
de aanteekening Nº. 13. op zyne verhandeling over den oorsprong
en grondslag der ongelykheid onder de menschen, zyne dagen sleet,
zoo als hy die begonnen had, in het midden zyner landgenooten en
vrienden.--Maar laaten wy tot dit meisjen te rug keeren. Zy had
eene levendige Papegaay, die zy zelve met een rond gemaakte pyl
geschoten had, en die ik van haar voor een mes met een dubbeld lemmer
verruilde. De Arrowoukas zyn in dit zoort van jagt zoo knaphandig,
dat zy meenigmalen een Macaw in zyne volle vlucht, en dikwils zelfs
een duif, raken.
Ik kan van dit onderwerp niet afstappen, zonder eenige aanmerkingen te
maken omtrent het zedelyk character van dit volk, het welk niet alleen
met de meeste andere Indiaansche volken in vrede leeft, maar vooral
in goede vriendschap staat met de Europeanen, wier achting het bezit.
Ik zal slechts één geval verhalen, tot een bewys van de dankbaarheid,
waar door deeze Indianen zig onderscheiden. Voor eenige jaaren
kwamen twee van hun, man en vrouw, te Paramaribo. Deeze vrouw in
haare zwangerheid verre gevorderd zynde, gelastte de heer VAN DER
MEY aan zyne dienstboden, om hen beiden aan zyn huis te brengen, en
hun eene afzonderlyke kamer, en alles wat zy noodig hadden, te geven;
vervolgens wenschte hy hun goeden avond. De Indiaansche vrouw beviel
dien zelfden nacht; en des anderen daags morgens, toen de dienstboden
kwamen, om hun den dienst van hunnen meester op nieuw aan te bieden,
vonden zy noch den man, noch de vrouw. Deeze waren voor het aankomen
van den dag vertrokken, om met hun kind gerustelyk naar het bosch
te rug te keeren. [54] Men maakte toen verscheiden gissingen omtrent
die zoo hoog geroemde oprechtheid der Arrowoukas; maar na verloop van
agttien maanden, kwam deeze zelfde Indiaan den heer VAN DER MEY weder
opzoeken, met zig brengende een schoon jongman, tot het geslacht der
Accawaus behoorende, dien hy in een gevecht gevangen genomen had. [55]
Hy boodt hem zynen weldoener aan, zeggende alleenlyk: Die is voor u;
en, zonder naar antwoord te wagten, liep hy weg. Men boodt den heer VAN
DER MEY meer dan twee honderd ponden sterling voor dien slaaf, maar hy
weigerde zulks, en behandelde hem, even als of hy een vry persoon was.
De opvoeding, welke de Indianen in hunne kindsheid ontsangen, is
zoo overëenkomstig de wetten der eenvoudige natuur, dat zeldzaam hun
gemoed bedorven, noch hun lichaam misvormd is. Te groote zorgvuldigheid
in beiderleije opzigten, is zoo wel schadelyk, als eene volstrekte
achteloosheid. Dit is het gevoelen van den verstandigen Dr. BANCROFT,
die niet noodig had zulks met een plaats uit QUINTILIAAN te bewyzen.
Schoon de Arrowoukas in eene volmaakte eensgezindheid met de
Europeanen, en de meesten van hunne nabuuren, leven, trekken zy
echter ten stryde uit, wanneer men hen getergd heeft. Hunne wapenen
zyn boog, pylen, en een knods, dien zy abowtow [56] noemen; maar zy
eeten hunne gevangenen niet, zoo als de Caraïben doen, die zelfs
de Negers opäten, welken zy in eenen opstand doodden, die in de
Volkplanting de Berbices voorviel. Ofschoon zy veel verder van de
zee af woonen, dan de Warrows, hebben zy kano's, zomtyds van veertig
voeten lang, waar mede zy de Rivieren afzakken. De Indianen van dit
geslacht zyn groote kruidkenners. Voor uitwendige kwalen, maaken
zy gebruik van enkelvoudige middelen, waar van de bosschen van het
vaste Land van America overvloeien.--Maar laten wy het verhaal van
onze krygsverrigting vervolgen.
