Byzonder zoort van Mieren.--Acajou-nooten.--Eta-appel.
--Alarm aan de Peréca.--Hinderlaag.--Vreemde uitwerking,
door eene Vledermuis veröorzaakt.--De Opposfum.--De
Agouti en de Paca.--De Dadel-boom.--Het krygsvolk keert
naar de Cormoetibo-kreek te rug.
Den 19den September 1775, een oogenblik voor het opgaan der zon,
begaf zig de Colonel SEYBOURG, aan het hoofd van honderd Zee-soldaten
en veertig Jagers, in aantocht. Deeze Officier deedt my de eer aan,
zyne keuze op my te laten vallen, om hem te vergezellen; en hy was,
geheel anders dan voor deezen, zeer bescheiden omtrent my, zonder
dat ik de reden van die verandering bevroeden konde.
Na de Cormoetibo-Kreek te zyn overgetrokken, gingen wy zuidwestwaarts
ten zuiden, tot aan de Cottica, aan welker oevers wy ons ter neder
sloegen. Den eersten dag van onzen tocht zagen wy niets merkwaardigs,
dan een groot aantal mieren van ten minsten een duim lengte, en
volmaakt zwart. De insecten van dit zoort ontbladeren een boom in zeer
korten tyd; zy snyden dezelven in kleine stukjens ter groote van een
zes stuivers stuk, om ze onder den grond met zig te voeren. Het was
alleräangenaamst dit mierenleger te zien, elk met een stuk van een
groen blad, onöphoudelyk den zelfden weg volgende. Men is zoodanig
genegen het wonderbaarlyke te gelooven, dat zommige lieden beweerd
hebben, als of deeze vernieling ten voordeele van eenen blinden
slang geschiede. Dit is 'er van de zaak, dat deeze bladen tot voedzel
dienen voor de jongen der mieren, die nog geen kragt genoeg bezitten
om zich zelven voedzel te bezorgen, en die zomtyds zes voeten diep
in den grond woonen. Mejuffrouw DE MERIAN zegt, dat zommigen van
deeze insecten zig tot een keten vormen van den eenen tak tot den
anderen; en dat de geheele troep vervolgens daar over als over een
brug gaat. Zy beweert ook, dat deeze troep eenmaal 's jaars van huis
tot huis gaat, en aldaar al het ongedierte doodt, het welk zy vinden:
maar ik ben verpligt te erkennen, dat ik op de plaatsen zelve geene
van die omstandigheden vernomen heb: dit alleen kan ik verzekeren,
dat het steken van dit zoort van mieren byna even pynlyk is, als van
de vuur-mier, welke ik reeds beschreven heb.
Des anderen daags trokken wy langs de oevers van de Cottica, tot dat
wy in den omtrek van de Claas-Kreek waren, (dezelfde, die ik, met
myn sabel tusschen myne tanden, had overgezwommen,) alwaar wy onze
hangmatten ophingen. Men zondt my vervolgens met eenige jagers af, om
aan den mond van de Wana-Kreek tot aan den nacht in eene hinderlaag
te gaan leggen. Ik ontdekte hier niets anders, dan dat deeze zelfde
Jagers, even als de muitelingen, geloofden, dat hunne tooverbanden of
obias hen onkwetsbaar maakten. Zy zeiden my, dat de laatstgemelden
dezelven van hunne Priesters ontfingen; en dat zy zelven die kogten
van GRAMAN-QUACY, een zeer beruchten en doorslepen ouden Neger, van
wien ik op een geschikter plaats in het byzonder spreken zal.--Wanneer
ik hun vroeg, "waar het by toekwam, dat 'er iemand van hun, of van
hunne onkwetsbaare tegenpartyen gedood wierdt"? antwoordden zy my:
"Dit gebeurt, om dat zy even als gy, Masera, op hunnen tooverband,
of obia, geen vertrouwen stellen".--Deeze trek van bekwaamheid
van QUACY bragt nogtans het goed gevolg te weeg, dat hy van zyne
landgenooten zulke onvertzaagde soldaten maakte, dat ik dikwerf over
hunne ongemeene dapperheid verbaasd stond, en deeze bedriegerye,
behalven dat ze veel aanzien en eerbied verwekte, bezorgde aan haaren
uitvinder een gemakkelyk leven, het welk in eenen Surinaamschen Neger
niet zeer gemeen is.
Ik zag, aan den mond van deeze Kreek, eene groote meenigte
Acajou-nooten op het water dryven. By de beschryving, daar van
door my reeds gegeven, moet ik nog voegen, dat de noot van deezen
naam zig aan eene groote peer vormt, en dat deeze aan een boom
groeit van middelmatige grootte, die een gryze schors, en dikke en
breede bladen heeft. Men kan deeze uitmuntende nooten door alle de
werelddeelen vervoeren; want zy blyven eenen zeer langen tyd goed:
zommige Schryvers noemen dezelven anacardium occidental. Uit den
boom druipt eene doorschynende gom, die, in water ontbonden zynde,
de dikte van vogellym heeft.
