De ijslaag, die de wateren der Oceanen bedekt, bezit, evenals de
aardschors, eene eigenaardige geologie. Men vindt daarop terrassen,
rotsen, bergen, vlakten en plateau's, evenals op het oppervlak der
aarde. Alleen is de stof, waarvan de natuur zich heeft bediend om deze
vormen te scheppen, dezelfde, daar ijs altijd en overal ijs blijft,
welke ook de vormen en de omtrekken mogen zijn, waaronder het zich
voordoet. Deze ijsvelden vertoonen dan ook een wereld op zich zelf,
die evenwel hare eigenaardige schoonheden en geheimen bezit, evenals
het vasteland.
De veertien dagen, gedurende welke de zon in de poolstreken schier niet
ondergaat, verspreiden overal zulke schitterende glansen, dat nergens
anders het verrukte oog een dergelijk tooneel kan aanschouwen. Bij
den opgang der zon baden de toppen der bergen zich in purper en goud;
de ijsbergen, die op de sombere wateren van den Oceaan drijven,
schitteren door de terugkaatsing der zonnestralen als ontzaglijke
smaragden; de piramiden en de muren, gedurende den wintertijd door
den ijsduivel opeengestapeld, tooien zich met den glans der opalen
en der robijnen; de zonneschijf legt een breeden en bloedigen weg
over de onafzienbare sneeuwvelden af.
Laat ons de gedaanteverwisseling van het poolijs eens wat nader
beschouwen. Het oppervlak van den Oceaan is in de lente met eene
dunne laag ijs bedekt, die zich gedurende den afgeloopen winter
heeft gevormd. Dit ijs verbreken de golven en verstrooien de winden
al spoedig. Het ijsveld drijft gedurende den zomer rond en wordt,
als het aan de stralen der zon ontsnapt is, in den herfst al grooter
en grooter. Dat noemt men ijsbergen.
In den volgenden winter worden deze ijsbergen nog dikker en
gevaarlijker. Wee het schip, dat hunne prooi wordt! Het zal
vruchtelooze pogingen aanwenden om door die onafzienbare ijsvelden
heen te komen; deze zullen het van alle kanten omgeven en insluiten. De
eerste wintervorst voegt al deze ijsmassa's aaneen en sluit het schip
voor vele jaren in.
Als de zomer gekomen is, schiet de zon, die het firmament niet verlaat,
vruchteloos hare stralen op die tallooze ijsschotsen; zij bieden een
krachtigen weerstand aan de werking der warmte, zij worden zelfs
sterker en vormen uitgestrekte ijsvelden, die de vlakten in deze
ijswereld zijn.
De onderzoekers der poolstreken kennen ze zeer goed, daar zij op
hunne hobbelige vlakten tochten van verscheidene tientallen mijlen
hebben gedaan. En deze weg is nog de beste voor de beladen sleden en
de uitgeputte reizigers.
Maar zulk eene ontzaglijke ijsvlakte blijft slechts zelden lang
aaneen. De Oceaan, door de lente- of de herfststormen in beweging
gebracht, breekt haar door zijne machtige golven, werpt de ijsblokken
tegen elkander aan en stapelt ze op elkander. Zulk eene worsteling
wijzigt in eenige dagen het voorkomen van het ijsveld, zoodat het niet
meer te herkennen is. In plaats van de vlakte vertoonen zich grillige
opeenhoopingen, een chaos van stukken ijs, die opeengestapelde muren
en bergen vormen.
Dikwijls verwijderen de groote ijsvelden, door den wind voortgestuwd,
zich van elkander; dan vormen zich ledige plekken, die weldra met
een mengelmoes van stukken ijs en sneeuw gevuld worden.