Den 25sten, wierd ik door de koorts aangetast, en men deedt my
eene aderlating op den voet; maar het lancet te diep gestoken zynde,
geraakte ik verminkt. Omtrent dien zelfden tyd kwam de Colonel SEYBOURG
uit de legerplaats aan de Java-Kreek zeer ziek te rug.
De Colonel FOURGEOUD was toen op het punt, om zyne krygsverrigtingen
te hervatten. Hy had reeds eenige manschappen naar de Savane der
Joden afgezonden, om beter onderricht te worden van het geen 'er van
dien kant omging. In dien staat der zaken ontfing hy beveelen uit
den Hage, om dien tocht oogenblikkelyk te staken, en zig, met alle
zyne manschappen, onverwyld naar Holland in te schepen.
Ingevolge van deeze beveelen, wierden de transport-schepen den 27sten
gereedgemaakt, de Officiers en soldaten ontfingen hunne agterstallige
soldye, waar over zy zeer verheugd waren. Ieder een was te Paramaribo
'er over te vreden, uitgenomen eenige inwooners, en ik zelf.
Den 14den February, onaangezien het ongemak aan myn voet, de koorts,
een zweer, en de scheurbuik, ging ik, op krukken loopende, met duizend
guldens in myn zak, die somme verdeelen tusschen den Colonel FOURGEOUD
en Mevrouw GODEFROY, tot betaling van de schulden, welken ik door
het vry koopen van mynen Neger QUACO, en myne JOANNA, gemaakt had;
vervolgens keerde ik naar myne wooning te rug, geen enkelen schelling
in myn zak overgehouden hebbende. De 500 guldens, welken ik aan
Mevrouw GODEFROY ter hand stelde, waren eene geringe afkorting op
de 1800 guldens, die ik haar schuldig was, en met dit al had zy de
edelmoedigheid, om my op nieuw aan te zetten, ten einde JOANNA en
mynen zoon naar Holland mede te nemen. Doch JOANNA weigerde zulks
moediglyk, en verklaarde, "Dat, alle andere bedenkingen daar gelaten,
zy nimmer zoude toestemmen, om de belangen van haare weldoenster
aan die van haaren weldoener op te offeren; dat haar eigen geluk,
en zelfs het myne, het welk zy boven het leven waardeerde, als
dan in bitterheid voor haar verkeeren zoude, zoo lang de schuld
van haare vrykooping niet geheel en al gekweten zoude zyn, het zy
door my zelven, het zy uit de vruchten van haaren eigen arbeid, zoo
als zy hoopte dit t'eeniger tyd ter uitvoer te brengen":--Zy voegde
'er by: "dat onze scheiding niet dan kortstondig zyn zoude, en dat
het grootste bewys, het welk ik haar van myne achting geven konde,
bestond in het kloekmoedig dragen van deeze kleine tegenkanting der
fortuin, zonder in haare tegenwoordigheid zelfs een enkelen zucht
daar over te laten". Zy liet deeze laatste woorden met een glimlach
gepaard gaan: daar op omhelsde zy haaren zoon, en verliet my dadelyk,
om onbedwongen haare tranen te storten. Op dit zelfde oogenblik
wierd ik geroepen by den heer DELAMARE, die op sterven lag; en myne
smart was toen onuitsprekelyk. Ik moest echter besluiten, om eene
afwezigheid van één of twee jaaren door te staan. Des namiddags, om
myn leed een oogenbjik te verzetten, ging ik het kabinet van Indische
zeldzaamheden van den heer ROUX bezichtigen. Het oog toevallig op een
ratelslang hebbende laten vallen, zal ik, alvorens de Volkplanting
van Surinamen te verlaten, dit gevaarlyk kruipend gedierte beschryven.
