IV. De Geschriften van zijn ouden dag.

Hierin doen zich al gevoelen de teleurstellingen over het leven en

de verminderende geesteswerkzaamheid. Hiertoe rekent men de Wetten.

Behalve de Apologie, die zich er niet toe leende, zijn Plato's

geschriften dialogen, waarbij doorgaans aan Socrates Plato's eigen

meeningen in den mond worden gelegd. Soms wordt de omgeving, waarin

zich de dialoog afspeelt, uitvoerig geschilderd. Meesterlijk weet Plato

dit te doen. Ieder persoon laat hij spreken naar zijn eigen aard,

terwijl alles toch blijft in den beleefden omgangstoon. Een ander

maal staat de absolute redeneering meer op den voorgrond. Eigenaardig

is het, dat Plato, waar hij geen kans zag, zijn ideeën door scherp

omlijnde begrippen in daarbij passende taal te ontwikkelen, ons mythen

vertelt en er bij voegt: zóó ongeveer zou het kunnen zijn.

In de literatuur wordt Plato zeer hoog gewaardeerd. Misschien zou men

enkele prozaschrijvers naast hem kunnen plaatsen, boven hem pleegt

niemand gesteld te worden. Gaat in de vertaling (Fransch van Cousin;

Duitsch van Schleiermacher) veel van de schoonheid verloren, ook daar

nog kan men de meesterlijke rangschikking der stof, de levendigheid,

duidelijke teekening en uitbeelding bewonderen.

§ 14. De Ideeënleer.

Socrates, hebben we gezien, trachtte te komen tot begripsvorming. Niet

wat in dìt, of dàt, of in een ander geval dapperheid was, wilde hij

opsporen, maar wat in 't algemeen dapperheid was, trachtte hij vast

te stellen.

Als zoodanig was de dapperheid nergens te vinden. Slechts in een

bijzonder geval was ze verwezenlijkt. In de waarneming is dus geen

begrip gegeven.

Nog sterker komt dit uit in de wiskunde. We hebben b.v. een zeer

precies begrip van een cirkel. Maar nergens in de waarneming nemen we

een cirkel waar. Zoo nauwkeurig is hij niet geteekend, zoo precies kan

een ronding niet gemaakt zijn, of het eene punt is wel een millioenste

millimeter verder van 't middelpunt dan 't andere.

Dit moest Plato, die veel aan wiskunde deed, sterk treffen.

De begrippen zijn dus iets, dat niet in de waarneming is gegeven.

Toch hebben wij ze. We hebben een begrip van cirkel, driehoek, enz.

Hoe komen we daaraan?

"Dan moeten ze op een andere manier in 't bewustzijn zijn gekomen,"

was het antwoord.

De Grieken konden zich 't bewustzijn moeilijk als actief, als de

ervaringen verwerkend, voorstellen. Ze dachten het meer passief:

het ontving, wat er aan gegeven werd, en kon dit vasthouden.

Met een modern beeld zou men kunnen zeggen: wij denken ons het

bewustzijn meer als een machine, die de ingeworpen stof op allerlei

manier verwerkt, zoodat er weer iets heel anders uit kan komen,

dan er is ingedaan. De Griek dacht het zich als een gevoelige plaat,

waarop zich afdrukt, wat er op inwerkt.

Plato moest de gedachte dus vèr liggen, dat het bewustzijn zelf met

behulp der waarnemingen en krachtens zijn eigen wetten de begrippen

vormde.

De begrippen moeten dus in onze ziel komen. Hoe? wordt nu de vraag.

Om deze vraag te beantwoorden, komt Plato tot een kloeke greep:

Hij neemt aan, dat de ziel voor haar komst in het lichaam die begrippen

aanschouwd heeft.

Om dit mogelijk te maken, moest hij veronderstellen eene praeëxistentie

der ziel vóór het lichaam. We zullen zien, hoe hij dit later in

verband bracht met het voortbestaan der ziel ook nà het lichaam

(postexistentie).

Verder moest hij die begrippen werkelijkheid, een reëel bestaan buiten

ons bewustzijn toekennen. Hiermee schiep Plato naast de wereld die wij

kennen, nog een andere wereld: een immateriëele, die der begrippen,

die bestaat in den topos noêtos (letterl.: Slechts in de gedachte te

kennen plaats).

