Optocht van het Krygsvolk naar Barbacoeba, aan de Rivier
Cottica.--De Palmboom-kool, en de Mauricy.--Heete koorts.
--Trek van dankbaarheid in eenen Engelschen Matroos.
--Verscheiden soorten van Peper.--Citroen- en Limoen-boomen.--De
Mammy-appel.--Pimpernooten.--Regeering in Surinamen.
--Honden van Guiana.--Ongemeene trek van edelmoedigheid.
Het regen-saisoen op nieuws naderende, trok de Colonel FOURGEOUD,
na uit zyne soldaten die geenen te hebben uitgekozen, die de
gezondsten waren, en in 't geheel niet meer dan een getal van één
honderd en tachtig bedroegen, in aantocht, op den 3den July 1779,
naar Barbacoeba, aan de Rivier Cottica, eene plaats, welke hy
tot eene algemeene verzamelplaats, alvoorens de muitelingen aan
te tasten, bepaald had. Ik had de eer onder het getal der geenen,
die vertrekken moesten, te behooren; maar den Heelmeester verklaard
hebbende, dat ik gevaar liep myn voet kwyt te raaken, indien ik door
de bosschen ging, ontfing ik bevel, om op Maagdenberg te blyven, met
vermogen echter, om, indien ik binnen kort hersteld was, my by den
Colonel te vervoegen, en, zoo goed ik konde, my naar Barbacoeba te
begeven. Myn been was op dit oogenblik zoo ontstoken, en zoo zwart,
uit hoofde van het dood vleesch, dat de Heelmeester van den Colonel
KNOLLAERT, beducht was tot de afzetting te zullen moeten besluiten,
en dat ik zonder zeer zwaare pyn niet recht op staan konde.--Ik zal
'er het lidteeken van dragen, zoo lang ik leeve.
Geduurende dit myn agterblyven, ontfing ik dagelyks van PHILANDER en
andere Negers, welken ik altyd met zachtheid behandeld had, geschenken,
waar onder een kookzel van kool van Berg-Palmboom gevonden werd. Onder
alle zoorten van Palmboomen-kool is deeze de meest geachte. De boom,
die dezelve voortbrengt, verheft zig zomtyds tot de hoogte van vyftig
voeten. Zyn harde houtachtige stam, in zeer dicht op elkander volgende
gelederen verdeeld, en van binnen vol merg, even als de vlierboom,
heeft eene helder bruine kleur: deeze stam, die in evenredigheid van
zyne hoogte dik is, loopt zeer recht, en eindigt puntsgewyze, even
als de mast van een schip. In de hoogte word hy van eene donker groene
kleur, veröorzaakt door de bekleedzelen, waar uit zig de takken vormen,
die horizontaal uitloopen, even als de kroon van een ananas of van een
pynappel. Deeze takken zyn van wederzyden bedekt met zwaare blaaden
van drie voeten lang, van eene donker groene kleur, zeer puntig, maar
gevouwen, verwardelyk geplaatst, en niet bevallig nederhangende, zoo
als die van den Latanus- of Kokos-boom. Het zaad is besloten in eene
zoort van bruine kelk of scheede, die uit het middenpunt der takken
voortspruit, naar den grond nederhangt, en in kleine ronde nooten
bestaat, die by elkander zittende, het voorkomen hebben van trossen
rozynen, maar naar maate van haaren omvang zoo lang niet. Indien
men de kool begeert, moet men den boom afhouwen. Dit geschied zynde,
berooft men hem van zyne takken, en van het groen bekleedzel, het welk
dezelve voortbrengt. Vervolgens neemt men het hart of de kool, die
wit is, en twee of drie voeten lang, dik als de arm van een mensch,
en rond als een cylinder van gepolyst yvoor. Zy bestaat uit ligte,
langwerpige en witte bladeren, naar zyde linten gelykende, en gereed
om het daar op volgend bekleedzel op te leveren, maar zoodanig in
malkander gesloten, dat zy een vast en breekbaar lichaam vormen. Deeze
vrucht, wanneer men ze raauw eet, heeft den smaak van een amandel,
schoon nog teederer en lekkerder: wanneer zy gekookt is, heeft zy
den smaak van bloemkool. Men plukt ook deeze lange en dunne bladen
één voor één af, en maakt 'er eene uitmuntende salade van. Maar de
kool der Palmboomen, het zy raauw, het zy gekookt, verwekt buikloop,
wanneer men 'er te veel van eet. In derzelver holligheid, na dat alle
de bladeren zyn weg genomen, legt een zwarte koren-worm zyne eieren,
waar uit de palmboom-wormen voortkomen. De zachte zelfstandigheid,
die nog in het hart van de kool overig is, dient, wanneer zy begint te
verrotten, aan deezen worm tot voedzel. De kool van den Latanus-boom
en andere zoorten van Palmboomen, word zoo groot niet, is minder zoet,
en van eene verschillende gedaante van die, waar van ik zoo even sprak.
