Hierin doen zich al gevoelen de teleurstellingen over het leven en
de verminderende geesteswerkzaamheid. Hiertoe rekent men de Wetten.
Behalve de Apologie, die zich er niet toe leende, zijn Plato's
geschriften dialogen, waarbij doorgaans aan Socrates Plato's eigen
meeningen in den mond worden gelegd. Soms wordt de omgeving, waarin
zich de dialoog afspeelt, uitvoerig geschilderd. Meesterlijk weet Plato
dit te doen. Ieder persoon laat hij spreken naar zijn eigen aard,
terwijl alles toch blijft in den beleefden omgangstoon. Een ander
maal staat de absolute redeneering meer op den voorgrond. Eigenaardig
is het, dat Plato, waar hij geen kans zag, zijn ideeën door scherp
omlijnde begrippen in daarbij passende taal te ontwikkelen, ons mythen
vertelt en er bij voegt: zóó ongeveer zou het kunnen zijn.
In de literatuur wordt Plato zeer hoog gewaardeerd. Misschien zou men
enkele prozaschrijvers naast hem kunnen plaatsen, boven hem pleegt
niemand gesteld te worden. Gaat in de vertaling (Fransch van Cousin;
Duitsch van Schleiermacher) veel van de schoonheid verloren, ook daar
nog kan men de meesterlijke rangschikking der stof, de levendigheid,
duidelijke teekening en uitbeelding bewonderen.
§ 14. De Ideeënleer.
Socrates, hebben we gezien, trachtte te komen tot begripsvorming. Niet
wat in dìt, of dàt, of in een ander geval dapperheid was, wilde hij
opsporen, maar wat in 't algemeen dapperheid was, trachtte hij vast
te stellen.
Als zoodanig was de dapperheid nergens te vinden. Slechts in een
bijzonder geval was ze verwezenlijkt. In de waarneming is dus geen
begrip gegeven.
Nog sterker komt dit uit in de wiskunde. We hebben b.v. een zeer
precies begrip van een cirkel. Maar nergens in de waarneming nemen we
een cirkel waar. Zoo nauwkeurig is hij niet geteekend, zoo precies kan
een ronding niet gemaakt zijn, of het eene punt is wel een millioenste
millimeter verder van 't middelpunt dan 't andere.
Dit moest Plato, die veel aan wiskunde deed, sterk treffen.
De begrippen zijn dus iets, dat niet in de waarneming is gegeven.
Toch hebben wij ze. We hebben een begrip van cirkel, driehoek, enz.
Hoe komen we daaraan?
"Dan moeten ze op een andere manier in 't bewustzijn zijn gekomen,"
was het antwoord.
De Grieken konden zich 't bewustzijn moeilijk als actief, als de
ervaringen verwerkend, voorstellen. Ze dachten het meer passief:
het ontving, wat er aan gegeven werd, en kon dit vasthouden.
Met een modern beeld zou men kunnen zeggen: wij denken ons het
bewustzijn meer als een machine, die de ingeworpen stof op allerlei
manier verwerkt, zoodat er weer iets heel anders uit kan komen,
dan er is ingedaan. De Griek dacht het zich als een gevoelige plaat,
waarop zich afdrukt, wat er op inwerkt.
Plato moest de gedachte dus vèr liggen, dat het bewustzijn zelf met
behulp der waarnemingen en krachtens zijn eigen wetten de begrippen
vormde.
De begrippen moeten dus in onze ziel komen. Hoe? wordt nu de vraag.
Om deze vraag te beantwoorden, komt Plato tot een kloeke greep:
Hij neemt aan, dat de ziel voor haar komst in het lichaam die begrippen
aanschouwd heeft.
Om dit mogelijk te maken, moest hij veronderstellen eene praeëxistentie
der ziel vóór het lichaam. We zullen zien, hoe hij dit later in
verband bracht met het voortbestaan der ziel ook nà het lichaam
(postexistentie).
Verder moest hij die begrippen werkelijkheid, een reëel bestaan buiten
ons bewustzijn toekennen. Hiermee schiep Plato naast de wereld die wij
kennen, nog een andere wereld: een immateriëele, die der begrippen,
die bestaat in den topos noêtos (letterl.: Slechts in de gedachte te
kennen plaats).
