Capitain in de Zee-krygsbende van den Colonel FOURGEOUD."

Deeze brief ging vergezeld van eene andere van den heer LOLKENS;

en deeze waarde vriend vleide my met den goeden uitslag.

Deeze beide brieven naar Holland hebbende afgezonden, had ik tyd en

gelegenheid, om eene Suiker-Plantagie in alle derzelver byzonderheden

te onderzoeken; ik zal trachten daar van eene naauwkeurige beschryving

te geven.

De gebouwen bestaan doorgaans in een fraay huis voor den eigenaar,

in twee andere voor den opzigter en boekhouder, in eene wooning voor

den timmerman, in keukens, in bergplaatsen, en in stallingen, indien

de Suikermolen door paarden of muilëzels gedraait word, want op de

Plantagie de Hoop bedient men 'er zig niet van; het water brengt

aldaar de raden in beweging; de vloed stort het water in de huizen,

door middel van sluizen, welke men by laag water open zet; en dit

water, als eene beek nederstortende, brengt het geheele werktuig in

beweging. Het bouwen van een Suikermolen kost gewoonlyk vier duizend,

en dikwils zeven of agt duizend ponden sterling.

Het zoude misschien verveelend zyn, zulk een werktuig stuk voor stuk

te beschryven; ik zal alleen opmerken, dat het groote rad zig lynrecht

beweegt, en met een ander mede zeer breed rad, het welk horizontaal

geplaatst is, gemeenschap heeft; het laatstgemelde slaat op drie yzere

stampers, die van onderen door een zwaren balk ondersteund worden, en

zoo zeer op elkander sluiten, dat zy alles, wat 'er tusschen beiden

koomt, zoo dun maken, als een blad papier. Op die wyze word het

suikerriet gebroken, om het sap of vocht van den bast af te scheiden,

De andere molens zyn volgens de zelfde grondbeginzels gebouwd; en

om het horizontaal rad in werking te brengen, doet men een grooten

hefboom door paarden of muilezels draaijen. Zoo al de watermolen

sterker werkt, en minder kostbaar is, moet men ook den vloed afwagten,

en hy kan niet meer dan een gedeelte van den dag gaan. De molen,

die door paarden bewogen word, kan integendeel ten allen tyde maalen,

naar het goedvinden van den eigenaar.--By den molen is een werkplaats,

van steen gebouwd, alwaar groote kopere ketels zyn, waar in men de

natte suiker laat koken; gewoonlyk zyn 'er vyf. Daar tegen over zyn

koelbakken: deeze zyn groote vierkante houte kuipen met een platten

bodem, waar in men de suiker giet, wanneer ze uit de ketel koomt, om

daar in te koelen, eer men ze in de vaten stort: deeze vaten staan,

by de koelbakken, op zwaare uitgeholde balken, die de syroop, wanneer

ze van de suiker afloopt, opvangen, en door buizen in een vierkante

van onderen gegraven bak brengen. De werkplaats tot de overhaaling

{destillatie) is 'er dicht by; men trekt aldaar van de schuim van het

vocht een zoort van rhum, waar van ik hierboven onder den naam van

kill-devil gesproken heb. Elke Planter, in Surinamen, heeft altyd ter

zyner beschikking een open vaartuig, en verscheide andere schuiten,

om zyne waaren daar mede te vervoeren: hy heeft ook een bergplaats,

om dezelve te laren droogen.

De uitgestrektheid der Suiker-Plantagiën, in deeze Volkplanting, is

gewoonlyk van vyf of zes honderd akkers. De gedeelten, tot bebouwing

geschikt, zyn in vierkante vakken verdeeld, alwaar men de stekken of

uitspruitzels van het riet, aan welke men omtrent een voet lengte laat,

in rechte en gelyke reijen, schuins in den grond steekt: men plant

dezelve gewoonlyk in het regensaisoen, wanneer de grond vochtig en

week is. Het duurt omtrent twaalf of zestien maanden, eer de spruiten,

die uit de stekken uitbotten, tot haare volkomene rypheid geraken;

wanneer zy daar toe gekomen zyn, worden ze geel, en haare grootte is

ten naasten by die van een Duitsche fluit. Het Suikerriet groeit zes

of tien voeten hoog: uit deszelfs afzetzels spruiten bladeren van een

ligt groene kleur, hebbende de gedaante van die van een pry, maar veel

langer en getand, en vallende op den grond af, wanneer de plant goed

is om gesneden te worden. De voornaame zorg der slaven, geduurende

dat het riet groeit, bestaat in het uitwieden van het onkruid, het

welk anderzints de plant van haare kragt berooven zoude. Men telt op

zommige Suiker-Plantagiën meer dan vier honderd slaven. De geldsommen,

die 'er noodig zyn om dezelve te koopen, en de gebouwen te stichten,

beloopen twintig à vier-en-twintig duizend ponden sterling, zonder

de waarde van den grond 'er eens by te rekenen.

Laaten wy tans zien, wat 'er van het riet geduurende de werking van

den molen word: het word aldaar tusschen de drie stampers, door welke

het twee malen doorgaat, gebroken. Vervolgens loopt het vocht door

eene groeve, die in een balk gemaakt is, tot in de werkplaats, alwaar

men het zelve laat koken, en in een zoort van houten bak ontfangt.

