Geene reizigers naar de poolstreken hebben, gelooven wij, ooit in zulk
een wanhopigen toestand verkeerd als die, waarin onze luchtreizigers
zich thans bevonden.
De bemanningen van de schepen, die verbrijzeld of door het ijs
ingesloten zijn, kunnen nog redding in hunne sloepen zoeken of
eene poging wagen om te voet de streken te bereiken, die door de
walvischvangers plegen bezocht te worden. Maar nu onze reizigers hun
luchtballon verloren hadden, verkeerden zij in een toestand, waaraan
geen ontkomen meer mogelijk was. De terugreis over den Oceaan was
hun even ondoenlijk als de terugreis door de lucht. Zij bezaten geen
kano. Wat de reis door de bergen, met eeuwige sneeuw en ijs bedekt,
aangaat, deze grensde aan eene belachelijke stoutmoedigheid. Nooit
drong er eenig schip tot aan dit einde der wereld door: het was dus
vruchteloos, eenige hulp van anderen te verwachten.
Alleen het waterstofgas kon hen redden en den verslapten luchtballon
weder doen opzwellen. Maar op de geheele oppervlakte van het
uitgestrekte vasteland aan de Zuidpool zou Gromski de materialen niet
hebben kunnen vinden om dit gas te verkrijgen, en hij dacht daar dan
ook niet aan. Misschien bevonden zich ergens, honderden voeten onder
de rotsen, lagen van ijzer en van zwavel, maar waartoe zouden deze hem
dienen? De scheikunde geeft geen gemakkelijker middel aan de hand om
waterstofgas te verkrijgen dan het een of ander zuur op een metaal
te doen werken; maar al wist zij ook een ander middel, toch zou de
ingenieur daarmee zijn voordeel niet hebben kunnen doen bij gebreke
van de noodige ingrediënten. Men vult de ballons somtijds met lichtgas,
dat veel zwaarder is dan waterstofgas. Maar waar zouden onze reizigers
de steenkolen en de distilleertoestellen vandaan gekregen hebben?
Terwijl de ingenieur over een middel nadacht om het waterstofgas
door iets anders te vervangen, herinnerde hij zich de luchtbollen,
die met behulp van lucht, door warmte verdund, opstijgen. Maar
dergelijke luchtbollen kunnen hun opstijgingsvermogen niet lang
behouden en komen gewoonlijk eenige uren, nadat zij opgestegen zijn,
weder neer. Bovendien vereischen zij eene aanmerkelijke hoeveelheid
brandstof, die onze reizigers niet bezaten. De ingenieur was dus
genoodzaakt om te erkennen, dat al zijne wetenschappelijke kennis
machteloos was tegenover de moeilijkheden, die zich voordeden. De
stoutmoedige bemanning van den luchtballon werd bedreigd door het
ellendige lot, dat de "World" in zijn merkwaardig artikel reeds
had voorspeld.
De kapitein en James schikten zich met onverschilligheid in de
treurige werkelijkheid.
Nu deze kloeke zeelieden alle hoop op redding hadden laten varen,
verlangden zij niets meer dan het overige van hun leven ten bate der
wetenschap te besteden.
Zij wijdden zich met een hartstochtelijken ijver aan meteorologische,
magnetische en astronomische onderzoekingen. Ford vervaardigde op den
top van eene ijsrots een klein observatorium, waar hij al zijn tijd
doorbracht met het opteekenen van de temperatuur, den stand van den
barometer en den thermometer, de afwijking van de magneetnaald, in één
woord met het bijeenbrengen van overvloedig wetenschappelijk materiaal.
"We zullen op onzen post sterven," herhaalde hij. "De resultaten van
onze nasporingen zullen misschien eenmaal iemand in handen vallen. Wij
zullen er nog vele tot aan den herfst kunnen doen."
James verliet geen enkel oogenblik den kapitein en hielp hem
voortdurend bij zijne werkzaamheden.
Gromski staarde deze mannen met gemelijkheid aan; de overdreven ijver
van Ford verwonderde en verbitterde hem tegelijkertijd.
Was het eigenlijk niet de hardnekkigheid van den kapitein, die den
tocht had doen mislukken?