De Mauricy [31]is zekerlyk de grootste van alle Palmboomen, ja van
alle andere boomen, die in de bosschen van Guiana groeien. Ik kan
verzekeren, dat ik eenige boomen van dien naam gezien heb, wier
toppen meer dan honderd voeten boven den grond scheenen verheven te
zyn. Derzelver omvang was van tien of twaalf voeten aan het dikste
van den stam, dat is, op een vierde van den boom van den wortel
af gerekend; want van daar af vermindert hy, zoo wel naar beneden
als naar om hoog, eene byzonderheid, die misschien aan alle andere
Reizigers of Schryvers ontsnapt is. Hy heeft ook eene helder bruine
of gryze kleur, en is tot de plaats, alwaar de takken beginnen, in
gelederen verdeeld. Deeze takken neemen hunnen aanvang by den top
des booms, en zyn lang, groen en boogswyze gekromd, bloot tot aan
derzelver einde, waar uit lange en breede bladeren voortspruiten,
zynde gevingerd, en van eene bleek groene kleur, zeer regelmatig op
eene bolronde manier geschaard, en maakende een zoort van straalen,
zoo als een ronde waijer van zig afgeeft. Naar maate dat de jonge
takken zig uit het middenpunt naar den top verheffen, verwelken de
oude, hangen naar den grond, en worden de speelbal der winden. Uit
het midden der groene bladeren, trekken de Indianen lange vezelen
of witte draaden, zoo als zy van de zyde-plant doen. Deeze vezelen
zeer sterk zynde, maaken zy daar van netten om te visschen, koorden
om hunne bogen te spannen, of zy laten ze zoodanig als zy zyn, om 'er
zig tot andere gebruiken van te bedienen. Uit het middenpunt der takken
koomt het zaad voort, het welk ook in de gedaante van lange risten uyen
nedervalt. Ik heb verscheide afbeeldingen van deeze Palmboomen gezien;
ik durf verzekeren, dat ze niet getrouw zyn, en volgens verbeelding
of valsche beschryvingen uitgevoerd; maar ik staa 'er by het publiek
voor in, dat de tans aan hun aangebodene afteekening naar de natuur
en op de plaats zelve gemaakt is. Dezelve bevat den Berg-Palmboom, en
den Mauricy, boomen, die door hunne takken en bladeren van elkander
verschillen. Op de plaat, die ik den lezer aanbiede, beteekent de
letter A den stam van den Berg-Palmboom; de letter B deszelfs takken,
van den boom afgescheiden; en de letter C het zaad, of de kelk,
die het zelve in zig bevat; de D geeft den stam van den Mauricy te
kennen; de E één van deszelfs nederhangende takken; de F beteekent den
Korenworm, die den Palmboom-worm voortbrengt; de G dien worm zelven,
die zoo lekker, nog zoo vet niet is, dan die van de kool van den
Berg-Palmboom. Geene andere gelegenheid hebbende om te vertoonen,
op welke wyze de Indianen en de Negers op de boomen klimmen, heb ik
op deeze Plaat, onder de letter H, één der laatstgemelden vertoond,
die op een jongen Mauricy klautert. Geen van beiden doen dit door
den stam van den boom met de armen en beenen te omvatten, maar door
denzelven met de hand vast te houden, en 'er beurtelings den voet
op te zetten. Zy gaan alzoo voort op eene wonderbaarlyke manier;
en door dit middel scheurt hen de schors niet op; maar 'er is zeker
veel behendigheid, oeffening en kragt noodig, om daar in wel te slagen.
Ik heb, zoo ik meen, breedvoerig genoeg gehandeld over deeze
onderscheidene zoorten van Palmboomen, en ik gaa tans over, om het
dagverhaal van onze krygs-verrigtingen te vervolgen.
Ik heb gezegd, dat alle de Officiers, en de meeste soldaten, die den
post van de Hoop bezet hadden, gestorven of gevaarlyk ziek waren,
en dat ik aan de besmetting ontsnapt was. Maar, helaas! het was tans
myn beurt! ik had slechts een uitstel, en niets meer, want den 9den
wierd ik door die zelfde heete koorts aangetast, die alle de anderen
had in het graf gesleept, en waar aan myn Neger QUACO op dit oogenblik
zeer ziek lag.
Den 14den, was ik genoodzaakt het bevel aan een ander Officier af te
staan, en Maagdenberg te verlaten, om my naar Paramaribo te begeven,
maar ik kon niet verder komen, dan Goet-Accord, alwaar men den
15den niets anders dan het oogenblik van mynen dood verwagtte. Tot
dit uiterste gekomen zynde, vond eene oude Negerin middel, om my
een weinig gekarnde melk, met garst en syroop van suiker gekookt,
te doen gebruiken; dit was het eerste voedzel, het welk ik, na dat
ik ziek geworden was, genuttigd had. Het deed my zekerlyk een zeer
grooten dienst; en des anderen daags was ik in staat om vervoerd te
kunnen worden. Myn kleine QUACO was ook veel beter.