Dat wij ons die begrippen bewust worden, verklaart hij aldus: De
dingen der buitenwereld gelijken eenigszins op die begrippen. Nemen
we ze waar, dan wordt de in ons bewustzijn sluimerende idee weer
wakker geroepen. Plato grondt dit dus op 't zielkundig feit, dat
we allen kennen: de associatie der gelijkheid. Stel, dat ik lang
geleden een schoolkameraad gehad heb, dien ik daarna niet meer
ontmoette. Ik ben hem vergeten. Nu kom ik later met een jongen,
zijn zoon, in kennis. Deze gelijkt op den vader. Ik zie den jongen,
en door dat gelijke komt de herinnering aan den vader op, met wien
ik als jongen naar school ging. Dat sluimerende beeld komt weer boven.
Zoo komt, door de waarneming, het vroeger aanschouwde begrip weer
in mijn bewustzijn: alle kennen is dus volgens Plato herinnering
(anamnêsis), een zich bezinnen op vroeger waargenomen dingen.
Deze begrippen nu noemt Plato de ideeën en het hier geschetste zijn
enkele hoofdtrekken uit zijn ideeënleer. Hij tracht deze leer in
verbinding te brengen met vroegere systemen en door haar gelukt het
hem, twee systemen, die als uitersten tegenover elkaar staan, dat der
Eleaten en van Heraclitus, te verzoenen in een hoogere eenheid. Het
eenige, onveranderlijke, Eleatische, is de wereld der ideeën. Van haar
hebben we herinnering, kennis. Naast deze wereld van het zijn staat die
van de genesis: van de wording. Dit is de wereld der verschijnselen,
waarin "alles stroomt."
Deze ideeënleer is niet een vaststaand stelsel maar wordt in
de onderscheidene dialogen op verschillende wijze behandeld, en
ettelijke bezwaren tegen of gapingen in het stelsel worden met of
niet met volkomen klaarheid door Plato behandeld.
Met het onderscheid tusschen de ideeën en de dingen ging een verschil
in waardebepaling gepaard. De wereld der ideeën was ook in ethisch
opzicht de betere, de hoogere. Toch lag het in den aard der leer,
dat men ook ideeën van allerlei gewone, ja, weerzinwekkende dingen
moest aannemen. Aanvankelijk heeft Plato dan ook ideeën als tafel,
bed, toegelaten. Later heeft hij zich niet opzettelijk over de vraag
uitgelaten, maar zich met het geven van verschillende voorbeelden
tevreden gesteld. Een vasten regel is in de keuze der voorbeelden
niet te ontdekken, maar die van wiskundige begrippen, eigenschappen,
natuurwezens komen het meest voor.
Hoe verhouden zich de ideeën nu?
Begrippen kunnen gecoördineerd en gesubordineerd zijn en Plato deelt
ze ook gaarne op die wijze in. Van het begrip hond kunnen we opstijgen
tot roofdier, zoogdier, gewerveld dier, dier levend wezen. Van het
begrip roos eveneens tot levend wezen.
Zoo kunnen meerdere rijen van begrippen samenkomen in één begrip
[30]. We kunnen ons denken, dat een denker nu alle begrippen in
zoodanige rijen tracht te ordenen, dat die ten slotte alle uitkomen
in één begrip, dat dan alles omvat. Het is als 't ware de top eener
pyramide, waarvan we langs verscheidene lijnen tot het grondvlak
kunnen komen, waarin de vele bijzondere dingen liggen.
Ondanks Plato's liefde voor co- en subordinatie van begrippen
heeft hij toch--al ontbreken vage aanduidingen niet--geen zoodanige
begrippenpyramide opgebouwd. Hij heeft alleen één idee aangewezen,
dat boven alles staat: de idee van het goede. Maar deze idee omvat
niet alle andere op dezelfde wijze als 't begrip dier alle dieren:
er is geen logische onderordening. De idee van het goede is het doel
van alles wat bestaat. Ten opzichte van haar is al 't andere middel.
Deze idee van het goede heet ook wereldrede, noes, soms godheid. Om
dat nu alles wat is, naar dit doel streeft, is deze idee als 't ware
oorzaak, doeloorzaak van het gebeuren. De idee van het goede is dus
werelddoel, wereldrede, wereldoorzaak. Zij ook moet den band vormen
tusschen de vaste wereld der ideeën, de veranderlijke der dingen.
