TWEEDE HOOFTSTUK.

Algemeene beschryving van Guiana.--Van de Volkplanting

van Surinamen in 't byzonder.--Tydstip van derzelver

ontdekking.--Dezelve word bezeten door de Engelschen

en Hollanders.--De Gouverneur, de heer VAN SOMMELSDYK,

vermoord.--De Volkplanting word door de Franschen

genomen, en onder schatting gesteld.

De ontdekking van Guiana, door zommigen de Wilde Kust genaamt,

is langen tyd, schoon met weinig zekerheid, toegeschreven geworden

aan den Spaanschen Bevelhebber VASCOS NUNES, die, in den jaare 1504,

na bemerkt te hebben dat Cuba een eiland was, in het vaste Land van

Zuid-America aanlandde, tot aan de Orenoco, en de Rivier der Amazonen

doordrong, en door dit land verstond die eindelooze uitgestrektheid

lands, aan welke hy, in tegenstelling der bygelegene eilanden, en

dat van Cuba, den naam van Terra fierma gaf.

Deeze landstreek, waar van de lengte omtrent 1220 en de breedte 680

aardrykskundige mylen bedraagt, [3] is gelegen tusschen agt graaden,

twintig minuuten, noorder lengte, en drie graaden, zuider breedte,

en tusschen vyftig en zeventig graaden, twintig minuuten, wester

lengte van den Londonschen middaglyn, in het noord-oostelyk gedeelte

van het zuiden van America. Derzelver grenspaalen zyn beperkt door

de Rivier Viapary of de Orenoco, ten noordwesten, en de Maranon of

de Rivier der Amazonen, ten zuidoosten; de noordoost-kant word door

de Atlantische Zee bespoelt; de Negro, of de Zwarte Rivier, bepaalt

derzelver uitgestrektheid ten zuidwesten; het geen een zoort van

eiland uitmaakt, en dit land afscheid van nieuw Grenada, Peru en

Brasiliën. [4]

De warmte in Guiana, schoon dit land even als Guinée in de verzengde

luchtstreek geplaatst is, is egter aldaar veel draaglyker, dan in dit

gedeelte der Africaansche kust. De brandende straalen der zon worden

aldaar dagelyks door verkoelende zee-winden gematigd; terwyl in Guinée

het steekende der hitte vermeerderd word door den wind, die aanhoudend

van de landzyde waait, en die over tallooze zand-woestynen henen

trekt. De oost- of passaat-winden, die tusschen de zonne-keerkringen

algemeen gevonden worden, zyn de koelste op de kust van Guiana,

tusschen agt of tien uuren des morgens, en zes uuren des avonds,

wanneer zy ophouden; waar na men naauwlyks de ligtste zomerkoelte

gevoelt. Deeze winden worden gevolgd door dikke nevels, en dampen,

die uit den grond opkomen; het geen de nachten in dit land niet alleen

zeer koud, maar zelfs vochtig en ongezond maakt. De dag verschilt in

Guiana nooit meer dan veertig minuuten: de zon gaat aldaar altyd om zes

uuren des morgens op, en op het zelfde uur gaat zy des avonds onder.

De getyden van het schoon en regenachtig weder, verdeelen het jaar

in dit Land, en kunnen er de zomer en de winter genoemd worden, zoo

als die van warmte en koude in Europa. 'Er is egter een aanmerkelyk

onderscheid; namelyk dat Guiana alle jaaren twee zomers en twee

winters heeft, waar van de een van den ander onderscheiden word door de

benaaming van de groote en de kleine, niet om dat de hitte minder sterk

is, of om dat de regenbuien in de laatstgemelde minder geweldig zyn,

maar om dat men vooronderstelt, dat derzelver geduurzaamheid meer dan

de helft verschilt. Dit onderscheid intusschen schynt meer ingebeeld

dan wezentlyk te zyn, voor zoo veel het regenachtig jaargetyde betreft;

want, dewyl de regen niet valt, dan wanneer de zon lynrecht boven

het hoofd staat, het geen by de linie tweemaal 's jaars plaats heeft,

en geduurende een gelyk tydperk, is het waarschynlyk, dat derzelver

duuring in de beide jaargetyden dezelfde wezen moet.

Het verschil tusschen de twee jaargetyden van het mooy weder

bestaat daar in, dat het groote in Surinamen dikwils in October

begint, op het oogenblik dat de zon den evennagtlyn oversteekt om

in de Steenboks zonne-keerkring te komen; en dan heerscht 'er, tot

dat dit hemellicht in Mars te rug koomt, eene versmagtende hette,

die met eene aanhoudende droogte vergezelt gaat. Vervolgens valt

'er een geweldige regen zonder tusschenpoozen tot de maand Juny,

wanneer de zon tot de kreefts-keerkring genaderd is; daar na koomt

'er een kort getyde van hitte, die tot de maand July duurt, en tot

de maand October nog door regen agtervolgt word; en op deeze wyze

loopt de omwenteling der jaargetyden af.

