De lucht bleef onveranderlijk helder, als wilde zij den spot met onze
reizigers drijven. Al spoedig, omstreeks den 15den Maart, kondigde de
eerste vorst aan, dat de winter in aantocht was. Toen de ingenieur
den thermometer raadpleegde, die tot 2 graden beneden het nulpunt
gedaald was, werd hij door angst aangegrepen; want bij eene lage
temperatuur zou het vullen van den ballon zeer moeilijk gaan.
De kapitein teekende verscheidene malen per dag den stand van den
barometer aan, ten einde Gromski den eersten herfststorm te kunnen
aankondigen, die den luchtballon uit de ijswoestijn moest wegvoeren.
Eindelijk, na tien dagen gewacht te hebben, begon er verandering in de
weersgesteldheid te komen. De barometer daalde in den nacht van den
19den in zes uren niet minder dan 15 millimeters. Deze plotselinge
toeneming van de vochtigheid deed tot groote veranderingen in den
dampkring besluiten. De kapitein deelde dit aan Gromski mede, die de
wacht bij den luchtballon hield.
De ingenieur bracht met behulp van James den stoomketel in orde en
drenkte het mos met olie om, dank zij dezen maatregel, het vuur te
kunnen ontsteken, zoodra dit noodig zou wezen.
Toen in den morgen van den 24sten de barometer 745 millimeters aanwees,
begon men, zonder langer te wachten, den ballon te vullen.
"Als het maar geen cycloon wordt!" zei de stuurman gejaagd, terwijl
hij naar de lucht keek, waaraan donkergrijze wolken voortdreven. "Met
een cycloon zouden wij niet ver komen."
Het mos, met olie gedrenkt, was, zooals men al spoedig zag, eene goede
brandstof; het brandde spoedig en gaf eene flinke en hooge vlam. De
ingenieur hoopte den ballon in zes uren te vullen. Hij spaarde de
olie niet, want het was er om te doen, zoo spoedig mogelijk de noodige
hoeveelheid waterdamp te verkrijgen.
Tegen den middag begon de lucht zich met geelachtige wolken als met
een half doorzichtigen sluier te bedekken. Dit was, naar het zeggen
van den stuurman, de voorbode van een orkaan.
De ingenieur wreef zich van blijdschap in de handen, toen hij de
wolken zag, die zich aan den horizon opeenhoopten.
"Laat alle winden maar losbarsten!" zeide hij, terwijl hij nog wat
olie in het vuur goot.
Ford hield zijne oogen onafgebroken op den barometer gevestigd, die
nog voortdurend daalde. Er viel niet aan te twijfelen, of er was een
storm in aantocht.
"Haast u wat!" zei de kapitein, terwijl hij den voorraad gerookte
ganzen en versche eieren in het schuitje neerlegde. "Binnen drie uren
zal de storm opsteken; ik vrees, dat het een sneeuwjacht zal worden,
die voor ons noodlottig zou wezen."
De kloeke zeeman had juist geraden. Omstreeks 4 uur in den namiddag
deden de eerste windvlagen zich gevoelen, welke den ballon, die nu
voor drie vierden gevuld was, heen en weer bewogen. Gromski richtte
het hoofd op en zag de lucht loodkleurige tinten aannemen. Op dezen
somberen achtergrond dreven langzaam eenige witte wolkjes voort.
"Ik heb dikwijls dergelijke wolkjes gezien vóór stormen, die wel
verscheidene dagen achtereen aanhielden," zeide James, die op eene
rots geklommen was.
Ford haastte zich, daar hij het gevaar wel vooruitzag, dat den ballon
zou bedreigen, indien men eens genoodzaakt was, gedurende den storm
boven de kleine vallei op te stijgen.
"Er bestaat geen gevaar," zei de ingenieur. "Onze ballon zal zóó
snel opstijgen, dat wij zelfs de rotsen rondom het schuitje niet
zullen opmerken."
Gedurende dezen tijd nam de orkaan met ieder oogenblik in hevigheid
toe. Zijn schel gefluit werd machtiger dan het geluid van den stoom,
die uit den stoomketel ontsnapte. De luchtballon nam langzamerhand
zijn vroegeren vorm van eene reusachtige sigaar weder aan. Om zes uur,
toen het overige gedeelte van het mos naar het schuitje overgebracht
was, verzocht de ingenieur aan zijne metgezellen, hunne plaatsen in
te nemen.