De dingen gelijken eenigszins op de ideeën: zij worden bewogen,
omdat zij streven naar hun doel: de idee. Maar, als de dingen dan
nabootsing zijn der idee, waarom zijn ze dan geen zuivere maar een
gebrekkige nabootsing? Er moet dus een medeoorzaak zijn, die de
volkomen verwezenlijking van het doel tegenwerkt. Dit is de ruimte,
die omgevormd wordt tot de dingen, waardoor zekere tegenwerking
de oorzaak wordt van het onvolkomene der dingen [31]. De wereld
der dingen is een menging van zijn en niet zijn. Deze metafysische
gedachte heeft ook een theologische uitdrukking: met het oog op de
ideeën heeft een wereldvormende God, de demioergos de dingen geschapen.
Op ouder leeftijd heeft Plato dan zijn ideeënleer in overeenstemming
trachten te brengen met de Pythagoreïsche getallenleer. Deze ging uit
van de eenheid, zoo ook hij. De eenheid viel samen met de opperste
idee. De neo-Platonici hieraan aanknoopend, hebben uit het Eene alles
laten voortkomen als uitstraling, als emanatie (bladz. 153). Hoe verder
van de eenheid af, hoe minder bestaan en hoe minder volkomenheid. De
scherpe scheiding tusschen de volkomen, reëele wereld der ideeën
en de onvolkomen, niet waarachtig zijnde, maar wordende wereld der
dingen wordt opgeheven; er is meer of minder realiteit en daarmee
meer of minder volkomenheid. In de middeleeuwen had deze gedachte veel
invloed. (Vergelijk 't godsbewijs van Anselmus v. Canterbury pag. 190).
In het Symposion wordt de schoone voorstelling gegeven van het heimwee
der ziel naar de idee. De liefde, die begint met liefde voor één schoon
lichaam, wordt liefde voor hét schoone, voor het geestelijk schoone,
voor het goede. Eros is de kracht, die den mensch leidt en stuurt [32].
§ 15. Theologische en Ethische begrippen.
Plato kent drie werkzaamheden der ziel: het begeeren, het willen,
het zuivere kennen.
Later ging hij verder en sprak van de drie deelen der ziel, die hun
plaats hadden in onderlijf, hart en hoofd. De onsterfelijkheid kwam dan
alleen aan het vernuft, de kennende ziel, de rede toe. (Zie bl. 97).
In zijn Phaedo spreekt Plato over zijn vast geloof aan de
onsterfelijkheid. Gedeeltelijk schijnt hij zijn voorstellingen op dit
gebied te hebben ontleend aan de orphische mystiek, waarover reeds
gesproken werd (bladz. 11).
Met de drie deelen der ziel komen drie deugden overeen: onze begeerten
moeten worden beheerscht door de deugd der bezonnenheid (sophròsunê);
de wilsenergie, de dapperheid gaat naast de "moedige ziel," de wijsheid
naast de rede.
Zal onze deugd echter volkomen zijn, dan moet iedere deugd haar plaats
hebben, er moet een zekere harmonie bestaan. Dit is de dikaiosunê
(rechtschapenheid, gerechtigheid).
Is deze vorm zijner ethiek meer theologisch, daar ze aansluit bij zijn
zieleleer, meer filosofisch, zich meer aansluitend bij de ideeënleer,
is zijn ethiek daar, waar hij als hoogste doel van den mensch stelt het
kennen der idee. Eros drijft den mensch tot streven naar het volkomene,
doet heimwee naar de idee ontwaken. Uit dit verlangen ontspringt de
begeerte naar filosofie en het hoogst staan voor Plato de filosofen.
Niet in eens komt de mensch hiertoe. Eerst heeft hij vreugde aan 't
schoone van lijn, kleur en toon. Dit is een goed begin. Daarna moet
hij practische kennis en vaardigheid verwerven. Hij moet zich niet
vreemd gevoelen in de wereld der verschijnselen. Zijn inzicht moet
hem dan gronden doen kennen, waarop hij 't eene of 't andere besluit.
Verder nog stijgend, streeft hij naar een harmonisch leven, maat en
verhouding brengt hij in zijn leven.
Eerst dan stijgt hij tot het hoogste: het kennen der idee.
Het zedelijk ideaal laat zich aldus uitdrukken: schoonheid, kennis,
theorie, waarheid.
Deze ontwikkeling van het ethische komt overeen met die der liefde
geschilderd in 't Symposion.