Zonder dezen tocht over het ijs en zonder de vertraging, daardoor
ontstaan, zou de ballon nog het een of ander bewoond land hebben kunnen
bereiken. Deze gedachten verbitterden het hart van den ingenieur,
en de gelatenheid van zijne metgezellen boezemde hem bijna afkeer in.
In plaats van deel te nemen aan de wetenschappelijke onderzoekingen,
zwierf Gromski op de kust of in de nabijheid van den luchtballon rond,
alsof hij nog een middel ter redding hoopte te ontdekken.
Er verliep eene week.
Op den 25sten Februari, toen de kapitein juist bezig was met het
opteekenen van den stand van den barometer, bleef Gromski eensklaps
bij hem staan. Zijne tegenwoordigheid in het observatorium verwonderde
Ford en was hem blijkbaar aangenaam.
"Zoo! Gij hier, Mijnheer?" vroeg hij hem, terwijl hij de temperatuur
opteekende. "Dat vind ik best. Ge hebt zeker besloten, deel aan onzen
arbeid te nemen, niet waar?"
Als men het bleeke gelaat van den kapitein, dat nu van voldoening
straalde, had gezien, dan zou men gezegd hebben, dat hij den toestand,
waarin hij verkeerde, geheel vergeten had. En inderdaad, zooals
hij in zijne waarnemingen verdiept was, gevoelde hij zich even vrij
als op het verdek van een schip, dat ieder oogenblik het anker kan
lichten. Het gevaar, dat nog in de verte lag, bedierf voor hem het
tegenwoordige niet.
"Naar ik zie, hebt ge u hier vrij goed ingericht," zeide Gromski,
terwijl hij een blik om zich heen sloeg. "Ik geloof, dat ge plan hebt
om hier nog lang te blijven."
Deze woorden werden uitgesproken op een toon, die de aandacht van
Ford trok.
"Wel, mij dunkt, dat we maar al te veel tijd ter onzer beschikking
hebben," antwoordde de kapitein. "Ook ik heb plan om eens een
tochtje langs de kust te doen. Ik moet echter eerst eene kaart van
de poolstreken vervaardigen en vooral te weten komen, of de zee, die
wij gezien hebben, niet eene baai is, die vrij diep in het vasteland
van de Zuidpool inloopt."
"Dat is alles goed en wel, kapitein, maar ge moet van deze plannen
afzien," zeide Gromski.
"En waarom?"
"Omdat.... omdat we terugkeeren...."
Deze woorden, hoewel zij blijkbaar onwaarschijnlijk waren, werden
op zulk een beslisten toon uitgesproken, dat Ford niet terstond een
antwoord vond.
"Wat? Keeren we terug?" vroeg hij eindelijk, terwijl hij groote
oogen opzette.
"Op de eenvoudigste manier, kapitein," antwoordde Gromski koel. "We
zullen ons naar Amerika begeven of misschien wel naar Australië:
in allen gevalle verlaten we het zesde werelddeel."
"Dus natuurlijk te voet," zeide James, die het gesprek met eene
onbeschrijfelijke verwondering had aangehoord.
Men zal zeker aan het antwoord van den ouden zeeman merken, dat hij er
eenigermate aan twijfelde, of de ingenieur wel goed bij het hoofd was.
"Ik denk niet aan zulk een dwaze onderneming," zeide Gromski. "Je zult
toch wel weten, dat men Amerika niet over land bereiken kan. Mijn
plan is gewaagd--dat moet ik erkennen--en ik reken er ook volstrekt
niet op, dat het zal gelukken. Maar het zij zoo! We hebben immers
niets meer te verliezen?"
"Zullen we dan een kano van huiden vervaardigen en over zee
terugkeeren, Mijnheer?"
"Volstrekt niet. We zullen met een luchtballon vertrekken."
Ford maakte een gebaar van ongeduld.
"Als ge plan hebt om den ballon met warme lucht te vullen, dan wil ik
liever hier blijven dan te midden der ijsvelden of in zee omkomen. We
zullen het met zulk een ballon niet ver brengen."
"Ik denk niet aan warme lucht."
"Dan aan gas?" vroeg Ford, terwijl hij haastig opstond.
"Aan waterdamp, kapitein."
"Aan waterdamp? Heeft men ballons ooit met waterdamp gevuld?"