"Houdt u goed!" riep hij hun toe, terwijl hij nog wat ballast uit
het schuitje wierp.
Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de luchtballon begon
zich te bewegen en steeg in een oogwenk boven de rotsen, die hem
omgaven. De schok, daardoor teweeggebracht, wierp den stuurman, die er
niet op verdacht was geweest, op het vochtige mos neer. De kapitein,
die den rand gegrepen had, zag de vallei eensklaps verdwijnen. Eene
halve minuut daarna zweefde de luchtballon reeds over de ijsvelden,
die de kusten omgaven.
"We gaan naar het Noordoosten," riep Ford uit. "Kijkt maar naar
het ijs!"
Inderdaad vloog de ballon over het uitgestrekte ijsveld heen, dat
zij eenige weken geleden met zooveel moeite overgeloopen hadden. Al
spoedig verdween de lange keten van bergen als in een mist.
De kapitein bemerkte te midden daarvan de noodlottige plaats, die
bijna zijn graf geworden was. Maar de ijsvelden verdwenen al spoedig
uit het gezicht. De orkaan voerde den ballon daar overheen met eene
snelheid, die Gromski op 180 kilometers begrootte.
"Drommels!" riep de kapitein uit. "Het is toch heerlijk, dat we nu
in een kwartier den afstand afleggen, waartoe we vroeger een maand
noodig gehad hebben!"
De herinneringen aan de bezwaren der reis, aan de bovenmenschelijke
inspanning en aan de verschrikkelijke oogenblikken, te midden
der ijsbergen doorgebracht, schenen den reizigers nu belachelijk,
vergeleken bij de verbazende snelheid van den luchtballon, die nu in
eene minuut denzelfden weg aflegde, waarvoor zij vroeger een geheelen
dag noodig hadden gehad.
Het oppervlak van den oceaan bedekte zich al spoedig met dreigende
wolken. Een halfuur na de opstijging kwam de luchtballon geheel in
de zwarte wolken, en dat wel op het oogenblik, waarop Ford de zee
hoopte te zien, waarvoor hij weinig tijds geleden had moeten zwichten,
zonder de pool te kunnen bereiken, waarvan hij nauwelijks 15 kilometers
verwijderd was.
Nu de ballon eenmaal in deze verdunde en van vochtigheid verzadigde
lucht gekomen was, steeg hij langzaam; gelukkig was de temperatuur
te midden der wolken hoog genoeg, anders zouden onze reizigers
met een plotselingen val bedreigd zijn. De ingenieur stak het
waterstofgas onder den stoomketel aan om het opstijgingsvermogen te
doen toenemen. Hij slaagde daarin volkomen. Om 7 uur wees de barometer
eene hoogte van 2400 meters aan. De wolken eindigden nauwelijks 500
meters hooger.
"Wie weet?" zeide James met een zucht. "Misschien hebben wij wel
boven de pool zelf gezweefd."
"Dat betwijfel ik," antwoordde Gromski. "De wind voert ons naar het
Noordoosten en niet naar het Zuiden."
"Moet dat beteekenen, dat wij niet regelrecht naar Amerika
terugkeeren?"
"Dat doet er niet toe, als wij maar eenig vasteland bereiken. Ik
voor mij zou er niets tegen hebben, al kwamen we ook in Afrika,
zelfs onder de Hottentotten neer."
"Ik ook niet," mompelde de zeeman. "Maar ik heb er een voorgevoel van,
dat wij eindelijk nog eens in den Oceaan zullen neerkomen."
Onze reizigers waren zich al te zeer van hun hachelijken toestand
bewust, dan dat zij zich hieromtrent illusiën zouden maken. Zij
wisten maar al te goed, dat hunne reis slechts eene wanhopige poging
was. Nochtans verloor geen hunner zijne koelbloedigheid en zijn moed.
Gromski rekende niet veel op den ballon, die nu van waterstofgas
verstoken was; maar hij wenschte toch zoolang mogelijk in de lucht
te blijven.
Gelukkig verloor de ballon, dank zij zijne betrekkelijk kleine
oppervlakte, slechts langzaam zijne warmte. Te middernacht was de damp,
dien hij bevatte, nog niet in een vloeibaren toestand overgegaan.
Eerst 's morgens om vier uur begonnen de eerste droppels uit het
inwendige van den ballon te vallen.
Toen Gromski dit bemerkte, stak hij het fornuis aan en bracht in den
ballon eene aanzienlijke hoeveelheid warmen damp.