De arbeid der Negers, die aan de stampers werken, is zoo gevaarlyk,

dat wanneer één van hunne vingers tusschen twee rollen geraakt,

het geen meenigwerf en door onöplettenheid gebeurdt, de geheele arm

oogenblikkelyk word weg getrokken en aan stukken geslagen, zoo al

zelfs niet een gedeelte van het lichaam. Doorgaans houdt men een

byl gereed, om het lid af te houwen, want de man zou gevaar loopen

van om te komen, eer het werktuig konde worden stil gehouden. Een

ander gevaar, waar aan deeze ongelukkige slaven zyn bloot gesteld,

bestaat in het proeven alleenlyk van het vocht, het welk zy in het

zweet van hun aangezicht 'er uit halen; zoo men dit bemerkt, worden

zy veroordeeld, om eenige honderde geesselslagen te ontfangen, of

zelfs de tong te worden uitgerukt, op last van den Opzichter.

Wanneer het vocht uit den gemelden houten bak koomt, word het in de

eerste kopere ketel gestort, alwaar het door een zeef gekleinst word,

om al het stroo, het welk 'er by het stampen mogt zyn in gebleven,

weg te nemen. Dit vocht, na eenigen tyd gekookt te hebben, en

afgeschuimd te zyn, word andermaal overgegoten in de tweede ketel,

en zoo vervolgens tot in de vyfde en laatste, alwaar het eindelyk den

bekwaamen graad van dikte of vastheid verkrygt, om in de koelbakken

overgestort te worden: men werpt in de ketels eenige ponden aarde

en aluin, onder elkander gemengd, om het vocht te doen korrelen: op

die wyze dan laat men het al langs hoe meer koken, tot in de vyfde

ketel. Wanneer men de suiker in de koelbakken overgiet, draagt men

zorg, om ze wel te roeren en gelykelyk uit te spreiden: wanneer ze

koud is, heeft ze het voorkomen van bevrozen te zyn; ze is vast, als

kandy, bruin en doorschynend; men zoude byna zeggen, dat het stukken

noteboomen hout waaren, die zeer glad gepolyst zyn. Als de suiker

uit de koelbakken koomt, stort men ze in vaten, die een gewicht van

duizend ponden suiker bevatten, in welker bodem openingen of kleine

gaten zyn, dienende om het vocht, het welk nog mogt zyn overgebleven,

en melasse genoemd word, te doen uitloopen, en word het zelve, zoo als

ik reeds gezegd heb, in een van onderen gegraven bak gevangen. Na deeze

laatste bewerking, is de suiker geschikt om naar Europa overgevoerd,

aldaar geraffineerd en tot brooden gemaakt te worden. Ik moet opmerken,

dat hoe grooter de korrels zyn, hoe beter de suiker is, en dat geen

Land tot derzelver voortplanting meer geschikt kan zyn, dan Guiana. De

rykdom van eenen onuitputtelyken grond brengt te weeg, dat 'er drie

of vier vaten suiker van een akker komen. In 't jaar 1771, voerde

men niet minder dan vier-en-twintig duizend vaten uit naar Rotterdam

en Amsterdam alleen, het welk tegen zes ponden sterling het vat, (en

zomtyds maakt men 'er het dubbeld van,) eene somme van by de honderd

vyftig duizend ponden sterling uitmaakt, zonder van eene groote

meenigte kill-devil en suiker-syroop te spreken. De laatstgemelde,

die men op zeven duizend vaten voor dit zelfde jaar kan rekenen,

wierd voor vyf-en-twintig duizend ponden sterling aan de Engelschen

in America verkogt. De kill-devil word in Surinamen; ten gebruike der

Negers gestookt; men kan haar bedragen op dezelfde somme rekenen:

het geen, alle drie by elkander gerekend, omtrent tweemaal honderd

duizend ponden sterling 's jaars uitmaakt.

De kill-devil is ook een drank, welke zommige Planters gebruiken;

maar zy is vooral voor soldaten en matroozen. Wanneer ze nieuw is,

is zy een langzaam vergift voor elken Europeaan. De Negers hebben

'er nooit hinder van; integendeel, ze is hun zeer noodzakelyk en zeer

goed, vooral in het regen-saisoen. Geen gedeelte van het suikerriet

is nutteloos. Het gemalen riet en de bladeren dienen tot mest, om

het land vet te maken.

Alle de Plantagiën worden door bosschen omringd. Eene meenigte wilde

beesten rechten aldaar groote verwoestingen aan: men laat door honden

jacht op hen maken, en de Negers dooden ze dikwils. Na het geen ik

omtrent dit stuk alleen gezegd heb, kan men zig van den natuurlyken

rykdom van dit Land een denkbeeld vormen, maar ik twyffel echter

of de Volkplanting van Surinamen, zoo zy immer in andere handen,

dan die der Hollanders, overging, van zulk een aanzienlyk gewicht

blyven zoude. 'Er zyn 'er geenen, die geduld, vlyt, en onvermoeidheid

in zulk een hoogen trap bezitten.