Het is duidelijk, dat deze beide ethica's elkaar niet volkomen
dekken. Al de werken van Plato geven dan ook, zooals we reeds
opmerkten, geen samenhangend, leidend systeem.
Als de ziel niet gelouterd is, zal zij na haar aardsch bestaan weer
in een lichaam terugkeeren.
Plato is een aanhanger van de leer der zielsverhuizing, welke hij
aan de Pythagoreeërs (zijn bekendheid met de Pythagoreeërs hebben we
reeds gezien), of aan de mysteriën ontleend mag hebben. Bij hem dan
ook de leer van de schuld en de boete der ziel.
Merkwaardig is, hoe hij het heete verlangen naar vrijmaking en
vrijwording van zonde in overeenstemming weet te brengen met zijn
ideeënleer: het is het verlangen der ziel naar de idee.
§ 16. Plato's Staat.
Uitvoerig heeft Plato zijn gedachten ontwikkeld over den besten Staat,
en dat niet als een droombeeld, maar als een te verwerkelijken
ideaal. Met de verwerkelijking staan zijn Siciliaansche reizen
in verband.
Plato had, als geboren aristocraat en als Socraticus, een afkeer van
de democratie. Dat de menschen zich met allerlei zaken behalve met
hun eigene bemoeien, dat de eerste de beste zich bezig houdt met de
hoogste belangen van den staat, waartoe zooveel kennis en inzicht
wordt vereischt, moest hem wel gruwelijk schijnen. Daarbij kwam de
vleierij der massa door de redenaars.
Zijn staat zou daarom een zijn, waar de besten regeerden. Maar met
die besten bedoelde hij hen, die 't hoogst staan in zedelijk opzicht.
Er zouden drie standen zijn. De laagste was die der boeren en
handwerkslui. Zij mochten privaat-bezit en familieleven hebben. Hun
deugd was de sophrosunê, de zelfbeheersching, het gehoorzamen aan en
onderdanig zich voegen naar de hoogere standen, zooals de begeerende
ziel ook ondergeschikt moest zijn aan de bezonnenheid.
Boven deze en overeenkomende met de "moedige ziel," staat de stand der
wachters. Van jongs af waren ze opgevoed tot 't krijgsleven, vormden
een aparten krijgsstand, verdedigden het vaderland en oefenden zich
van der jeugd af in matigheid en harding.
Tusschen mannen en vrouwen bestaat hier geen verschil.
Huwelijken vinden onder hen niet plaats. Op gelegene tijden worden
geschikte paren bij elkaar gebracht, waarbij men er op letten zal,
zooveel mogelijk bij elkaar passende menschen samen te brengen,
opdat er een kloek geslacht ontstaat.
Dadelijk na hun geboorte worden de kinderen aan de moeder ontnomen,
ze krijgt een ander te zoogen. De regeling is zoo, dat elk kind in
ieder ouder zijn vader en moeder, elk ouder in ieder kind zijn kind
moet zien.
Aan de spits van den staat is de eerste stand: die der filosofen. Zij
kennen de idee en regeeren den staat naar wijsheid.
Zooals in den enkelen mensch de drie deugden zich goed onderling
moeten verhouden, zoo moeten in den staat de drie standen harmonisch
samenwerken. Dit is dan de dikaiosunê (rechtschapenheid).
Het bevreemdt ons niet, dat een dergelijke staat niet in de practijk
uitvoerbaar was. Aan droomen over den besten staat heeft het echter
nooit ontbroken. Zoo schreef Thomas Moore zijn "Utopia," Campanella
zijn "Zonnestaat" en we herinneren aan een der jongste pogingen:
"In het jaar 2000 van Edw. Bellamy," [33] dat in menig opzicht het
tegenovergestelde is van Plato's boek. Eigenaardig, dat echter in
beide een veel grootere macht aan den staat wordt toegekend dan de
staat, zooals wij die kennen, bezit (bl. 218, 219).
Toen later Plato's pogingen tot uitvoering waren mislukt, schreef hij
"de Wetten," iets meer aan 't practische leven aangepast.
In Plato's Staat komen ook merkwaardige ideeën over opvoeding voor,
die geheel ingericht moest zijn met het oog op de aanstaande taak der
jongelingen. Plato, wars van alle overdreven gevoeligheid, eischte een
ernstige, mannelijke gezindheid, een zich bezighouden met gymnastiek,
muziek en wetenschap (sterrenkunde, meetkunde).