Dat wij ons die begrippen bewust worden, verklaart hij aldus: De

dingen der buitenwereld gelijken eenigszins op die begrippen. Nemen

we ze waar, dan wordt de in ons bewustzijn sluimerende idee weer

wakker geroepen. Plato grondt dit dus op 't zielkundig feit, dat

we allen kennen: de associatie der gelijkheid. Stel, dat ik lang

geleden een schoolkameraad gehad heb, dien ik daarna niet meer

ontmoette. Ik ben hem vergeten. Nu kom ik later met een jongen,

zijn zoon, in kennis. Deze gelijkt op den vader. Ik zie den jongen,

en door dat gelijke komt de herinnering aan den vader op, met wien

ik als jongen naar school ging. Dat sluimerende beeld komt weer boven.

Zoo komt, door de waarneming, het vroeger aanschouwde begrip weer

in mijn bewustzijn: alle kennen is dus volgens Plato herinnering

(anamnêsis), een zich bezinnen op vroeger waargenomen dingen.

Deze begrippen nu noemt Plato de ideeën en het hier geschetste zijn

enkele hoofdtrekken uit zijn ideeënleer. Hij tracht deze leer in

verbinding te brengen met vroegere systemen en door haar gelukt het

hem, twee systemen, die als uitersten tegenover elkaar staan, dat der

Eleaten en van Heraclitus, te verzoenen in een hoogere eenheid. Het

eenige, onveranderlijke, Eleatische, is de wereld der ideeën. Van haar

hebben we herinnering, kennis. Naast deze wereld van het zijn staat die

van de genesis: van de wording. Dit is de wereld der verschijnselen,

waarin "alles stroomt."

Deze ideeënleer is niet een vaststaand stelsel maar wordt in

de onderscheidene dialogen op verschillende wijze behandeld, en

ettelijke bezwaren tegen of gapingen in het stelsel worden met of

niet met volkomen klaarheid door Plato behandeld.

Met het onderscheid tusschen de ideeën en de dingen ging een verschil

in waardebepaling gepaard. De wereld der ideeën was ook in ethisch

opzicht de betere, de hoogere. Toch lag het in den aard der leer,

dat men ook ideeën van allerlei gewone, ja, weerzinwekkende dingen

moest aannemen. Aanvankelijk heeft Plato dan ook ideeën als tafel,

bed, toegelaten. Later heeft hij zich niet opzettelijk over de vraag

uitgelaten, maar zich met het geven van verschillende voorbeelden

tevreden gesteld. Een vasten regel is in de keuze der voorbeelden

niet te ontdekken, maar die van wiskundige begrippen, eigenschappen,

natuurwezens komen het meest voor.

Hoe verhouden zich de ideeën nu?

Begrippen kunnen gecoördineerd en gesubordineerd zijn en Plato deelt

ze ook gaarne op die wijze in. Van het begrip hond kunnen we opstijgen

tot roofdier, zoogdier, gewerveld dier, dier levend wezen. Van het

begrip roos eveneens tot levend wezen.

Zoo kunnen meerdere rijen van begrippen samenkomen in één begrip

[30]. We kunnen ons denken, dat een denker nu alle begrippen in

zoodanige rijen tracht te ordenen, dat die ten slotte alle uitkomen

in één begrip, dat dan alles omvat. Het is als 't ware de top eener

pyramide, waarvan we langs verscheidene lijnen tot het grondvlak

kunnen komen, waarin de vele bijzondere dingen liggen.

Ondanks Plato's liefde voor co- en subordinatie van begrippen

heeft hij toch--al ontbreken vage aanduidingen niet--geen zoodanige

begrippenpyramide opgebouwd. Hij heeft alleen één idee aangewezen,

dat boven alles staat: de idee van het goede. Maar deze idee omvat

niet alle andere op dezelfde wijze als 't begrip dier alle dieren:

er is geen logische onderordening. De idee van het goede is het doel

van alles wat bestaat. Ten opzichte van haar is al 't andere middel.

Deze idee van het goede heet ook wereldrede, noes, soms godheid. Om

dat nu alles wat is, naar dit doel streeft, is deze idee als 't ware

oorzaak, doeloorzaak van het gebeuren. De idee van het goede is dus

werelddoel, wereldrede, wereldoorzaak. Zij ook moet den band vormen

tusschen de vaste wereld der ideeën, de veranderlijke der dingen.