"Ik spreek in vollen ernst, kapitein," antwoordde Gromski, terwijl
hij zich op een steen nabij den sextant neerzette. "Ik heb rijpelijk
over mijn plan nagedacht en alles goed overwogen. Ge bedriegt u,
als ge denkt, dat men zich niet van waterdamp kan bedienen om een
luchtballon te vullen. Kijk maar eens naar de wolken! Zij bestaan
daaruit en drijven toch in de lucht."
"Maar met de wolken is het een heel ander geval."
"Een ander geval, zegt ge? Naar mijne meening bewijzen de wolken,
dat waterdamp lichter is dan de lucht, zelfs wanneer de temperatuur
daarvan niet zeer hoog is en hare dichtheid het gemiddelde niet te
boven gaat. Herinnert ge u niet een Engelschman, die, evenals ik,
luchtballons, bestemd om eene reis naar de pool te doen, met waterdamp
wilde vullen?"
"Maar de waterdamp zal al spoedig in den ballon samengeperst
worden...."
"Ik verzeker u, dat dit niet zoo spoedig zal gebeuren. De wolken
blijven zeer lang in de lucht drijven, zonder dat zij samengeperst
worden. Ik denk, dat wij, als we door een vrij krachtigen wind worden
voortgestuwd, er in zullen slagen, verscheidene duizenden kilometers
af te leggen, als we niet te hoog stijgen. Overigens zullen wij ons
best doen om in het inwendige van den luchtballon eene temperatuur
te onderhouden, hoog genoeg om de samenpersing van den damp te
verhinderen."
"Maar waar zullen we de noodige brandstof vandaan halen om deze
ontzaglijke hoeveelheid damp te verkrijgen? We hebben, zooals ge weet,
geen enkel stuk hout, geen enkelen druppel benzine."
"Maar er is in den ballon nog een weinig waterstofgas overgebleven."
Nadat de ingenieur deze laatste tegenwerping weerlegd had, stond hij
op en omhelsde den kapitein.
"We zullen dus vertrekken," mompelde James. "Ik begin te gelooven,
dat voor u niets onmogelijk is. Als het ons gelukt om te vertrekken,
dan zijt ge een toovenaar."
Inderdaad beschouwde de oude zeeman den ingenieur met een
eerbied, waarin wel eenige ongerustheid gemengd was. Hij kon zijne
wetenschappelijke bewijsgronden wel niet begrijpen; maar het gezicht
van den kapitein deed hem gelooven, dat zij op een hechten grondslag
berustten.
"Ééne voorwaarde is echter onmisbaar: we moeten ons geene illusiën
maken," zeide Gromski. "Ik sta er u volstrekt niet voor in, dat onze
reis gelukkig zal afloopen. De mogelijkheid bestaat, dat wij in de
wateren van den Oceaan of op de besneeuwde vlakten van het zuidelijk
vasteland zullen omkomen."
"Ik begrijp het: ge belooft ons geen pleizierige reis," mompelde
de stuurman.
"Daalt de barometer niet?" vroeg de ingenieur na een oogenblik van
stilzwijgen.
"Ja, een weinig."
"Dat is goed! We moeten een storm hebben."
"Wilt ge dan met een storm vertrekken?"
"Ja, kapitein! Alleen een hevige storm is in staat om ons in een dag
eenige duizenden kilometers verder te brengen. Als we ons aan een
matigen wind toevertrouwden, zouden we eenige honderden kilometers
van hier dalen."
"Dus met den eersten den besten storm, Mijnheer?"
"Ja, kapitein."
Het plan van den ingenieur was even oorspronkelijk als gewaagd.
Met een luchtballon, met waterdamp gevuld, een uitgestrekt vasteland
en den Oceaan over te steken!
Zulk een plan kon slechts opkomen in het brein van een krankzinnige
of in het hoofd van menschen, die niets meer te verliezen hebben.
Onze reizigers behoorden juist tot de laatste soort.
Zonder onderkomen, zonder levensmiddelen en zonder brandstoffen,
waren zij veroordeeld om bij de komst van vorst en sneeuwjachten
om te komen. De strijd, met eene flauwe hoop op overwinning, scheen
hun dus de voorkeur te verdienen boven een lijdelijk schikken in hun
treurig lot.