De aanhoudende regen in deeze luchtstreek, terwyl de zon in haar

toppunt is, is noodzakelyk om het leven van dieren en planten in

wezen te houden, als welke, zonder deeze weldadige hulp, onder eenen

zoo brandenden hemel kwynen, en eindelyk vergaan zouden. Maar schoon

ik ten aanzien van de verandering der jaargetyden in Guiana, vaste

tydperken heb aangehaald, is het egter noodig op te merken, dat zy

niet volstrekt bepaald zyn, maar verschillende als in Europa. Deeze

veranderingen worden altoos door groote donderslagen aangekondigd,

verzeld met blixemstraalen, die verscheide weken duuren, en die zeer

dikwils voor het vee, en zelfs voor de inwoonders van deeze landstreek

doodelyk zyn.

Eenige gedeelten van Guiana vertoonen een bergächtig en naakt gezicht;

maar de grond is 'er over 't algemeen zeer vruchtbaar. Het groen bedekt

de aarde het geheele jaar door; de boomen dragen te gelyker tyd bloemen

en rype vrugten; alles vertoond, aldaar het streelend afbeeldzel der

vereeniging van de lente en van den zomer. Deeze gelukkige teekenen

van vruchtbaarheid, moeten, vooral in Surinamen, worden toegeschreven,

niet alleen aan den regen en aan de hette der luchtstreek, maar ook

aan deszelfs laage en moerassige ligging, welke ook aan de hitte de

kracht beneemt, om den groei der planten te bederven, en voornamelyk

aan de uitnemende rykheid van den grond, hoofdzaaklyk in die gedeelten,

welke door de vlyt der Europeaanen zyn bebouwd geworden. Men moet

egter toestemmen, dat dusdanige ligging voor de gezondheid gansch

niet voordeelig is; maar de lust om geld te winnen is een krachtige

dryfveer, en de zekerheid van een tegenwoordig voordeel zal in

't algemeen genoegzaam opwegen tegen die onheilen, welke, zoo ze

zig immer vertoonen, niet dan in 't verschiet bemerkt worden, en,

naardien men ze zomtyds ontduikt, als onzeker kunnen worden beschouwd.

De onbebouwde gedeelten van Guiana zyn bedekt met eindelooze bosschen,

rotzen en bergen. Eene groote verscheidenheid van delfstoffen verrykt

zommigen der laatstgemelde. Het geheele land is doorgesneden met zeer

diepe moerassen en groote savanen of heiden. De stroom van 't water

langs de kust is bestendig naar het noordwesten; en de zee-oever

is byna ontoegankelyk, zynde rondom bezet met gevaarlyke klippen,

zandbanken, modderpoelen, rotzen, laag houtachtig heestergewas, en

eene eindelooze meenigte struiken, die zig met kragt door elkander

vlechtende, ondoordringbaar worden.

De Spanjaarden, de Portugeezen en de Hollanders, zyn de eenige volken,

die in dit gedeelte van het vaste land bezittingen hebben, uitgenomen

echter de kleine Fransche Volkplanting van Cayenne, tusschen den vloed

Maroni en Kaap Orange gelegen. De Spaansche bezittingen liggen aan

de oevers van de Orenoco, en die van Portugal strekken zig uit langs

de oevers van de Rivier der Amazonen. De Hollandsche bezittingen

bevatten de kusten van den Atlantischen Oceaan, en loopen van Kaap

Nassau tot den stroom Maroni. Zy behelzen de landstreeken of gewesten

van Essequebo, Demerary, de Berbices en Surinamen. De laatste is de

merkwaardigste en beste; het is tot derzelver beschryving, dat dit werk

voornamelyk geschikt is. De Hollanders poogden, in den jaare 1657,

eene kleine Volkplanting aan de oevers der Rivier, genaamt Poumaron,

op te rigten; maar deeze bezitting wierd, in den jaare 1666, door

de Engelschen vernield. Zy waaren niet gelukkiger in eene andere,

welke zy in 't jaar 1677 vestigden aan de Rivier Wiapoko of Oyapoko:

de Franschen maakten 'er zig oogenblikkelyk meester van, en vernielden

dezelve.

De Hollanders rekenen onder hunne bloeiende en schoone Volkplanting

van Surinamen, de geheele landstreek, die ten westen door de Rivier

Kourou omringd word, omtrent veertig mylen van de Rivier Corantyn;

ten oosten door de Rivier Sinamari; maar deeze grensscheidingen worden

hun door de Franschen betwist, die dezelve bepaalen tot de oevers

van de Rivier Maroni, alwaar zy eene bezetting van krygsvolk houden.