Ik keer tans tot myn verhaal te rug. Ik heb gezegd, dat de slaven,

die ter myner beschikking stonden, bezig waaren met eene wooning

te maaken, om JOANNA daar in te ontfangen: zy voltooiden het in

vyf of zes dagen. Het bestond uit een kamer tot gezelschappen,

ook tot een eetkamer dienende; een slaapkamer, waar in ik alle

myne goederen bergde; en een zoort van gang, om buitenwaards lucht

te scheppen. Eene kleine keuken, en een groot hoenderhok waaren

'er van afgescheiden. Rondom stonden heiningen, en de ligging was

verrukkelyk. De tafels, de stoelen, en de banken, die myn huisraad

uitmaakten, waaren ook van Latanus-boomen hout. De deuren en vensters

waaren gesloten, door middel van konstig gemaakte houte sloten

en sleutels, welke een Neger my gegeven had, en door hem gewerkt

waaren. Alles in dier voegen gereed zynde, was myne eerste zorg, om in

deeze wooning den voorraad te doen plaatsen, dien ik van Paramaribo

had medegebragt. Dezelve bestond in een vaatje meel; een ander met

ingezouten makreel, die in dit Land lekker is, en welke men aldaar uit

Noord-America aanbrengt; in hammen; ingelegd vleesch, en Bostonsche

bifchuit. Ik had ook wyn, Jamaicasche rhum, thee, suiker, en een kistje

met spermacetie-kaarssen. De heer KENNEDY had my van zyne Plantagie

Vriedyk twee fraaije vreemde schapen en een varken gezonden. De moeije

van JOANNA gaf my twee douzyn verschillende zoorten van gevogelte; de

groenten en vruchten, het wildt en de visch ontfing ik van alle kanten.

Den eersten April, voer JOANNA de Rivier af, en kwam op de Hoop met

het vaartuig van Fauconberg, door agt Negers geroeid wordende. Ik

gaf haar dadelyk bericht van den inhoud van den brief, dien ik naar

Holland had geschreven. Zy bedankte my met veel zedigheid, maar haare

oogwenken waaren levendiger, dan haare gesprekken. Ik bragt haar in

haare nieuwe wooning, alwaar de Slaven der Plantagie, ten teeken van

achting, haar dadelyk geschenken deeden van cassaves, ignames, bananes,

en plantains. Nimmer waren twee gelieven gelukkiger. Zoo vry zynde,

als de heesters van het woud, ademden wy de zuiverste lucht in. Het

vergenoegen en de gezondheid waren myn deel; en myne gezellinne, van

jeugd en schoonheid schitterende, verwekte de afgunst en verwondering

der geheele Volkplanting.

De Colonel FOURGEOUD, toen besloten hebbende de bosschen te verlaten,

en te Maagdenberg, een post aan den mond van de Commewyne gelegen,

zyn leger neer te slaan, zond ik hem een groote schuit, geladen met

mondbehoeften, en met twintig soldaten onder bevel van een Officier

bemand. Ik deed vervolgens de monstering myner zee-soldaaten;

ik had 'er niet meer dan twintig overig, zonder echter een klein

detachement, het welk te Calis, aan den mond der Cassivinica-Kreek,

geplaatst was, daar onder te rekenen: iets hooger aan dezelve kreek,

en op eene Plantagie, Coupy genaamd, waren ook een Officier en eenige

soldaten geplaatst.

Den 4den, des morgens, was ik getuige van een zonderling gevecht

tusschen twee slangen, de eene van omtrent drie voeten lang, de

andere alleenlyk van veertien duimen. Het duurde byna anderhalf uur,

geduurende welken tyd de draaien en kronkelingen deezer dieren zeer

merkwaardig waren; en het eindigde met den nederlaag van de kleinste,

welken de grootste by den kop nam, en geheel en al levendig inslokte.

Myn Neger, den zelfden dag, eenige kleine gloeijende kolen hebbende

weggeworpen, zag ik met zeer veel verwondering een kikvorsch dezelve

gretig inslokken, zonder dat zy 'er eenig kwaad van scheen te gevoelen;

ongetwyffeld zag zy die voor vuur-muggen aan. Ik zag ook, in een

suiker-molen, een kikvorsch, die zig op mieren vergastte, welker

getal ter deezer plaatse zeer groot was. Zy lekte dezelve met haare

tong op, naar maate zy voor haar henen liepen. Een andere kikvorsch

sliep dagelyks op één der balken van myne wooning, en verliet dezelve

doorgaans des nachts. De Negers noemden haar yombo-yombo, uit hoofde

van de kracht, waar mede zy sprong. De kikvorsch van dit zoort is

zeer klein; een weinig plat; derzelver huid heeft eene fraaije geele

kleur, met zwarte en scharlaken vlakken. Men vindt ze dikwils in

de bovenkamers der huizen. Het evengemelde beestjen ons zeer fraay

voorgekomen zynde, verboden wy het zelve aan te raken.

Den 8sten tusschen zes en zeven uuren des morgens, terwyl wy één van

onze Sergeanten begroeven, hoorden wy verscheiden schoten met klein

geschut, naar den kant van de Peréca, en ik zond dadelyk een Officier

en twaalf soldaten af, om van dien kant te hulp te komen. Zy kwamen des

anderen daags te rug, en zeiden my, dat de muitelingen de Plantagie

Kortenduur hadden aangevallen, alwaar zy met plonderen bezig waaren;

maar dat de bewooner alle zyne Slaven gewapend hebbende, deezen de

eerstgemelden hadden genoodzaakt de vlucht te neemen, zonder dat men

eenige andere hulp noodig gehad hadde.

