§ 30. Het begrip, de phasen, de denkers.
De patristiek had getracht, het Christelijk geloof te formuleeren en
in Augustinus was de groote denker gekomen, die een groot systeem van
dogmatiek geschapen had. Eeuwen volgen hem en wel staat het denken
niet stil en is er ook een wijsgeerig leven aan te wijzen, maar
eerst omstreeks 1000 komt er vooral in Italië, Frankrijk, Engeland
en Duitschland, een nieuwe wijsbegeerte, de scholastiek. Zij heet
zoo naar de schoolhoofden (scholasters), die in de Middeleeuwen het
onderwijs gaven. De Scholastiek--en dit is bij zeer veel verschillen
het gemeenschappelijke in haar,--tracht nu de door de patristiek
vastgestelde dogma's verstandelijk te begrijpen en te verklaren. Men
is wel gewoon haar in drie perioden te scheiden, doch dan moet men
die scheiding zoodanig nemen, dat er eenerzijds de 1ste, anderzijds
de 2de en 3de periode komt.
Eerste periode.
De eerste periode der scholastiek is haar opkomst. De eerste denker is
Johannes Scotus Eriugena, door Karel den Kale uit Engeland naar Parijs
geroepen. In zijn leer merkt men veel nieuw-Platonische elementen.
De groote baanbreker is dan Anselmus van Canterbury (1033-1109). Deze
geestelijke was te Aosta geboren, werkte eerst in Normandië en werd
later aartsbisschop van Canterbury. In de staatkundige geschiedenis
is hij bekend geworden door zijn strijd tegen den Engelschen koning.
Voor de wijsbegeerte heeft hij vooral beteekenis door zijn bewijzen
voor het bestaan van God.
Op de leer van een tijdgenoot van Anselmus (Roscellinus), zullen we
eveneens terugkomen.
Tot de leerlingen van Roscellinus behoorde ook Pierre de Palet
(Abaelard), (1079-1142), een zeer welsprekende, indrukwekkende,
roemzuchtige persoonlijkheid, (die door zijn vurige liefde voor
Heloïse zoo bekend geworden is). Hij nam in den strijd dier dagen
een middenstelling in. Hij begon met een soort encyclopedie der
godgeleerdheid te schrijven (sic et non), waarin hij de leer van
verschillende kerkvaders weergaf. Dit werd een voorbeeld voor de latere
"summae," samenvattingen der wetenschappen; in het samenstellen daarvan
verwierf Abaelards leerling Petrus Lombardus ( 1164), bisschop van
Parijs, zich grooten roem.
In deze eerste periode der scholastiek gaat men uit van het
denkbeeld dat de kerkelijke leerstukken volkomen overeenstemmen met
de wetenschap.
Arabische en Joodsche denkers.
Tot 1200 ongeveer had men in het Westen zeer weinig kennis van de
geschriften der oude Grieken. Van Plato en Aristoteles bezat men
slechts brokstukken, en vele hunner ideeën kende men slechts uit de
tweede of derde (niet steeds vertrouwbare) hand. Langzamerhand echter
geraakt men hoe langer zoo meer bekend met de werken der Grieksche
denkers en dankte dit vooral aan de Arabieren. Nadat Mohammed ( 632)
zijn nieuwen godsdienst gesticht had, verbreidde zijn leer zich snel,
zoowel naar het Westen als naar het Oosten. Hier ontstond een bloeiend
kalifaat met Bagdad als hoofdstad, ginds kwam het in 711 veroverde
Spanje tot grooten bloei en was Cordova een middelpunt van wetenschap.
Gedeeltelijk door Syrische overzettingen waren de Arabieren [48] met
de Grieksche denkers bekend en in breedheid en in omvang van kennis
gingen zij het Westen te boven. Ook de Joden, die over het geheel
een goed lot in Spanje hadden, hadden hun aandeel aan de beoefening
der wijsbegeerte.
In 't algemeen hadden de Mohammedaansche denkers op de Christelijke
hun grooter feitenkennis vooruit, zij waren geen geestelijken, maar
velen waren artsen en zij waren niet onbekend met de werken van
Hippocrates en beschikten dus over een grooter feitenmateriaal.
