IN DE GEVANGENIS VAN IJS.

In hun verlangen om de ijsbergen zoo spoedig mogelijk over te trekken,

waren onze reizigers onvoorziens in de val geloopen. Tengevolge van

den schok, waarvan zij vruchteloos de oorzaken trachtten te vinden,

was een gedeelte van het ijs losgeraakt. Verscheidene ijsblokken, die

van een hoogte van nog geen twee meters neergestort waren, versperden

den uitgang. De ondoorschijnendheid van het neergestorte ijs bewees,

dat de dikte daarvan meer dan acht meters bedroeg.

"Langs dien weg zullen we hier niet vandaan kunnen komen," zeide

Gromski na een vluchtig onderzoek van den hinderpaal.

"Ook langs geen anderen weg. De ijsduivel heeft ons leelijk

beetgehad!" mompelde James.

De kapitein daarentegen maakte zich niet zoo erg ongerust, ondanks

de treurige voorspelling van den stuurman.

"Welnu, dan zullen we een anderen uitgang zoeken."

Er was geen ander middel. Ford deinsde voor geenerlei moeilijkheid

terug; hij kroop als een slang in de kloof, die nog geen meter breed

was, en rukte met zijne handen de stukken ijs weg. De ingenieur nam

deze stukken en reikte ze aan den stuurman over, en op die manier

kwamen zij verder.

Maar al spoedig bleef Ford staan. Op een afstand van 15 meters van

den ingang draaide de kloof plotseling rechtsaf en maakte een rechten

hoek. De wanden raakten elkander daar ter plaatse bijna en lieten

slechts eene spleet van hoogstens 10 centimeters over.

"'t Is erger dan ik dacht," zei de kapitein.

Nu merkte men in deze woorden van den kloeken zeeman eene kwalijk

verborgen ongerustheid op. Toen de ingenieur ze hoorde, maakte zich

die onaangename gewaarwording van hem meester, welke het onbestemde

voorgevoel van een onbekend gevaar gewoonlijk teweegbrengt.

"Wordt de spleet verderop niet wijder?" vroeg hij aan Ford.

"Het schijnt van niet," antwoordde deze kortaf.

Een pijnlijk stilzwijgen heerschte er gedurende eenige oogenblikken

in den kleinen kring. Dit werd verbroken door een krachtigen vloek van

den stuurman. De hinderpaal, die den weg aan onze reizigers versperde,

juist op het oogenblik, waarop zij zoo nabij het doel waren, was

voldoende om den krachtigsten en geduldigsten man wanhopig te maken.

"Het geeft niets, of we al bij de pakken neerzitten," zeide

Gromski. "Het is beter, een middel te vinden om hier vandaan te komen."

"Ik zou wel eens willen weten, welk middel men zou kunnen vinden,"

mompelde James; "wij zullen, denk ik, dien ijsberg toch wel niet met

onze vuisten kunnen verbrijzelen."

"We kunnen een poging doen om de spleet wijder te maken."

"Waarmee?"

Op deze eenvoudige vraag wist de ingenieur niets ten antwoord te

geven. Men had dan ook geenerlei werktuig meegenomen, dat zou kunnen

dienen om zich een doortocht te banen.

De aangeboren geestkracht van Gromski veroorloofde hem niet, de handen

werkeloos in den schoot te leggen. Al was hij ook tot het uiterste

gebracht, toch liet hij de hoop nooit varen.

"Welke dikte zou het ijs hebben, dat ons den doortocht verspert?" vroeg

hij, nadat hij zich naast Ford had neergezet.

"Naar de hoeveelheid licht te oordeelen, dat hier doordringt, zouden

wij niet meer dan 5 à 6 meters te doorboren hebben. Als ik maar een

houweel of kruit had, dan zou ik mij in een paar dagen wel een weg

banen. Het is om wanhopig te worden, als ik er aan denk, dat wij

machteloos zijn...."

"Niet geheel en al, kapitein."

Ford glimlachte bitter.

"Ge zijt nog nooit in de poolstreken geweest," zeide hij. "Zij laten

hare prooi niet zoo gemakkelijk los. Maar wat wilt ge doen?"

"Ons een weg banen. Het komt mij voor, dat wij een vrij goed werktuig

hebben om het ijs te breken."

"Voor zoover ik weet, hebben we er geen in ons bezit."

"En dan het instrument, dat James draagt?"

"Wat? Dat gebruiken om het ijs te breken!" riep de kapitein uit,

terwijl hij haastig opstond.