Des avonds van den 16den, kwam ik te Fauconberg aan, alwaar ik
een pakje met zeven of agt brieven van myne vrienden vond, gepaard
met een geschenk van gezouten ossen-vleesch, en gedroogde tongen,
Madéra-wyn, Engelsch bier, rhum, en twee kruiken heerlyk citroen-sap
met suiker gemengd,en daarënboven een beste ham, en een fraaije
jagthond, die beide my gezonden waren door CHARLES MACDONALD, den
zelfden Engelschen matroos, met wien ik op de Hoop in vriendschap
geraakt was; beide zyne geschenken kwamen uit Virginie. Dit blyk van
erkentenis en edelmoedigheid van deezen braven jongen, beantwoordt
volkomen aan het waar caracter van den Engelschen zeeman, en deed
my groot vermaak. Onder het getal van myne brieven waren 'er twee,
voor my van het grootst gewicht, de één was van den heer LUDEN van
Amsterdam, en de ander van den heer DE GRAAF, zynen Bestuurder op
Paramaribo. Zy verwittigden my, dat myne beminnelyke JOANNA en myn zoon
ter myner beschikking waren, voor de somme van twee duizend gulden,
die, met de bykomende onkosten, byna twee honderd ponden sterling
zouden uitmaken, dog welke ik buiten staat was op dit oogenblik te
kunnen betaalen. Ik was reeds eene andere somme van vyftig ponden
sterling schuldig, welke ik geleend had, om den koopprys van mynen
Neger QUACO te voldoen; myne JOANNA, wel is waar, was my van eene
oneindig grootere waarde; en schoon men haar had gewaardeerd op het
twintigste gedeelte van de geheele Plantagie, die voor niet meer dan
veertig duizend guldens verkogt was, konde ik eene jeugdige vrouw,
met zoo veele volmaaktheden begaafd, niet te duur koopen; maar men
moest met dit al in staat zyn, om het te kunnen betaalen.
SALOMON heeft met reden gezegd, dat goede tydingen, uit ver afgelegene
landen komende, voor de ziel dat geen zyn, het welk frisch water
voor een zeer dorstig mensch is. De berichten, die ik in dit
tydstip ontfing, deeden my in 't eerst herleven; maar eene nadere
overweging overtuigde my wel dra, dat het my onmogelyk was, om my
eene zoo groote somme aan te schaffen, en ik was ruim zoo ongelukkig
als te vooren. Intusschen deelde ik alle de ontfangene geschenken
onder de nabestaanden van JOANNA uit, uitgenomen echter den hond
en de ham. Deeze goede lieden baden my aan; en geduurende alle de
betuigingen van hunne liefde, riep ik uit: "Dat ik niet ryk genoeg
ben, om hen allen vry te koopen!" Ik bevond my toen uittermaten zwak,
niettemin oordeelde ik my in staat, om des anderen daags de Rivier af
te zakken, tot aan de Plantagie Bergshoven, waar van de Bestuurder,
de heer GOURLAY, de beleefdheid had, om my, in een gemakkelyk vaartuig
met zes roei-riemen, naar Paramaribo te laten brengen; maar ik stortte
wederom in, en ik kwam, des avonds van den 19den, in deeze Stad aan,
zynde naauwlyks meer in leven. Ik had den voorigen nacht op eene
Plantagie, Jalosy genaamd, doorgebragt, alwaar ik byna den geest gaf.
Ik kan de Rivier Commewyne niet verlaten, zonder den lezer eene
afbeelding aan te bieden van een gezicht van Maagdenberg aan de
Tempaty Kreek, en nog een van den post van Calais, by de Hoop, aan
den mond van de Consavina-Kreek.
Te dier tyd eene goede huisvesting by den heer DELAMARE hebbende, en
door de teederlievende JOANNA opgepast wordende, had ik ten minsten
rust; en den 25sten, bevond ik my in staat, om voor de eerste keer
uit te gaan, en by Mevrouw GODEFROY het middagmaal te gaan nemen. De
tafel was by deeze vrouw van de gezondste spyzen, en de verfrissendste
vruchten overvloediglyk voorzien. Onder de laatstgemelde, en de
planten, die tot herstelling der gezondheid geschikt zyn, en welke
dit Land voortbrengt, moet men verschillende zoorten van pepers en
de limoenen rekenen. De eerste zyn de cica-peper, de lattaca, en de
dago-pipy, zoo als de Negers dezelve noemen; want zy geven aan elke
zaak eene benaming naar de overëenkomst, die tusschen dezelve en
eenige andere zaak gevonden word. Deeze verschillende zoorten van
peper zyn in Europa bekend onder den naam van peper van Caijenne,
van piment, en van capsicum, of peper van Guinée. De naam van cica,
of chiga, welken men in Surinamen aan de eerste geeft, koomt daar van
daan, dat derzelver korrel gelykt naar het insect, chiga of chigoe
genaamd, het welk ik beschreven heb. De andere heeft de gedaante van
rotten-stronten. Deeze drie zoorten, gelyk ook alle andere, groeien
aan heesters, die groen zyn, en niet zeer hoog opschieten. De peper,
welke zy allen voortbrengen, is van de allerheetste, en trekt den
mond by één; wanneer zy ryp is, heeft zy een scharlaken, of liever
bloedkleur. De Europeanen eeten byna geene spyzen, welken zy niet
met peper aanzetten: de Negers, en vooral de Indianen slokken ze met
geheele greepen in, niet alleen om dat zy 'er ongemeen veel van houden,
maar ook om dat zy dezelve als een uitmuntend geneesmiddel tegen een
groot aantal kwalen beschouwen.