Ibn Sina (980-1038) of Avicenna, een groot geneeskundige, staat dichter
dan eenig Arabisch denker bij Aristoteles. Als de grootste Arabische
denker stelt men Averroës, in 1126 te Cordova geboren, lijfarts van
den kalif, in 1198 gestorven, na te hebben moeten vluchten.
Merkwaardig is ook nog Ibn Tofail Abubacer. Hij schreef een roman,
Hai ibn Jokthan, waarin hij schetst, hoe een, zonder menschen in de
natuur opgegroeid kind, tot dezelfde religieuse waarheid komt als de
kerk (bladz. 194).
De Joden droegen vooral door de vele reizen voor hun handel 't
meeste bij tot de verspreiding der Oostersche wijsbegeerte. Als hun
voornaamste denkers worden Maimonides (1135-1224) en Gersonides
(1288-1344) genoemd. In hun wijsbegeerte sloten ze zich eng aan
bij Averroës.
Het is zeer opmerkelijk dat de Kruistochten (1096-1291), die zooveel
strijd brachten tusschen Christenen en Mohammedanen, waarbij gruwelijke
jodenvervolgingen plaats hadden, meer verbinding brachten tusschen
de drie groote monotheïstische godsdiensten en het Christelijk denken
onder sterken invloed bracht van 't Arabische.
Tweede periode.
De volgende perioden der scholastieken zijn dus van de eerste hierdoor
onderscheiden, dat zij over veel grooter kennis van de Grieksche
wijsbegeerte beschikken en dat met name Aristoteles meer en meer
gewaardeerd wordt tot hij ten slotte de filosoof der Middeleeuwen
is. Zooals Johannes de Dooper Christus' voorlooper was in het
geestelijke, is Aristoteles het in zaken betreffende de natuur. In
de tweede periode der scholastiek voelt men niet meer de algeheele
overeenstemming van filosofie en wetenschap. Sommige waarheden kunnen
op wetenschappelijke of verstandsgronden bewezen worden. Met deze houdt
zich de philosophie bezig, zij zijn de "theologia naturalis." Maar er
zijn ook leerstukken, die niet aldus zijn te bewijzen, die ons verstand
te boven gaan; deze moet men gelooven. Dit is de geopenbaarde theologie
(theologia revelata).
Dit bloeitijdperk der scholastiek wordt ingeleid door Albertus
Magnus. Albertus von Bollstädt, geboren in 1193 te Lauingen, studeerde
in Italië, gaf onderricht in Keulen en Parijs, werd bisschop van
Regensburg en stierf in 1280 te Keulen. Hij beschikte ook over een
groote mate van andere dan theologisch-wijsgeerige kennis (plantkunde).
In Thomas van Aquino bereikt de scholastiek haar hoogtepunt en zoo
niet de grootste na Augustinus, is hij een der grootste denkers
der Middeleeuwen geweest. Reeds zijn leven getuigt van zijn vurige
liefde voor studie. Hij werd uit een adellijk geslacht in 1225 in
Beneden-Italië geboren. Hij werd opgevoed in het beroemde klooster
Monte Christo en het voorbeeld der monniken daar deed zijn lust
ontwaken om te studeeren. Dit was zeer tegen den zin van zijn
vader, die hem natuurlijk voor den krijgsdienst bestemd had. Op
allerlei wijzen (oplichting, gevangenschap, mishandeling, smeekbeden,
verleiding) poogde men hem van zijn voornemen te gaan studeeren af te
brengen, maar niets gelukte. Eindelijk kon hij zijn wensch vervullen:
hij ging bij Albertus Magnus studeeren. In verschillende plaatsen
heeft hij gedoceerd, op kerkvergaderingen was hij een zeer beroemde
en geziene persoonlijkheid wegens zijn vredelievend karakter en zijn
geschiktheid tot bemiddelen.
In 1274 overleed hij in Italië. Zijn vele werken zijn alle glashelder
geschreven en toonen dat hij een zeer fijn en scherpzinnig verstand
paarde aan een edel gemoed. Ook waar hij tegenstanders bestrijdt
blijft hij onpartijdig en eerlijk. Niet ten onrechte verwierf hij
den naam van doctor angelicus. In 1323 verklaarde de katholieke
kerk hem heilig. De wijsbegeerte van den heiligen Thomas wordt aan
de Amsterdamsche gemeentelijke universiteit gedoceerd door prof. De
Groot, die ook zijn leven beschreef.