De Colonel FOURGEOUD zond my van de Wana-Kreek, eene kleine

bezending van krygsvolk, die den 11den op de Hoop aankwam, met den

Neger SEPTEMBER, die steeds gevangen bleef. De soldaten verhaalden,

dat de muitelingen, met den Bevelhebber gesproken hadden, en hem

in 't aangezicht hadden uitgelachen, toen zy hem een bevel hoorden

uitbrengen, om geen vuur op hen te geven, maar hen levendig gevangen

te nemen. Ik vernam ook, dat onder de geenen, die in de bosschen

verdoold geraakt waren, zig ook bevond de ongelukkige SCHMIDT, die

onlangs zoo zwaar gekwetst was geworden, dat hy zig naderhand niet

volkomen had kunnen herstellen.

Den 15den, de sluisen door het hooge water overgeloopen zynde, geraakte

onze geheele post onder water, uitgenomen het vak, waar op ik myne

hut geplaatst had, het welk droog bleef. Door dit toeval, waren de

Officiers en soldaten tot de kniën toe in 't water. Den zelfden dag,

kwam myn waarde vriend HENEMAN, die als vrywilliger diende, uit het

leger van den Colonel FOURGEOUD, aan de Wana-Kreek, in een vaartuig vol

krygsbehoeften en soldaaten. Hij was tot Lieutenant in myne Compagnie

benoemd. Ik vernam van hem, dat de overige krygsbende Maagdenberg

verliet, om zig naar het bovenste gedeelte van de Commewyne te begeven,

en zig aldaar neder te slaan. Deeze arme jongeling was door elende

en vermoeienissen uitgeput; ik beval hem aan de zorge van JOANNA,

die hem als een broeder behandelde.

Den 14den, den Colonel FOURGEOUD met zyn krygsvolk te Maagdenberg

aangekomen zynde, kwamen de Officiers en soldaten der Compagnie, en

de Jagers, ten getale van by de twee honderd mannen, in vaartuigen de

Rivier afzakken, om in verschillende posten aan de Peréca verdeeld

te worden. Zommigen van hun kwamen op de Hoop aan land, om zig te

ververschen, en gedroegen zig zoo slecht, dat myne Officiers en ik

genoodzaakt waaren, een half dozyn 'er van te straffen; zy vertrokken

den zelfden dag. Ik zond vervolgens een open vaartuig van agt riemen

af, om den Opper Bevelhebber, met eenigen van zyne Officiers, naar

Paramaribo te brengen, van waar hy eindelyk aan den Graaf van RANDWYK

toestond, om naar Holland scheep te gaan.

Den 16den, wierd het grootste gedeelte der schapen, tot deeze Plantagie

behoorende, ongelukkiglyk vergeven, door van eene plant te eeten, welke

de Negers duncane noemen; maar de myne ontsnapten dit ongeluk. Het

spyt my zeer, dat ik deeze plant niet met meerder aandacht onderzogt

heb. Zie hier alles wat ik 'er van weet. Het is een struik met breede

groene bladen, byna van de grootte van het Engelsch klissekruid. Het

groeit van zelf op laage en moerassige plaatsen, en veröorzaakt aan

elk dier, het welk 'er van eet, oogenblikkelyk den dood. De slaven

zyn dienvolgende verpligt in de Savane en velden, alwaar men beesten

weidt, dit onkruid uit te trekken; want men beweert, dat de ossen

en schapen 'er heet op zyn, hoe schadelyk het ook voor hun is, en

schoon anders de ingeschapen neiging der dieren hen, zoo men zegt,

de nuttige van de schadelyke planten doet onderscheiden. Een Neger had

door onöplettenheid deeze plant in zyn tuin laten groeien, alwaar de

ongelukkige schapen, na het om ver werpen der heiningen, binnen kwamen.

Er waaren ook, in deezen zelfden tuin, verscheide andere wortels

en planten, die der aandacht waardig zyn. Ik vond aldaar de igname,

een wortel, in de West-Indiën zeer bekend, en die in een vetten grond

welig groeit. Die van Surinamen weegt zomtyds drie of vier ponden, en

één akker kan wel tien of twintig duizend ponden opbrengen: dezelve is

zeer aangenaam van smaak, het zy gekookt, het zy gebraden, en bovendien

zeer gezond, en gemakkelyk te verteeren. Van binnen is zy wit, en van

buiten heeft ze eene hooge purper kleur, naar het zwart hellende. Haare

gedaante is zeer onregelmatig. De ignames komen voort van spruiten,

welke men op eenen korten afstand van elkander plant; en na verloop

van zes maanden geraken zy tot haare volkomene rypheid. De bladen

beginnen dan bleek te worden. Tot dien tyd toe hebben zy eene zeer

donkere groene kleur. Deeze wortels kruipen langs den grond, even

als het eiloof. Zy maaken het voornaamste voedzel der slaven in de

West-Indiën uit, en dienen hun zelfs tot brood. Men kan ze geduurende

een jaar, of daaromtrent bewaaren; zy zyn dienstig op lange reizen,

en men voert ze dikwils naar Engeland over. Ik zag ook nog eene andere

zeer kleine wortel, waar aan men in Surinamen den naam van naapjes

geeft. Men eet ze op dezelfde wyze, als de igname, maar zy is veel

beter. Beiden vervullen hier de plaats van aardäppelen, wortelen en

raapen, die ons in Engeland van zulk eene groote nuttigheid zyn.