De zeeman was geërgerd over dit denkbeeld van den ingenieur. Het

instrument, dat diende om de aantrekkingskracht aan de pool waar te

nemen, was in zijn oog iets onmisbaars.

"Mij dunkt, dat het beter is, dit instrument te vernielen, dan levend

begraven te worden," zeide James, terwijl hij het aan den ingenieur

overhandigde.

Ford verzette er zich nu niet langer tegen, daar hij de waarheid van

deze woorden moest erkennen.

Onze reizigers zagen zich dus in het bezit van een werktuig, dat wel

is waar niet zeer geschikt, maar toch vrij stevig was.

"Laat ons de spleet verwijden," zei de ingenieur. "Zij komt zonder

twijfel aan het andere einde van het ijsveld uit. We hebben geen

tijd te verliezen en zullen elkaar om het uur aflossen. Ik zal wel

beginnen."

De eerste slagen met dit zonderlinge houweel vervulden allen met

nieuwen moed. James, die niet werkeloos wilde blijven, ging naar de

plaats, waar Gromski aan den arbeid was.

"Ik zal u wel helpen," zeide hij.

"Met alle genoegen. Werp dan de stukken weg, die mij hinderen. Het

werk zal dan vlugger van de hand gaan."

De ingenieur zag al spoedig in, dat er heel wat werk te doen was. Het

ijs liet zich nog al gemakkelijk breken, maar het instrument kon

ongelukkig geen goed houweel vervangen: ook had James niet veel stukken

ijs weg te werpen. Bovendien belemmerde de nauwheid der spleet hem

in zijne bewegingen. Toen er een uur verloopen was, stond Gromski

zijne plaats dan ook gaarne aan den stuurman af, die aan zulk soort

van werk meer gewoon was.

James werkte onvermoeid door. Het gelukte hem al spoedig, de spleet

zoozeer te verwijden, dat hij er zijn hoofd kon insteken. Nieuwe

teleurstelling! De spleet eindigde eenige meters van daar.

Nadat de stuurman deze treurige tijding aan de beide anderen meegedeeld

had, hervatte hij den arbeid; want de kapitein verklaarde, zich op

de doorschijnendheid van het ijs beroepende, dat er nog maar drie

meters te doorboren waren. Als deze onderstelling bewaarheid werd,

zouden onze gevangenen in twee dagen vrij zijn.

Men zette dus met koortsachtige haast den arbeid voort, daar ieder uur

kostbaar was. Toen de beurt aan Ford kwam, haalde hij er stukken ijs

uit, die Gromski moest weghalen, daar zij veel plaats besloegen. Op

den 7den des morgens bereikte men het uiteinde der spleet.

Na het middagmaal begon de stuurman, die Gromski weder vervangen had,

eene opening in het ijs te maken.

Na verloop van tien minuten echter keerde hij naar zijne makkers terug,

bleek van ontroering.

"Alles is verloren!" riep hij, "het instrument is gebroken!"

Dit voorval maakte, dat onze reizigers opnieuw aan de wanhoop ter

prooi waren. Hun laatste middel tot redding was verloren gegaan.

Ford en de ingenieur deden alle moeite om den ongelukkigen stuurman

te troosten, die dit ongeluk alleen aan zich zelf toeschreef.

"Kom, kom, ouwe jongen, wees maar niet zoo wanhopig!" zeide Ford. "Het

noodlot wil blijkbaar niet, dat we de pool bereiken. Maar we moeten

toch ten einde toe volhouden. Als de ijsmuur niet al te dik is,

kunnen we dien nog wel met het kapotte instrument doorboren."

"Dat zal niet gaan," zei de ingenieur. "James," voegde hij er bij,

zich tot den stuurman wendende, "kan onze brandewijn branden?"

"Branden? Zoudt ge dezen berg dan willen doen smelten?"

"Dat niet. Ik wil alleen de dikte van de ijslaag bepalen met behulp

van een gloeiend stuk ijzer."

Gromski bracht terstond zijn plan ten uitvoer. Nadat hij in een

metalen beker een weinig brandewijn gegoten had, stak hij dezen aan,

verhitte het ijzer en hield dit op het ijs.

Hij moest dit verscheidene malen herhalen, voordat hij er in slaagde,

eene nauwe opening te boren ter lengte van de staaf, die slechts een

meter lang was. De ijslaag was dus dikker. Al spoedig moest Gromski

van zijn plan afzien; want niet alleen de staaf, maar ook zijn geheele

rechterarm gingen met gemak in de opening.