Ter deezer zelfde plaats proefde ik ook den Eta-appel, waar van de
Negers ongemeen veel houden. De boom, die denzelven voortbrengt,
is een zoort van palmboom met breede bladeren, maar minder dik,
dan de Mauricy, of den berg-palmboom. Deszelfs vruchten zyn rond,
en groeien aan groote risten of bossen, even als de druiven-trossen:
binnen in eiken appel zit een harde noot, die een pit in zig bevat,
en met een oranje-kleurig vleesch, ter dikte van een halve duim,
en van een alleraangenaamste zuure smaak, omgeven is. Men zamelt
deeze nooten zeldzaam op; men wagt, dat de appelen ryp afvallen. De
Indianen laten dezelven in water uitweeken, en maken 'er op die wyze
een lekkeren en gezonden drank van.
De Colonel FOURGEOUD zondt ons te water een bode, die den 21sten
aankwam, met bericht, dat het alarm-geschut [42] zig van den kant
van de Peréca had laten hooren. Wy trokken dadelyk de Cottica over,
op welkers westelyken oever de Jagers en eenige zee-soldaten last
hadden, in eene hinderlaag te gaan leggen, in de hoop van den te rug
tocht der muitelingen af te snyden, wanneer zy deeze Rivier weder
met hunnen buit zouden over trekken. Den zelfden namiddag wierdt
'er een Neger van de muitelingen gezien, een groene mand dragende,
die de reuk van den tabak geroken hebbende, eensklaps stil stondt,
en den zelfden weg te rug keerde. Een Jager en ik schoten dadelyk
op hem; wy raakten hem niet, maar zyn mand viel. Wy vonden daar in
een dozyn fraaije servetten, een opgetoomden hoed met een goude lis,
en twee rokken van kostelyke chits. Ik nam de laatstgemelden, en liet
het overige aan mynen medgezel.
Op de tyding van het gevaar, het welk de Plantagiën aan de Peréca
liepen, trokken de Neger-Jagers met een ongemeenen yver voor uit;
en eenige oogenblikken na hun vertrek, verzogt ik aan den Colonel
SEYBOURG verlof, om hen te volgen. Deeze Officier gevraagd hebbende,
wie lust had mede te trekken, boodt zig een groot getal aan; maar hy
koos 'er alleenlyk vier uit, en ik was onder dezelven. Dwars door
struiken en doornen, die als netten in malkander zaten, en die my
de voeten op eene verschrikkelyke manier van één scheurden, gegaan
zynde, haalde ik de afgezondene manschappen in, op den afstand van
een myl van de legerplaats. Kort daar op ontdekten wy dertien geheel
nieuw opgeslagene hutten, en wy gisten, dat de muitelingen kortlings
deeze plaats waren doorgetrokken. Dienvolgende zond ik aan den Colonel
SEYBOURG daar van berigt, en verzogt voor de Jagers en voor my bevel,
om onverwyld naar de Peréca te trekken; maar zyn antwoord bragt
stellig mede, om ons oogenblikkelyk by hem te vervoegen. Wy keerden
derhalven langs onzen voorigen weg te rug; het geen ons tot groot
hartzeer verstrekte; de Neger-soldaten waren vooral zeer misnoegd,
en maakten duizend onaangenaame aanmerkingen.
By onze aankomst op de legerplaats, vonden wy aldaar eene versterking,
van den post van Jerusalem komende. Dezelve bestondt uit zestig mannen,
zoo zwarten, als blanken, en bragt ons stelligen last mede, om het
leger op te breken, en des anderen daags morgens naar de Peréca te
trekken. Den geheelen nacht bevondt zig eene goede meenigte volks
in hinderlagen.
Den volgenden dag was ieder voor het opkomen der zon gereed, en echter
verlieten wy onze legerplaats zeer laat. Geduurende dit onbegrypelyk
verwyl vernamen wy, dat men een kano, waar in alleenlyk één Neger was,
de Rivier had zien oversteken. Het was waarschynlyk die arme schelm,
op wien ik des avonds te vooren geschoten had.
Ik kan niet nalaten alhier eene zeer zonderlinge omstandigheid te
verhaalen. Des morgens ten vier uuren ontwakende, was ik uittermaten
verschrikt, toen ik my in gestolt bloed vond liggen, hoe zeer geene
de minste pyn gevoelende. Ik stond oogenblikkelyk op, en liep met een
toorts in de hand naar den Heelmeester toe; dit bloed, deeze toorts,
myne bleeke kleur, myn afgesneden hair, myne ontramponeerde kleeding,
konden in hem deeze vraag doen opryzen: "zyt gy een levendig schepzel,
of een spook, uit het graf opgerezen? Is het zuivere hemel-lucht,
die u omgeeft, of zyn het uitdampingen der helle?" [43]
Het geheele geheim bestondt daar in, dat ik gebeeten of gestoken was
door de Vampire, of het Spook van Guiana, ook de vliegende hond yan
Nieuw Spanje, en door de Spanjaarden Perro-Volador genaamd. Dit dier
is niets anders dan een vledermuis van eene monsterachtige gedaante,
die aan menschen en beesten, wanneer zy slapen, het bloed uitzuigt,
zelfs nu en dan zoodanig, dat zy 'er van sterven. Dewyl de manier,
waar op deeze dieren dit doen, in de daad verwonderenswaardig is,
zal ik trachten dezelve opzettelyk te beschryven.