De voornaamste Rivieren deezer bezitting zyn: die van Surinamen,

welke aan de Volkplanting haaren naam geeft; de Corantyn, de Copenama,

de Saraméca en de Maroni. De eerste is alleen bevaarbaar; de andere,

zonder zelfs de Rivier Maroni uit te zonderen, schoon zeer lang en

zeer breed, zyn zoo laag, en zoo vol rotzen, en kleine eilanden, dat

zy voor de Europeaanen van weinig aanbelang zyn; haare oevers zelve

worden alleenlyk bewoond door eenige Indiaanen of inboorlingen des

Lands. De Rivier van Surinamen, welker mond op omtrent zes graaden

noorder breedte gelegen is, is vier Engelsche mylen breed, en van

zestien tot agtien voeten diep by laag water; de vloed doet dezelve

meer dan twaalf voeten ryzen. Deeze afmeeting blyft dezelfde tot op

den afstand van agt of tien mylen, alwaar deeze Rivier zig in twee

armen verdeelt, waar van de een zuid-zuid-oost loopt, en zulks wel

honderd twintig mylen ver. Zy is geheel en al bevaarbaar voor kleine

vaartuigen; maar boven deezen afstand, draait zy regelrecht naar

het zuiden. Zomwylen overstroomt zy kleine eilanden, of vormt kleine

watervallen. De oorsprong deezer schoone Rivier is den Europeaanen

nooit recht bekend geweest. Alle de groote Schepen, na aldaar

te zyn binnen gezeilt, moeten de oostzyde van den oever houden,

zynde die van de overzyde vol gronden tot aan de stad Paramaribo,

die omtrent agtien mylen van den mond der Rivier afgelegen is. De

andere arm der Rivier van Surinamen, draagt den naam van Comewyne,

dezelve loopt ten oosten op den afstand van omtrent zestien mylen;

men vind aldaar drie of vier vademen by hoog water; maar de vloed een

verschil van twaalf voeten maakende, beschouwd men dezelve niet als

vaarbaar voor een Schip van groote vracht, schoon haare breedte byna

twee mylen bedraagt. Op den afstand van zestien mylen, verdeelt zig

de Comewyne in twee andere armen, waar van de eene haar naam behoud,

en meer dan vyftig mylen ver naar het zuidwesten loopt; en de andere,

die den naam van Cottica draagt, loopt ten oost-zuid-oosten, meer dan

veertig mylen verre, waar na zy naar het zuid-zuid-westen draait, op

den afstand van vier-en-twintig of dertig mylen. Alle deeze Rivieren,

welker loop niet recht, maar kronkelachtig is, ontfangen het water

door een aanzienlyk getal breede kreeken of groote beeken, waar van de

oevers door Europeaanen bewoond worden, en bedekt zyn met Plantagiën

van Suiker, Cacao, Catoen en Indigo; het geen het aangenaamst gezigt

maakt, dat men zig verbeelden kan, voor hun die te water reizen,

zoo als in dit land de gewoone manier is, dewyl de grond over het

algemeen tot het baanen van rywegen niet geschikt is. Op zommige

plaatsen zelfs zyn de bosschen ondoordringbaar, zoo dat een klein

voetpad, waar door Paramaribo met de Rivier Saraméca gemeenschap heeft,

de eenige gaanbaare weg is, die ik in deeze Volkplanting kenne.

De Rivieren, welker oevers niet bebouwd zyn, als de Corantyn, de

Copename, de Saraméca en de Maroni, gedogen niet dan met moeite, om

'er eene beschryving van te geven. Het zal alleenlyk genoeg zyn op

te merken, dat zy over 't algemeen van twee tot vier mylen breed zyn,

dat haare wateren uittermaten laag, en met zandbanken, kleine eilanden

en rotsen, die talryke en voortreffelyke watervallen vormen, als

doorzaait zyn. Men vind in de laatste dikwils een merkwaardigen steen,

bekend onder den naam van Diamant van Maroni, en die, geslepen zynde,

zeer naar een waare diamant gelykt. Dienvolgende maakt men daar van

ringen en andere kleinodiën. In alle deeze Rivieren zonder onderscheid,

klimt en zakt het water op meer dan zestig mylen van den uitloop af;

het geen veröorzaakt word door de verhindering, die de eb en vloed aan

de uitwatering der beeken toebrengt. Egter ontmoet men vry algemeen

stroomen van zoet water, op den afstand van vier-en-twintig of dertig

mylen van de zee. Het water der Rivier van Surinamen word als het

beste beschouwd; en de matroozen gaan het haalen tot by Savannah le

Juif, meer dan veertig mylen van de stad Paramaribo af gelegen. De

Schepen zyn in deeze Rivieren aan een groot ongemak bloot gesteld:

de bodem van het Schip word dikwils door water-wormen beschadigt;

maar men kan derzelver verwoestingen voorkomen, door het dikwils op

zyde te haalen, om het des te gemakkelyker te kunnen schoon maken en

kalfateren. De zwarte pik, door Graaf DUNDONALD uitgevonden, verdient

boven alle andere stoffe, die men ter deezer gelegenheid zoude kunnen

bezigen, den voorrang.

De ebbe en vloed hebben na een tusschen-verloop van omtrent tien en

een half uur plaats. De hooge vloeden komen doorgaans twee keeren

maandelyks; de Rivier verheft zig dan tot eene aanmerkelyke hoogte;

het geen, uit hoofde van verschillende omstandigheden, tot groot

voordeel der Planters verstrekt.