Dezelve tuin bevatte ook Turksch graan, of maïs, gelykende naar

dat van Europa. Men teelt dit zeer veel in Surinamen: men geeft het

niet alleen aan het gevogelte, en allerleije zoort van vee te eeten;

maar men maakt 'er ook meel van, en de Creölen bakken 'er ook lekkere

koeken van, die daarënboven zeer voedzaam zyn. Men eet ze zomtyds met

wortels van althea. Deeze is een zeer kleine stronk, met langwerpige

bladeren; dezelve wortels, wel gekookt, geeven een zeer goede saus,

wanneer men ze met peper van Caijenne aanzet; maar derzelver slymige

aart maakt ze niet zeer smakelyk.

Den avond van den dag, die voor de schapen zoo doodelyk was, met myn

snaphaan op den schouder wandelende, schoot ik een vogel, alhier

Soubacou genaamd. Het was een zoort van grauwe ryger. Zyn bek en

pooten waaren zeer lang, en van een zeer donker groene kleur. De

laatstgemelde scheenen met breede schubben bedekt te zyn, van eene

harde en hoornachtige zelfstandigheid; en de nagels van elken klaauw in

het midden der poot waaren getand. Deeze vogel, schoon van de grootte

van een gewoon hoen, was zoo ligt als een duif. Toen hy gereed gemaakt

was, vonden wy in hem een visch-smaak.

Ik heb zedert eenigen tyd geen trek van wreedheid aangehaald, en

ik heb my deswegens zeer gelukkig geacht. Het is derhalven niet

dan met weerzin, dat ik my gedwongen zie 'er eenige te verhaalen,

welke ik zeker ben, dat de verontwaardiging en het mededogen van

den lezer verwekken zullen. De eerste daad van onmenschelykheid,

die myn mededogen gaande maakte, was eene strafoeffening, welke ik

op eene nabuurige Plantagie aanschouwde. Een fraay Samboes meisje,

omtrent agtien jaaren oud, en geheel en al naakt, was met de armen

aan een boom vast gemaakt. In deezen staat wierd zy door zweepslagen,

die twee Negers haar toebragten, zoo verschrikkelyk van één gereeten,

dat het bloed uit haar lichaam van het hoofd tot de voeten gonsde. Dit

ongelukkig schepzel had reeds twee honderd slagen ontfangen, toen

ik haar vernam, hebbende het hoofd op haaren boezem hangende, en

het akeligst schouwspel opleverende. Ik liep naar den Opzichter,

en bad hem, dat hy haar oogenblikkelyk zoude doen losmaken,

vermits zy haare straf geheel had ondergaan. Maar hy antwoordde

my zeer eenvoudig, dat hy, om de vreemdelingen te beletten van zig

met zyn bestuur te bemoeijen, zig tot eenen onveranderlyken regel

had voorgeschreven, om de straf te verdubbelen, ingevalle iemand

hunner voor den schuldigen spreeken wilde; en de wreedäart liet de

straföeffening oogenblikkelyk op nieuw beginnen. Ik wilde hem, maar

vrugteloos, tegen houden; hy verklaarde my, dat het minste uitstel,

wel verre om hem van besluit te doen veranderen, zyne wraak slechts

onverzoenbaarer en verschrikkelyker maakte. My stond niets anders

te doen, dan dit afschuwelyk wangedrocht te ontwyken, en zig, even

als een wild beest, met bloed te laten verzadigen. Van dien dag af,

besloot ik alle gemeenschap met de Opzichters af te breken, en ik

konde my niet wederhouden, om hen allen te vervloeken. Naar de reden

van deeze onmenschelyke daad onderzoek gedaan hebbende, vernam ik met

zekerheid, dat de eenige misdaad van dit ongelukkig meisjen daar in

bestond, dat zy de omhelzingen van haaren vervloekten beul standvastig

geweigerd had. De schelm, door jaloersheid en wraakzucht aangedreven,

deed, onder voorwendzel van ongehoorzaamheid, haar zoo levendig van

één ryten. Ik heb dit arm meisjen in den staat, waar in ik haar vond,

afgeteekend, en ik ben overtuigd, dat dit gezicht het medelyden van

elk gevoelig mensch verwekken zal.

Tot hier toe geene gelegenheid gehad hebbende, om van de Samboes te

spreken, zal ik tans zeggen, dat het een zoort is tusschen mulatten

en negers in. Zy zyn van eene donkere koper-kleur; zy hebben zwarte

en ligt gekrulde hairen. Deeze slaven, zoo mans als vrouwen, zyn over

't algemeen zeer fraay, en de Planters gebruiken ze voornamelyk tot

den dienst binnen hunne huizen.

By myne te rug komst op de Hoop, sprak de Opzigter der Plantagie,

EBBER, my aan, en zeide my met traanen in de oogen, dat hy veroordeeld

was in eene boete van twaalf honderd guldens, ter zaake dat hy dezelfde

straf aan een mans slaaf had doen uitvoeren, maar met dit onderscheid,

dat het ongelukkig slachtöffer staande de straföeffening stierf. Wel

verre van hem te troosten, antwoordde ik hem, dat zyn hartzeer my

een onuitspreekelyk genoegen deed.