De limoenen groeijen aan een zeer schoonen boom, genaamd Limoen-boom,
waar van de bladen en vruchten veel kleiner zyn, dan die van den
citroen-boom, en de laatstgemelden van een veel schitterender geele
kleur, dan de citroenen. Zy hebben ook een veel fyner schil, en zyn
vol van een zuur sap, het lekkerste, dat ik ken, en waar van de geur
alleraangenaamst is. Deeze vruchten zyn zeer nuttig voor de soldaten
en matroozen, die ze in dit Land voor het opraapen kunnen krygen,
zoo dat men hen niet zeldzaam hunnen ledigen tyd ziet doorbrengen,
met dezelve in groote meenigte te verzamelen, om ze met manden vol
naar het schip te voeren. Men ontmoet, door de geheele Volkplanting
van Surinamen, heggen van Limoen-boomen; en by de Stad Paramaribo
groeijen zy aan den weg. Het is zeer te bejammeren, dat men deeze
limoenen niet naar Europa kan overvoeren; maar men voert vaatjes,
met derzelver sap gevuld, derwaarts. De inwooners deezer Volkplanting
leggen ze in suiker, en bewaaren ze in groote aarde kruiken.
Op het na-gerecht van deeze zelfde maaltyd, merkte ik, onder
verscheide uitmuntende vruchten, een zoort van appel op, welken men
alhier mammy noemt. Deeze groeit aan een boom van de gedaante van
een oranje-boom, waar van de schors grys is, het hout witachtig en
ruw, en het blad zeer dik, glad, driehoekig en zonder vezelen. Deeze
vrucht, die byna rond is, en eenen omtrek van vyf of zes duimen maakt,
is met eene harde en roest-kleurige schil bedekt; derzelver vleesch
heeft de kleur van wortelen, en ook dezelfde vastheid. Het bevat twee
groote nooten, waar van de amandelen bitter zyn; maar de vrucht heeft
een uitmuntenden smaak: het is een mengzel van zuur en geurigheid,
het welk alle andere in deeze Volkplanting overtreft. Men vindt in
Surinamen ook tweederlei zoort van amandelen, gewoonlyk door de Negers
pistaches en pinda genoemd. De eerste gelyken naar kleine kastanjes,
en groeien als trossen aan den boom; de tweede worden voortgebracht
door een heestergewas, en vormen zig onder den grond. [32] Beide
zoorten van deeze amandelen zyn olyachtig en zoet; de laatstgemelde
bevat 'er twee in eene schel; alle zyn zy aangenaam om raauw te eeten,
maar nog beter, wanneer zy onder heeten asch gebraden worden.
Dewyl ik van vruchten spreek, is het hier, zoo ik meen, de plaats,
om eene misslag van Mejuffrouw DE MERIAN aan te roeren, die verklaart,
dat de druiven in Guiana gemeen zyn. Deeze misslag is des te sterker,
dewyl men weet, dat de vruchten, die alleen in eene kleine dunne
schel besloten zyn, als de druiven, [33] de kerssen, de aalbessen,
de aardbeziën, de pruimen, de abrikosen, de persiken, en zelfs de
appelen en peeren, de brandende hette van den zonne-keerkring niet
verdragen kunnen.
My tans op nieuw te Paramaribo bevindende, is het, zoo ik meen,
voegzaam, om het dieren- en planten-ryk voor eenigen tyd te verlaten,
en den aandacht van den lezer op het regerings-bestuur van deeze
schoone Bezitting te vestigen; een onderwerp, het welk hy misschien
zedert lang verwagtte.