Het is misschien gepast, dat ik hier spreeke van de verdediging deezer

Rivieren, schoon dit een onderwerp is, het geen ik voornemens ben

elders meer opzettelyk te behandelen. Ten oosten van den mond der

Rivier van Surinamen is een klein voorgebergte, genaamt Braam-punt,

het welk, zoo ik denk, oorsprongelyk den naam droeg van Pram- of

Parham-punt, naar dien van Lord FRANÇOIS WILLOUGBY DE PERHAM, aan wien

deeze bezitting in 't jaar 1662, door KAREL II. wierd opgedragen. Men

vermeent dat deeze Lord aldaar, tien jaaren te vooren, voor de eerste

maal voet aan land zette. Deeze punt is niet versterkt; maar omtrent

agt mylen hooger is aan elke kant van den oever een Schans, waar

van de eene den naam van Leyden, en de andere dien van Purmerendt

draagt. Een weinig hooger is het nieuwe Fort Amsterdam, gebouwd op

een uitstek lands, het welk de twee Rivieren van Surinamen en Comewyne

van elkander scheidt, en waar van het vuur, zig vereenigende met dat

der beide Schanssen, het inkoomen zoo van de eene als van de andere

Rivier belet.

By de stad Paramaribo, zes of zeven mylen van het Fort Amsterdam, is

gelegen eene vesting, die den naam draagt van het Port Zelandia, en de

Stad en alle de Schepen op de reede beschermt. Omtrent zestien mylen

van de eerste, aan de Comewyne, is een ander Fort, genaamt Sommelsdyk,

het welk de wederzydsche kanten van den oever bestrykt, namelyk die van

de Comewyne en de Cottica. Bovendien zyn 'er verscheidene oorlogsposten

aan de Corantyn, de Saraméca en de Maroni. Agter deeze is een sterke

wacht geplaatst, aan den mond van de Motte-Kreek, omtrent dertig

mylen van de Rivier van Surinamen; aldaar is op de kust een vuurbaak

opgericht, om aan de Schepen, die in deeze Rivier willen binnen loopen,

berigt te geven, dat zy den mond der gevaarlyke Rivier Maroni reeds

voorby zyn. Deeze zelfde wacht doet ook verscheide kanon-schooten,

om aan de Volkplanting te doen weeten, dat 'er eenig Schip in 't

gezicht is, en het op de kust aanlegt. Langs de bovenste oevers

der Rivieren van Surinamen, Comewyne en Cottica, heeft men wachten

uitgezet, om de inwoonders tegen de aanvallen der Indiaanen, of der

vluchtende Negers uit de binnen-landen te beveiligen. In alle deeze

versterkingen bestaat de voornaamste verdediging deezer bezitting:

echter kruist bovendien tusschen de Rivier Maroni en Berbice een

klein gewapend vaartuig, of kust-bewaarder, om berigt te geven van

alle gevaar, waar mede de Volkplanting bedreigt zoude mogen worden.

Ik vergat byna te zeggen, dat men het ontwerp gevormd had, om een

weg te maaken, die door posten van soldaaten versterkt zoude worden,

van de oevers van het bovenste gedeelte van de Comewyne tot aan de

Saraméca. Dezelve is werkelyk begonnen; maar het ontwerp gelukte niet,

en deeze weg, die den naam van Orange droeg, is tans met struiken

begroeit.

Aldus beschreven hebbende de oppervlakte van deeze landstreek met

derzelver grenspaalen, rivieren, enz. zal ik derzelver ontdekking

vermelden, gelyk mede de merkwaardigste omwentelingen deezer vermogende

Volkplanting, die in den laatsten oorlog byna van den dapperen Admiraal

RODNEY een bezoek ontfing.--Dit gedeelte van het vaste land, genaamt

Guiana of de Wilde-Kust, en op welke de Volkplanting van Surinamen

gevestigt is, is, volgens zommiger gevoelen, eerst ontdekt geworden

door den beroemden CHRISTOPHORUS COLUMBUS, in den jaare 1498, en

het was van daar, zoo men zegt, dat hy, door yzere boeien beknelt,

in zyn vaderland te rug keerde. Anderen beweeren, dat het alleenlyk

VASCOS NUNES was, die dezelve in den jaare 1504. het eerst ontdekte,

gelyk ik in 't begin van dit Hooftstuk heb aangeweezen. [5]

Onder de regeering van ELIZABETH, in den jaare 1596, wierd Guiana door

den heer WALTER RALEIGH gekend, die de Orenoco meer dan zes honderd

mylen opvoer, met oogmerk, om het ingebeeld Land d'el Dorado te zoeken,

alwaar men goudmynen hoopte te ontdekken; welke gedachte gegrond wierd

op de gevondene stukken bergsteen, welke de Spanjaarden noemden maare

de oro, of moeder van het goud. In 't jaar 1634, volgens het verhaal

van DAVID PIETER DE VRIES, een Hollander, vond men in Surinamen

een Engelschen Capitain, genaamt MARSHALL, met omtrent zestig zyner

landgenooten, die zig aldaar met het planten van Tabak bezig hielden;