De Vampire, wanneer de geen, op wien hy het gemunt heeft, in slaap is,
het welk hy uit zyne eigene natuurlyke neiging weet te ontdekken, zet
zig doorgaans by de voeten neder. Hy houdt zig aldaar in evenwicht
door middel van zyne groote vlerken, welken hy geduurig beweegt, en
inmiddels doorboort hy de kop van de groote toon, maar het gat, het
welk hy maakt, is zoo klein, dat 'er naauwlyks de kop van eene spelde
door kan, en zulks derhalven geene de minste pyn veröorzaakt. Door
middel van deeze opening, gaat hy niettemin voort met het bloed uit
te zuigen, tot dat hy genoodzaakt is het uit te spuwen. Hy begint
vervolgens op nieuw, en gaat zoo voort met zuigen en uitspuwen, zoo dat
hy niet dan met zeer veel moeite kan wegvliegen, en dat zyn slachtöffer
dikwerf van den natuurlyken in den eeuwigen slaap is overgegaan. De
beesten steekt hy doorgaans in het oor, en altyd op een plaats,
waar het bloed een oogenblikkelyken loop heeft, misschien in de eene
of andere slagäder. Na dat men tabaks-asch op de wonde gelegd had,
als het zekerst middel zynde, kwam ik te rug om my te wasschen, gelyk
ook myne hangmat, waar onder ik veel geronnen bloed gewaar wierd. De
Heelmeester het zelve naargegaan hebbende, oordeelde, dat ik geduurende
dien nacht dertien of veertien oncen bloed moest verloren hebben.
Ik heb naderhand gelegenheid gehad één van deeze vledermuizen
te dooden, wiens uitgespreide vlerken eene wydte maakten van
twee-en-dertig en een halve duim: men zegt, dat 'er zommige zyn van
drie voeten in die zelfde rigting, schoon zy naar die van Madagascar
niets hoe genaamd gelyken. De door my gedoodde vledermuis had eene
donker bruine, byna zwarte kleur, maar ligter onder aan den buik. Over
't geheel had hy een in de daad afschuwelyk voorkomen. Maar zyn kop
was vooral vervaarlyk: men zag aldaar boven den neus een blinkend,
ongebogen, rimpelig, en puntsgewyze toeloopend vlies. Zyne ooren
waaren lang, rond en doorschynend. In het bovenste kakenbeen had hy
vier snydende tanden en zes in het onderste. Ik zag niet, dat hy een
staart had, maar een vel, in welks midden een pees was. Elk van zyne
vlerken had vier klaauwen, van elkander afgescheiden, als die der
pooten van een eendvogel, [44] en met nagels gewapend: men zag ook nog
een ander ter plaatse, waar deeze zelfde klaauwen zig verëenigen. Alle
dienen zy aan het dier om te klauteren op, en zig vast te houden aan
boomen, rotsen of daken, alwaar hy hangen blyft, wanneer hy slaapt.
Een der Zee-soldaaten vong dien zelfden dag een Oppossum of
Sarigue. Dit dier verschilt, in zommige byzonderheden, merkelyk van
de beschryving, welke 'er de beroemde BUFFON van gegeven heeft.--By
voorbeeld, hy is veel ligter dan alle de geenen, waar van deeze
Schryver spreekt; en hy heeft den staart met hair, in plaats van met
schubben bedekt. Ik meen dit ten minsten, en, zoo myn oog my bedrogen
heeft, ben ik de eenigste niet die met opzigt van dit dier in dat geval
geweest is. LINNÆUS, SEBA en VOSMAAR, beschouwen de Oppossum als een
dier, zoo wel van de oude als nieuwe weereld, schoon het echter zeker
is, dat hy alleen in America gevonden wordt. LINNÆUS tast ook mis,
wanneer hy verzekert, dat alle de vledermuizen vier snydende tanden
in elk kabenbeen hebben. (Zie BUFFON V. Deel, bladz. 282.)
Deeze Oppossum was niet grooter, dan een groote muis. Hy was volmaakt
zwart, uitgenomen onder den buik, aan de pooten, en onder aan den
staart, die de kleur had van een buffels huid. Boven elk van zyne
oogen, vry veel naar die van een rot gelykende, had hy een vlak van
deeze zelfde kleur. Zyne ooren waaren lang, rond en doorschynend;
zyne klaauwen bedroegen een getal van twintig, zynde één derzelven
agterwaarts geplaatst, en tot een duim dienende. Dezelve had tien
of twaalf tepels, waar aan (zoo men zegt) de jongen, zoo dra zy
gebooren zyn, zig vasthouden, zynde zy dan niet veel grooter, dan
jonge Kevers. Maar dit dier had den zak niet, welken andere Oppossums
gewoonlyk hebben. In plaatse van dien, zag men twee langwerpige
plooijen aan de binnenzyde van elke dye, die even als de gemelde zak
geschikt waren, om de jongen voor alle onheil te beveiligen, daar geene
foltering, ja zelfs het vuur niet, de moeder kan doen besluiten haare
jongen te verlaten. Ik zal by deeze beschryving voegen, dat deeze
dieren op het land leven, en dikwils op de boomen klauteren; maar
dat zy zig, even als de muizen, met graanen, vruchten, en wortelen
voeden. De beschryving van het andere zoort zal ik uitstellen, tot
dat zig de gelegenheid my daar toe aanbiedt.
Mejuffrouw DE MERIAN sreekt van eene byzondere Oppossum, die, in
het oogenblik van gevaar, de jongen op haaren rug draagt: ik heb
'er in Surinamen nooit van hooren spreeken, en houde my verzekerd,
dat 'er dit zoort niet is.