Ik heb reeds gezegd, dat twee derde der Surinaamsche Volkplanting
tegenwoordig aan de Stad Amsterdam behooren, en dat de West-Indische
Maatschappye eigenaar is van het laatste een derde gedeelte. Ik heb
ook te kennen gegeven, dat de rechterlyke macht door onderscheidene
Raaden van rechts-oeffening word uitgeoeffend. Ik zal dezelve dus tans
in hunne orde aanwyzen, zoo als my dit door den Gouverneur, den heer
NEPVEU, is mede gedeeld. De eerste is de Raad van Crimineele Justitie,
en van Politie. Dezelve bestaat in het geheel uit dertien leden, wier
ampten voor hun leven zyn. De Gouverneur, die 'er de Voorzitter van
is, verkiest dezelven uit eene dubbele lyst, die hem door de inwooners
word aangeboden. De Commandant, of de afgezonden Gouverneur, is eerste
Raad. De bedienende Leden van dit Hof zyn derhalven;
De Gouverneur,
De Commandant,
Een Procureur-Fiscaal,
Een Secretaris,
Negen Raden.
De kennis van alle lyfstraffelyke zaaken behoort aan deezen Raad;
maar de Gouverneur heeft het recht van schorssing der vonnissen,
en zelfs om genade te bewyzen.
De Raad van Civiele Justitie bestaat ook uit dertien Leden, die door
den eerstgemelden Raad verkooren, en alle vier jaaren vernieuwd
worden. De Gouverneur is aldaar ook Voorzitter, en de bedienende
Leden zyn:
De Gouverneur,
Een Procureur-Fiscaal,
Een Secretaris,
Tien Raden.
Deeze Raad neemt kennis van alle burgerlyke rechts-zaken, en zelfs
van geringe beledigingen.
Na deezen koomt het Subalterne Collegie, of Kamer van kleine zaken,
bestaande uit elf Leden, die al mede door den Gouverneur en het
eerstgemelde Hof verkozen worden, en behalven den Secretaris, wiens
ampt voor zyn leven is, insgelyks alle vier jaaren vernieuwd, en
uit de laatst afgegaane Justitie-Raden genomen worden. De bedienende
Leden van dit Collegie zyn derhalven:
Een Vice-President,
Een Secretaris,
Negen Raden.
Het zelve heeft het opper-toezicht over de openbaare gebouwen, over
de straaten, over de laanen van oranje-boomen, over de grachten,
enz. Het beoordeelt ook de twistgedingen beneden de twee honderd en
vyftig guldens; alle geschillen over grootere sommen moeten voor het
Hof van Civiele Justitie gebragt worden.
'Er is ook nog een ander Collegie, namelyk de Wees- en onbeheerde
Boedel-kamer. Het bestaat uit
Verscheiden Commissarissen,
Een Secretaris,
Een Boekhouder,
Een Thesaurier,
En eenen anderen gezworen Secretaris.
De bedienden der Finantie zyn:
De Ontfanger der in- en uitgaande rechten,
De Ontfanger der groote en kleine imposten,
De Ontfanger van het hoofd-geld.
De Ontfanger der renten.
Ik zal van de bedieningen deezer Amptenaaren meer opzettelyk
spreken, wanneer ik de algemeene inkomsten deezer Volkplanting
zal behandelen. Ik bepaale my tans tot het geen derzelver
Regeerings-bestuur betreft. Ik heb reeds gezegd, dat de Gouverneur aan
het hoofd der burgerlyke en der krygszaaken is; de andere openbaare
amptenaaren zyn voornamelyk:
De Secretaris van zyne Excellentie, den Gouverneur,
Een Provoost, met het doen vervolgen der Negers belast,
De Commissarissen van de Magazynen der levensmiddelen,
Vier Opzichters over den uitvoer van de suiker,
Een Opzichter over de vaten melasse, of syroop van suiker,
Een Opzichter over alle de Noord--Americaansche schepen.
Twee Omroepers,
Twee Sergeanten of Boden van den Raad,
Twee Landmeeters,
Drie Meters van timmerhout,
Een Opzichter over het vee, enz.
Een Opzichter over de maaten en gewichten,
Drie Hollandsche Predikanten,
Een Fransch Priester,
Een Lutersch Predikant,
Drie Meesters van openbaare Schoolen, enz.
De krygsmacht bestaat uit elf Compagniën. Elk van dezelve heeft
tot Officiers, een Capitain, een Lieutenant, een Ouder-Lieutenant,
een Vaandrig, een Secretaris, en een Kassier. De Capitains zyn
doorgaans gezworen Priseerders by het verkoopen der Plantagiën,
aan de verschillende Rivieren in hunne wyk gelegen.
Zie daar, welke de voornaamste amptenaaren van het bestuur in de
Volkplanting van Surinamen zyn. Dit bestuur zoude niet kwaad zyn,
indien het niet door eene snoode gierigheid besmet wierd, tot groot
nadeel van deeze schoone Bezitting in 't algemeen, en van derzelver
inwooners in 't byzonder. Deeze Volkplanting, wel bestuurd wordende,
zoude een hof van Eden zyn, niet alleen voor de Europeaanen, maar zelfs
voor de slaven. Het zoude niet moeielyk zyn verbeteringen op te geven,
noch ook dezelve uit te voeren. Ik zal by eene andere gelegenheid de
aanmerkingen mededeelen, welken ik ten deezen opzigte gemaakt heb;
en ik twyfele geenzints, of een weinig oplettenheid op een enkel
punt, zal de gelukkigste uitwerkingen voortbrengen. En kan ik dan
al, even gelyk de Samaritaan, geen balsem op alle wonden gieten,
ik zal ten minsten het geneesmiddel kunnen aanwyzen, het welk, op
eene gepaste wyze gebezigd wordende, de kwaaien van een groot getal
lieden geneezen zoude.