De dingen gelijken eenigszins op de ideeën: zij worden bewogen,

omdat zij streven naar hun doel: de idee. Maar, als de dingen dan

nabootsing zijn der idee, waarom zijn ze dan geen zuivere maar een

gebrekkige nabootsing? Er moet dus een medeoorzaak zijn, die de

volkomen verwezenlijking van het doel tegenwerkt. Dit is de ruimte,

die omgevormd wordt tot de dingen, waardoor zekere tegenwerking

de oorzaak wordt van het onvolkomene der dingen [31]. De wereld

der dingen is een menging van zijn en niet zijn. Deze metafysische

gedachte heeft ook een theologische uitdrukking: met het oog op de

ideeën heeft een wereldvormende God, de demioergos de dingen geschapen.

Op ouder leeftijd heeft Plato dan zijn ideeënleer in overeenstemming

trachten te brengen met de Pythagoreïsche getallenleer. Deze ging uit

van de eenheid, zoo ook hij. De eenheid viel samen met de opperste

idee. De neo-Platonici hieraan aanknoopend, hebben uit het Eene alles

laten voortkomen als uitstraling, als emanatie (bladz. 153). Hoe verder

van de eenheid af, hoe minder bestaan en hoe minder volkomenheid. De

scherpe scheiding tusschen de volkomen, reëele wereld der ideeën

en de onvolkomen, niet waarachtig zijnde, maar wordende wereld der

dingen wordt opgeheven; er is meer of minder realiteit en daarmee

meer of minder volkomenheid. In de middeleeuwen had deze gedachte veel

invloed. (Vergelijk 't godsbewijs van Anselmus v. Canterbury pag. 190).

In het Symposion wordt de schoone voorstelling gegeven van het heimwee

der ziel naar de idee. De liefde, die begint met liefde voor één schoon

lichaam, wordt liefde voor hét schoone, voor het geestelijk schoone,

voor het goede. Eros is de kracht, die den mensch leidt en stuurt [32].

§ 15. Theologische en Ethische begrippen.

Plato kent drie werkzaamheden der ziel: het begeeren, het willen,

het zuivere kennen.

Later ging hij verder en sprak van de drie deelen der ziel, die hun

plaats hadden in onderlijf, hart en hoofd. De onsterfelijkheid kwam dan

alleen aan het vernuft, de kennende ziel, de rede toe. (Zie bl. 97).

In zijn Phaedo spreekt Plato over zijn vast geloof aan de

onsterfelijkheid. Gedeeltelijk schijnt hij zijn voorstellingen op dit

gebied te hebben ontleend aan de orphische mystiek, waarover reeds

gesproken werd (bladz. 11).

Met de drie deelen der ziel komen drie deugden overeen: onze begeerten

moeten worden beheerscht door de deugd der bezonnenheid (sophròsunê);

de wilsenergie, de dapperheid gaat naast de "moedige ziel," de wijsheid

naast de rede.

Zal onze deugd echter volkomen zijn, dan moet iedere deugd haar plaats

hebben, er moet een zekere harmonie bestaan. Dit is de dikaiosunê

(rechtschapenheid, gerechtigheid).

Is deze vorm zijner ethiek meer theologisch, daar ze aansluit bij zijn

zieleleer, meer filosofisch, zich meer aansluitend bij de ideeënleer,

is zijn ethiek daar, waar hij als hoogste doel van den mensch stelt het

kennen der idee. Eros drijft den mensch tot streven naar het volkomene,

doet heimwee naar de idee ontwaken. Uit dit verlangen ontspringt de

begeerte naar filosofie en het hoogst staan voor Plato de filosofen.

Niet in eens komt de mensch hiertoe. Eerst heeft hij vreugde aan 't

schoone van lijn, kleur en toon. Dit is een goed begin. Daarna moet

hij practische kennis en vaardigheid verwerven. Hij moet zich niet

vreemd gevoelen in de wereld der verschijnselen. Zijn inzicht moet

hem dan gronden doen kennen, waarop hij 't eene of 't andere besluit.

Verder nog stijgend, streeft hij naar een harmonisch leven, maat en

verhouding brengt hij in zijn leven.

Eerst dan stijgt hij tot het hoogste: het kennen der idee.

Het zedelijk ideaal laat zich aldus uitdrukken: schoonheid, kennis,

theorie, waarheid.

Deze ontwikkeling van het ethische komt overeen met die der liefde

geschilderd in 't Symposion.