Ik heb reeds gezegd, dat door eene vertraging, waar van my de reden
onbekend was, de ogtend reeds verre gevorderd was, toen wy onze
legerplaats verlieten. Ik behoorde tot de voorhoede met de Jagers
en eenige Zee-soldaaten, die allen voor negen dagen mondbehoeften
op hunnen rug droegen. Wy hadden nog maar een klein gedeelte van den
weg afgelegd, toen één der eerstgemelden op den jagthoorn blaazende,
de anderen uit elkander gingen, en zig plat op den buik aan den grond
nederleiden, hebbende den haan van hun geweer overgehaald, en zynde
alzoo tot het gevecht gereed. Ik deed even als zy; maar het was niet
meer, dan een valsch alarm. Het was een hart, het welk in zynen loop
de bladeren van 't geboomte in beweeging gebragt had. Wy stonden
derhalven weder op, en trokken door slyk en water heen, tot drie
uuren na den middag, wanneer wy ons op hoogere landen nedersloegen,
alwaar men geen water vinden konde, dan door een put te graven; en
dan nog was het water, het welk wy daar uit schepten, zoo modderig,
dat wy genoodzaakt waren, het door onze dassen of hembds-mouwen te
laten doorloopen. De Colonel SEYBOURG kwam alhier by my, om my des
avonds in zyne hut ter maaltyd te verzoeken, en behandelde my met
eene beleefdheid, waar over ik zeer verwonderd was,
Des anderen daags vervolgden wy onzen weg, neemende denzelven
westwaarts ten noordwesten. Wy hadden zwaare slagregens, en moesten
een moeras doorwaden. Ik voerde toen het bevel over de agterhoede,
en had drie uuren noodig, om dezelve van deeze naar de overzyde
te geleiden. Deeze tocht was allerverdrietelykst. De slaven, onder
hunne pakken gebukt gaande, braken elk oogenblik de korst, die over
het water lag. De Zee-soldaaten, met hunne mondbehoeften belaaden,
hadden zeer veel moeiten om zig op de been te houden, en ik zelf,
door de groote meenigte bloed, welke ik verlooren had, verzwakt zynde
konde aan niemand van dienst wezen. Toen wy weder den vasten grond
bereikt hadden, zag ik aldaar de lyken van verscheiden muitelingen
verspreid liggen, aan elk van welken de regte hand en het hoofd was
afgehouwen. Deeze lyken waren nog niet verrot, het geen my deedt
vermoeden, dat 'er in 't kort eenig gevecht tusschen de muitelingen,
en het krygsvolk, aan de Peréca leggende, had plaats gehad.--Ik
moet hier opmerken, dat, indien men den 21sten, in plaats van my te
gelasten om te rug te komen, en de Jagers weder mede te brengen, ons
had toegestaan voorwaarts te gaan, de muitelingen tusschen twee vuuren
zouden geraakt zyn, 'er zeer weinigen van hun zouden zyn ontsnapt,
en wy hunnen buit zouden hebben hernomen. De lezer zal zig herinneren,
dat dit zelfde voorval plaats had, toen ik, twee jaaren te vooren, te
Devil's Harwar het bevel voerde. Indien ik toen een genoegzaam getal
manschappen en krygsbehoeften tot den tocht gehad had, zoude ik aan
de Volkplanting den gewichtigsten dienst gedaan hebben. Het spyt my
deeze twee wezentlyke misslagen te moeten aanhaalen; maar waarheid
en onpartydigheid verpligten 'er my toe. Deeze aanmerkingen echter
behooren my niet van wreedheid te doen beschuldigen, want niemands hart
was meer getroffen dan het myne, op het zien van zo veele jongelingen,
die onder het ons omringende geboomte dood uitgestrekt lagen. Myn
oog viel in 't byzonder op twee van hun, die zoo wel gemaakt waaren,
als men ze met mogelykheid bedenken kan.
Terwyl ik met het maken van deeze en andere gelykzoortige aanmerkingen
bezig was, bleeven verscheiden slaven, die te zwaar belaaden waren,
in het moeras zitten. De bevelhebbende Officier, met het voornaamste
gedeelte zyner manschappen zig op een hoog stuk land nedergeslagen
hebbende, konde ons niet meer zien, noch hooren; en door deeze
scheiding liep de agterhoede gevaar, niet alleen om haare mond- en
krygs-behoeften te verliezen, maar om zelfs in de pan gehakt te worden.
Geenen enkelen Europeaan vindende, die kragten genoeg had overgehouden,
om het volk, het welk voor uit getrokken was, in te haalen, gaf ik
het bevel over aan mynen Lieutenant DE LOSRIOS, en waagde het om
alleen dwars door het bosch te loopen, tot dat ik onze legerbende
bereikt zoude hebben. Ik hield den Colonel SEYBOURG de gesteldheid der
agterhoede voor, en verzogt hem "om wat langzaam voort te trekken, ten
einde aan die geenen, die in de modder gezonken waren, tyd te geven,
om 'er zig uit te redden, zonder het welk ik voor de gevolgen niet
konde instaan". Zyn antwoord was, "dat hy zyn leger zoude opslaan,
zoo dra hy goed water ontmoette". Schoon zeer vermoeit zynde, keerde
ik dadelyk naar myne agterhoede te rug, waar van het grootste gedeelte
tot des nachts in den deerniswaardigsten en gevaarlyksten toestand
bleef, want eerst des avonds ten zeven uuren redden wy den laatsten
man uit het moeras, en toen gingen wy langzaam voort, tot dat wy in
de legerplaats aankwamen.