Gromski, die altijd vol moed was, als het er om te doen was, een
stoutmoedig plan ten uitvoer te brengen, begaf zich met ijver aan
den arbeid.
Om den ballon geheel op te vullen, had de ingenieur 3000 kubieke meters
waterdamp noodig. En daar een kubieke meter waterdamp omstreeks 800
grammen weegt, moest hij dus 2400 kilogrammen water in damp veranderen.
"Het is niet mogelijk, zooveel damp in den ballon te brengen,"
zei de kapitein. "Als we ons eens aan het ballonnetje
toevertrouwden... Misschien zou dat ons wel kunnen dragen."
"Onmogelijk, kapitein. We zouden na verloop van 24 uren dalen; want
het ballonnetje is van gewoon nankin, met eene laag vernis bedekt."
"Als we onder den ketel eens een gewoon vuur aanlegden," zeide James,
die zich nu ook in het gesprek mengde.
"Heb je dan hout?" vroeg Gromski schouderophalend. "Ik wil wedden,
dat je op een afstand van tien en zelfs van twintig mijlen in den
omtrek niets zult vinden om vuur te maken. Men treft, voor zooverre
ik weet, slechts zeer zelden hout in den Zuidpooloceaan aan."
"Ik heb niet van hout gesproken," antwoordde de stuurman eenigszins
geraakt.
"Maar wat drommel! Wat wil je dan branden?"
In plaats van antwoord te geven, glimlachte de oude stuurman
geheimzinnig.
"Dat is mijn zaak," antwoordde hij. "Ik verbind mij om u binnen
acht dagen honderd kilogrammen van eene uitstekende brandstof
te verschaffen, van eene brandstof, waarvan de Eskimo's zich ook
bedienen."
"Ik ben nieuwsgierig om te weten, wat je daarvoor noodig hebt."
"Niets dan een ketel, Mijnheer."
"Maar waar zullen we dien vandaan halen? De reservoirs met benzine
zijn ergens op de sneeuwvelden van het Land des Doods gebleven, en
in het schuitje bevindt zich niets, dat voor ketel zou kunnen dienen."
"En deze bol dan?" vroeg de stuurman, terwijl hij naar de machine
van aluminium wees.
"Dat is waar. Ofschoon hij uit twee helften bestaat, die vast aan
elkaar gesoldeerd zijn, denk ik er in te slagen, ze van elkander te
scheiden en op die wijze twee platte ketels te verkrijgen. Als jij
je maar verbindt om de brandstof te verschaffen."
"Ik zal zorgen, dat ge die over een week hebt."
"Dat zou heerlijk zijn. Als je je woord maar houdt."
"Ik houd altijd mijn woord, Mijnheer."
En de oude zeeman begon onmiddellijk zijne geheimzinnige plannen
te volvoeren.
De ingenieur, wiens nieuwsgierigheid niet weinig gaande gemaakt was,
volgde al de bewegingen van den stuurman. Het was immers moeilijk te
gelooven, dat hij brandstof zou vinden in deze woestijn, die nagenoeg
van allen plantengroei verstoken was. Gromski dacht eerst, dat de
stuurman naar steenkolenlagen wilde gaan zoeken, die men somtijds in
de Noordpoolstreken aantreft.
Maar James dacht blijkbaar niet aan dergelijke brandstoffen, daar hij
uit het schuitje drie lange stokken van bamboes ging halen. Nadat
hij daaraan een scherpe punt gemaakt had, maakte hij ze tot groote
en stevige lansen.
"Wilt gij mij helpen?" vroeg hij aan Gromski, terwijl hij met deze
zonderlinge wapenen naar hem toe ging.
"Maar waaraan? Moeten we tegen de inwoners van dit vasteland ten
strijde trekken?"
"Juist zoo! Ge hebt het geraden. Wij zullen van hen trachten te
verkrijgen wat we aan brandstoffen noodig hebben. Neem uw revolver
of, wat nog beter is, geef die aan den kapitein. Bij gebreke van een
beter wapen zal dit ons ook van zeer veel dienst kunnen zijn."
"Wanneer zullen we den oorlog beginnen?"
"Onmiddellijk. De vijand is in onze nabijheid: hij wacht op
ons. Komaan!"