Zijn dichterlijke uitdrukking vond de scholastiek in het grootsche werk
van Dante. De dichter werd in 1265 te Florence geboren, geraakte door
partij-twisten in ballingschap, vertoefde in verschillende plaatsen van
Italië en stierf 1321 te Ravenna. Het beroemdst is hij geworden door
zijn Goddelijke Comedie die uit drie deelen bestaat: Inferno (de hel),
Purgatorio (het vagevuur), Paradiso (het Paradijs [49]). Dante voert
den lezer eerst door de hel, leert hem de straffen der verschillende
misdadigers kennen. Daarna komt de dichter in 't vagevuur en beschrijft
hoe hij van zonden gelouterd wordt. Na het vagevuur stijgt hij op door
de verschillende hemelsferen; Thomas van Aquino, de kerkvaders, de
geleerden wonen in de sfeer der zon: boven hen staan de geloofshelden,
de rechtvaardigen, de heilige kluizenaars, in de sferen van Mars,
Jupiter en Saturnus. In de sfeer der vaste sterren verschijnen de
apostelen. In het uiterste der geschapen wereld wonen de engelen,
in negen orden [50] verdeeld en eindelijk ziet hij de Moedermaagd,
welke Bernard van Clairvaux hem toont.
Dante's werk is de grootsche dichterlijke uitdrukking van geheel het
gedachtenleven der M.E. Het geeft een zinnebeeldige voorstelling van
hemel, hel en vagevuur, maakt ons bekend met de ethiek, toont de twee
zijden van 't Middeleeuwsche denken: de scholastiek en de mystiek,
en geeft uiting aan de staatkundige gevoelens van dien tijd.
Van zijn Commedia, door het nageslacht de goddelijke genoemd, zegt
Ten Kate:
Het heerlijkst, ooit in menschentaal geschreven,
Waarin niet slechts de Middeleeuwen leven,
Maar 's levens polsen kloppen, altemaal.
Ook andere geschriften van Dante hebben wijsgeerige waarde. (Over
de Monarchie.)
Een tegenstander van Thomas van Aquino is Roger Bacon (1214-'92), die
aandrong op natuurstudie en daarom vele vervolgingen had te verduren en
Johannes Duns Scotus. Deze was afkomstig uit Engeland, waarschijnlijk
pl. m. 1270 geboren, was in 1307 als leeraar werkzaam te Parijs,
in 1308 te Keulen en is zeer jong gestorven. Tegenover de kerkleer
staat hij even eerbiedig als Thomas, koestert ook groote achting voor
Aristoteles, maar komt bij de poging, diens leer met de kerkleer in
overeenstemming te brengen, tot geheel andere uitkomsten. Zijn stijl is
heftig en paradoxaal, hij mist de vredelievendheid en de onpartijdige
gelijkmatigheid van den doctor angelicus. Hij leidde een strijd in, die
zeer lang geduurd heeft, den strijd tusschen Thomisten en Scotisten.
Derde periode.
In de derde periode der Scholastiek wordt men zich meer en meer
bewust van de groote kloof, die er bestaat tusschen theologie
en filosofie. Het aantal leerstukken die met het verstand kunnen
begrepen worden, acht men steeds kleiner: niet alleen de drieëenheid,
de erfzonde, de onsterfelijkheid, maar zelfs het bestaan van God worden
er niet toe gerekend. Er komt strenge scheiding van gelooven en weten:
het geloof wordt gegrondvest op de kerkelijke autoriteit. Eenerzijds
geeft dit aanleiding tot een verdieping en versterking van het geloof,
(het geloof alléén geeft de kennis, de rede niet), anderzijds is
het de voorbereiding tot een nieuw leven der wijsbegeerte. Des te
meer nog voelde men behoefte aan een nieuwe wetenschap, omdat deze
periode gevuld was door allerlei strijd, die met vele spitsvondige
redeneeringen en weinig zaakkennis gevoerd werd. Deze periode vooral
gaf aan de Scholastiek haar slechten naam.
§ 31. De Problemen der Scholastiek.
Nominalisme en Realisme.