Ik heb de onaangenaame taak ondernomen, om te bewyzen, hoe deeze
Volkplanting, door bloeddorstige en gewelddadige middelen, zig zoo
dikwils op den oever van haaren ondergang gezien heeft. Hoe roemryker
zoude het zyn voor hun, die 'er de magt toe in handen hebben, om niet
alleen haar te redden, maar ook met haar, veele fraaie Volkplantingen
in de West-Indiën! zy zouden dit doen door middel der beöeffening
van eene uitdeelende en algemeene gerechtigheid, en door het geven
van een loffelyk voorbeeld van goedwilligheid en menschelykheid.
Ik kan van de verhandeling van het staatkundig bestuur in Surinamen
niet afstappen, zonder het afschryven van deszelfs zinspreuk, die
met de daaden zoo weinig overëenkomstig is. Zy is deeze: "Justitia,
pietas, fides." De wapens zyn in drie deden verdeeld, bevattende,
zoo ik meen die van 't Huis van Sommelsdyk, van de West-Indische
Maatschappye, en van de Stad Amsterdam: zy worden gedragen door
twee klimmende leeuwen, en dienen om het papieren geld te zegelen,
enz.--Maar laat ik myn verhaal vervolgen.
Den 30sten, ontmoette ik dien goeden matroos, CHARLES MACDONALD,
en dewyl ik dertig kruiken Jamaicasche rhum gekocht had, gaf ik 'er
hem eenige van, om hem het geschenk van een ham en van een hond te
vergelden; ik voegde 'er een schulp van paerel d'amour by, met zilver
beslagen, welke ik hem verzogt tot eene gedachtenis te bewaren. Deeze
brave jongen ging des anderen daags weder naar Virginie scheep, aan
boord van de Peggy, waar van Capitain was LOUIS, die my beloofde hem
tot zynen Stuurman te zullen bevorderen.
De hond, waar van ik zoo even sprak, herïnnert my twee aanmerkingen,
welke ik in Guiana omtrent dit zoort van dieren gemaakt heb. De
eerste is, dat zy aldaar het vermogen of de hebbelykheid van blaffen
verliezen: het is zelfs eene zeer bekende zaak, dat de honden, die
aldaar geboren zyn, nooit geblaft hebben. De tweede is, dat zy aldaar
nooit door de watervrees worden aangetast, ik herïnner my ten minsten
niet een enkelen dollen hond in deeze Volkplanting gezien te hebben,
noch 'er van te hebben hooren spreken; deeze laatste byzonderheid is
des te opmerkelyker, om dat deeze verschrikkelyke ziekte, in andere
Landstreeken, doorgaans word toegeschreven aan de drukkende hette van
de honds-dagen, het geen die benaming genoegzaam aanduidt. De Indianen,
of inboorlingen van Guiana, hebben allen honden, waar van zy zig tot
de jagt bedienen. Deeze dieren zyn mager en klein, zy hebben kort
hair van eene vuile witte kleur, een langwerpigen snoet, en recht
op staande ooren; zy zyn zeer bekwaam om het wildt op te spooren;
maar zy hebben alle de gebreken van de kleine jagthondjens. Ik moet
niet vergeten op te merken, dat, schoon de Americaansche honden niet
blaffen, zy niettemin een zeer sterk geknor doen hooren. De myne,
die, zoo als ik gezegd heb, uit Virginie kwam, was in dit stuk zoo
lastig, dat één van myne buuren hem, na verloop van veertien dagen,
dat hy by my was, met een snaphaan dood schoot.
Byna op deezen zelfden tyd, kwamen verscheide huisgezinnen van
Americaansche vluchtelingen te Paramaribo aan, die verjaagd waren door
den oorlog, welke tusschen myn geboorteland en deszelfs Volkplantingen
ontstaan was; ik was in de daad over hun lot aangedaan, en ik moet
verklaaren, dat niemand ooit meer vriendschap aan een Engelschman
betoonde, dan zy my by een groot aantal gelegenheden bewezen.