In den zomer of gedurende den dooi worden zulke spleten voor den
onervaren reiziger een gevaarlijke strik. De winden en de stroomen
drijven de massa's ijs steeds van de eene plaats naar de andere. Alleen
het ijs van het vasteland, dat de aarde met een gordel van kristal
omgeeft, blijft onbeweeglijk. Deze gordel ducht den zomer niet; hij
smelt wel is waar gedeeltelijk, maar verdwijnt nooit. De stralen
der zon maken daarin breede spleten, gelijkende op de fjorden
van Noorwegen, en door deze spleten bereikt de walvischvanger,
die zijne prooi vervolgt, de kust zelf. Het ijs van het vasteland
is het veiligste toevluchtsoord voor de schipbreukelingen, die
aan een gebroken ijsveld ontvlucht zijn. Veel verder van de kusten
bevinden zich gewoonlijk de oudste formatiën van deze doode wereld,
de groote ijsvelden, die op de plateau's van het vasteland gelijken
en die dikwijls hoog boven de wateren van den Oceaan uitsteken. Vele
winters hebben deze ijsmassa's doen ontstaan.
Het ijsveld, dat omgeven is door eene keten van bergen, die op
verschillende tijden ontstaan zijn, levert een onoverkomelijken
hinderpaal voor de stoutmoedige reizigers op. Zelfs de orkanen,
die de golven van den Oceaan opzweepen, blijven machteloos tegen
deze ijsmassa's.
De ijsvelden aan de Zuidpool hebben een woest voorkomen, dat zelfs
reizigers, die aan de verschrikkingen van den Noordpooloceaan gewoon
zijn, eene huivering door de leden jaagt.
Zulke hinderpalen moesten onze kloeke reizigers te boven komen om
hun doel te bereiken.
Eene onoverwinlijke macht dreef kapitein Ford naar de pool. Hij kon
daaraan geen weerstand bieden ondanks de gevaren, die uit de minste
vertraging konden voortvloeien. Thans hadden onze reizigers nog juist
den tijd om naar den ballon terug te keeren. Maar op alle bezwaren,
die de ingenieur te berde bracht, antwoordde Ford slechts: "Laat mij
maar alleen naar de pool gaan!" en stopte met dat antwoord den mond
aan zijne metgezellen.
Een onuitputtelijke voorraad ziekelijke geestkracht en onuitbluschbaren
ijver vertoonde zich eensklaps bij dezen man, die in weinige
dagen grijs geworden was. Hij was onvermoeid in het beklimmen van
puntige ijsblokken en stelde daarbij zijne kameraden altijd in de
schaduw. James en Gromski hadden al hunne krachten noodig om hem niet
uit het oog te verliezen.
Deze gejaagde reis duurde tot aan den 14den Januari. Op den middag
merkte de stuurman op, dat de ijsvlakte minder afwisselend werd;
de groote blokken en de lange muren, die den weg versperden, waren
verdwenen; daarentegen werden de kloven steeds talrijker.
De ingenieur, door de vermoeienissen der reis uitgeput, kon zich
nauwelijks meer staande houden.
"Ik kan niet verder," zeide hij, terwijl hij tegen den ijsmuur ging
aanleunen waarlangs hun weg liep.
"Ik gevoel mij ook uitgeput," mompelde de stuurman. "Maar de kapitein
zal ook wel spoedig halt houden."
"Waarom?"
"Omdat wij ons morgen bij de zee, waar deze geheel vrij van ijs
is, zullen bevinden," antwoordde de stuurman, terwijl hij naar den
horizon wees.
"En is het einde van het ijsveld nog ver hier vandaan?"
"We kunnen op zijne oppervlakte nog een dozijn kilometers afleggen
en dan halt houden."
"De kapitein moet het maar weten."
James haalde de schouders op.
"Waarom zouden we er niet dadelijk heengaan?"