Het groote probleem, waarmee het middeleeuwsche denken zich heeft
beziggehouden, is geweest de vraag naar den aard der begrippen. We
herinneren ons, hoe Plato aan de begrippen een werkelijk bestaan
toeschreef, hoe Aristoteles de vraag wel onder de oogen gezien, maar
niet opgelost had: hij schreef aan de dingen een eerste bestaan toe,
van de begrippen sprak hij als van tweede bestaandheden (bladz. 116).
In de M.E. nu zijn er denkers die zeggen: de begrippen bestaan
niet. Wat alleen werkelijk bestaat, zijn de dingen. We geven eenvoudig
aan een aantal verschillende dingen eenzelfden naam: die naam (nomen)
is het begrip.
Daar een naam, een woord niets anders is dan (naar men meende) door
de tong veroorzaakte trillingen, zijn de begrippen dus niet anders
dan klanken, die als teeken voor vele dingen dienst doen.
Het schijnt, dat sommige nominalisten zich zelfs niet eens afgevraagd
hebben wat er dan wel de oorzaak van was, dat er aan verschillende
dingen een naam gegeven werd.
Het nominalisme werd het eerst verkondigd door Roscellinus. In de
glansperiode der scholastiek treedt het minder op den voorgrond; in
de derde periode wordt het weer sterk verdedigd, al is het nominalisme
van Occam niet hetzelfde als dat van Roscellinus.
Tegenover het nominalisme staat het realisme, leerend, dat de begrippen
werkelijk bestaan als zoodanig.
Het Realisme vertoont verschillende vormen.
Men neemt aan, dat er in alle dingen gelijke eigenschappen zijn. Die
gemeenschappelijke eigenschappen vormen de kenmerken, den inhoud
van het begrip. Wat er dus overeenkomstigs is in Socrates, Plato,
Aristoteles, Zeno, Plotinus enz. dat is het begrip mensch. Het
begrip zit dus in de dingen; wij nemen de dingen waar, merken het
overeenkomstige op en komen zoo tot de kennis van het begrip. Dit is
dan het realisme in re: de begrippen zijn in de dingen.
Deze begrippen nu, meenden velen, waren er al geweest, voordat de
dingen er waren: ze waren de inhoud van Gods gedachten. De begrippen
bestonden dus vóór de dingen. Dit is het realisme ante rem.
Er waren ook wel denkers, die aannamen, dat het begrip in elk ding
gelijk was. Socrates was Plato, enz. Het is duidelijk, dat men bij
dat realisme erg zijn best moest doen, om toch nog het klaarblijkelijk
verschil tusschen Socrates en Plato te verklaren.
Averroës zegt: de begrippen zijn ante rem in de Goddelijke gedachte,
in re in de werkelijkheid, post rem (na het ding) in ons denken.
Sermonisme.
Tusschen de nominalisten en realisten neemt Abelard een verzoenende
middenstelling in. Het nominalisme verwerpt hij als onhoudbaar, het
realisme aanvaardt hij ook niet. Dit bestrijdt hij vooral op dezen
grond, dat het tot pantheïsme moet voeren. Immers, het eene begrip
komt weer onder een ander. Zoo kan men ten slotte stijgen tot het
hoogste, alles omvattende begrip, de Godheid, het algemeenst zijnde
(ens generalissimum.)
Het woord wordt eerst in het oordeel tot begrip, het begrip bestaat
door het menschelijk denken (in conceptu). Abelard's richting heet
ook wel conceptualisme of sermonisme.
Daar het begrip het universeele (algemeene) genoemd wordt, heet
de strijd tusschen nominalisten en realisten, gewoonlijk de
universaliënstrijd. [51]
Hij werd in de M.E. niet alleen uit wijsgeerig oogpunt met zooveel
heftigheid gevoerd, maar ook omdat er zich een groot aantal
theologische kwesties over de erfzonde, de drieëenheid enz. aan
vastknoopten.
Bewijzen voor 't Godsbestaan.
Aan de begrippen kenden dus de realisten werkelijk bestaan toe. Daarbij
hebben sommigen nog de eigenaardige Grieksche opvatting, dat er meer
en minder zijn kan wezen. Hoe algemeener een begrip, hoe meer zijn het
heeft. Het meerder zijn wordt dan ook gelijk gesteld met het betere,
het meer volkomene het algemeenste begrip heeft het meest zijn en is
dus ook het volmaaktste.