en dezelve DE VRIES sprak aldaar met hun. Surinamen wierd in't jaar

1640 door de Franschen bemachtigd, die egter kort daar na genoodzaakt

waaren het zelve te verlaaten, uit hoofde van de veelvuldige invallen

der Karaiben, welken zy, even als hunne nabuuren de Spanjaarden,

met de grootste wreedheid behandeld hadden. Deeze Volkplanting in den

jaare 1640. verlaaten zynde, zond Lord FRANÇOIS WILLOUGHBY DE PARHAM,

met verlof van KAREL II, een Schip derwaarts, op zyne eigene kosten

uitgerust, om 'er in naam van zynen meester bezit van te nemen. Korten

tyd daar na liet hy nog drie anderen vertrekken, waar van het een

met twintig stukken geschut gewapend was. Deeze Engelschen wierden

allen door de Indianen, of inwoonders van het Land, wel ontfangen. Zy

slooten met hun Verdragen van vriendschap, en traden in een zoort

van onderhandeling. Na verloop van twee jaaren, ging Lord WILLOUGHBY

zelf naar Surinamen; hy hield zig aldaar bezig met het maken van

verscheide verstandige Wetten en goede Reglementen tot verdediging

van deeze Volkplanting; vervolgens kwam hy in Engeland te rug, van

waar hy voortging met deeze bezitting van volk en krygsbehoeften te

voorzien. Den 2den Juny 1662, wierd hem de Volkplanting afgestaan

door den zelfden Koning KAREL II; en volgens de eigene erkentenis

van den Lord, moest dezelve verdeeld worden tusschen LAURENS HIDE,

tweeden zoon van EDUARD, Graaf van Clarendon, en hem zelven, om ten

eeuwigen dage aan hunne nakomelingen over te gaan: dit oorspronkelyk

Charter moet nog in wezen zyn. In 't jaar 1664, ontnamen de Engelschen

aan de Hollanders de nieuwe Nederlanden, naderhand genaamt New-Yorck.

In den jaare 1665, wierd de Volkplanting van Surinamen met voordeel

bebouwd, en grootendeels met Tabak beplant. Derzelver eigenaars

hadden aldaar ook meer dan veertig schoone Plantagiën van Suiker-riet

opgericht, en eene sterke Vesting van gehouwen steen ter hunner

verdediging gebouwd. Het verdient egter opmerking, dat volgens zommige

Schryvers zulks gedaan wierd door de Portugeezen, schoon de tyd 'er

van onzeker is. De Franschen, wel is waar, betwisten dit stuk hevig,

en beweeren dat deeze Vesting het werk was van den heer PONSERT DE

BRETIGNY, toen zy in het bezit van deeze landstreek waaren. Wat daar

van zyn moge, de Vesting is gelegen zestien of agtien mylen van den

mond der Rivier van Surinamen, en de nyvere Colonisten bevonden zig

zeer gelukkig in een Steedjen, het welk zy onder de muuren deezer

Vesting bouwden. Hun geluk was niet van langen duur; want, staande de

oorlogen tusschen KAREL II. en de Vereenigde Nederlanden, ontnamen de

Hollanders, die in 't jaar 1661, door de Portugeesen uit Brasiliën

verjaagt waaren, in 't jaar 1667. de Volkplanting van Surinamen aan

de Engelschen, onder het bevel van Capitain ABRAHAM KRYNSZOON, die

tot dit einde door de Provintie van Zeeland, met drie oorlogschepen

en drie honderd zee-soldaaten wierd afgezonden. De Engelsche

Bevelhebber WILLIAM BYAM verloor deeze Volkplanting, uit hoofde

van eene overrompeling, op het oogenblik, dat zes honderd van zyne

beste manschappen bezig waaren met het planten van suiker-riet. Zyne

onagtzaamheid was zigtbaar door het gering verlies der Hollanders,

die by het bestormen der Vesting, slechts één man, verloren hadden. Zy

plantten oogenblikkelyk het vaandel van den Prins van Orange op de

wallen, en gaaven aan deze Vesting den naam van Zelandia. De Stad

Paramaribo ontfing den naam van Nieuw Middelburg. De overwinnaars

deeden, onder andere schattingen, door de inwoonders honderd-duizend

ponden suiker opbrengen, en zy zonden een zeker getal uit hun

midden naar het eiland Tabago. Deeze gebeurtenis viel in February

voor, en in de maand July daaraanvolgende wierd de Vrede te Breda

gesloten. Maar ongelukkig voor de nieuwe bezitters der Volkplanting,

wist de Engelsche Bevelhebber JOHN HERMAN 'er niets van. Eerst Cayenne

aan de Franschen ontnomen hebbende, liep hy in de Rivier van Surinamen

met eene vloot binnen, bestaande uit zeven oorlog-schepen, en twee

bombardeer-galjooten, ontnam deeze bezitting aan de Hollanders, doodde

meer dan vyftig van hunne manschappen, en vernagelde negen stukken

geschut op het Fort Zelandia. De nieuwe inwoonders betaalden op hun

beurt eene schatting; de Hollandsche bezetting wierd krygsgevangen

gemaakt, en naar het eiland Barbados overgevoerd.