De ingenieur verwachtte geen ander antwoord van den ouden zeeman. Na
een weinig op een ijsblok uitgerust te hebben, volgde hij Ford
weder, die geen oogenblik bleef staan. De voorspelling van James,
op de verandering van de kleur des hemels gebouwd, kwam al spoedig
uit. Het ijsveld werd al minder en minder dik. Eindelijk merkte de
ingenieur eene groote hoeveelheid ronde of ovale openingen op, die,
zooals de ervaren James verklaarde, door zeehonden gemaakt waren,
die behoefte hadden om boven het water adem te scheppen.
Deze reis over het smeltende ijs kon niet lang duren.
"Pas op, kapitein!" riep Gromski den kapitein toe, die zich al verder
en verder verwijderde.
Maar Ford keerde zich zelfs niet om en liep onafgebroken
voort. Verscheidene malen viel hij, maar stond onmiddellijk weder op.
Deze koortsachtige hardnekkigheid maakte de ongerustheid van zijne
kameraden al meer en meer gaande.
"Maar hij zal verdrinken!" riep Gromski uit, toen hij Ford de
gevaarlijke plaatsen zag naderen.
"Dan zullen wij beiden verdrinken," antwoordde de stuurman.
Dit zeggende, volgde de oude zeeman den kapitein.
"Voorwaarts, James," zeide Ford volijverig, toen hij den stuurman
naast zich zag. "We hebben nog maar twintig kilometers af te leggen."
"We hebben den Oceaan vóór ons, kapitein."
"Voorwaarts, zeg ik je," antwoordde de kapitein.
Deze hardnekkigheid maakte James wanhopig.
"Kapitein, we moeten terugkeeren," zeide hij op een beslisten toon,
terwijl hij hem den weg versperde.
"Dat nooit van mijn leven, James. We zullen tot het einde toe
volhouden."
"Het ijs is broos..."
"Ben je dan bang?" vroeg Ford op bitteren toon, terwijl hij den
stuurman spottend aankeek.
"Ik?" riep de oude zeeman verontwaardigd uit, "zou ik bang zijn,
kapitein?"
Dit verwijt ontwapende Ford.
"Neem mij niet kwalijk, ouwe jongen," zeide hij, terwijl hij hem
de hand drukte. "Ik weet wel, dat je, als je bang bent, voor mij
bang bent. Doch wees maar gerust: ik zal, zoodra ik aan de open zee
kom, terugkeeren. Men moet zich zelf niets te verwijten hebben, zie
je. Vergeet verder niet, dat iedere voetstap ons nader aan de pool
brengt. Zie je dien ijsberg aan den horizon?... Daar is zij!"
"Ach, hadden we maar eene kano!"
En Ford, die een oogenblik was blijven staan, wrong zich van wanhoop
in de handen. Hij leed onuitsprekelijk, toen hij zich zoo nabij het
doel zag, en toch moest erkennen, dat het niet te bereiken was.
"We kunnen nog twee à drie kilometers afleggen," zeide hij. "Waar is
de ingenieur?"
"Hij is achtergebleven, daar de krachten hem ontzonken zijn."
"Hij zal wel achteraan komen. Voorwaarts, ouwe jongen."
De stuurman zag wel in, dat geenerlei macht in staat zou wezen om
den kapitein terug te houden; hij vergezelde hem dus zwijgend.
Op een afstand van een kilometer van daar vertoonde het ijsveld
eenige wakken. Ford zwichtte echter niet voor deze hinderpalen. Met
heldenmoed liep hij over de ijsblokken heen en bekommerde zich weinig
om het gevaar. Verscheidene malen bewoog het ijs onder zijne voeten en
kraakte onheilspellend. James bleef dan even stilstaan om het gewicht
niet te vermeerderen. Deze gevaarlijke tocht naderde zijn einde;
want eenige honderdtallen schreden van den kapitein af klotsten de
golven om het ijsveld heen. Het ijsveld, waarop de beide zeelieden
zich bevonden, bewoog zich even onder den invloed der golven.