Myne oplettenheid voor het behoud der manschappen, over welken
ik het bevel voerde, myne zorge voor de bespaaring van krygs- en
mondbehoeften, wel verre van my de goedkeuring te doen ondervinden
van hem, onder wiens bevelen ik voor dit oogenblik stond, van hem, die
my nog kortlings met zoo veel bescheidenheid behandelde, wikkelde my
integendeel in een ernstig voorval in, waar over ik zoo gevoelig was,
dat ik my naauwlyks wederhouden konde, om tot wanhoop te vervallen. Men
kan myn verdriet beöordeelen, wanneer men weet, dat ik naauwlyks
in de legerplaats zynde te rug gekomen, in arrest gezet wierd,
om door eenen krygsraad, ter zaake van gepleegde ongehoorzaamheid,
gevonnisd te worden. De Colonel SEYBOURG en ik hadden nimmer met
elkander in betere vriendschap omgegaan; maar schoon hy my in het
begin van den tocht met eene uiterlyke beleefdheid behandeld had,
was het niet minder zichtbaar, dat hy, na een dergelyken trek, zig
betoonde myn doodelykste vyand te zyn. Ik moet echter niet vergeeten
eene zonderlinge omstandigheid te verhaalen, hier in bestaande,
dat men my, schoon in gevangenis gesteld zynde, tot nader orde myne
wapens liet behouden.
Den 24sten vertrokken wy des morgens vroeg, en namen den weg ten
zuiden en zuidwesten. In deeze laatstgemelde richting gingen wy voorby
Pinnenburg, een verlaten gehucht der muitelingen, waar van ik gesproken
heb. Ik bleef steeds gearresteerd, en was uittermaten mismoedig.
Des daags daar aan volgende trokken wy zuidwestwaarts, en doorwaadden
een zeer diep moeras, waar in wy nat bezweet ingingen, vermits wy
tot hier toe te schielyk gegaan hadden: maar de gezondheid van onze
soldaaten was geen zaak, waar over men zig bekreunde, van hoe veel
aanbelang zy ook voor den goeden uitslag onzer onderneming was.
Op nieuw een zoort van heuvel of hoog land bereikt hebbende, was ik op
het punt een ongeluk te ontmoeten, noodlottiger dan alle de ellende,
welke ik tot dus verre ondervonden had. In eene diepe mymering als
weggezonken, terwyl ik de agterhoede volgde, verdwaalde ik ongevoelig,
en bevond my eindelyk alleen, in het midden van eene eindelooze
woestenye. Zoo dra de arme QUACO bemerkt hadt, dat ik was afgedwaald,
waagde hy dwars door het bosch heen te loopen, om zynen meester te
rug te vinden, en, by louter geluk, zag hy my, aan den voet van eenen
boom zittende in eene neerslagtigheid, die zig niet laat beschryven,
en ten prooy van smart en wanhoop overgegeven. Des morgens van dien
dag meende ik, dat myn ongeluk op het hoogst was, en in dit oogenblik
zoude ik alles gegeven hebben, om my nog in die zelfde gesteldheid
te bevinden. Ik was in eenen staat van volmaakte gevoelloosheid, te
midden van een onmeetelyk bosch, en door verslindende vyanden omringd;
stortregens vielen uit den hemel, en myn uitzicht was op tygers, op
hongersnood, op alle onheilen, op alle gevaaren. JOANNA moest ik voor
eeuwig vaarwel zeggen!--Dusdanig was de gesteldheid van mynen geest,
toen ik, eensklaps mynen Neger herkennende, van den grond oprees,
en als een geheel nieuw leven in my voelde ontvonken. Vervolgens
eenigen tyd te zamen zynde voortgewandeld, zeide ik hem, dat ik een
vyver zag, door welken ik meende, dat het krygsvolk was doorgegaan,
om dat het water zig drabbig vertoonde. De Jongeling, het oog op dit
water slaande, antwoordde my met ontsteltenis; dat deeze modderpoel
door een Tapira veröorzaakt was, [45] en hy toonde my de voetstappen
van het dier in het slyk, vervolgens berste hy uit in traanen, en
riep uit: Masera, wy zyn 'er om koud! wy zyn 'er om kond! In het
midden van deezen angst herïnnerde ik my echter, dat de Peréca op
de kaart wierdt aangewezen ten westen van de plaats, alwaar wy ons
bevonden, en ik besloot om oogenblikkelyk mynen weg derwaarts te
nemen. Derhalven mynen snaphaan op nieuw geladen hebbende, gelastte
ik aan QUACO om my te volgen; maar 'er was my nog één hinderpaal
in den weg, ik had myn kompas niet by my, en de regen belette het
doorschynen der zonnestraalen. In deezen bangen nood, herïnnerde my
myn medgezel, dat de schors der boomen aan de zuidzyde doorgaans veel
gladder is. Dit was waarlyk een goede inval, en dienvolgende gingen
wy naar dien kant heen; dan eens door een dik en donker bosch, dan
eens door een zoort van kreupelbosch, tot dat wy, door vermoeienis
en honger afgemat, gingen nederzitten, zonder een enkel woord uit te
brengen, en elkander aankykende als twee slachtöffers; die ter dood
verwezen waren. Ons stilzwygen bleef nog voortduuren, wanneer wy een
verward gedruis hoorden, als van lieden, die hoestten, en van anderen,
die met wapentuig eenige beweging maakten. Gode zy dank! het was ons
krygsvolk, het welk zig nedersloeg op een veld, bevoorens door het
volk van de Peréca bezet. In weerwil van myne ongelegenheid, bevond ik
my in dit oogenblik in eene der gelukkigste geest-gesteldheden, die
my deedt zien, dat alles in deeze weereld ten goeden en ten kwaaden
keeren kan. Alle de Officiers wenschten my van goeder hart geluk, en
myn Neger, zoo wel als ik, deelden met hun van hun koud ossenvleesch
en brood. Na het eindigen van deezen maaltyd, vervolgden wy onzen weg,
en wy kwamen wederom in een moeras, of liever in een modderigen vyver,
welks oppervlakte te zwak was om ons te dragen. De donkerheid van den
nacht overviel ons, en wy waren genoodzaakt aldaar te verblyven. De
soldaten hingen hunne hangmatten aan de boomen, de eene boven de
andere; de slaven maakten houtvlotten, op welken zy het kruit, de
krygsbehoeften, enz. nederzetten, en zy zelven gingen leggen slapen.