De Ratelslang heeft in Surinamen zomtyds de lengte van agt of negen
voeten. In 't midden is hy zeer dik, en naar den hals en de staart
word hy dunner. Zyn breede kop is plat, en leelyk mismaakt. Men ziet
in hem twee wyd open gespalkte neusgaten by den bek; en, even als de
Kayman, een groote kam of bult boven de oogen, zoo zwart als git,
en zeer schitterende. Aan het einde van zyne staart zyn verscheide
schubben van een zoort van dun hoorn, zeer droog, en aan elkander
zaamgehecht, welken het dier beweegt, wanneer hy getergd word, en die
een geluid geven, gelykende naar dat van een ratel, waar van hy den
naam draagt. Men zegt, dat het getal zyner schubben in evenredigheid
jaarlyks vermeerdert, en dat men door dit middel zynen ouderdom zeer
juist bepaalen kan. Deeze slang is geheel overdekt met andere schubben,
die aan den ruggestreng over eind staan. Hy heeft eene doffe orange
kleur, gemengd uit een donkerbruin, en zwarte vlakken, die op zyn
kop ook zeer zichtbaar zyn: zyn buik heeft eene aschgrauwe kleur met
schuinsloopende schubben, zoo als de meeste andere slangen. Wanneer
dit dier zynen buit bespiedt, draait hy zig rond in elkander,
als een kluw touw, en zyne staart een weinig bewegende, doet hy
die vervolgens ratelen, en spreidt zig in éénen sprong uit ter
lengte van zyn geheele lichaam; daar op verbergt hy zig andermaal,
om zig op nieuw uit te spreiden. Het vergift van deezen slang word,
ten minsten in geheel America, voor doodelyk, of voor zeer gevaarlyk
gehouden. Wat betreft zyne eigenschap om de oogen te verblinden, de
muizen, de eekhorentjes, de vogelen, in zynen muil te laten vallen, ik
houde zulks voor verdichtsels. Al die voorgewende tooverkragt bestaat
alleenlyk daar in, dat deeze arme dieren, wanneer zy zig door eenig
dreigend gevaar overvallen zien, door zulk een schrik en beving worden
aangetast, dat zy 'er het gebruik van hunne ledematen door verliezen,
en onbeweeglyk op hunne plaats blyven, of, zig trachtende te redden,
in de macht van hunnen vyand vallen.
Ik zag ook in dit kabinet de blaauwe Surinaamsche Dipsas, die byna
eene blaauwe kleur op den rug heeft, in de zyden zeer helder, en
aan den buik witachtig. Ik heb niet hooren zeggen, dat de beet van
dit dier doodelyk is, maar dezelve veröorzaakt een onmatigen dorst,
waar van hy zyn naam ontleent, want het woord dipsa beteekent in
het Grieksch dorst. Ik merkte ook nog een anderen slang op, omtrent
drie voeten lang, bedekt met ringen van onderscheidene kleuren,
dien men Amphisboena noemt, om dat men veronderstelt, dat hy twee
hoofden heeft; maar de waare reden is, om dat, uit hoofde van zyne
langwerpig ronde gedaante, zyn kop en staart zoodanig naar elkander
gelyken, dat het zeer wel is toe te geven, wanneer men 'er in mistast;
zyne oogen zyn voorts byna onbemerkbaar. Het is die zelfde slang,
aan welke de door my beschrevene groote mieren voedzel verschaffen,
zoo het gemeene volk zegt, wanneer hy blind is, waarom men hem in
dit Land met den naam van koning der mieren verëert. [57]
Onder de talryke verzameling van fraaije kapellen van den zelfden heer
ROUX, merkte ik 'er voornamelyk een op van eene middelmatige grootte,
welker vier vleugelen, zoo van boven als beneden, met zwarte streepen
en een schitterend groen verciert zyn. De ontzachelyke hoogte, tot
welke zig dit insect verheft, en de vlugheid, waar mede hy vliegt,
maken hem zeer zeldzaam. Zyn enklauw, van eene zee-groene kleur,
is van harde punten, vry veel naar pluimen gelykende, voorzien.