Van dat oogenblik af moest men het vuur onder den stoomketel steeds
aanhouden; de stuurman ving zorgvuldig in de huid van een zeekoe het
water op, waarin de damp veranderde. Anders zou de voorraad water, die
als ballast gebruikt werd, binnen eenige uren uitgeput geweest zijn.
Onze reizigers zagen met angst, dat de inhoud van het ballonnetje,
dat het waterstofgas inhield, snel verminderde. Vijftien uren na hun
vertrek had de ingenieur reeds de helft van deze kostbare brandstof
verbruikt.
"Ik zou wel eens willen weten, met welke snelheid wij voortgaan,"
zei de kapitein. "Als die zwarte wolken er niet waren, zou ik nooit
hebben kunnen gelooven, dat een storm ons meevoerde."
Inderdaad was er geene verandering in den omtrek van den ballon op te
merken. De atmosfeer scheen volkomen kalm te zijn. Bliksemstralen en
donderslagen gingen met dezen storm zelfs niet gepaard. Door de dichte
massa wolken, die onder de voeten van onze reizigers voortdreven,
kon men niets onderscheiden. De ingenieur dacht, dat het in de lagere
luchtlagen moest regenen en sneeuwen; dientengevolge moest men er
zooveel mogelijk boven blijven.
Maar de ingenieur kon zijn ballon niet lang op de gewenschte
hoogte houden; want de temperatuur daalde na verloop van eenige
uren aanmerkelijk. De damp perste zich al meer en meer samen,
zoodat de stoomketel zonder ophouden in werking moest blijven. Op
den 21sten Maart, des morgens om 10 uur, was het waterstofgas geheel
verbruikt. Terstond begon de barometer snel te dalen. Het gevaar werd
al dreigender en dreigender.
Een halfuur daarna trok de stuurman Gromski bij de mouw en wees hem
verscheidene witte vlokken, die op zijne kleederen neervielen.
"Sneeuw," mompelde hij.
Zoo was dan gebeurd, waarvoor de ingenieur zoozeer had gevreesd: de
luchtballon bevond zich in de lagere luchtlagen, waar een sneeuwstorm
woedde.
"James, doe het overige van het mos in het fornuis," zeide hij,
"anders zullen we vallen."
"Dat zullen we toch niet kunnen verhinderen," antwoordde de zeeman,
terwijl hij aan het gegeven bevel voldeed.
De kleine hoeveelheid mos verdween al spoedig; de stuurman haalde,
na de laatste hoeveelheid op het verflauwende vuur geworpen te hebben,
de schouders op.
"Nu moet het omhulsel van den rand van het schuitje er aan gelooven,"
zeide hij.
En daar hij geen antwoord kreeg, nam hij een mes en begon de zijde
af te snijden, die den rand omgaf. De ingenieur verhinderde hem
hierin niet.
"Laat het maar verbranden! Wat doet dat er toe?"
Maar het harde bamboes wilde niet branden. James stak dus zijn mes
weder in den zak en begon, met de handen op den rug, een matrozenliedje
te fluiten, welks vroolijke melodie een zonderling contrast met het
onheilspellende gebulder van den Oceaan opleverde. De kapitein volgde
met angst de sneeuwvlokken, die eene gedurig dikker wordende laag op
den luchtballon vormden.
"Welnu, kameraden, we moeten maar afscheid van elkaar nemen!" zeide
hij eensklaps met eene stem, die van ontroering trilde. "Al spoedig
zullen de golven ons voor immer den mond sluiten, en ik wil de aarde
niet verlaten zonder u vergiffenis gevraagd te hebben, Mijnheer. Het
is mijne hardnekkigheid, die ons allen in het verderf heeft gestort. Ik
weet het ... want ... als ik ..."
Maar Gromski viel hem in de rede.
"Ge moest wel ... het was uw plicht, zoo te handelen," zeide Gromski
met tranen in de oogen, terwijl hij den kloeken zeeman de hand
drukte. "Het is een gering offer op het altaar der wetenschap. Alles,
wat ik wensch, is, dat het niet vruchteloos moge blijven."
"Dat zal het geval niet zijn!" antwoordde Ford, terwijl hij de blikken
doos, waarin zijn dagboek opgesloten was, te voorschijn haalde. "Men
zal dit vroeger of later wel vinden! Weest daar maar gerust op!"