Men peilde op dezelfde manier een ander ijsblok. Maar dit was nog

dikker. Overigens was het doorboren van dit ijsblok gevaarlijk;

want het gewelf van den ijstunnel kon lichtelijk boven het hoofd der

werklieden instorten.

Zoo kwamen onze helden na een langdurigen arbeid tot het besluit,

dat de ijsgrot hun graf zou worden.

"Hier te sterven, zoo nabij het doel, is dit niet eene bittere

spotternij van het noodlot?" zeide Ford, terwijl hij de hand aan

zijn brandend voorhoofd bracht. "Ik was op alles bedacht, maar op

zulk een afloop niet."

De kloeke zeeman gevoelde, dat zijne geestkracht tegen zulk een feit

niet bestand was. Hij deed zich geweld aan om niet met zijn hoofd

tegen den ijsmuur aan te loopen.

"Op een afstand van slechts dertig kilometers!" riep hij herhaalde

malen wanhopig uit.

James gevoelde hetzelfde als de kapitein; maar hij beschouwde zich

zelf bovendien als de oorzaak van dit onheil. Gromski meende, dat

de oude zeeman uit wanhoop een einde aan zijn leven zou maken: hij

bleef steeds onbeweeglijk als een standbeeld zitten, de oogen op het

gebroken instrument gevestigd houdende. Zenuwtrekkingen vertoonden

zich op zijn gelaat, dat door de zon gebruind was. Men zou gedacht

hebben, dat die man ieder oogenblik in zuchten en in snikken zou

uitbarsten. Maar dat was niet het geval.

Gromski had zijn leven gaarne ten offer willen brengen; maar de

gedachte, van honger en van koude te sterven, joeg hem schrik aan. De

weinige levensmiddelen, waarover onze reizigers te beschikken hadden,

konden hun lijden slechts rekken.

"We zullen sterven, terwijl we in naam der wetenschap worstelen!" zei

de ingenieur, den kapitein de hand drukkende. "We moeten echter

niet wanhopen. We hebben gedaan, wat we moesten doen. Nu is de beurt

aan anderen."

De kapitein gaf een toestemmend teeken met het hoofd. Deze woorden

gaven hem eensklaps zijn gewonen moed en zijne kalmte van geest

terug. Hij zette zich naast zijne kameraden neer, haalde zijn zakboek

uit en begon daarin te bladeren.

"Dat is alles, wat er van ons zal overblijven," zeide hij. "We

moeten dus eene poging doen om het tegen den invloed van het water

te beveiligen. Misschien zal deze verwenschte ijsberg na verloop van

eenige jaren, van een tiental, van een twintigtal zelfs, verbrijzeld

of met den stroom meegevoerd worden, en dan zullen de mannen, die

zich evenals wij aan de wetenschap opgeofferd hebben, het verhaal van

onze reis vinden. Mogen zij uit dit zakboek vernemen, wat wij gedaan

hebben! Dit zal ons testament zijn, kameraden."

Iedereen, die den toestand van den ingenieur en diens metgezellen

onbevooroordeeld nagaat, zal zonder twijfel tot het besluit komen,

dat de onderzoekingstocht van deze helden der wetenschap hier zal

eindigen. Inderdaad vormde het ijsblok, dat eenige meters dik was,

een hinderpaal, die niet minder onoverkomelijk was dan eene rots van

graniet van dezelfde dikte.

Intusschen liep het heel anders af. Een schijnbaar onbeduidend

verschijnsel, dat door den ingenieur werd opgemerkt, droeg er geheel

onverwacht toe bij, onze reizigers te redden van een vreeselijken

dood tengevolge van honger en koude.

Nadat Ford zijn dagboek tegen de werking van het water beveiligd

had, wikkelde hij zich in zijn bonten mantel, legde zich op de

gemakkelijkste plaats, die hij maar kon vinden, neer en begon de

ontknooping van het drama, waarin hij zulk eene gewichtige rol

vervulde, af te wachten.

Ook James verviel in een toestand van volkomen onverschilligheid

omtrent hetgeen er verder zou gebeuren. De ingenieur kroop in de

spleet, waar de stuurman kort te voren nog had gewerkt, en begon

na te denken over de middelen om uit dezen hachelijken toestand te

geraken. De wonderlijkste, de stoutmoedigste plannen werden er door

hem gemaakt. Helaas! het waren slechts droomen van een koortsachtig

brein, die nimmer verwezenlijkt zouden kunnen worden.

Twee geheele dagen werden in dezen vreeselijken toestand doorgebracht,

twee dagen, gedurende welke er geene verandering in den toestand

onzer reizigers kwam.