Zie hier de byzonderheden van deezen moord. Terwyl de Capitain TULLING

op de Hoop het bevel voerde, en kort voor myne aankomst op deeze

Plantagie, was een Neger op eene nabuurige Plantagie overgeloopen,

van waar men hem te rug bragt, door twee gewapende slaven geleid

wordende. De Neger, terwyl de Opzichter den brief van zynen medebroeder

van de nabuurige Plantagie, hem over deeze zaak geschreven, las,

vond middel om te ontsnappen, en verschool zig in het bosch. EBBER,

woedend zynde, wreekte zig op de twee slaven, die den gevangen hadden

laten ontkomen, en deed hen op de werkplaats van den timmerman vast

binden. Op zyn bevel geesselde men hen zoo onbarmhartig, dat de

Capitain TULLING geraden vond genade voor hun te verzoeken; maar hy

ondervond het zelfde lot als ik, zyne tusschenkomst bragt eene geheel

tegenstrydige uitwerking voort naar 't geen hy verwagtte. Het geruisch

der slagen, en het grievend geschreeuw deezer ongelukkigen, lieten

zig meer dan anderhalf uur hooren, en deeze wreede strafoeffening

eindigde niet, dan met den dood van één van beiden. Men dagvaardde

EBBER dadelyk wegens begaane moord. Hy wierd overtuigt, en alleenlyk in

de zoo even gemelde boete verwezen. De bloedprys word altoos tusschen

den Fiscaal en den eigenaar van den vermoorden slaaf verdeeld. 'Er is

een wet in Surinamen, dat elke Planter, mits eene somme van vyfhonderd

guldens betaalende, één van zyne Negers mag ter dood brengen; zoo

hy 'er een van iemand zyner gebuuren doodt, moet hy hem schadeloos

stellen, na van de misdaad overtuigd te zyn, een zaak, die in dit

Land zeer moeielyk is, alwaar men geen getuigenis van een slaaf

toelaat. Dusdanig is de wetgeving in Hollandsch Guiana, met opzigt

tot de Negers. Gemelde EBBER was een verschrikkelyke wreedaart: een

geheel jaar lang folterde hy een jongman van veertien jaaren, genaamd

CADETTI; men geesselde hem alle dagen, geduurende de eerste maand; men

liet hem op den grond en op den rug met yzers aan de voeten slapen,

geduurende de geheele tweede maand; men deed hem een driehoek [24]

om den hals, geduurende de derde maand, om hem te beletten van in de

bosschen te loopen; geduurende de vierde maand ketende men hem nacht

en dag in een honden-hok, aan den waterkant, met last om te roepen,

zoo dikwils 'er een vaartuig of kano voor by voer; de Opzichter

veranderde eindelyk de straf van maand tot maand, en altyd op eene

nieuwe manier; het gevolg daar van was, dat deeze jongeling geheel krom

wierd; hy scheen geheel van gevoel beroofd te zyn, en had geen ander

voorkomen, dan van een beest. De schelm van een Opzigter was echter

grootsch op de schoonheid der slaven, en zomtyds zelfs, uit vreeze

van hunne huid te bederven, strafte hy verscheiden van hun, die door

hunne rooveryen en misdaden de galeijen verdiend hadden, alleenlyk

met een twintig-tal geesselslagen. Zie daar, welke de openbaare en

huisselyke rechtsöeffening in de Volkplanting van Surinamen is. Deeze

EBBER geraakte echter om deeze reden van de Plantagie de Hoop af, en

zyn opvolger, (ten blyke dat hy meer menschelykheid bezat!) begon zyn

bestuur, met alle de Negers der Plantagie, mans en vrouwen, te laten

geesselen, om dat ze des morgens een quartier te lang geslapen hadden.

De lezer verbeeld zig ongetwyffeld, dat dit de wreedheid in den

hoogsten top is! hy bedriegt zig. Het geval, dat ik nog zal bybrengen,

is in dit opzigt veel sterker, dan allen, die ik verhaald heb; en

het was een vrouw, die 'er zig aan schuldig maakte.

Mevrouw S.... in een open vaartuig, naar haare Plantagie gaande,

wierd vergezeld van eene Negerin, die haar kind zoog. Deeze vrouw

zat voor aan in het vaartuig, het kind schreeuwde, en zy kon het

niet tot bedaaren krygen. Mevrouw S...., wien het geschrei van dit

onnoozel wicht verveelde, gelastte aan haare slavin, om het by haar

te brengen. Zy nam het kind toen by een arm, hield het onder water,

tot dat het verdronken was, en vervolgens wierp zy het in den stroom

weg. De moeder sprong uit wanhoop oogenblikkelyk in de Rivier, in het

vast besluit, om aldaar haar leven te eindigen; maar dit lukte haar

niet: een gedeelte der roeijers zwommen haar na, en bragten haar weder

aan boord. Haare meesteresse deed, by haare komst op de Plantagie, haar

drie of vier roede-slagen geven, om haar te straffen wegens de schade,

welke zy, door zig van kant te helpen, aan haar had willen toebrengen.

Den 20sten, verliet de Colonel FOURGEOUD met zyn krygsvolk, het

welk in den deerniswaardigsten staat was, Maagdenberg; dienvolgende

sloeg hy zyn leger neder op eene Plantagie, genaamd Nieuw Rozenback,

gelegen tusschen mynen post van de Hoop en het Hospitaal. Ik ging

dadelyk myne opwagting by mynen Colonel maken, en vernam aldaar den

volgenden uitslag zyner krygsverrigtingen. Ik heb reeds gezegd, dat

de Capitain FREDERIK was gewond geworden; een soldaat was verdwaald

geraakt: een ander was door de muitelingen gehouwen; de gevangenen

hadden met hunne ketenen de vlucht genomen; en de vyand spotte met

deezen krygstocht.--Men had een zee-soldaat, die ziek was, aan zyn

lot overgelaten; één der Slaven had den arm gebroken, ten gevolge

van mishandelingen. Dusdanig waren de byzonderheden van deezen

veldtocht. Ik moet egter niet vergeeten de edelmoedigheid van eenen

armen Neger, die wegliep, om den elendigen soldaat te hulp te komen,

en die, na hem den laatsten plicht bewezen te hebben, te rug kwam,

om zyne straf te ontfangen; maar, tot zyne groote verwondering,

genade kreeg.