Toen bleef Ford stilstaan en vestigde den blik op de vloeibare vlakte,
als wilde hij daarop het geheimzinnige punt ontdekken, dat het doel
van al zijn streven was.
"Twee mijlen, slechts twee mijlen! En het is onmogelijk, een stap
verder te doen," mompelde hij. "Ach!"
En bij dezen uitroep, waaruit zijne eigen onmacht bleek, wilde de
kapitein zich de haren van wanhoop uit het hoofd rukken.
"Kapitein!" riep James met tranen in de oogen, terwijl hij naar hem
toe ging en hem de hand toestak.
Maar Ford antwoordde niet. Onversaagd ging hij de golven te gemoet.
Eensklaps brak de broze ijskorst en verdween de kapitein onder het ijs.
Duizend kilometers boven den Zuidpooloceaan af te leggen, door te
dringen tot de geheimzinnige diepten van het zuidelijk vasteland, dat
zonder eenigen twijfel het ontoegankelijkste gedeelte van onze planeet
is, zich eindelijk een weg te midden van het poolijs te banen,--dat
zijn zonder twijfel heldendaden, waardig om in de geschiedenis der
ontdekkingsreizen geboekstaafd te worden. Het scheen, dat de mannen,
die deze heldendaad hadden weten te volbrengen, het vurig verlangde
doel moesten bereiken. Intusschen geschiedde dit niet. Onze reizigers
moesten, na ontzaglijke hinderpalen te boven gekomen te zijn, zwichten
voor iets, dat schijnbaar het onbeduidendste van alles was, voor het
water. Hun bewonderenswaardige luchtballon, die bestemd was om zich
door de lucht voort te stuwen, kon hen niet tot het gewenschte doel
voeren. Kapitein Ford had alle pogingen aangewend om het recht te
hebben, de woorden uit te spreken:
"Hier is de Zuidpool: zij bevindt zich vlak onder mijne voeten!"
Hij zou zijn wetenschappelijk fanatisme zeker met zijn leven geboet
hebben, indien niet de stuurman hem met eigen levensgevaar had gered.
Het einde van het ijsveld was tevens het einde van de reis onzer
helden.
Ford zag dit zelf in, en de eerste woorden, die hem van de lippen
kwamen, toen hij uit eene langdurige bewusteloosheid ontwaakte,
waren deze:
"Laat ons terugkeeren, kameraden."
Op den 15den Januari, op den middag, richtte de kapitein met eene
hand, trillende van ontroering, den sextant naar de poolzon om met
zooveel zekerheid, als maar mogelijk was, het punt te bepalen, dat
zij bijna bereikt hadden. Het was een plechtig oogenblik. Nadat de
waarnemingen gedaan waren, zette de ingenieur midden op de kaart van
het zuidelijke halfrond een kruisje; dit bevond zich nog geen twee
geographische mijlen van de Zuidpool.
De stuurman had het hoofd afgewend en stortte tranen.
Waren het tranen van vreugde of van teleurgestelde hoop? Wat Gromski
aangaat, zijne borst zwol van trots en van blijdschap. De ingenieur nam
de dingen, zooals zij waren; er was in hem niets van dat overdrevene,
dat den kapitein kenmerkte. Wat hij verricht had, was hem voldoende. Nu
had hij slechts één wensch, en wel de tijding van zijn schitterenden
tocht zoo spoedig mogelijk wereldkundig te maken.
Na eene rust van twaalf uren richtten onze reizigers zich naar het
Noorden en deden hun uiterste best om den ballon terug te vinden. De
ingenieur maakte zich niet weinig bekommerd over den toestand van
den luchtballon. Zou het gas er nog niet uit ontsnapt zijn? Zouden
zij niet te laat komen?--Deze gedachten hielden Gromski voortdurend
bezig: hij had een voorgevoel van een gevaar. De taaie volharding
van den kapitein kon noodlottige gevolgen hebben, zoowel voor hem
zelf als voor zijne kameraden.