Bij deze woorden liep de zeeman vooruit en begaf zich terstond naar
de zee. Na een halfuur geloopen te hebben, daalden onze reizigers
van de rotsen af en bevonden zich op het ijs van het vasteland, dat
de kusten omgaf. De ingenieur wilde juist vragen, waar de vijand was,
toen James plotseling bleef staan en met den vinger naar een twintigtal
zwarte plekken wees, die zich op de sneeuw afteekenden.
"Dáár is onze brandstof, Mijnheer," zeide hij.
Gromski, die oplettend naar deze donkere plekken had gekeken, herkende
daarin tot zijne verbazing levende wezens.
"Maar dat zijn robben!" riep de ingenieur lachende uit.
"Neen, het zijn zeekoeien: die zijn grooter en zwaarder dan robben,"
antwoordde James.
"O, nu begrijp ik het al!" zeide Gromski; "je wilt het vet van deze
dieren als brandstof gebruiken. Ik moet erkennen, dat zulk een plan
mij nooit in het hoofd zou gekomen zijn."
"En ik had nooit kunnen denken, dat gewone waterdamp ons uit deze
woestijn zou kunnen brengen."
"Maar dat vet zal toch wel branden, niet waar?"
"We zullen er olie uit halen, die ons met een weinig mos een heerlijk
vuur zal opleveren."
Dit zeggende, ging de stuurman haastig naar de dieren toe, zonder
zelfs eene poging te doen om zich voor hen te verbergen.
"Ze hebben nog niet met den harpoen en het mes der walvischvangers
te doen gehad," zeide hij. "Die arme dieren zullen nu te weten komen,
dat de mensch hun gevaarlijkste vijand is."
Inderdaad keken de reusachtige zeekoeien zonder eenige ongerustheid
naar onze reizigers. Zij lagen, op haar gemak uitgestrekt, op den
kant van eene breede kloof. De mannetjes hieven van tijd tot tijd een
vreeselijk gehuil aan, terwijl zij den kop oprichtten; de wijfjes,
die door hare jongen omgeven waren, wijdden zich aan hare moederlijke
bezigheden.
"Komaan! Aan het werk! Gauw en goed!" riep de stuurman uit, terwijl
hij zijn stok ophief. "Raak ze op den neus: dat is de gevoeligste
plek van deze monsters."
Daarop doodde hij een jong mannetje, dat hem nieuwsgierig met zijne
ronde oogen aankeek. De kapitein van zijn kant trof een groot wijfje,
dat juist bezig was hare jongen te zoogen. Alleen Gromski kon hiertoe
niet besluiten. De moord van deze onschuldige en ongewapende dieren,
die bovendien onbewust van het gevaar waren, scheen hem eene misdaad
toe.
Daarentegen doodde James wat hij maar dooden kon, terwijl hij met
buitengewone behendigheid en grooten ijver naar rechts en naar links
stokslagen uitdeelde. Het was een werkelijk bloedbad.
Intusschen maakten de dieren, door dezen onverhoedschen aanval
verschrikt, zich haastig uit de voeten, zoodat er op het ijs slechts
vijf dooden overbleven.
"Welnu, we zullen van dit vijftal op zijn minst 300 liters olie
krijgen," zei de stuurman, terwijl bij de hand op een zijner
slachtoffers legde. "Het is jammer, dat zij de vlucht genomen hebben,
omdat wij anders terstond onzen geheelen voorraad brandstof zouden
hebben bijeengebracht."
"Ik zie niet ver hier vandaan een anderen troep," zeide Gromski,
terwijl hij naar een ijsveld wees, dat met eene zachte glooiing naar
de zee afliep.
Nadat James een blik in deze richting geslagen had, bemerkte hij
inderdaad een twintigtal groote dieren, die zich in de zon lagen
te koesteren. Zonder een oogenblik te verliezen, liep hij naar het
ijsveld toe. De kapitein, die zijn revolver aan Gromski overhandigd
had, volgde den stuurman.
"Dat zijn walrussen; met die dieren zullen we meer te stellen
hebben," zei de stuurman, terwijl hij op een afstand van omstreeks
dertig schreden van den troep bleef staan. "Ik ben al nieuwsgierig
om te weten, of zij zich zoo gemakkelijk als de andere zullen laten
verslaan. We zullen het probeeren, niet waar, kapitein?"