Het ens realissimum is ook het ens perfectissimum. Hierop bouwt
Anselmus van Canterbury zijn beroemd ontologisch [52] bewijs voor
Gods bestaan.
Ik denk me het meest algemeene en volkomen begrip. Dit bestaat in mijn
verstand. Maar het bestaat ook in werkelijkheid. Was dit n.l. niet
het geval, dan kòn een wezen gedacht worden, dat naast het gedachte
bestaan ook werkelijk bestaan had; daar het zijn van dit wezen het
grootste is, zou het door mij gedachte wezen niet het volmaakste
zijn. Ik heb me echter het volmaakste gedacht. De laatste aanname
strijdt daartegen en kan dus niet waar zijn. Derhalve moet, wat ik
me als volkomenst wezen gedacht heb, ook bestaan.
Anselmus wil dus zeggen: denk ik me God als het volkomenste wezen,
dan moet het ook het meest zijnde wezen zijn (volkomenheid stemt
overeen met algemeenheid, met zijn.) Hij moet dan realiter bestaan.
Hij vergat echter, aan te toonen dat men zich het volkomenst wezen
denken moet.
In Anselmus' tijd vond dit bewijs weinig waardeering. Gounild merkt
b.v. op, dat men zoo ook het bestaan van een allergelukzaligst eiland
bewijzen kan.
In den nieuweren tijd komt het naast andere voor bij Descartes, die
er intusschen niet dezelfde formuleering aan geeft. (zie bladz. 247).
Individualiteit.
Met het nominalisme en realisme hangt eveneens een andere vraag nauw
samen: Hoe komt het, dat de eene persoon de andere niet is. Nog al
eenvoudig zeggen de nominalisten: er bestaan niets dan de enkele
dingen. Maar de realisten moeten een verklaring zoeken. Als b.v. het
begrip mensch in Socrates en Plato aanwezig is, hoe komt het dan,
dat er hier twee wezens zijn? In de Christelijke M. E. is het gevoel
van de waarde der enkele persoonlijkheid sterk. Augustinus had dit
nog versterkt en men moest dus naar een verklaring zoeken, waarom
twee menschen, in wie toch éénzelfde begrip verwezenlijkt was,
ongelijk waren.
Merkwaardig is hier de fijne oplossing van Thomas van Aquino. Hij
neemt als Aristoteles geest en stof aan, maar wijzigt die beide
begrippen op een fijne wijze. Allereerst onderscheidt hij formae
separatae (afzonderlijke vormen) die zonder stof bestaan, b.v. de
engelen. Daarnaast staan formae inhaerentes, vormen die zich in de stof
verwezenlijken b.v. dier. In den mensch ontmoeten beide elkaar: het
lichaam is de hoogste inherente vorm, de ziel de laagste separate vorm.
Hij heeft dus de stoffelijke en de geestelijke wereld in den mensch
laten samenkomen. Dat nu Socrates van Plato verschilt, ligt aan de
stof, de materie, niet aan den vorm, 't begrip. Het beginsel der
aparte persoonlijkheid ('t principium individuationis) is de materie.
Het probleem bij de Scotisten.
De Scotisten hebben een andere opvatting. Ze ontkennen met Aristoteles
het bestaan van reine vormen, zonder stof. Bovendien loochenen zij,
dat het zit in de quantitatieve verscheidenheid. Het zit hierin,
dat er naast den vorm mensch in Socrates een andere vorm is: de
"Socratesheid." In elk bijzonder ding is naast den algemeenen vorm een
vorm, de "ditheid" waardoor het juist dit ding is en niets anders. Dit
lijkt wel dwaas (men heeft er zich later zeer vroolijk over gemaakt)
maar er ligt een zekere logische gedachte in. Immers, de vorm is
het algemeene, waarin vele dingen met elkaar overeenkomen. Maar
een ding is in verschillende tijden ook weer anders. Socrates in
de gevangenis is een ander dan Socrates op de markt, een ander, dan
Socrates optrekkend in het leger. Toch is er in al die "Socratessen"
één Socrates. We kunnen ook hier vragen: Wat is Socrates? Dat is
iets algemeens tegenover de verschillende Socratessen. Zoo kan men
ook wel van een Socratesvorm spreken.