§ 17. Plato's invloed.
Het is ondoenlijk, deze in weinige regels ook maar benaderend weer te
geven. Op het geheele Westersche denken drukte hij den stempel zijner
persoonlijkheid. Maar enkele punten mogen naar voren gebracht worden.
Allereerst heeft Plato invloed geoefend op zijn leerlingen; men
heeft gezegd: zonder Plato geen Aristoteles, geen Plotinus, geen
Augustinus. Wat dit beteekent, moge het vervolg van dit boekje leeren.
Wijzen we enkele belangrijke ideeën aan, die bij hem voorkomen:
Het bestaan van het immateriëele is ons zoo gewoon, dat we 't ons
nauwelijks kunnen voorstellen, dat deze idee wòrden moest. Is het niet
evenzoo met zijn meerderheid van de ziel boven het lichaam? Vindt de
heimwee der ziel naar de idee zich niet terug in het verlangen der
christenen naar eenheid met God, naar kennisse Gods als inbegrip van
alle wijsheid. Een verlangen, door ten Kate zoo innig en eenvoudig
uitgedrukt:
We zoeken U in alles, Vader.
En vinden U in niets genoeg.
Overwegend is Plato's religieus gedachtenleven geweest voor ons
godsdienstig voelen en denken.
Op het gebied der metafysica heeft hij voortgezet, wat reeds Socrates
had aangevangen: het opsporen van de begrippen. Uit zijn school kwam
Aristoteles, die de vader werd der formeele logica. In de natuurkunde
voerde hij het begrip doel-oorzaak in. De huidige natuurwetenschap
neigt wel meer tot Plato's tegenvoeter Democritus, maar de doeloorzaken
heerschten tot ± 1500 en eerst in de 19de eeuw bracht 't Darwinisme een
geheele verandering, nadat de denkers der 16de, 17de en 18de eeuw een
teleologische natuurverklaring bestreden hadden. (Zie Afdeeling IV).
In zijn systeem wist hij de tegenstrijdigheden van 't Grieksche
wetenschappelijk denken in hooger eenheid te vereenigen. Democritus
en Plato waren de eersten, die een meer afgerond, wijsgeerig systeem
gegeven hebben.
En ten slotte is er in zijn Staat--hoe vreemd die ons moge
schijnen--toch veel geweest, dat de toekomst heeft vervuld, en zijn
vele ideeën uitgesproken, die de toekomst misschien nog vervullen zal.
Plaatst Plato aan het hoofd van zijn Staat geschoolde, speciaal
opgeleide menschen, wij kunnen ons geen staat meer denken zonder
ambtenaren met een wetenschappelijke opleiding. Mogen ook afkomst,
protectie en allerlei bijkomstigheden invloed hebben op de benoeming,
onze staat wordt niet meer, als in de oudheid, geregeerd door Jan,
Piet en Klaas, maar door wetenschappelijke personen.
Moge men terugdeinzen voor de geweldige consequentie, dat man en
vrouw gelijk op te voeden zijn, onze maatschappij beweegt zich veel
meer in die richting dan de Grieksche, waar de vrouw een eenzaam,
afgesloten leven leidde, zich weinig ontwikkelde en door haar ouders
uitgehuwelijkt werd. Onze coëducatie en openstelling van allerlei
beroepen voor de vrouw wijzen in de richting van meer gelijkstelling.
Weigeren wij ook veelal te grooten invloed van den Staat op het
gezinsleven, toch gaan vele stemmen op, die bij het vestigen van een
gezin den staat een zeker toezicht willen geven, om zoo mogelijk het
ontstaan van een ongezond nageslacht te vermijden. Huwelijksverbod
in bepaalde gevallen wordt door menigeen "wenschelijk" geacht.
De zorg voor physieke opvoeding en harding is ons niet vreemd. Ook
tegen moreele verwenning wordt thans met ernst gewaarschuwd. Heeft
een Nederlandsch paedagoog onlangs niet de stelling verdedigd, dat
onze kinderen met meer hardheid moeten worden opgevoed!
En eindelijk heeft in de Katholieke Kerk met hare heerschers een zekere
verwezenlijking plaats gevonden van Plato's Staat; een verwezenlijking,
die in de Middeleeuwen, toen het wereldlijk gezag zich onder het
geestelijke stelde, nog verder ging.