Het is duidelijk, dat deze beide ethica's elkaar niet volkomen

dekken. Al de werken van Plato geven dan ook, zooals we reeds

opmerkten, geen samenhangend, leidend systeem.

Als de ziel niet gelouterd is, zal zij na haar aardsch bestaan weer

in een lichaam terugkeeren.

Plato is een aanhanger van de leer der zielsverhuizing, welke hij

aan de Pythagoreeërs (zijn bekendheid met de Pythagoreeërs hebben we

reeds gezien), of aan de mysteriën ontleend mag hebben. Bij hem dan

ook de leer van de schuld en de boete der ziel.

Merkwaardig is, hoe hij het heete verlangen naar vrijmaking en

vrijwording van zonde in overeenstemming weet te brengen met zijn

ideeënleer: het is het verlangen der ziel naar de idee.

§ 16. Plato's Staat.

Uitvoerig heeft Plato zijn gedachten ontwikkeld over den besten Staat,

en dat niet als een droombeeld, maar als een te verwerkelijken

ideaal. Met de verwerkelijking staan zijn Siciliaansche reizen

in verband.

Plato had, als geboren aristocraat en als Socraticus, een afkeer van

de democratie. Dat de menschen zich met allerlei zaken behalve met

hun eigene bemoeien, dat de eerste de beste zich bezig houdt met de

hoogste belangen van den staat, waartoe zooveel kennis en inzicht

wordt vereischt, moest hem wel gruwelijk schijnen. Daarbij kwam de

vleierij der massa door de redenaars.

Zijn staat zou daarom een zijn, waar de besten regeerden. Maar met

die besten bedoelde hij hen, die 't hoogst staan in zedelijk opzicht.

Er zouden drie standen zijn. De laagste was die der boeren en

handwerkslui. Zij mochten privaat-bezit en familieleven hebben. Hun

deugd was de sophrosunê, de zelfbeheersching, het gehoorzamen aan en

onderdanig zich voegen naar de hoogere standen, zooals de begeerende

ziel ook ondergeschikt moest zijn aan de bezonnenheid.

Boven deze en overeenkomende met de "moedige ziel," staat de stand der

wachters. Van jongs af waren ze opgevoed tot 't krijgsleven, vormden

een aparten krijgsstand, verdedigden het vaderland en oefenden zich

van der jeugd af in matigheid en harding.

Tusschen mannen en vrouwen bestaat hier geen verschil.

Huwelijken vinden onder hen niet plaats. Op gelegene tijden worden

geschikte paren bij elkaar gebracht, waarbij men er op letten zal,

zooveel mogelijk bij elkaar passende menschen samen te brengen,

opdat er een kloek geslacht ontstaat.

Dadelijk na hun geboorte worden de kinderen aan de moeder ontnomen,

ze krijgt een ander te zoogen. De regeling is zoo, dat elk kind in

ieder ouder zijn vader en moeder, elk ouder in ieder kind zijn kind

moet zien.

Aan de spits van den staat is de eerste stand: die der filosofen. Zij

kennen de idee en regeeren den staat naar wijsheid.

Zooals in den enkelen mensch de drie deugden zich goed onderling

moeten verhouden, zoo moeten in den staat de drie standen harmonisch

samenwerken. Dit is dan de dikaiosunê (rechtschapenheid).

Het bevreemdt ons niet, dat een dergelijke staat niet in de practijk

uitvoerbaar was. Aan droomen over den besten staat heeft het echter

nooit ontbroken. Zoo schreef Thomas Moore zijn "Utopia," Campanella

zijn "Zonnestaat" en we herinneren aan een der jongste pogingen:

"In het jaar 2000 van Edw. Bellamy," [33] dat in menig opzicht het

tegenovergestelde is van Plato's boek. Eigenaardig, dat echter in

beide een veel grootere macht aan den staat wordt toegekend dan de

staat, zooals wij die kennen, bezit (bl. 218, 219).

Toen later Plato's pogingen tot uitvoering waren mislukt, schreef hij

"de Wetten," iets meer aan 't practische leven aangepast.

In Plato's Staat komen ook merkwaardige ideeën over opvoeding voor,

die geheel ingericht moest zijn met het oog op de aanstaande taak der

jongelingen. Plato, wars van alle overdreven gevoeligheid, eischte een

ernstige, mannelijke gezindheid, een zich bezighouden met gymnastiek,

muziek en wetenschap (sterrenkunde, meetkunde).

