DE AUFKLÄRUNG.

§ 45. Inleidende opmerkingen.

We zagen reeds, dat men in de geschiedenis der Nieuwe Wijsbegeerte,

twee elkaar evenwijdige maar wederzijdsche beïnvloedende richtingen

onderscheidt: de empirische, die van de waarneming door feiten wil

uitgaan en de rationalistische, die door en van uit de rede tot kennis

der wereld wil komen. We kunnen deze rijen aldus opstellen.

Bacon 1620.

Hobbes 1651. Descartes † 1650.

---------------+ Spinoza † 1677.

Locke 1690. | Leibniz 1691, 1710.

Berkeley 1710. | Wolff 1754.

Hume 1748. +-----------------------

De jaren, geen sterfjaren, zijn die van de verschijning van het

hoofdwerk.

De empirische denkers zijn Engelschen, de rationalistische Franschen,

Hollanders, Duitschers daarna. Beide stroomen komen samen in Kant,

die door Humes werken uit den dogmatischen sluimer wakker gemaakt

wordt. In die tabel hebben we een streep getrokken. Want bij Locke

begint eigenlijk een nieuwe wijsbegeerte. Voor zijn tijd was men

uitgegaan van het denkbeeld, dat er een kennis der wereld mogelijk

was. Had men getwijfeld, dan was het geweest aan de zekerheid, niet

aan de mogelijkheid dier kennis. Had men het verstand onderzocht,

dan was het niet, om te zien, hoe vér men met zijn verstand kon

komen en òf onze verstandelijke organisatie ons in staat stelde, om

de problemen op te lossen, maar om na te gaan, hoe men 't spoedigst

tot zekere kennis zou kunnen geraken. Locke nu is de eerste geweest,

die gemeend heeft, te moeten onderzoeken of wij menschen in staat

zijn, alle vragen, die zich opdoen, op te lossen. Hij werd er in

1671 toe gebracht door een gesprek met vrienden over geopenbaarde

moraal en religie. Men kon toen niet verder. Het viel L. in, dat

het gewenscht was, eerst eens te onderzoeken of wij in staat waren,

die vragen op te lossen. Die werd de aanleiding tot zijn hoofdwerk,

dat, na langdurigen arbeid, in 1690 verscheen.

Ook in ander opzicht begint met Locke een nieuwe tijd. Het absolutisme

van de 17de eeuw had zich weerspiegeld in de groote stelsels (Hobbes,

zie pag. 274.) In de 18de eeuw zien we op staatkundig gebied een verzet

komen tegen deze regeeringswijze. Als onze stadhouder Willem III in

1688 Jacobus II van den Engelschen troon verdrijft, is daarmee een

knak aan 't absolutisme gegeven, is de parlementaire regeeringsvorm

in Engeland verzekerd. Het democratisch besef ontwaakt. Niet alleen

in zake de menschelijke kennis, maar ook op het gebied van staat,

maatschappij, godsdienst en moraal komt nieuw leven. Dit besef kwam

het eerst levendig in Engeland aan den dag en daar weer 't eerst

in Locke, zij het dan, dat hij zijn voorloopers had gehad. Zoo

in godsdienstopvattingen in Herbert v. Cherbury (1581-1648), in

staatkundige opvattingen in den grooten dichter Milton (1618-1674.)

Uit Locke's leer werden consequenties getrokken, wijzigingen werden

er in aangebracht, bestrijding knoopte er zich soms aan vast, maar

op allerlei gebied werkte zijn invloed.

In Engeland bleef het op menig terrein bij de theorie. De denkers

schreven meer voor de ontwikkelden, minder voor het volk. De

economische toestanden waren in Engeland niet zoo heel slecht. De

staatkundige verhoudingen beter dan in menig land van Europa: er was

een (zij 't bespottelijk slecht gekozen) volksvertegenwoordiging. Hoe

doortastend en baanbrekend ook op 't gebied der wetenschap, in

practische zaken waren de Engelschen meer conservatief gezind. Nog

heden zijn in de Engelsche rechtsspraak en wetgeving bijv. gewoonten,

die voor een Nederlander schier onbegrijpelijk zijn. In het onderwijs

is het niet anders.

Hoe geheel anders moest het in Frankrijk gaan. Een

plattelandsbevolking, arm door een onzinnig belastingsysteem, dat

al den druk lei op schouders, die weinig konden dragen, gebukt onder

drukkende heerlijke rechten, uitgemergeld door langdurige, kostbare

oorlogen. Een tamelijk of zeer rijke, ontwikkelde burgerstand, zonder

eenig staatkundig recht. Een verkwistende, zedelooze regeering, die

geen inzicht had in de belangen van het rijk. Verval van zedelijkheid

in vele kringen. Daarnaast veel uiterlijk vertoon van vroomheid. De

Fransche schrijvers minder veelzijdig, minder bezadigd vooral, maar

scherper, maar meer één gedachte tot in de laatste consequenties

vervolgend. Schitterende stylisten, populaire auteurs. Van geen

Locke of Hume kunnen we licht ons een roman voorstellen en wat

Locke aan verzen gaf is gerijmel. Maar bij een Voltaire en een

Rousseau vragen we: zijn ze meer wijsgeeren of letterkundigen? In

Engeland meer brandpunten van wetenschap. Locke hoort aan Oxford en

Londen, Berkeley aan Dublin, Hume aan Edinburgh. In Frankrijk één

brandpunt Parijs en in de Parijsche salons ontmoeten alle geesten

elkaar. Levendig verkeer met opgewekte gedachtenwisseling, dat meer

tot slagvaardigheid dan tot ernstig nadenken spoorde. Het Engelsche

goud wordt in Fransche zilveren en bronzen pasmunt onder de menigte

gebracht. Het Engelsche denken meer leidend en richting aangevend,

het Fransche denken meer volgende, meer uitsprekend, wat er in den

tijd leeft; dien niet vooraan, maar weerspiegelend.

Zoo schijnen de Fransche denkers der 18de eeuw als de geestelijke

vaders der revolutie (die trouwens niet uitsluitend, zelfs niet in

de eerste plaats aan hunne werken mag toegeschreven worden). Maar

in die Fransche Aufklärung is een tijd van reactie. Rousseau,

die eenerzijds haar lijnen vervolgt, is anderzijdsch een terugslag

op haar streven. Deze afdeeling valt dus in drie hoofdstukken. De

Engelsche en de Fransche Aufklärung. Dan overblikken we de zooveel

minder beteekenende Duitsche.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 72 / 105 题