Ik moet den Colonel FOURGEOUD het recht doen wedervaaren, dat

verscheiden deezer toevallen het onvermydelyk gevolg waren van

zoortgelyke tochten in zulk eene luchtstreek. Zoo hy al, door een

allerslegtsten levensregel, zyn krygsvolk deed omkomen, zonder

muitelingen gevangen te nemen, deed hy ten minsten een gewichtigen

dienst aan de Volkplanting, door den vyand te ontrusten, af te matten,

en te vervolgen, derzelver legerplaatsen te verwoesten, en hunne

schuilplaatsen te vernielen. De Colonel FOURGEOUD deelde in alle deeze

vermoeienissen en gevaaren, en dat op zyne jaaren, het geen tegen

de gebreken van zyn caracter in aanmerking moet genomen worden, en

dienen kan, om hem den naam van geduldig en moedig toe te kennen. Ik

zoude veel meer genoegen hebben, met tot zynen lof te schryven;

maar de waarheid, en het algemeen voordeel, het welk het menschdom

daar uit trekken moet, vorderen, dat ik, de goede hoedanigheden van

den Colonel schetsende, ook opgeeve welke zyne gebreken waren, op

dat anderen zig door zyn voorbeeld kunnen verbeteren. Was het niet

belachelyk, om te Paramaribo, alwaar het papier volkomen goed was,

zyn krygsvolk in geld te betaalen, en hun op de tochten niets anders

te geven, dan die ingebeelde munt, waar mede het onmogelyk was eene

enkele igname, of de minste vrucht van een plantain-boom te betaalen,

Intusschen had hy geld tot zyne beschikking; maar hy wilde tien ten

honderd winnen met de soldy van het geheele Regiment, en dit gedrag

bragt hem by al het volk in eene algemeene verachting.

Den 21sten kwamen verscheiden Officiers my verzoeken, om op de Hoop

het middagmaal te houden, en ik deed hun veelerhande visch opdisschen,

waar onder waren de Kawiry, de Lamper, en de Makrely-fisy. De Kawiry

is een kleine visch zonder schubben, met een breede kop, en twee

lange baarden, die uit het bovenste gedeelte van den bek uitsteeken:

men vindt hem in alle deeze Rivieren in overvloed. De Lamper is een

zoort van lamprey, zoo als men die in de Theems vangt: de Surinaamsche

is van eene ronde gedaante, en niet zeer dik, maar slymig en zeer vet;

hy heeft een zee-groene kleur, met geele vlakken, uitgenomen onder den

buik, die wit is. Deeze visch word, even als de zalm, en in de zee en

in de rivieren gevonden. De Makrely-fisy gelykt naar de makreel, die

aan dezelve den naam geeft; de kleur is echter minder blaauwachtig,

en minder schitterend.

Deeze maaltyd deedt groot genoegen aan myne gasten, en wy waren zeer

vrolyk; maar, des morgens van den 22sten, wierd myne arme JOANNA,

die onze keukemeid geweest was, door eene geweldige koorts aangetast:

zy betuigde my haar verlangen, om naar Fauconberg te rug te keeren,

alwaar zy door eene van haare nabestaanden konde worden opgepast, en ik

stemde daar in toe. Den 25sten, was zy zoo ziek, dat ik besloot haar

zoo, veel mogelyk in stilte te gaan zien; want de Colonel moest des

anderen daags op de Hoop komen, en ik had geen lust om zyn kortswyl

af te wagten. Ik wist, dat de loffelykste beweegreden niemand voor

beschimping veilig stelde.

Het was in deeze onderneming moeielyk voor by den post van den

Colonel te komen, zonder gezien te worden. Aan mynen vriend HENEMAN

myn ontwerp hebbende mede gedeeld, stapte ik des avonds ten elf

uuren in myn vaartuig; maar toen ik tegen over Nieuw-Rozenback was,

hoorde ik zeer onderscheidentlyk de stem van den Bevelhebber, die

met eenige Officieren door het zand wandelde; en oogenblikkelyk riep

een schildwacht, om met het vaartuig aan wal te komen. Ik dacht,

dat alles zoude zyn ontdekt geworden: egter dagt ik best, aan de

Negers te zeggen, dat zy zouden antwoorden: Killestein Nova, het welk

de naam was van eene naby gelegene Plantagie, en men liet ons voor

by vaaren. Kort daar na, kwam ik gezond en behouden te Fauconberg,

alwaar ik JOANNA veel beter vond.