§ 17. Plato's invloed.

Het is ondoenlijk, deze in weinige regels ook maar benaderend weer te

geven. Op het geheele Westersche denken drukte hij den stempel zijner

persoonlijkheid. Maar enkele punten mogen naar voren gebracht worden.

Allereerst heeft Plato invloed geoefend op zijn leerlingen; men

heeft gezegd: zonder Plato geen Aristoteles, geen Plotinus, geen

Augustinus. Wat dit beteekent, moge het vervolg van dit boekje leeren.

Wijzen we enkele belangrijke ideeën aan, die bij hem voorkomen:

Het bestaan van het immateriëele is ons zoo gewoon, dat we 't ons

nauwelijks kunnen voorstellen, dat deze idee wòrden moest. Is het niet

evenzoo met zijn meerderheid van de ziel boven het lichaam? Vindt de

heimwee der ziel naar de idee zich niet terug in het verlangen der

christenen naar eenheid met God, naar kennisse Gods als inbegrip van

alle wijsheid. Een verlangen, door ten Kate zoo innig en eenvoudig

uitgedrukt:

We zoeken U in alles, Vader.

En vinden U in niets genoeg.

Overwegend is Plato's religieus gedachtenleven geweest voor ons

godsdienstig voelen en denken.

Op het gebied der metafysica heeft hij voortgezet, wat reeds Socrates

had aangevangen: het opsporen van de begrippen. Uit zijn school kwam

Aristoteles, die de vader werd der formeele logica. In de natuurkunde

voerde hij het begrip doel-oorzaak in. De huidige natuurwetenschap

neigt wel meer tot Plato's tegenvoeter Democritus, maar de doeloorzaken

heerschten tot ± 1500 en eerst in de 19de eeuw bracht 't Darwinisme een

geheele verandering, nadat de denkers der 16de, 17de en 18de eeuw een

teleologische natuurverklaring bestreden hadden. (Zie Afdeeling IV).

In zijn systeem wist hij de tegenstrijdigheden van 't Grieksche

wetenschappelijk denken in hooger eenheid te vereenigen. Democritus

en Plato waren de eersten, die een meer afgerond, wijsgeerig systeem

gegeven hebben.

En ten slotte is er in zijn Staat--hoe vreemd die ons moge

schijnen--toch veel geweest, dat de toekomst heeft vervuld, en zijn

vele ideeën uitgesproken, die de toekomst misschien nog vervullen zal.

Plaatst Plato aan het hoofd van zijn Staat geschoolde, speciaal

opgeleide menschen, wij kunnen ons geen staat meer denken zonder

ambtenaren met een wetenschappelijke opleiding. Mogen ook afkomst,

protectie en allerlei bijkomstigheden invloed hebben op de benoeming,

onze staat wordt niet meer, als in de oudheid, geregeerd door Jan,

Piet en Klaas, maar door wetenschappelijke personen.

Moge men terugdeinzen voor de geweldige consequentie, dat man en

vrouw gelijk op te voeden zijn, onze maatschappij beweegt zich veel

meer in die richting dan de Grieksche, waar de vrouw een eenzaam,

afgesloten leven leidde, zich weinig ontwikkelde en door haar ouders

uitgehuwelijkt werd. Onze coëducatie en openstelling van allerlei

beroepen voor de vrouw wijzen in de richting van meer gelijkstelling.

Weigeren wij ook veelal te grooten invloed van den Staat op het

gezinsleven, toch gaan vele stemmen op, die bij het vestigen van een

gezin den staat een zeker toezicht willen geven, om zoo mogelijk het

ontstaan van een ongezond nageslacht te vermijden. Huwelijksverbod

in bepaalde gevallen wordt door menigeen "wenschelijk" geacht.

De zorg voor physieke opvoeding en harding is ons niet vreemd. Ook

tegen moreele verwenning wordt thans met ernst gewaarschuwd. Heeft

een Nederlandsch paedagoog onlangs niet de stelling verdedigd, dat

onze kinderen met meer hardheid moeten worden opgevoed!

En eindelijk heeft in de Katholieke Kerk met hare heerschers een zekere

verwezenlijking plaats gevonden van Plato's Staat; een verwezenlijking,

die in de Middeleeuwen, toen het wereldlijk gezag zich onder het

geestelijke stelde, nog verder ging.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 25 / 105 题