PLATO.

§ 12. Leven.

Wie in een paar pagina's iets van Plato zeggen wil, krijgt het gevoel,

dat hèm bevangen moet, die een landstreek, vol van nijvere steden,

breede schependragende rivieren, majestueuse bergen, donkere wouden

en diepe dalen en vruchtbare vlakten in een schematisch schetskaartje

weergeven moet, waarbij steden kringetjes, bergen bogen, rivieren

lijntjes zijn geworden: een schetskaart is dan ontstaan, die de

werkelijkheid van héél ver gelijkt. Zoo zal ook het volgende niet dan

enkele vage lijnen geven van het beeld van den geweldigen denker,

den goddelijken kunstenaar, den hoogen en krachtigen mensch, den

verzienden profeet.

Van vaderszijde uit een geslacht, dat zijn stamboom opvoerde tot den

laatsten Atheenschen koning, van moederszijde verwant aan den bekenden

Atheenschen archon Solon, behoorde Plato tot een hoogadellijke,

echter niet rijke Atheensche familie. In 427 v. C. werd hij op 't

eiland Aegina geboren, kreeg zijn naam Plato later naar zijn krachtig

lichaam en breed hoofd, beoefende in zijn jeugd gymnastiek en muziek,

schijnt verzen te hebben geschreven, kwam in aanraking met Socrates,

waardoor zijn liefde voor de filosofie gewekt werd. Zijn verzen moet

hij toen verbrand hebben. Na Socrates' dood ging hij uit Athene:

hetzij omdat het er niet volkomen veilig meer was, hetzij omdat zijn

reislust sterk was en hij daaraan voldeed, nu na den dood van den

geliefden meester hem niets meer aan Athene bond. Na zich eerst bij

andere leerlingen van Socrates gevoegd te hebben in het gastvrije

huis van Euclides te Megara, ging hij naar Egypte, waar hij kennis

maakte met een overoude cultuur, en een staatswezen met vaste, schier

onwrikbare instellingen, in sterke tegenstelling staande tot de zoo

wufte Atheensche staatsinrichting. Van hier naar het rijke Cyrene,

toen over zee naar Sicilië.

In de enkele historische opmerkingen over de Grieksche geschiedenis

hebben we gezien, hoe ver buiten 't eigenlijke Griekenland Grieksche

nederzettingen waren. Bij Empedocles van Agrigentum, bij Gorgias

van Leontinoi maakten we reeds kennis met Sicilië. Toen Plato

daar kwam, heerschte over een groot deel van 't eiland Dionysius,

tyran van Syracuse [28]. Naast de inlandsche volkeren bevochten

twee machten op Sicilië elkaar: de Grieken wier steden, meest met

Republikeinschen regeeringsvorm meer in 't Oosten lagen, de Carthagers,

die hun nederzettingen in 't Westen hadden. In 405 had zich een jong,

energiek officier uit den middenstand tot tyran weten te verheffen,

was door Carthago erkend, had eenige jaren rust gebruikt om zijn

macht enorm te versterken, had op de Carthagers een groot deel van

het eiland veroverd, zijn invloed uitgebreid over de Grieksche steden

van Zuid-Italië, en Syracuse tot een aanzienlijke stad gemaakt. Het

had grooter oppervlakte dan Rome tijdens de keizers, zijn stadswallen

waren 27 K. M. lang. Dit Syracuse was een middelpunt ook voor Grieksche

beschaving.

Plato kwam hier aan, maakte hier waarschijnlijk ook kennis met

verschillende Pythagoreeërs en kwam, door bemiddeling van Dio, raadsman

en zwager des konings, aan 't hof. Weinig weten we van het verkeer

tusschen beide mannen. Maar Dionysius, die Plato's toenemenden invloed

op Dio bemerkte, wilde zich wel van hem ontdoen. Dionysius was een

practisch dadenmensch, die voor ideeën weinig voelde. Hij verzocht

aan een Spartaansch gezantschap, waarmee Plato afreisde, te zorgen,

dat deze hem nooit meer hinderen kon. Dit meende het best aan het

verzoek te voldoen, door Plato te Aegina aan wal te zetten: immers had

de volksvergadering besloten, dat elk Atheensch burger, die daar kwam,

ter dood gebracht zou worden of als slaaf verkocht. Het laatste trof

Plato. Gelukkig echter--zoo luidt het romantische verhaal--was juist

in Aegina Anniteus aanwezig, met wien Plato te Cyrene kennis had

gemaakt. Deze hoorde van zijn ongeluk, kocht hem, stelde hem buiten

Aegina op vrije voeten, en weigerde de som, die Plato's vrienden in

Athene hadden bijeengebracht, als schadevergoeding aan te nemen. Met

deze som zou dan Plato's school gesticht zijn.