Den 3den Augustus, wanneer de heer DE GRAAF, die alles met den heer
LOLKENS op de Plantagie Fauconberg regelde, in de stad te rug kwam,
dacht ik, dat het voegzaam was, om zelf met hem eene schikking te
maken, en hem voor te stellen van my een handschrift aan te nemen,
tot dat ik de somme dadelyk betaald zoude hebben, waar voor men
toestond JOANNA, en mynen zoon aan my te verkoopen, eene somme,
die ik bereid was op myne verteeringen uit te spaaren, door, indien
het mogelyk was, alleen van brood, zout en water te leven; en zelfs,
in weerwil van deeze ongemeene soberheid, had ik twee of drie jaaren
noodig, om dezelve by één te halen. De Voorzienigheid liet my niet
in deeze verlegenheid; zy zond ter myner hulp die uitmuntende vrouw,
Mevrouw GODEFROY, die zoo dra niet onderricht was van de smartelyke
gesteldheid, waar in ik my bevond, of zy noodigde my by haar ten eeten,
en na den maaltyd, sprak zy my in deezer voegen aan:
"Ik weet, myn lieve STEDMAN, welke uwe gevoelens zyn, en dat het
voor een Officier volmaakt onmogelyk is, zoodanig ontwerp, als
het uwe, met zyne inkomsten uit te voeren; maar begryp, dat men,
zelfs in Surinamen, in zyne vrienden eenige deugd kan ontmoeten: uwe
blakende liefde voor deeze jonge vrouw, die dezelve zoo waardig is,
en voor uwen zoon, moet, ten spyt van dwaasheid en onverstand, u de
achting van alle weldenkende lieden doen verwerven. Ik ben over uwe
handelwyze in deeze zaak dermaten getroffen, dat ik my zelve zoude te
beschuldigen hebben, indien ik u in de volvoering van zulke loffelyke
oogmerken niet behulpzaam was; staa my derhalven toe, om in uw geluk,
en in dat van de deugdzaame JOANNA, en haaren zoon, deel te nemen,
door u te verzoeken, eene somme van twee duizend guldens, of zelfs eene
grootere somme, zoo gy die benoodigd hebt, aan te neemen. Zie daar dit
geld, STEDMAN; ontruk daarmede de onschuld, de deugd, de schoonheid,
aan de dwinglandye, aan de onderdrukking, en aan de verguizing".
Deeze achtenswaardige vrouw, ziende dat ik haar aankeek, in een staat
van volmaakte verstomming, en als of ik het vermogen van spreken
verloren had, vervolgde haar gesprek, met eene aanbiddelyke goedheid:
"Laat uwe kieschheid, myn lieve vriend, zig niet ontrusten, noch
over deeze zaak bekommeren. Soldaten en zeelieden moeten geene groote
plichtplegingen maken. Alles wat ik van u vorder, bestaat hier in, dat
gy van dat alles geen enkel woord spreekt".--Zoo dra ik weder in staat
was om te spreeken, antwoordde ik haar: "Dat myne geheele verlegenheid
daar in bestond, op welke gepaste wyze ik aan haar betuigen zoude,
hoe zeer ik van haare edelmoedige goedheid doordrongen was." Ik
voegde 'er by: "Dat JOANNA, die my zoo dikwerf het leven had doen
behouden, zekerlyk myne onöphoudelyke liefde verdiende, maar dat myne
dankbaarheid niet minder duurzaam zyn zoude omtrent iemand, die my in
de mogelykheid stelde, om eene jonge vrouw van zulke groote verdiensten
van de slavernye vry te koopen;" en ik eindigde, met aan deeze Mevrouw
te kennen te geven; "Dat ik voor het tegenwoordige niet het minste
gedeelte van die somme zoude aanraken, maar dat ik des anderen daags de
eer zoude hebben haar wederom te zien;" en oogenblikkelyk vertrok ik.
Ik was zoo dra niet t'huis gekomen, of ik verhaalde JOANNA, het geen
'er was voorgevallen. Zy smolt dadelyk in traanen weg, en riep uit:
"Gado sa bresse da woma! God zegene deeze vrouw." Zy hield aan, dat
ik haar aan Mevrouw GODEFROY verpanden zoude, tot dat de geheele
somme aan dezelve zoude zyn te rug gegeven. JOANNA verlangde wel
vuuriglyk, om haaren zoon vry te zien; maar zonder de voorwaarde, door
haar opgegeven, weigerde zy volstrektelyk de vryheid voor haar zelve
aan te neemen. Ik zal geen tafereel pogen te schetsen van den stryd,
dien ik tusschen liefde en plicht moest doorstaan; ik zal my bepaalen
met te zeggen, dat ik het verlangen van dit beminnelyk schepzel,
wier gevoelens my meer en meer bekoorden, inwilligde. Ik verklaarde
derhalven by geschrift, en overëenkomstig haare toestemming, dat
JOANNA, van dien dag af aan, aan Mevrouw GODEFROY toebehoorde, tot
dat ik haar de geheele somme, welke zy my geleend had, betaald zoude
hebben; en des anderen daags bragt ik haar, met toestemming haarer
nabestaanden [34] by deeze Mevrouw, alwaar zy zig voor haare voeten
werpende, haar het geschrift ter hand stelde. Maar de onvergelykelyke
Mevrouw GODEFROY had het zelve zoo dra niet doorloopen, of zy riep uit:
"Laat dit alzoo geschieden! koom, myne JOANNA, ik neem u, niet voor
myne slavin, maar tot myn gezelschap. Ik zal voor u eene wooning
in myne orangerie doen bouwen; myne slaven zullen u aldaar dienen,
tot dat de Voorzienigheid over my beschikt; dan zult gy u volmaakt
vry zien, zoo als gy in de daad zyn zult op het oogenblik, dat gy
uwe vryheid begeert, als welke gy, zoo door uw goed gedrag, als van
wegen uwe afkomst, [35] ontwyffelbaar verdient." Op deeze voorwaarden
ontfing ik den 9den het geld, en ik bragt het den zelfden dag in
myn hoed aan den heer DE GRAAF. Het zelve op zyne tafel hebbende
nedergelegd, verzogt ik hem eene behoorlyke quitantie; en JOANNA
was niet meer afhangelyk van de elendige Plantagie Fauconberg,
maar alleen van de bescherming der eerbiedwaardigste vrouw, die
in de Hollandsche bezittingen, ja misschien in de geheele weereld,
gevonden word. Zy bedankte my met eenen oogwenk, welke geen Engel
zelfs met een bekoorlyker indruk konde toevoegen.