Gromski, die in de spleet uitgestrekt lag, gevoelde zich spoedig

geheel verstijfd. Verscheidene malen kwam het plan bij hem op, zich

een weinig te verwarmen door eenige beweging te nemen, maar hij zag

daarvan telkens weder af.

"Is het niet beter, van koude om te komen, dan langzamerhand van

honger weg te kwijnen?" dacht hij.

Aangegrepen door eene nieuwsgierigheid, waarvan hij zich geen

rekenschap wist te geven, haalde hij een thermometer uit zijn zak. Het

kwik wees 1 1/2 graad onder nul aan.

Nadat de ingenieur die waarneming had gedaan, vroeg hij zich af,

waarom er zulk eene lage temperatuur in de spleet heerschte. Dit

verschijnsel was doodeenvoudig te verklaren. De stralen der zon, die

op het oppervlak van het ijsblok werkten, deden het langzamerhand

smelten. Deze smelting slurpte warmte op: eene afkoeling van de

geheele massa moest er dus het gevolg van zijn. Eenige droppels water,

die op den mantel van den ingenieur waren gevallen, waren terstond

bevroren. Ieder ander zou daaraan niet de minste aandacht gewijd

hebben, maar Gromski begon daarover na te denken.

"Als het water in den vasten toestand overgaat, dan verandert het

in omvang en zet zich uit, daar het ijs een lager soortelijk gewicht

bezit. Deze physische gedaanteverwisseling heeft onmiddellijk plaats

tengevolge van den minsten schok van eene vloeistof, die tot eene

temperatuur onder nul afgekoeld is. Dit verschijnsel oefent, als het

in een gesloten vat plaats heeft, eene drukking op zijne wanden. In

de bergen doet het water, dat in de kloven der rotsen bevriest,

deze barsten. Welnu, waarom zou dan ...."

De gevolgtrekking schoot als een bliksemstraal door het hoofd van

Gromski en deed zijn geheele lichaam sidderen.

"Alles is nog niet ten einde!" dacht hij.

Hij stond haastig, koortsachtig op, en nadat hij de ijzeren staaf in

handen genomen had, kroop hij op handen en voeten tot aan de plaats,

waar hij twee dagen geleden den ijsmuur gepeild had.

Het gat, door de staaf geboord, was nog met water gevuld. Gromski

raapte met zijne hand, die van ontroering trilde, een stukje ijs op

en wierp het in het gat. Op hetzelfde oogenblik deed zich het dof

geluid van ijs, dat uiteenbarst, hooren.

Bij het hooren hiervan slaakte de ingenieur een uitroep van zegepraal

en snelde naar zijne makkers toe.

"Moed gehouden, kameraden!" zeide hij, terwijl hij ternauwernood

de vreugde kon onderdrukken, die zijne borst vervulde. "We zullen

dezen berg in duizend stukken doen splijten.... Moed gehouden, zeg

ik u!.... Staat op!"

En hij greep Ford krachtig aan, die hem als een waanzinnige aanstaarde.

"Och kom! Zouden we dien berg kunnen doen splijten?" riep de stuurman

ongeloovig uit.

"Wel zeker. We zullen haar met behulp van bevroren water doen

uiteenspatten."

Er is niet veel noodig om de hoop in het hart van den mensch te

verlevendigen. De kameraden van den ingenieur begrepen diens bedoeling

onmiddellijk.

"Ge zijt onze redder!" riep de kapitein uit. "En te denken, dat dit

zoo doodeenvoudig is! Waarom zijn we niet dadelijk op dit schitterende

denkbeeld gekomen?"

"Morgen zullen we vrij zijn," zeide Gromski, terwijl hij met zijne

vuist tegen den ijswand klopte.

"Wat moet ik nu doen?" vroeg James, terwijl hij zijn mantel afdeed.

"Giet wat brandewijn in den beker!"

"Goed! En dan?"

"Neem dan de staaf en volg mij!"

Om den kleinen voorraad brandewijn zooveel mogelijk te besparen,

besloot de ingenieur, anders te handelen dan de eerste maal. In

plaats van eene groote opening in het ijs te maken met behulp van

de gloeiende staaf, wilde hij eenvoudig een gat boren. Daar men

niet in een oogenblik een muur van eenige meters kon doen springen,

moest men dien bij lagen verbrijzelen,--eene manier van handelen,

waarvan men zich bij het doorboren van tunnels bedient.

Gromski beval dus aan den stuurman, met de staaf gaten ter diepte

van zes duimen in den ijsmuur te boren. Er moesten er acht op eene

oppervlakte van vier vierkante voeten zijn.