Daar onze reizigers er tegen opzagen, opnieuw een tocht door de keten
van ijsbergen te doen, richtten zij zich een weinig naar het Oosten,
in de hoop, dat zij ze zijdelings zouden kunnen laten liggen.
Op den derden dag echter kwamen zij tot de overtuiging, dat de
nieuwe weg veel moeilijker was dan de oude. De keten van ijsbergen
strekte zich wel is waar niet ver uit; maar het ijsveld eindigde
op 15 kilometers ten Oosten. Toen onze reizigers deze grens
bereikt hadden, kwamen zij aan een echten doolhof van ontzaglijk
poolijs. Al de vermoeienissen en al de bezwaren, waaraan zij tot
dusverre blootgesteld waren geweest, waren slechts eene kleinigheid
in vergelijking met hetgeen zij nu te verduren hadden. Zij klommen met
moeite van het eene ijsblok op het andere. De Zuidpooloceaan vertoonde
zich aan onze drie helden in al zijne verschrikkelijkheid. Deze
terugreis was slechts eene onafgebroken en hevige worsteling tegen
de natuurkrachten,--eene worsteling, waarbij bloedige gevechten,
met de wapenen in de hand, slechts kinderspel zijn. Dáár is slechts
eene oogenblikkelijke opgewondenheid noodig om de overwinning te
behalen, eene opgewondenheid, die met den kruitdamp verdwijnt. Hier
wordt eene geestkracht vereischt, die aan alles weerstand biedt,
een ijzeren wil. De ingenieur en zijne metgezellen gevoelden zich
nu sterk genoeg om aan alle gevaren der reis het hoofd te bieden;
zij werden weder bezield met de hoop, den luchtballon spoedig te
bereiken en onmiddellijk het Land des Doods te verlaten.
Maar op den 19den, na een vermoeienden tocht van drie dagen, waren
onze reizigers nog niet verder dan 10 kilometers gevorderd.
Het is dus niet te verwonderen, dat de twijfel langzamerhand hunne
harten binnensloop, om eindelijk tot volslagen wanhoop over te
gaan. Gedurende de volgende dagen vorderde men nog minder dan vroeger.
Van den top van een ijsblok zagen zij nog zonder moeite de plaats,
die zij sedert 24 uren hadden verlaten. Dikwijls moesten zij, na
een geheelen dag tusschen de ijsblokken voortgetrokken te zijn,
een anderen weg zoeken.
Op den 23sten bevonden onze reizigers zich, na 2 kilometers over
de woeste ijsvelden afgelegd te hebben, eensklaps vóór eene breede
kloof. Op een afstand van ongeveer 20 meters kwam uit de sluimerende
wateren van den Oceaan een oud ijsveld te voorschijn, dat door
reusachtige ijsbergen omgeven was. De ingenieur zocht vruchteloos de
plaats, waar de twee ijsvelden zich met elkaar vereenigden. Men liep
langs de kloof heen, maar was genoodzaakt, na verloop van eenige uren
terug te keeren, daar de kloof al breeder en breeder werd.
"We moeten er, denk ik, overheen zwemmen," zei de ingenieur, terwijl
hij bleef stilstaan. "Het koude water zal ons zeker geen goed doen,
maar ik zie er geen ander middel op. Wat dunkt u er van, kapitein?"
Ford haalde onverschillig de schouders op.
"Wat mij aangaat, ik doe geen stap verder: het is tijd om er een einde
aan te maken. Waarom zich met illusiën te vleien, Mijnheer? Uw ballon
bevat sedert twee weken geen enkelen kubieken meter gas meer! Ik
geef er dan nog maar de voorkeur aan, in de nabijheid van de pool
te sterven."
De kapitein zeide dit op een kalmen, gelaten toon, die het bloed in
de aderen van Gromski deed stollen.