En de kloeke zeeman ging, zonder acht te slaan op de ontzaglijke
ijsvelden en het weinig geruststellende voorkomen der monsters,
stoutmoedig voorwaarts.
Zijne aandacht werd getrokken door een groot mannetje, dat gerust lag
te slapen; hij sloop er zachtjes naar toe en trof het zoo onverhoeds
aangevallen dier juist tusschen de oogen.
Hevig gekwetst, nam de walrus de vlucht. Maar James liet zijne prooi
niet los: hij haalde het dier in weinige oogenblikken in en stak het
met de lans onder het schouderblad. Op dit oogenblik kwam ook Ford er
bij en sneed met een behendigen lansstoot den hals van het monster af,
dat duchtig tegenspartelde.
"Hoera!" riep James uit. "Maar laat ons haast maken, daar deze dieren
eindelijk zullen beginnen te begrijpen, wat we met hen voorhebben."
Door dezen goeden uitslag stoutmoediger geworden, begaf de stuurman
zich te midden van den troep en deed een aanval op een ouden walrus
van eene buitengewone lichaamsgrootte.
Maar het dier weerde den aanval met zijne slagtanden af en wierp zich,
terwijl het een woedend gehuil liet hooren, op zijne beurt op zijn
aanvaller. Toen gebeurde er iets zonderlings. Eensklaps omringde
de geheele troep, als op een gegeven sein, onze reizigers. James,
die juist ontsnapt was aan een monster, dat op hem aanviel, kreeg
het met een ander te kwaad, en al spoedig zagen de beide reizigers
zich omringd door eene menigte ronde en afschuwelijke koppen, die
zich met hunne lange witte slagtanden verdedigden.
James liet zich door het gevaar niet verbijsteren. Terwijl hij zich
met zijne lange lans verdedigde, week hij langzaam achterwaarts naar
het hooge gedeelte van het ijsveld, waar hij zich zonder moeite zou
kunnen beveiligen. Duchtig in het nauw gebracht, deelde hij wanhopige
slagen onder de woedende dieren uit. Hoe stevig zijne lans ook wezen
mocht, toch kon hij daarmee de walrussen niet in bedwang houden. Juist
op het oogenblik, waarop de moedige stuurman gevaar liep om onder
de slagtanden van een dier monsters te vallen, gevoelde hij, dat
hij waggelde. Hij zwaaide een oogenblik met de handen, op deze wijze
zijn evenwicht trachtende te bewaren; toen stortte hij in een gapende
kloof neer.
Nu James van het slagveld was verdwenen, werd de toestand van den
kapitein nog hachelijker. Tevergeefs zwaaide de moedige zeeman met
zijne lans. Zijn arm werd moede, en de wonden, die hij toebracht,
dienden slechts om de woede zijner aanvallers te doen toenemen.
Verscheidene malen deed de kapitein eene poging om door de dichte
gelederen zijner aanvallers heen te dringen; maar terstond was hij
genoodzaakt, voor hunne verschrikkelijke slagtanden terug te wijken.
Nadat onze zeeman een mislukten lansstoot had gedaan, verdween hij
onmiddellijk te midden van de zwarte ondieren, die hem omgaven.
Maar op dit oogenblik deden zich kort na elkander vier revolverschoten
hooren; de walrus, door wiens slagtanden de kapitein gevallen was,
richtte zich een oogenblik met inspanning van al zijne krachten
overeind en viel toen dood neer: hij had de kogels in zijn oor
gekregen. Gromski maakte zich dit korte oponthoud ten nutte: nadat hij
zijn laatsten kogel afgeschoten had, die tusschen de ronde oogen van
het naastbijzijnde dier doorgedrongen was, greep hij den kapitein met
zijne krachtige armen aan en haalde hem van onder het onbeweeglijke
lichaam van het monster weg.
"Neem de vlucht!" riep hij uit, terwijl hij hem naar den top van het
ijsveld wees, dat zich als eene piramide verhief.
Al spoedig bevonden de beide reizigers zich op den top dezer piramide,
waar geenerlei gevaar hen meer bedreigde.
Deze voorzorg bleek onnoodig geweest te zijn; want de walrussen,
die door de revolverschoten verschrikt waren, gaven den strijd op en
keerden in aller ijl naar hun element, de zee, terug.