In den vorm, zooals het in de M.E. voorkwam, is het
individualiteitsprobleem niet weer behandeld. Het blijft echter een
vraagstuk van groote beteekenis, zij het onder gansch ander licht
bezien.
Het Godsbegrip.
Kortelings wezen we er reeds op, dat het Christelijk Godsbegrip
een ander is dan dat van Aristoteles, die Gods wezen in theorein,
beschouwen, laat opgaan. Thomas van Aquino schrijft God naast
verstand wil toe. De wil schept de wereld, zooals Gods wijsheid die
denkt. Bij Thomas wordt dus aan het intellect toch de eerste plaats
toegekend. Hiermede hangt samen een opvatting in de ethiek. Thomas
leert: God wil iets, omdat zijn verstand het als goed erkent.
De Scotisten daarentegen zeggen: iets is goed, wijl God het wil. Had
God geheel iets anders gewild, dan was dit het goede geweest. De
Scotisten zijn aanhangers van het voluntarisme. Hun is de wil het
hoogste.
Staat en Ethiek.
Ook over den Staat treffen we andere denkbeelden aan bij de
Scholastieken dan bij Augustinus. Was voor dezen de staat een werk
Satans, voor Thomas is dit niet het geval. De Staat heeft een zekere
beteekenis, een voorloopige. Hij moet het individu gelegenheid geven
zijn deugd te ontwikkelen. Maar, terwijl Aristoteles de geheele
bestemming van den mensch in die ontwikkeling zag, ziet Thomas hierin
slechts een voorbereiding voor de hoogste bestemming van den mensch:
lid te zijn van het Godsrijk. De staat der burgerlijke gemeenschap is
de leerschool voor de hemelsche. Zoo wordt door de genade de natuur
niet opgeheven, maar volmaakt.
Uit het hier gezegde vloeit ook voort, dat voor Thomas de kerk
boven den staat verheven is. In den strijd tusschen kerk- en
wereldmacht, dien de M.E. ons te zien geven, vinden we het streven
naar verwezenlijking dier gedachte.
Intusschen hebben lang niet alle Middeleeuwsche denkers deze gedachte
gedeeld. Dante plaatst de staat niet onder, maar naast de kerk en
een enkele denker kiest partij tegen den Paus.
Terwijl Thomas dus in zijn ethiek vooral de mensch nog beschouwt als
lid eener gemeenschap (aardsche en hemelsche), heeft Abelard in zijn
zedeleer de mensch als individu, als enkeling op 't oog in zijn boek:
Scito te ipsum (ken u zelf). Den regel, den norm voor zijn handelen
moet de mensch zoeken in zichzelf. Daarmee spreekt hij een beginsel
uit, dat in de moderne wijsbegeerte van veel invloed zal blijken. In
Abelard openbaart zich die frissche, krachtige Fransche geest, die
zoo geschikt is om met het oude te breken en zich het nieuwe toe
te eigenen, iets ook van de scherpzinnige en fijne discuteerkunst,
die het kenmerk veler Fransche denkers is geweest.
De dubbele waarheid.
In 't midden van de M.E., reeds ten tijde van Thomas, maar vooral
later, komt de leer der dubbele waarheid op, volgens welke iets
waar kan zijn voor de wijsbegeerte, maar niet voor de theologie. De
denkers probeerden als 't ware: Hoever kunnen we met ons verstand
komen? Kwamen ze dan tot conclusies, tegengesteld aan kerkelijke
leerstukken, dan zeiden ze: Zoo is het nu wel volgens de rede, maar
volgens ons geloof is 't anders en dat is natuurlijk 't ware. Later
werd die leer der dubbele waarheid dikwijls de dekmantel om allerlei
afwijkende meeningen vrij te kunnen uitspreken. Maar aanvankelijk
schijnt ze wel ernstig gemeend te zijn en in dézen vorm het eerst
voorgekomen, dat sommige dingen niet door de rede, wèl door 't geloof
konden begrepen worden. Iets kon dus waar zijn voor 't geloof, als
het dit niet was voor de rede. Later ging dat gelden voor de rede;
men zei dat iets waar kon zijn voor de rede, wat niet waar was voor
't geloof. Naarmate men meer en meer gevoelde, dat geloof en weten
gescheiden moesten worden, trad de leer der dubbele waarheid meer
op. Dit geschiedde vooral in 't laatst der M.E.