Maar, des morgens van den 26sten, nam ik den opkomenden dageraad

voor het maanlicht, en versliep my. Ik wist niet, op welke wyze ik

naar de Hoop te rug zoude komen; want myn vaartuig en myne Negers

konden niet meer voor by komen, zonder door den Colonel herkend

te worden. Alle uitstel was nutteloos. Ik ging dus weder scheep,

my volstrektelyk verlatende op de behendigheid der slaven, die my,

een oogenblik voor dat wy in 't gezicht van 't hoofd-kwartier waren,

aan land zetteden. Een van hun, my door de bosschen geleid hebbende,

kwam ik behouden weder op de Hoop aan. Myn vaartuig kwam schielyk

aldaar aan, maar voorzien van eene goede wacht; en de Colonel zond my

bevel, om hen allen te doen afkloppen, om dat zy zonder verlof waren

uitgegaan; want zy hadden tot hunne verschooning gezegd, dat zy voor

hunnen meester waren gaan visschen.

Hunne getrouwheid jegens my, ter deezer gelegenheid, was waarlyk

verwonderlyk: zy verklaarden allen, dat zy zig liever in stukken

hadden laten houwen, dan de geheimen van eenen zoo goeden meester te

verraden. Echter hield alle gevaar voor hun op. Ik bekragtigde het

geen zy gezegd hadden, en voegde 'er by, dat de visch geschikt was,

om 'er den Colonel op te onthalen. Ik deelde vervolgens twee kruiken

rhum onder deeze brave lieden uit. Deeze trek kan een denkbeeld

geven van de zwakheid van een Europeaan, zoo wel als van den moed en

standvastigheid van een Africaan.

Onäangezien alle myne toebereidzels, ontfing ik het bezoek van den

Bevelhebber eerst op den 28sten; maar des morgens van den 26sten,

kwam JOANNA te rug, vergezeld door eenen grooten Neger, die haar

oom was, en op één der armen een zilvere plaat droeg, waar op deeze

woorden stonden: Getrouw aan de Europeanen. Deeze man, genaamd COJO,

die vrywillig en de eerste tegen de muitelingen gevochten had, had

zig naderhand genoodzaakt gezien, om zig weder by hen te voegen,

uit hoofde der mishandelingen van M. D. B. en van den Opzichter. Hy

verhaalde my het volgende geval: "Gy ziet dit kind, zeide hy,

my een klein meisje, TAMERA genaamd, het welk hy by de hand hield,

aanbiedende: haar vader is genaamd JOLI-COEUR; hy is de eerste Capitain

onder BARON, en de onverschrokkenste van allen de muitelingen van het

bosch; het geen hy nog laatstelyk heeft doen zien op eene Plantagie,

gelegen naby Nieuw-Rosenback, alwaar uw Colonel tegenwoordig het bevel

voert. De Opzichter deezer Plantagie was een Jood, genaamd SCHOULTS,

die het bevoorens op Fauconberg geweest was. De muitelingen verscheenen

aldaar eensklaps, en maakten 'er zig meester van, zy bonden SCHOULTS,

plonderden het huis, en begaven zig tot dansen, en het maken van goeden

cier, alvoorens zy dagten om over hunnen gevangen te beschikken. In

deeze akelige gesteldheid, verwagtte deeze niets anders dan het teeken

tot zynen dood, wanneer zyn oog by toeval op den Capitain JOLI-COEUR

viel, wien hy deeze woorden te gemoet voerde: "Myn lieve JOLI-COEUR,

gedenk aan SCHOULTS, die alleenlyk de gemachtigde van uwen meester

was; herinner u alle de vriendelykheden, die ik u geduurende uwe

kindsheid bewezen heb; gy waart myn gunsteling; herinner u dit, en

breng door uwen vermogenden invloed te weeg, dat men my het leven

gunne".--Het antwoord van JOLI-COEUR is merkwaardig.--Ik herinner

my dat alles volkomen; maar, geweldenaar, herinner u, dat gy myne

arme moeder hebt geschaakt, en mynen vader, die haar ter hulpe kwam,

door geesselslagen doen van één ryten; herinner u, dat gy haar in

myne tegenwoordigheid hebt geschonden, toen ik nog maar een kind

was. Herinner u deeze schenddaad, en sterf door myne hand!--Op deeze

woorden hieuw hy hem met eenen byl het hoofd af". Na dit verhaal,

vertrok COJO met de kleine TAMERA, en ik reikhalsde met ongeduld

naar het nieuws, het geen ik dagelyks van Amsterdam te gemoet zag,

en, zoo ik hoopte my zelf in staat zoude stellen, om de beminnelyke

JOANNA van het juk van zulke gedrochten te verlossen.

De Colonel FOURGEOUD kwam, den 28sten, met één van zyne Officiers

aan. Zyne houding was uittermaten ernstig; het geen my zeer leed

deed. Ik liet hem dadelyk in myne hut komen; en zoo dra hy myne

gezellinne gezien had, verdweenen alle de rimpels van zyn voorhoofd,

als een damp voor de stralen der zon. Nooit heb ik gezien, dat hy

zig met zoo veel wellevenheid gedroeg.

Ik behandelde hem zoo goed my mogelyk was, en waagde het, om hem

een verhaal van myne reize naar Fauconberg te doen: hy lachte 'er

hartelyk om; en ons beiden de hand gedrukt hebbende, keerde hy,

in eenen goeden luim, en volkomen voldaan, naar Nieuw-Rosenback te

rug.--Volgens alle de omstandigheden, in dit hooftstuk vervat, kan

ik zeggen, dat het tydperk, waar over het zelve loopt, de gulde eeuw

was van mynen tocht naar de West-Indiën.

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet · 第 78 / 135 题