"Ja," zeide James, terwijl hij zich den neus snoot. "Alleen is het
jammer, dat wij dit zelf niet kunnen vertellen ... Och hemel!"
In dezen laatsten uitroep lag alles opgesloten, wat de oude zeeman niet
onder woorden kon brengen: verbittering, spijtigheid, teleurstelling,
wanhoop en eindelijk berusting.
Dit treurige tooneel duurde echter niet lang. Onze reizigers
beheerschten hunne aandoeningen en wachtten met gelatenheid den
dreigenden dood af.
Het dof gebulder van den Oceaan, die door den storm werd voortgezweept,
werd al duidelijker en duidelijker. Gromski berekende, met den
barometer in de hand, de hoogte, waarop zij zich bevonden.
"Achthonderd meters, zevenhonderd...."
"De Oceaan!" riep James, terwijl hij zich over den rand van het
schuitje heenboog.
En tegelijkertijd kwam de luchtballon uit de dichte wolk, die hem tot
dusverre omgeven had. Tusschen de sneeuwvlokken, die door de lucht
dwarrelden, tusschen het gebulder van den orkaan door, kon men zonder
moeite het donkere oppervlak van den Oceaan zien en zijne millioenen
golven, die elkander onafgebroken opvolgden. Op den donkeren Oceaan
teekenden zich de talrijke witte silhouetten der ijsbergen af,
die door de golven werden meegevoerd. Dit tooneel werd met ieder
oogenblik duidelijker te onderscheiden; want de luchtballon, die
reeds met eene sneeuwlaag van eenige centimeters bedekt was, daalde
met eene ontzaglijke snelheid naar beneden.
"Nu is het einde daar!" mompelde James.
Het schuitje raakte het schuim der golven reeds aan. De ballon gleed
over het onstuimige oppervlak van den Oceaan. Onze reizigers gevoelden
een hevigen schok en terstond daarna eene ijzige koude door hunne
leden. Het was gedaan. De ballon worstelde met de golven. Door den wind
voortgedreven, verhief hij zich somtijds, als een gekwetste vogel,
maar viel terstond weder neer. De ingenieur en zijne metgezellen,
die door het schuim der golven overstroomd en verblind waren, grepen
als bij instinct de touwen om uit het schuitje te komen, dat geheel
op zijde gevallen was.
Na bovenmenschelijke pogingen gelukte het hun, het inwendige van den
ballon te bereiken. Deze laatste kromp bij iedere aanraking met het
water zichtbaar ineen. De waterdamp veranderde snel in een vloeibaren
toestand.
"Hooger, hooger!" riep de ingenieur, terwijl hij in de groote holte
van het omhulsel kroop.
Hier konden de golven hen niet bereiken. Na al zijne koelbloedigheid
herkregen te hebben, bemerkte hij, dat de ballon niet onbeweeglijk
was, maar dat hij met snelheid naar eene ontzaglijke massa heendreef,
waarvan de omtrekken door den sluier van sneeuw slechts onduidelijk
te zien waren. De kapitein bemerkte deze insgelijks.
"Een ijsberg!" riep hij uit.
Nauwelijks waren deze woorden over de lippen van Ford gekomen, of de
gehavende ballon kwam op den ijsberg neer. Onze reizigers hoorden
het dof gekraak van het brekende bamboes. Het schuitje was met een
scherpen kant van het ijsveld in aanraking gekomen en bleef daaraan
voor een oogenblik vasthaken.
Gromski maakte van dit oogenblik gebruik. Na zijne schuilplaats
verlaten te hebben, bereikte hij na eenige vruchtelooze pogingen het
hobbelige oppervlak van den ijsberg en bevond zich al spoedig op den
kant, waaraan de ballon was blijven vasthaken.
De kapitein en James volgden hem werktuiglijk.
Intusschen verhief zich de ballon, zoodra zij den voet op den ijsberg
gezet hadden, eensklaps en verdween in het luchtruim.
Gedurende eenige oogenblikken zag men hem zich nog als een zwart
stipje tegen de vallende sneeuw afteekenen; daarop verdween hij te
midden der donkere wolken.
De ingenieur, die aan den kant van eene breede kloof zat, staarde hem
tot op het laatste oogenblik na. Toen verborg hij zijn gelaat in de
handen en biggelden er een paar tranen langs zijne wangen.
Het gewrocht van zijn genie, de oorzaak van zijn roem, was voor immer
verloren gegaan.