Toen men te Surinamen vernam, dat de Vrede tusschen de oorlogende

Mogendheden in Europa gesloten was, eer dat de Bevelhebber HERMAN deeze

Volkplanting van de Hollanders hernomen had, ontstond 'er een geweldige

opstand, gevolgd van groote wanorden onder de Colonisten, die niet meer

wisten, wie hunne wettige Overheid was. Eindelyk wierd, op bevel van

Koning KAREL, de bezitting, in 't jaar 1669, aan de Hollanders te rug

gegeven; en toen verlieten twaalfhonderd van derzelver oude inwoonders,

Engelschen en Negers, dit Land, en zetteden zig op het Eiland Jamaica

neder. Na dat de oorlog, die vervolgens plaats had, geëindigd was,

bepaalde men by het Verdrag van Westmunster, dat Surinamen voor

altoos geheel in eigendom aan de Hollanders blyven zoude, in ruiling

tegen het Gewest van New-Yorck, het geen dienvolgende ook in 't jaar

1674 geschiedde. Zedert dit tydperk is Groot-Brittanniën niet meer

in het bezit der Volkplanting Surinamen geweest. In het jaar 1678,

was een Hollander, genaamt HEYNSIUS, en de Capitain LIGHTENBORG,

de één Gouverneur, en de ander Bevelhebber over het krygsvolk aldaar.

De Hollanders hadden, geduurende de eerste jaaren van hun genot, weinig

genoegen in hunne nieuwe bezittingen, en wierden door de invallen der

Karaïben, welken zy minder wel behandelden, dan de Engelschen gedaan

hadden, dagelyks ontrust. Deeze Indiaanen strekten hunne wraak zoo

verre uit, dat zy verscheiden Colonisten van kant hielpen. De Provintie

van Zeeland, aan wien deeze Volkplanting in eigendom toebehoorde,

met de Verëenigde Gewesten over het opperbestuur deezer bezitting in

geduurigen tweespalt zynde, en daarenboven de zwaare kosten, die tot

derzelver verdediging en behoud noodig waaren, niet kunnende opdiepen,

besloot om dezelve geheel en al aan de Hollandsche West-Indische

Compagnie te verkoopen. Dit geschiedde met al den oorlogs-voorraad

en krygsbehoeften, waar onder vyftig stukken geschut waaren, voor

de somme van 23,636 ponden sterlings. Deeze Compagnie verkreeg te

gelyker tyd van hun Hoog Mogenden, de Staaten Generaal, een vrydom

van alle belastingen geduurende tien jaaren. Echter eenige maanden

daar na, onaangezien dit voordeel, bevindende, dat de noodzakelyke

kosten tot onderhoud deezer Volkplanting voor haar te hoog liepen,

stond zy 'er twee derden van af, het eene aan de Stad Amsterdam,

het andere aan het huis van SOMMELSDYK, op den voet van den prys,

door haar daar voor betaald; en deeze drie maakten te zaamen eene

Societeit uit, die onder bekragtiging van hun Hoog Mogenden, het

bestuur der zaaken van dit Land alleen en geheel in handen had.

Dusdanig was de gesteltenis van Surinamen; en alles was op die

wyze geheel en al in orde gebragt, toen CORNELIUS VAN AARSSEN VAN

SOMMELSDYK, als één der mede-eigenaars, met driehonderd mannen, en

eenige ongelukkigen, die tot ballingschap verwezen waaren, aldaar

aankwam. Hy rigtte een Kamer van Politie op, om hem in 't bestier der

Justitie behulpzaam te zyn, en leefde met de leden van dien en met

de inwoonders in een aanhoudend misverstand. Dienvolgende zond men

verscheide klagten tegen hem naar Europa, schoon hy een voordeeligen

vrede gesloten had met de Karaïben, de Indianen, genaamt Warowa en

Arawakka, als mede met eenige weggeloopen Negers, die zig, na dat

de Engelschen de Volkplanting verlaten hadden, by de Rivier Copenama

hadden nedergezet.

De regeering van deezen ongelukkigen Edelman duurde korten tyd; want

in den jaare 1688, wierden de afgezonden Gouverneur, de heer VERBOOM,

en hy zelf, [6] op één en den zelfden dag door hunne eigene soldaaten

vermoord. Dezelven gingen tot deeze daad van wanhoop over, dewyl zy

gedwongen waaren geworden, om, even als Negers, Kanaalen te graven,

en een zeer onvoldoend en ongezond levens-onderhoud ontfingen. Ik

moet erkennen, dat dusdanige behandeling maar al te dikwils alhier

voorvalt; en ik zal by vervolg gelegenheid hebben zulks te bewyzen. De

moordenaars hadden zulk een vertrouwen op de wettigheid van deeze

wreede daad, dat zy aanboden dezelve in rechten te verdedigen, en de

redenen, die hen daar toe bewogen hadden, open te leggen.

Dewyl de byzonderheden van deeze moord nimmer opzettelyk ontvouwd zyn,

zal de lezer het my ten goede houden, dat ik 'er hem een kort verhaal

van geeve.