Den 26sten, vertrokken wy, een uur voor het aankomen van den dag,
maar na dat de Colonel SEYBOURG in zyne hangmat koffy gedronken had,
terwyl al het volk, tot hun midden toe in het water staande, op hem
wagtte, en wy gingen eerst west-, vervolgens noord-westwaarts. Onze
tocht was zoo moeielyk en verveelend, dat verscheiden slaven hunne
pakken lieten vallen, waar door dezelve deels nat wierden, deels
verloren geraakten. Eindelyk, na eene andere verlatene legerplaats,
te zyn doorgetrokken, hielden wy stil aan het oude cordon, of den
weg, die op andere wegen uitliep, alwaar ik dadelyk het spoor der
muitelingen ontdekte, geduurende dat ik aan de Cottica het bevel
voerde. Wy sloegen aldaar ligte hutten op, om onder dezelven den
nacht door te brengen.--Ik bleef nog steeds in arrest.
Een der Jagers, een klein viervoetig dier ontdekt hebbende, het welk
met eene ongelooflyke gezwindheid door de legerplaats liep, hakte
het zelve met zyn sabel. Het was de Paca, of de gevlakte Cavey, in
Surinamen den naam van Water-haas dragende. Dit dier is ongemeen vet,
en heeft de grootte van een speenvarken. Zyn onderste kakebeen is kort,
zyne neusgaten zyn breed, en van knevels voorzien, even als de katten;
zyne oogen zyn zwart, en zyne ooren klein en kaal. Aan elke poot heeft
hy vyf klaauwen. Zyne huid, van eene bruine aard-kleur, is met vlakken
gespikkeld, die een buffels kleur hebben, in de lengte, en meer of min
streeps-gewyze geplaatst zyn: de buik heeft eene vuile witte kleur,
en het geheele lyf is met een ruw, grof en kort hair overdekt. De
Paca is een halfslachtig dier. Zig op het land bevindende, graaft hy,
even als de varkens, in den grond, om zyn voedzel te zoeken: wanneer
hy in gevaar is, loopt hy naar het water, om aldaar eene schuilplaats
te vinden. Schoon hy vet, en, naar mate van zyne grootte, zeer wel in
't vleesch is, loopt hy echter veel gezwinder, dan eenig dier van
zyne dikte in Zuid-America doet. Men leest nochtans het tegendeel
in de beschryving, welke men daar van vindt in het vervolg op de
Natuurlyke Geschiedenis van BUFFON, alwaar gezegd wordt: "Dat de
Paca niet gezwind loopt, dat hy zelfs zeldzaam loopt, en dan nog met
zeer weinig bevalligheid". Misschien is dit waar, wanneer men hem als
een huisdier beschouwt, want men kan hem tam maken; maar ten minsten
in den staat der natuur is hy zoodanig niet; en ik kan verzekeren,
dat ik hem als een haas heb zien loopen. Wy lieten hem voor onzen
avond-maaltyd gereed maken, en wy vonden hem nog veel lekkerder dan
de Bosch-rot, of zelfs dan de Warrabocerra.
De Cavey, met een lange neus, beter bekend onder den naam van Agouli
Pacarara, is in Surinamen mede zeer gemeen. Zyne grootte is die
van een groot konyn, Zyne huid heeft eene bruine oranje kleur op
den rug, en geel aan den buik; zyne pooten zyn zwart: alle vier zyn
ze lang uitgerekt: de voorpooten eindigen met vier klaauwen, en de
agterpooten met drie. De oogen van dit dier hebben eene schitterende
zwarte kleur. Zyne bovenste lip is gespleten, en van knevels voorzien;
zyne ooren zyn klein. Even als de Paca, heeft hy een zeer korten
staart. Hy teelt sterk voort, en het wyfje zoogt haare jongen,
die ten getale van drie of vier zig in holen van oude stammen van
boomen ophouden, werwaarts zy ook de wyk neemt, wanneer zy vervolgd
wordt. De Agouli Pacarara zoekt zyn voedzel niet op het land, zoo als
de Paca. Men maakt hem gemakkelyk tam, en hy eet vruchten, wortelen,
nooten, enz. maar zyn vleesch, schoon goed, is echter van een minder
zoort, dan dat van de Paca.