Ik zeide straks, dat wy bevel ontfangen hadden, om de Volkplanting te
verlaten, en dat al het volk daar over verheugd was, uitgezonderd ik;
maar onze Overste ontfing, den 15den, brieven uit Holland, waar by
onze te rugkomst voor zes maanden wierd uitgesteld. Myne medemakkers
waren over dit uitstel ter nedergeslagen, en my deedt het herleven. Ik
besloot om myne geheele soldye uit te zuinigen, tot dat ik de somme by
elkander zoude hebben, die 'er noodig was, om volkomen eigenaar van
JOANNA te wezen: maar het deedt my zeer leed, dat wy andere tydingen
uit Europa ontfingen, medebrengende, dat zyne Britannische Majesteit de
Schotsche brigade had uitgenoodigd, om zig naar Engeland te begeven,
en het speet my ongemeen, dat ik daar toe niet meer behoorde. [58]
Men boodt my byna te gelyker tyd eene Compagnie aan onder den Generaal
WASHINGTON, welke ik zonder bedenken weigerde.
Den 18den February, wierden onze soldaten, moedeloos zynde, weder
naar Maagdenberg gezonden; een groot gedeelte bleef steeds aan de
Java-kreek. Onze Officiers waren toen zoodanig te onvreden, dat
één van hun, FISHER genaamd, twee maalen, daags na elkander, een
tweegevecht hieldt, en aan zyne beide tegenpartyen, zynde Officiers
van 's Compagnies krygsvolk, gevaarlyke wonden toebragt.
Dewyl ik nog niet hersteld was, bleef ik eenigen tyd langer te
Paramaribo. Ik zag aldaar ten huize van den heer REYNSDORP, eene
Portugeesche Jodin, die haare kinderen in den Christelyken Godsdienst
opvoede; terwyl van eenen anderen kant, de Opzichteresse van zeker
Godshuis dagelyks ongelukkige slaven liet geesselen, om dat zy, zoo
ze zeide, Heidenen waren. Zy veröordeelde onder anderen eene arme
Negerin tot vier honderd geessel-slagen, welken deeze, zonder eenige
klagten te uiten, ontfing.
Maar laten wy van dit onäangenaam onderwerp afstappen; en liever,
dewyl zig daar toe thans eene geschikte gelegenheid opdoet, den lezer
een korten staat opgeven van den koophandel en innerlyke waarde deezer
Volkplanting, alwaar zoo veel bloed op de wreedaartigste wyze geplengd
word, en die nog veel ryker zoude zyn, indien zy het voorbeeld niet
volgde van de vrouw, in de Fabel van de hen, die gewoon was gouden
eieren te leggen.
Men telt te Surinamen zes of agt honderd Plantagiën, die suiker,
koffy, cacao en catoen voortbrengen. 'Er zyn daarënboven eenige
indigo Plantagiën. Men heeft ook werven gemaakt tot het hakken van
timmerhout, enz. Op de onderslaande tafel kan men den staat en de
waarde zien van de vier eerstgemelde zoorten van koopmanschappen,
die geduurende vier jaaren van de Plantagiën zyn afgeleverd.
Jaaren. Vaten Ponden Ponden Ponden
Suiker. Koffy. Cacao. Catoen.
1771 19,494 11,135,132 416,821 203,945
1772 19,260 12,267,134 354,935 90,035
1773 15,741 15,427,298 332,229 135,047
1774 15,111 11,016,518 506,610 105,126
Somma 69,606 49,846,082 1,610,595 534,153
69,606 vaten Suiker, tegen 60:-:- het
vat, maken 4,176,360:--:--
49,846,082 Ponden Koffy, tegen agt en
een halve stuiver het pond, maken 21,184,584:17:--
1,610,595 ponden Cacao, tegen zes en
een halve stuiver het pond, maken 523,443: 7: 8
534,153 ponden Catoen, tegen agt
stuivers het pond, maken 213,661: 4:--
------------------
Makende te zamen 26,098,049: 8: 8
==================