De Gouverneur wandelde op zekeren dag met den heer VERBOOM, in een

bosjen van orangeboomen, in de nabyheid van zyn eigen huis, wanneer

eensklaps tien of twaalf gewapende soldaaten, die het voorkomen

hadden van dronken te zyn, hen hebbende aangeklampt, hun dadelyk

vroegen om hunnen arbeid te verminderen, en hun betere levensmiddelen

te bezorgen. De Gouverneur, zyn degen trekkende, om hen tot wyken te

noodzaaken, wierd dadelyk met eenige steeken afgemaakt, en liet op de

plaats het leven. Zyn medgezel kreeg slechts één wond; maar dezelve

was doodelyk, en hy stierf negen dagen daar na. Deeze misdaad volvoerd

zynde, trokken de moordenaars, gevolgd door verscheiden anderen van

hunne medepligtigen, in zegepraal naar het Fort Zelandia, het welk zy

zonder tegenstand innaamen; en zy maakten zig dadelyk meester van de

oorlogs- en mondbehoeften. De bezetting zig by hun gevoegd hebbende,

stelden zy zig in een linie, en verkoozen zig een Opper-Bevelhebber

en verscheiden Officiers: zy deeden den eed van hun getrouw te zyn,

en nimmer, nog de één nog de ander, hunne eigene zaak te verraden

of te laten vaaren. Het was in deeze omstandigheid zeer aanmerkelyk,

dat de nieuwe Bevelhebber den zelfden agter middag last gaf, om het

lyk van den vermoorden Gouverneur, met krygsëer en statie, op het

Fort Zelandia te begraven. Het geschut ging op de wallen af, en de

muitelingen deeden drie herhaalde musket-schooten.

De Regeering en de inwooners van Surinamen zagen zig toen in eene zeer

akelige omstandigheid, en wierden genoodzaakt om met de muitelingen

van het Fort in onderhandeling te treden. De voornaamste artikelen der

Capitulatie bestonden hier in: dat zy tegen betaaling van eene kleine

somme gelds het Fort ontruimen zouden; dat men, hun zou toestaan op het

Schip de Salamander aan boord te gaan, de Volkplanting te verlaaten

zonder eenige hinder te ontmoeten, en zig te begeven naar zoodanig

werelddeel, als hun gelieven zoude. Dienvolgende zond men 'er meer

dan honderd aan boord; maar zy maakten zig niet eerder gereed, om

het anker tot hun vertrek te ligten, voor dat hun Schip door kleine

gewapende vaartuigen, in stilte tot dit oogmerk geschikt, omringd

was. De muitelingen, genoodzaakt om zig op genade en ongenade over

te geven, wierden korte dagen daar na ter zaake van moord en opstand

gevonnisd. Elf van hunne hoofden ontfingen in 't openbaar hunne straf;

drie verlooren het leven op het rad; agt wierden opgehangen: de anderen

kreegen vergiffenis; maar dewyl men zig niet meer op hun vertrouwen

konde, wierden zy uit den dienst der Volkplanting weggezonden, zoo

dra men soldaaten gevonden had om hunne plaats te vervullen.

Het volgend jaar deed de weduwe SOMMELSDYK, maar zonder gevolg,

een aanbod, om haar aandeel aan Koning WILLEM III. over te

dragen. Te gelyker tyd wierd de heer SCHERPENHUYZEN, met krygsvolk

en oorlogs-behoeften, uit Holland naar Surinamen gezonden, om als

Gouverneur der Volkplanting de opvolger van den heer VAN SOMMELSDYK

te zyn. By zyne aankomst vond hy alles in de grootste verwarring. Op

het spoedigst de wanorde willende te keer gaan, rigtte hy een Hof

van Justitie op, daar in verschillende van het geen zyn voorzaat had

opgericht, dat hy het zelve in twee deelen verdeelde. Het eerste

wierd geschikt voor alles wat de lyfstraffelyke en krygs-zaaken

betrof. De inrichting van het laatste was betrekkelyk tot de burgerlyke

twistgedingen, en alle zaaken raakende der ingezetenen byzondere

belangen. Het zelve bestaat alzoo nog tegenwoordig, en de Gouverneur

is Voorzitter in beide kamers.

De heer SCHERPENHUYZEN beyverde zig om ook goede Wetten en Reglementen

te maaken: hy kwam ter juisten tyd, om de Volkplanting in een

bekwaamen staat van verdediging te stellen tegen derzelver binnen-

en buitenlandsche vyanden, het geen dezelve zeer noodig had, toen

de oorlog tusschen de Vereenigde Gewesten en Frankryk verklaard

wierd. Dit zelfde jaar wierd de bezitting van Surinamen door den

Admiraal DUCASSE met een sterke vloot aangetast; maar de Gouverneur

deed met nadruk dezelve te rug deinzen, op het oogenblik dat men het

Fort Zelandia begon te beschieten.