De heer DE GRAAF, het geld hebbende nageteld, zeide my: "Myn lieve
STEDMAN, van deeze somme komen my, als bestuurder der Plantagie,
twee honderd guldens. Gedoog, dat ik dezelve niet aanneeme, en alzoo
in deeze gelukkige gebeurtenis deele. Ik zal my volkomen betaald
oordeelen door het genoegen, van tot het geluk van twee lieden,
die zoo veel achting verdienen, te hebben mogen medewerken."
Na deezen belangloozen vriend bedankt, en hem vriendschappelyk de hand
gedrukt te hebben, bragt ik oogenblikkelyk de twee honderd guldens
aan Mevrouw GODEFROY te rug, en wy waren allen gelukkig.
De menschlievenheid van deeze vrouw bepaalde zig toen niet tot den
dienst, dien zy ons deed, want, de deerniswaardige gesteldheid der
zieken op Maagdenberg vernomen hebbende, zond zy hun ten geschenke
een vaartuig, beladen met vruchten, groenten, en allerleie zoorten
van ververschingen.
Den 7den Augustus, schreef ik aan den heer LUDEN, om hem van deeze
schikking kennis te geven, en hem te bedanken, dat hy van het
gewichtigste gedeelte van zynen eigendom wel hadde willen afstand
doen. Myne enklauw op dit oogenblik byna genezen zynde, schreef ik
ook aan den Colonel, dat ik de eer zoude hebben, my binnen eenige
dagen by hem te vervoegen. Ik zond deezen brief naar Barbacoeba,
want hy bevond zig aldaar; steeds, terwyl de onverschrokken Capitain
STOELEMAN, met eenige Neger-Jagers de bosschen van eenen anderen kant
doorkruistte: dien zelfden dag had hy vier der oproerige Negers naar
Paramaribo gezonden. [36]
Den 10den, volmaakt hersteld zynde, en my gereed bevindende om in de
bosschen te trekken, nam ik afscheid van myne vrienden, en van myn
klein huisgezin, het welk ik by den heer DELAMARE liet, die 'er my om
verzogt. Ik vertrok dus wel gemoed in een overdekt vaartuig, om mynen
vyfden veldtocht te beginnen, en in de hoop van den Colonel FOURGEOUD
te vergezellen. Hy verëenigde alle zyne kragten, en maakte de noodige
toebereidzels, om binnen eenige dagen den vyand te gemoet te trekken.
Den 14den, kwam ik te Barbacoeba, aan het bovenste gedeelte van de
Cottica; de zelfde plaats, waar ik my bevond, toen ik den slang Aboma
doodde. Ik vond aldaar den Bevelhebber, die my zeer vriendelyk ontfing,
en gereed stond om des anderen daags te vertrekken. Nooit zag ik de
soldaten zoo bemoedigd, noch zoo stipt den dienst waarnemende. Zy
wierden door verschillende beweegredenen aangezet: de één, door het
vermaak om te vechten; de ander door een geest van wraakzucht tegen
de muitelingen; zommigen, die de bedaardsten waren, door de hoop van
deezen oorlog te zien eindigen; anderen eindelyk hadden verdriet in een
leven, dat door een gestrengen dienst en door ziekten beurtelings wierd
afgewisseld, en verlangden, om een roemryk einde aan hunne elende te
maken; want 'er is geen ongelukkiger leven, dan dat van een soldaat
of matroos, die aan vochtigheid, of aan de hette van eene brandende
zon, in het midden van eindelooze bosschen, onder den zonne-keerkring
gelegen, by aanhoudenheid is blootgesteld.