De stuurman volbracht dezen zwaren arbeid in vijf uren. Gedurende

dien tijd maakte de ingenieur met behulp van een doorgesneden stok

stoppen om de gemaakte openingen dicht te maken en smolt stukken ijs

in een theeketel.

"Dat is ons dynamiet," zeide hij, terwijl hij aan zijne kameraden

den ketel, met water gevuld, liet zien.

Het water had eene temperatuur van meer dan 50 graden. Gromski wilde

door zijne warmte de gaten grooter maken.

Na de opening zorgvuldig leeggemaakt te hebben, vulde hij haar met

warm water en sloot haar met een stop af, die in een doek gewikkeld

was. Al spoedig was de mijn klaar.

Na zich naar eene ruimere plaats begeven te hebben, wachtten onze

reizigers met kloppende harten vol ongeduld den uitslag af. Twee uren

daarna, toen de ingenieur reeds aan den goeden uitslag van zijn plan

begon te twijfelen, bewoog eene plotselinge trilling de muren van

den tunnel. Ford, die tegen het ijs aanleunde, gevoelde deze het eerst.

Nauwelijks was er een dof geluid gehoord, of de ingenieur

bevond zich reeds ter plaatse, waar de mijn gelegd was. Zijne

vooruitzichten rechtvaardigden zich tot in de minste bijzonderheden:

de uiteengespleten oppervlakte van het ijs vertoonde duizenden stukken

van verschillende grootte. Verscheidene breede spleten, die diep in

het ijs doordrongen, bewezen de kracht van de mijn.

Bij het zien van deze verwoesting barstte de stuurman in vreugdekreten

los en begon de stukken ijs zorgvuldig weg te nemen.

"Drommels! Nooit van mijn leven had ik gedacht, dat zuiver water

kruit kon vervangen," zeide hij, terwijl hij de hand in de grootste

spleet stak.

"Welnu, gelooft ge nu, dat ik dezen berg zal weten te

verbrijzelen?" vroeg de ingenieur hem met een zegevierenden glimlach.

"En zelfs een berg van graniet?"

"En zelfs een berg van graniet. Bevroren water doet de voorwerpen,

die den meesten weerstand bieden, uiteenbarsten. Het water, dat in de

spleten der rotsen bevriest, rukt daarvan groote blokken af. Ge ziet,

dat we over eene ontzaglijke macht te beschikken hebben."

De goede uitslag van deze proefneming verlevendigde den moed van

onze reizigers. De uiteengebarsten ijslaag had een voet dikte. Om

een meter te doorboren had men bijgevolg drie mijnen noodig.

Na de kloof van ijs ontdaan te hebben, begon James onmiddellijk nieuwe

gaten te boren.

Vreezende, dat er zich in het inwendige van het ijsveld eene verheffing

van temperatuur zou openbaren, verhaastte de ingenieur de zaak. Men

werkte beurt om beurt, daar ieder eigenhandig deel aan de bevrijding

wilde hebben.

Men liet om de zes uren een mijn springen; men vorderde dus bijna

twee meters per dag.

Op den 12den, des namiddags om één uur, was de ijslaag, die onze

reizigers van de vrije ruimte scheidde, reeds zóó dun, dat Gromski bij

het boren van de gaten de omtrekken der naburige bergen kon zien. Men

legde dus de laatste mijn aan.

Toen James deze laadde, schertste hij vroolijk over het doorgestane

gevaar.

Ford maakte reeds zijn zak klaar en de instrumenten, die deze bevatte.

"We hebben eene week in dit verwenschte gat verloren," zeide hij. "We

moeten noodzakelijk dien tijd inhalen."

Men kan uit deze woorden gemakkelijk opmaken, dat de hoop bij den

kapitein herleefd was.

Een uur daarna vloog de dunne ijslaag met een oorverdoovend geluid in

stukken; de poolzon scheen door de breede opening in het inwendige

der gevangenis van ijs en verlichtte plotseling met hare stralen de

vermagerde en bleeke gezichten van onze reizigers.

Zonder te letten op de ijsblokken, die boven zijn hoofd wankelden,

liep de kapitein het eerst naar den buitenkant van het ijs en vertoonde

zich in het volle licht.

En gelijktijdig ontsnapte er een uitroep van verwondering en van

medelijden aan de borst van Gromski en van James.

Het haar van kapitein Ford was spierwit geworden.

Per luchtballon naar de Zuidpool · 第 28 / 36 题