In 't jaar 1692, wierd een Engelschman, genaamt HIEROME CLIFFORT,

veroordeeld om opgehangen te worden, eene straffe, die in eene

zevenjaarige gevangenis in het Fort van Sommelsdyk veranderd

wierd. Zyne misdaad, het zy waar of verdicht, bestond in het hoonen

van eene Regeering, die hem voor schulden gevangen zette. Het Hof

van Groot-Brittanniën zig in deeze zaak gemengd hebbende, wierd hy,

in den jaare 1695, overëenkomstig des Konings verlangen, in vryheid

gesteld. Toen deed hy, ten lasten der Volkplanting, een eisch

van 20,000 guinies tot schaâvergoeding voor eene onrechtvaardige

gevangenis; maar dezelve wierd hem niet toegestaan. Zyne erfgenaamen

hebben zyne vordering levendig gehouden, zedert den jaare 1700 tot in

't jaar 1762, zonder eenige voldoening te erlangen.

Geduurende den oorlog, die in 't jaar 1712 gevoerd wierd, wierd de

Fransche Admiraal JACQUES CASSARD, door den Gouverneur DE GOIJER op

gelyke wyze ontfangen, als aan DUCASSE door SCHERPENHUYSEN voor het

Fort Zelandia bejegend was geworden; maar vier maanden daar na was

hy gelukkiger, en stelde de Volkplanting onder eene schatting ter

somme van 56,618 ponden sterlings. Den 10den October liep hy in de

Rivier van Surinamen binnen met zes of acht oorlogschepen, en een

zeker getal mindere Schepen, te zamen drie duizend mannen voerende.

De eersten waaren:

De Neptunus, van vier-en-zeventig stukken, aan welks boord de

Admiraal was.

De Temeraire, van zestig stukken.

De Rubis, van zes-en-vyftig slukken.

De Vestale, van agt-en-veertig stukken.

De Medusa, van zes-en-dertig stukken.

Daags na zyne aankomst liet de Admiraal CASSARD één van zyne Capitains

met een sloep, een witte vlag voerende, aan land gaan, om met de

inwoonders over de betaaling eener brandschatting te handelen, hen

bedreigende de Stad Paramaribo [7] te zullen beschieten, indien zy

weigerden te betaalen. De sloep was egter genoodzaakt, zonder eenig

voldoende antwoord te rug te keeren. Dewyl de Rivier van Surinamen,

voor het Fort Zelandia, juist meer dan een myl breed is, vonden de

Medufa, en verscheide kleine platte Scheepen, met Fransch krygsvolk

geladen, door een zeer donkeren nacht begunstigd, middel om tot boven

Paramaribo te naderen, zonder door de Hollanders bemerkt te worden,

met oogmerk, om de Suiker- en Koffy-Plantagiën, die boven deeze Stad

gelegen zyn, af te loopen; maar de belegerden maakten den 15den twee

groote platte vaartuigen gereed, vol brandbaare stoffen, als drooge

biezen, vaatjes met pik, enz. en gingen aan de andere zyde der Rivier,

recht in 't gezicht der Stad, ten anker leggen. Men stak dezelve in

brand, en het licht van de vlam deed de kleine vyandelyke Schepen

ontdekken, die hun best deeden, om onder begunstiging van den donker

de Rivier op te zeilen. Alzoo in het gezicht zynde, ontsnapten 'er

weinigen van hun, zonder door het geschut van het Fort schade te lyden,

en die Koopvaardy-schepen, welke zig op de reede bevonden, boorden

eenige van die kleine platte Schepen in den grond, waar van een groot

gedeelte van het scheepsvolk verdronk. Deeze krygslist belette egter

de Franschen niet, die hooger op gezeild waaren, om de Plantagiën te

plonderen en in brand te steeken. CASSARD zelf aan de Stad Paramaribo

genadert zynde, wierp 'er meer dan dertig vuurkogels in, en beschoot

dezelve, zoo als ook het Fort Zelandia, tot den 20sten October, wanneer

hy een tweede boodschap aan de Hollanders zond, om hun af te vragen,

of zy eindelyk tot een verdrag wilden komen, en eene brandschatting

betaalen: hy dreigde hen, indien zy zyne voorslagen nog durfden

afwyzen, om de geheele Volkplanting te vernielen en te verbranden.

De Hollanders, ziende dat hun verderf niet te ontwyken was, indien zy

by hun eerste besluit bleeven, verzogten een wapen-stilstand van drie

dagen om zig te beraden, het geen hun wierd toegestaan; en eindelyk

namen zy de voorwaarden van den Admiraal CASSARD aan. Dienvolgende

teekende men, den 24sten October, van wederzyden een Verdrag van

vier-en-twintig Artikelen. De schatting van 56,618 ponden sterlings,

door de Franschen gevorderd, wierd hun voornamelyk in Suiker, en

Neger-slaaven, enz. betaald, vermits 'er weinig goud en zilver in

de Volkplanting was. Zoo dra de betaaling geschied was, ligtte de

Admiraal het anker; en den 6den December 1712, verliet hy Surinamen

met zyne geheele vloot.

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet · 第 63 / 135 题