"Maar ginds, in die kloof, is James achtergebleven," riep Ford uit,
terwijl hij zich van de piramide liet afglijden. "We moeten hem
redden!"
De ongerustheid van den kapitein over den stuurman scheen
gerechtvaardigd te zijn. De beide metgezellen hadden hem in de kloof
tusschen de ijsbergen zien vallen, werwaarts ook de walrussen de
vlucht genomen hadden.
Deze dieren, die op het ijs vrij langzaam in hunne bewegingen zijn,
bewegen zich vlug in het water en strijden daarin zelfs met een
gewenschten uitslag tegen den ijsbeer. Als zij ter plaatse kwamen,
waar de stuurman lag, dan zou deze niet aan den dood kunnen ontkomen.
Ford bleef aan den rand der kloof staan en keek naar het troebele
water. Maar hij zag tusschen de walrussen James nergens.
"Verloren!"
Deze wanhopige uitroep werd echter terstond gevolgd door een hoera! dat
van den anderen kant der kloof weerklonk. Nadat Ford in deze richting
had gekeken, zag hij tot zijne groote blijdschap den stuurman, die,
hoewel hij tot op zijn hemd toe nat was, vroolijk lachte. Toen James in
het water gevallen was, had hij zijne tegenwoordigheid van geest niet
verloren. Daar hij een goed zwemmer was, bereikte hij binnen weinige
oogenblikken een ijsblok, waarop hij zich op zijn gemak neerzette. Toen
hij de revolverschoten hoorde en de walrussen de vlucht zag nemen,
begreep hij al spoedig, dat de kapitein ook buiten gevaar was.
De ingenieur liep nu naar de kloof en stak den ouden zeeman zijn stok
toe, met behulp waarvan deze het ijsveld kon bereiken.
"Duizend duivels! Ik dacht niet, dat die ondieren zoo kwaad zouden
zijn," zeide hij, terwijl hij zich naast Ford neerzette. "Ge zijt,
hoop ik, goed en wel aan hunne slagtanden ontkomen, kapitein?"
Helaas! de dappere zeeman kon op de ongeruste vraag van den stuurman
geen bevestigend antwoord geven; want hij droeg op zijn been en in
zijne zijde de sporen der slagtanden van den walrus, dien de ingenieur
zoo juist bijtijds gedood had.
"Wie zou dat gedacht hebben? De walrussen zien er zoo onschuldig
uit!" merkte James aan, nadat hij de wonden van den kapitein
onderzocht had.
"Je hebt daarop te veel gebouwd," antwoordde Gromski. "Misschien
hadden zij al eens meer met vijanden te doen gehad; want zij hebben
terstond onze bedoelingen geraden."
De wonden van den kapitein waren echter niet zeer ernstig. James
verbond ze inderhaast, en men keerde naar de plaats terug, waar de
luchtballon zich bevond.
Eerst den volgenden dag gingen Gromski en James, nadat zij met behulp
van stukken rots een fornuis gemaakt en daarop de beide ketels
geplaatst hadden, naar het ijsveld om aan de gedoode zeekoeien en
walrussen de huid af te stroopen.
Deze lastige bezigheid kostte hun veel tijd. Op den 28sten Februari
begon de stuurman de olie te smelten, terwijl hij als brandstof de
slechtste stukken van het vet en het mos gebruikte, dat hij in de
rotskloven verzameld had.
De oude zeeman had de belofte vervuld, die hij aan Gromski gedaan had;
want acht dagen na de gevaarlijke jacht had hij drie zeekoehuiden,
met olie gevuld, ter zijner beschikking, alsmede een grooten hoop mos.
Gedurende dezen tijd hield de ingenieur zich met het maken van de
noodige toebereidselen bezig. Hij zaagde de bamboesstokken, waarvan
het schuitje vervaardigd was, halverwege af, waardoor het veel lichter
werd, en bracht eene zekere hoeveelheid zoet water bijeen.
Op den 5den Maart was alles, wat er noodig was om waterdamp te
verkrijgen, gereed. De ingenieur wachtte slechts op het oogenblik,
waarop de barometer zou dalen, om alsdan een groot vuur in het fornuis
aan te leggen.