Toen de Kruistochten de drie groote monotheïstische religies met
elkaar in aanraking gebracht hadden, toen ook de denkers in de
Grieksche wijsbegeerte zekeren gemeenschappelijken grond hadden,
kon het niet anders, of men moest zich afvragen, of er niet sommige
algemeene trekken in de religies waren en of niet de geopenbaarde
geloofswaarheden ook langs volkomen redelijken weg te vinden waren.
Sterk komt dit uit in den roman van Ibn Tofail. Hij laat een kind,
door een gazelle gezoogd, zonder menschen opgroeien op een eiland,
laat dit kind, opgegroeid, nadenken en tot bepaalde conclusies
komen. Daarna komt deze natuurmensch in aanraking met een heilige
kluizenaar, en ontdekt, dat deze eigenlijk hetzelfde gelooft als hij:
alleen, wat hij als product van nadenken vond, hult zich bij den
kluizenaar in zinnebeeldige vormen en voorstellingen.
In romantischen vorm wordt hier dus de idee uitgesproken, dat in de
geopenbaarde godsdiensten de natuurlijke godsdienst in zinnebeeldigen
vorm bevat is. Ook bij anderen komen ten opzichte van de zedeleer
gelijksoortige denkbeelden voor (zie ook pag. 306).
In de innige vereeniging van gelooven en denken ging men meer en
meer uit elkaar, en de klove werd ternauwernood bedekt door de leer
der dubbele waarheid. Geen wonder, dat sommige godsdienstige naturen
afstand deden van de rede en in de mystiek heil zochten.
§ 32. De Middeleeuwsche Mystiek.
Naast, niet tegenover de scholastiek stond de mystiek en men vindt
haar bijna door de geheele M.E. In menig punt sluit ze aan bij de
Neo-Platonici. Dante is evengoed dichter van het mysticisme als
van de scholastiek en het is een mysticus, Bernard van Clairvaux,
die hem Maria toont.
Voor het gemoedsleven, ook van den modernen mensch, biedt de
middeleeuwsche mystiek veel. Maeterlinck [53] sluit zich gedeeltelijk
bij hen aan en Thomas à Kempis' "Imitatio Christi" is, in allerlei
vertalingen en uitgaven, nog steeds in veler handen. Hoe sterk
dit vrome boekje inwerken kan op een modern gemoed toont ons zijn
behandeling door Mathys Acket.
De mystieken zijn de menschen der innerlijke ervaring; in hun
eigen gemoed hebben ze gezocht, op eigen stemmingen nauwkeurig
acht gegeven. Trouwe zonen der kerk meestal, spreken ze toch vele
gedachten uit, die boven de kerkleer gaan en boven de tegenstellingen
der partijen verheven zijn. Terwijl de Roomsch-Katholieke kerk de
middeleeuwsche mystici dan ook geheel tot haar zonen rekent, zijn
er eveneens denkers, die in hen voorloopers der Hervorming zien,
omdat hun werken een geest ademen, vrij van kerkelijke dogma's. Zoo
b.v. Bellaar Spruyt. Harnack daarentegen zegt:
"Nooit zal men de mystiek protestantsch kunnen maken zonder de
geschiedenis en het protestantisme in 't aangezicht te slaan."
Eckhart.
Zeer bekend is geworden Eckhart, met wien de Duitsche [54] mystiek
begint. De meeste middeleeuwsche denkers zijn geen Duitschers geweest;
ze waren afkomstig uit Engeland, Frankrijk, Italië. Langzamerhand
echter is de Duitsche filosofie opgekomen en sedert Kant is Duitschland
het land der wijsgeeren.
Eckhart werd pl.m. 1250 in Thüringen geboren; behoorde tot de
Dominicaner orde. Nadat hij professor in Parijs was geweest, leefde
hij in Straatsburg en Keulen en stierf 1329, terwijl een onderzoek
omtrent de rechtzinnigheid van zijn leer in vollen gang was.