Ja! Waarom zich met eene ijdele hoop te vleien? Drie weken waren
er verloopen sedert het oogenblik, waarop men den luchtballon had
verlaten. De ingenieur erkende in den grond zijns harten, dat de
voorspellingen van den kapitein juist waren. Nochtans beschouwde hij
het als zijn plicht, den moed zijner kameraden staande te houden.
"Ik heb de ondoordringbaarheid van het omhulsel van mijn luchtballon
niet nauwkeurig genoeg vastgesteld," zeide hij. "Misschien heeft
hij slechts een derde gedeelte van zijn gas ingehouden. Dan zullen
wij in geval van nood een anderen, lichteren dienen te vervaardigen,
dan zullen wij den stoomketel en de machine wegwerpen...."
"Dat alles is slechts eene illusie," viel Ford hem in de rede. "Zulk
een luchtballon zal nimmer drie menschen kunnen dragen. Keer zelf
terug, als ge kunt, Mijnheer. Wat mij aangaat, ik blijf hier."
Het gelukte Gromski echter, de moedeloosheid van zijn metgezel te
overwinnen.
Nadat onze reizigers de kloof overgegaan waren met behulp van een touw,
dat van den eenen kant naar den anderen als een hangende brug gespannen
was, begaven zij zich weder over de maagdelijke ijsvelden op weg.
Als de ingenieur de vermagerde en wanhopige gezichten van zijne
metgezellen gadesloeg, dan verweet hij zich de lichtvaardigheid,
waarmee hij hunne hoop had staande gehouden. Maar bij eenig nadenken
overtuigde hij er zich van, dat er in zijn eigen hart eene hoop
leefde, die door geenerlei redeneering kon uitgebluscht worden.--Als
het gas nog eens niet was ontsnapt, dank zij de dunne laag aluminium,
waarmee het omhulsel bedekt was!....
Door deze gedachte bezield, liep Gromski met vasten stap voort,
beklom het eerst de ijsblokken, vond doortochten te midden van den
chaos van ijsvelden en moedigde met woorden en gebaren den kapitein
en James aan. Deze uiterste pogingen zouden echter tot niets geleid
hebben, indien niet een toeval onze reizigers op den goeden weg had
gebracht. Het bleek inderdaad, dat het oude ijsveld, hetwelk men met
zooveel moeite overgestoken was, aan een ander grensde, dat zich ver
naar het Noorden uitstrekte.
Op den 24sten vertoonden de omtrekken der rotsen op de kust, te midden
waarvan de ballon zich bevond, zich eindelijk aan den horizon. De
poolzon wees aan, dat het juist middernacht was, toen onze drie
vrienden op eene kaap aankwamen, die omstreeks twintig meters boven het
oppervlak van den Oceaan verheven was, en van welken top de kapitein
zonder moeite het uitgestrekte ijsveld met zijne noodlottige keten
van bergen kon onderscheiden.
Zij legden den kleinen afstand, die hen van den ballon scheidde,
zonder al te veel moeite langs de kust af, over het ijs van het
vasteland, dat de rotsen omgaf. Nadat de ingenieur zijne metgezellen
vooruitgegaan was, beklom hij met een kloppend hart den heuvel, liep
over de rotsen heen en bleef plotseling onbeweeglijk als een standbeeld
nabij de plaats staan, waar de luchtballon door hen achtergelaten was.
In plaats van het reusachtige lichaam van den ballon lag er eene
vormlooze massa op den grond, een berg van verfrommeld doek, waaruit de
uiteinden van het ledige schuitje te voorschijn kwamen. Gromski bekwam
eerst van zijne verbazing, toen Ford hem de hand op den schouder legde.
"Ha, ha, ha!" zeide hij, terwijl hij in een akelig gelach
uitbarstte. "Uw ballon heeft zijne ziel verloren! Welnu, geef mij de
hand! We zullen hier te zamen blijven op den afstand van een halven
graad van de Zuidpool!"