Men heeft my in Surinamen gezegd, dat aldaar ook een ander dier van
dit zoort gevonden wordt, genaamd de langstaartige Agouli. Ik heb
hem niet gezien, of het is dezelfde, dien ik onder den naam van den
Struikrot beschreven heb.
Den 27sten, vervolgden wy onzen weg, en voor den middag kwamen wy
in eenen elendigen staat op de Plantagie Soribo, aan de Peréca,
om aldaar de naby gelegene Plantagiën tegen BONNY en de muitelingen
te verdedigen.
De Rivier Peréca heeft, zoo men zegt, uit hoofde van derzelver
veelvuldige kromten, een loop van meer dan zestig mylen, en zulks
over 't algemeen van den zuid-oost naar den noord-west kant. Zy is
zeer diep; maar haar bed is naauw, en aan haare oevers zyn, even
als ten aanzien van alle de andere Rivieren, overäl schoone Suiker-
en Koffy-Plantagiën gelegen. Wy waren naauwlyks op den wachtpost te
Soribo aangekomen, of verscheiden afgezondenen van den Colonel SEYBOURG
spraken my aan, en verzogten my ernstig, dat ik erkennen wilde ongelyk
gehad te hebben: zy verzekerden my, dat ik, dit erkend hebbende, myne
vryheid zoude te rug bekomen, en alles vergeten zoude zyn. Overtuigd
van myne onschuld, konde ik my met geen schik schuldig verklaren, en
vooräl naardien de misdaad, waar van men my beschuldigde, slechts een
gevolg was van myne getrouwe zorge voor het behoud der manschappen
en krygsbehoeften, die my toevertrouwd waren. Na myne weigering,
welke de Colonel SEYBOURG als eene misdadige halstarrigheid geliefde
aan te merken, gaf men my onder de bewaring van eene wacht, en men
nam my myne wapenen af. Onze Zee-soldaten bragten my toen in eene
zeer groote ongerustheid, door opentlyk te dreigen, dat zy ten mynen
voordeele aan 't muiten zouden slaan. Om dit onheil voor te komen,
verklaarde ik hun, dat, daar, naar myn inzien, ongehoorzaamheid en
muiterye in krygslieden onverschoonlyk waren, ik my gedwongen zoude
zien, hoe hard my dit ook vallen mogt, om my tegen hen te wapenen.
Op den dag van onze aankomst op den wachtpost van Soribo, vernamen wy,
wat 'er aan de Peréca was voorgevallen. De Plantagiën Schoonhove en
Altona waren door de muitelingen, welken wy uit Gado Saby verjaagd
hadden, geplonderd geworden. Maar zig voor de Plantagie Poelwyk
vertoond hebbende, hadden de slaven aldaar hen genoodzaakt te rug
te keeren. De Jagers, die op de Plantagie Hagenbos geplaatst waren,
waren hen den 21sten agter na getrokken. Zy hadden hen den 23sten
ingehaald, een groot getal 'er van gedood, en het grootste gedeelte
van hunnen geroofden buit hernomen. Den zelfden dag, poogde een ander
gedeelte der muitelingen zig meester te maken van het kruid-magazyn
op Hagenbos, het welk geen kwaad ontwerp was, en zy hadden daar toe
het tydstip uitgekozen, dat de Jagers bezig waren met eene andere
bende te vervolgen; maar zy wierden door een klein getal gewapende
slaven te rug gedreven, één van welken, tot de Plantagie Timotibo
behoorende, eenen gewapenden muiteling gevangen nam, en vervolgens
hunne legerplaats agter de Plantagie van zynen meester ontdekte,
voor welken dienst hy wel beloond wierd. Na al dit verhaalde, was 'er
geen twyffel aan, of indien de party, die den 16den door den Colonel
SEYBOURG was afgezonden, voorwaarts gerukt was, in plaats van volgens
zyne beveelen te rug te trekken, alle deeze noodlottige voorvallen
zouden geen plaats gehad hebben, en de onderneming der muitelingen
zou geheel en al vervallen geraakt zyn. Het was daarënboven klaar,
dat de Neger, op wien wy den 21sten geschoten hadden, één van de
rooversbende van den 20sten was, en dat de muitelingen, wier lyken
wy den 23sten gevonden hadden, dien zelfden dag waren gedood geworden.
Den 29sten zondt een Officier van het Sociëteits krygsvolk my eenige
vruchten, waar onder dadels waren. De boom, die dezelven voortbrengt,
de dadel-boom, behoort tot het geslacht der palm-boomen, maar is van
eene ongemeene hoogte. Zyne bladeren loopen uit den kruin van den
boom, zy zyn wyd uitgespreid, zeer dik, nederhangende, en by elkander
genomen, vormen zy een zonnescherm. Deszelfs vruchten groeien aan
rissen, waar van elk een groot getal bevat. Zy zyn langwerpig, van de
grootte van een menschenduim, en van eene geele kleur. Het vleesch, het
welk lymig, vast en zoet is, zit rondöm eene zeer harde, grysachtige
noot, die over haare geheele breedte als met een vooren doorsneden is.