De Academie.

Zooals de Cynici zich in een gymnastiekschool hadden gevestigd,

deed Plato het ook: hij ging onderricht geven in de academie;

daarnaar heet zijn school eveneens "de Academie." Hier had ieder

vrijen toegang. Rijkere leerlingen schijnen wel eens bijdragen

gegeven te hebben en ook werden wel legaten aan de stichting

vermaakt. Aanvankelijk werd het onderricht zoo, als Socrates

het gegeven had, verstrekt: wandelende en pratende. Later, bij

grooter getal leerlingen, werden er ook wel "colleges" gegeven,

meer aaneengeschakelde voordrachten, waarnaar de leerlingen luisterden.

Tot aan zijn dood bleef Plato hoofd van de academie, strenge orde

handhavend. Later kwam er natuurlijk wel eens meeningsverschil met

zijn leerlingen, b.v. met Aristoteles. Hoogst onwaarschijnlijk is het

echter, dat dit tot de vele chicanes aanleiding zou hebben gegeven,

waarvan oude verhalen gewag maken.

Van de havelooze cynici onderscheidden "de academici" zich, misschien

welbewust, door zekere elegantie in voorkomen, in kleeding en

manieren. Waren de cynici meer proletariërs, zij waren meer de

"chique."

De academie heeft eeuwen bestaan. Eerst in 529 n. C. werd ze bij

besluit van Keizer Justinianus gesloten. Oorspronkelijk wees het

schoolhoofd zijn eigen opvolger aan; later werd hij bij geheime

stemming door de scholieren gekozen. Dat in al de eeuwen van haar

bestaan de academie niet steeds dezelfde richting heeft voorgestaan,

is duidelijk. Men kon er later allerlei leer in aantreffen.

Hier, in de academie, had Plato zijn eigenlijke levenstaak gevonden:

opvoeden en onderrichten in intieme, hartelijke verhouding tot zijn

leerlingen.

Plato echter bezat ook een levendige belangstelling voor politiek

en maatschappij. Niet alleen het denken trok hem aan, maar ook

de toepassing. Zoo zijn dan waarschijnlijk zijn tweede en derde

Sicilische reis te verklaren. Dionysius I was opgevolgd door zijn

zoon Dionysius II (367) en deze, een ijdel, krachteloos man, maar

niet geheel zonder goeden wil, noodigde op raad van Dio Plato uit,

zijn ideaalstaat te komen verwezenlijken. Het mislukte: zeer zeker was

het ideaal onvervulbaar en Dionysius was er absoluut de man niet naar,

om hoofd van den staat naar Plato's model te zijn.

Dio viel in ongenade; Plato vertrok. Later is hij er nog eens geweest,

trachtte de breuk met Dio te heelen, wat mislukte, werd in een soort

gevangenschap gehouden en eerst door krachtige tusschenkomst van

Archytus van Tarente in vrijheid gesteld.

Deze ervaringen hebben er zeker toe bijgedragen, om Plato's meening

over tyrannen, die hij later koesterde, te vormen.

Behalve de Siciliaansche reizen heeft niets zijn werkzaamheid aan de

academie gestoord tot aan zijn dood in 347.

§ 13. Werken.

Wat we bij Democritus en Protagoras hebben te betreuren, is bij Plato

niet het geval: het zoo goed als totale verlies hunner werken. Veilig

mag men aannemen, dat zoo goed als alles, wat Plato schreef, tot ons

is gekomen. We hebben hier echter een andere moeilijkheid: niet alles,

wat op Plato's naam staat is van hem. En het is een der moeilijkste

dingen der Grieksche philologie, uit te maken, wat precies van hem

is. Daarvoor zou het vooral van belang zijn, zijn ideeën te kennen. In

zijn lange werkzaamheid als schrijver zijn zijn denkbeelden niet

steeds gelijk gebleven en we moeten dus uit zijn geschriften den

ontwikkelingsgang leeren kennen. Zoo gaan we in een cirkelgang rond:

de leer uit de geschriften, de geschriften uit de leer.

Zeer moeilijk is het daarbij precies uit te maken, wanneer de

verschillende werken geschreven zijn: sommige schijnen ook niet ineens,

maar langzamerhand tot stand te zijn gekomen.

De historische critiek, die zich bijzonder veel met Plato's werken

bezig hield, heeft menig duister punt opgeklaard. Men kan de

Platonische geschriften aldus verdeelen:

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 21 / 105 题