Eckhart schrijft in het Duitsch en als zoodanig heeft hij groote
verdienste voor de filosofische vaktaal, die hij mee gevormd heeft.
Het middelpunt van zijn leer is, dat de ziel, door God geschapen,
terug moet keeren tot God. Alle zonde en boosheid ontstaat, doordat
de mensch als zelfstandig wezen voor zichzelf bestaan wil: het Ik
wil niet vernietigd worden. En daarom moet de mensch er met alle
kracht naar streven, het ik te dooden, zich onafhankelijk te maken
van begeerten en genietingen.
Terwijl wij in een dergelijk streven een der beste middelen zien om
onzen wil te versterken, is dit voor Eckhart de weg, waarop onze wil
gedood wordt.
Doch dit streven mag niet zijn om loon: dan waren we als kooplieden,
als de wisselaars in den tempel.
Zoo mag het ons ook nooit om den schijn van heiligheid te doen zijn,
godsdienstige zelfverheffing wordt sterk veroordeeld. Geen bijzondere
roep van heiligheid, bijzondere woorden of gedragingen. Dit is
ijdelheid.
De uitroeiing der "zelfheid" moet geschieden door lijden, niet zoozeer
uitwendig, lichamelijk lijden als wel het inwendige, dat deemoedig
maakt en in den diepsten grond van den deemoed ligt het hoogste
toppunt der hoogheid.
Heeft zoo de mensch zijn zelf verloren, dan kan hij de Godheid
aanschouwen, ja, hij gaat op in de Godheid, die hem opneemt als de zon
het morgenrood. Alle kracht der ziel is dan ten slotte geconcentreerd
op het eene: God zien. Dit eischt rust en vrede, de ziel moet zich
aftrekken van alle uiterlijke dingen.
Maar uit dit aanschouwen, uit deze eenwording met God komt een
kracht voort voor het dagelijksch leven: de mensch wordt door het
"schouwende" leven zoo vol, dat hij zich uitstorten moet. Overal
vindt hij zijn bezigheid. De wereld is vol van God en alle dingen,
die de mensch dan doet, zijn de werken Gods.
Zelfs op een oogenblik, dat men in den derden hemel opgenomen was,
zooals Paulus, zou het nog beter zijn, een arme, die dit noodig had,
een bord soep te geven, dan in de ekstase te blijven.
Als dus alle werk Gods werk is, dan hebben de speciaal godsdienstige
verrichtingen, b.v. bidden en vasten, geen hooger waarde dan
andere. Zoo zegt hij: men wordt niet rein door het gebed, maar het
gebed wordt rein door een rein hart.
De vereerders van reliquieën vraagt hij, waarom ze doode dingen zoeken
in plaats van het levende heil.
Eckhart is een vrije, ruime geest. Hij komt tot levendig inzicht van
de eischen der individualiteit: "Wat den eenen mensch ten leven wekt,
strekt den anderen ten dood."
Tot de navolgers van Eckhart rekent men den beroemden prediker Johannes
Tauler van Straatsburg ( 1361) en Heinrich Suso van Constanz ( 1365).
Nog even staan we stil bij Thomas à Kempis, naar alle
waarschijnlijkheid de schrijver van de beroemde "Imitatio Christi." Hij
was opgevoed in het fraterhuis van de broederschap des Gemeenen Levens
te Deventer [55].
De Imitatie geeft niet zoo een geheel als Eckhart. Allereerst treedt
hier op de vraag naar het heil der ziel. Men vindt dit, door van alle
andere goederen en genietingen zooveel mogelijk af te zien, een rustig
leven te leiden, niet veel omgang met menschen te zoeken, maar veel
met Jezus. Wel zal men tegenover de menschen met liefde moeten staan;
het "draagt elkanders lasten" is ook een leer van de Imitatio.
Naast en boven dit zoeken van eigen zieleheil staat zuivere liefde
voor God:
"Om Uwentwille zal ik liever arm zijn dan rijk zonder U. Met U zal
ik liever op de aarde een pelgrim zijn, dan zonder U den hemel te
bezitten. Want waar Gij zijt is de Hemel. Maar Dood en Hel zijn,
waar Gij niet zijt." [56]