Dien zelfden dag bevonden zestig Jagers, die op kondschap waren
uitgegaan, dat de legerplaats der muitelingen agter de Plantagie
Timotibo verlaten was. Zy moest omtrent zestig menschen bevatten.
In de nabuurschap van de Peréca niets te doen hebbende, verlieten wy
die plaats des morgens van den 30sten September, en den 1sten October,
kwamen wy op Devil's Harwar aan, ongemeen vermoeid zynde, en zonder
iets merkwaardigs op onzen tocht ontmoet te hebben. Des avonds te
voren had ik aan den Colonel FOURGEOUD geschreeven; ik verzogt hem,
dewyl myne tegenwoordige gesteldheid my ten hoogsten verdroot,
oogenblikkelyk eenen krygsraad by één te roepen, en had hem mynen
brief door eenen slaaf gezonden. By onze aankomst op deezen post,
gebruikte men de hardste middelen om my tot onderwerping te dwingen;
en de behandeling, welke ik ondervond, was van dien aart, dat een
Capitain der Jagers, QUACI genaamd, uitriep: "Indien de Europeanen
zig jegens elkander zoodanig gedragen, is het niet te verwonderen;
dat het hun tot genoegen strekt ons arme Africanen te mishandelen en
te kwellen"!
Deeze verdrietelyke zaak liep echter op Devil's Harwar ten einde. De
Colonel SEYBOURG, overtuigd van zyn ongelyk, en niet kunnende weten,
hoe dit geval moge afloopen, trachte, zoo mogelyk, uit de netelige
omstandigheid, waar in hem zyne oploopenheid gebragt had, met eere uit
te komen. Den 2den October, vroeg hy my derhalven met eenen glimlach:
"Of ik wist te vergeten en te vergeven"? Ik antwoordde hem, neen! Hy
daar op zyne vraag herhalende, zeide ik hem; "dat ik eerbied voor de
waarheid had, en dat ik nooit erkennen zoude schuld te hebben, zoo
lang myn geweten my zulks niet deedt gevoelen; dat ik onbekwaam was
tot zulk eene laagheid voor een medemensch, en nog minder voor hem,
dan voor eenig ander". Hy nam my by de hand, verzogt my bedaard
te zyn, en verklaarde my: "Dat hy, op alle voorwaarden, vrede
met my wilde maken"! maar ik antwoordde hem stellig: "Dat ik naar
geen ander vergelyk luisteren wilde, dan het volgende; dat hy zyne
misslag in tegenwoordigheid van alle de Officiers erkennen zoude,
en dat hy, met eigen handen, uit zyn Dag-register alle de bladen
zoude uitscheuren, die mynen goeden naam in verdenking zouden kunnen
brengen". Dit geschiedde oogenblikkelyk; men gaf my myne wapenen te
rug, en myne zegepraal ging gepaard met alle omstandigheden, die my
eene volkomene voldoening verschaffen konden. Ik reikte vervolgens
ongeveinsd en van goeder harten aan den Colonel SEYBOURG de hand toe:
dezelve gaf eene maaltyd tot een vreugde-feest over onze verzoening:
na den maaltyd stelde hy my, tot myne groote verwondering, den brief
weder ter hand, dien ik aan den Colonel FOURGEOUD geschreven had,
en hy erkende my denzelven onderschept te hebben, om voor te komen,
dat deeze zaak geene verdere gevolgen hebben zoude. Hy berigte my
tevens, dat onze Opper-Bevelhebber aan de Wana-Kreek gelegerd lag,
in plaats van den Lieutenant Colonel DE BORGNES, die ziek geworden, en
naar Paramaribo opgezonden was. Onze verzoening was zeer wel gemeend,
en na dat het krygsvolk een weinig had uitgerust, vertrokken wy den
4den, naar het hoofd-quartier van Jerusalem; maar ik was genoodzaakt
mynen QUACO te Devil's Harwar zeer ziek agter te laten, alwaar ik hem
aan de zorge van den Heelmeester aanbeval. Dien avond sloegen wy ons
neder aan de overzyde van de Cormoetibo-Kreek.
Des anderen daags in den vroegen morgen, kwamen wy, de Cottica
overgestoken zynde, weder op den wachtpost van Jerusalem. Ik had
ledigen tyd om aanmerkingen te maken omtrent de wisselvalligheden
van dit leven, en alle de onheilen, waar aan wy bloot gesteld zyn,
het zy wy ze al, dan niet verdiend hebben: ik maakte vooral deeze
aanmerkingen, toen ik onder de kortlings ontscheepte persoonen, eene
van myne oude kennissen vond, namelyk den heer P...., die in Europa
meer dan dertig duizend ponden sterling hadt doorgebragt. Men hadt
hem zyne vrouw, die zeer schoon was, ontvoerd, en hy zag zig in dit
oogenblik, om te kunnen bestaan, vervallen tot den post van Vaandrig,
onder het krygsvolk van de Compagnie. Hy had voorheen een aanzienlyken
eigendom in deeze zelfde Volkplanting bezeten, het geen zynen staat
steeds veel onäangenamer en verdrietelyker maakte. Van zynen geheelen
rykdom hadt hy niets meer overig, dan een enkel stuk geld, het welk
hy onder de slaven wierp, tevens eenige Fransche versen aanhalende,
die op zyne gesteldheid toepasselyk waren.