IN DE LANDEN VAN EEUWIG IJS.

Onze reizigers hadden zich niet op een tocht over het ijs

ingericht. Tochten van dien aard, welke men gewoonlijk onderneemt om

het inwendige van een vasteland te onderzoeken, worden gewoonlijk

met behulp van sleden, die met honden of rendieren bespannen zijn,

afgelegd. Men neemt dan levensmiddelen, brandstoffen, wapenen, een

kano, voeder voor de dieren en andere voorwerpen mede, waar men in

de poolstreken onmogelijk buiten kan.

Maar onze helden hadden niets anders dan een kleinen voorraad vleesch;

gelukkig dat zij hunne warme bonten kleederen en hunne stevige laarzen

behouden hadden; zonder deze zouden zij zelfs niet aan een tocht over

de ijsvelden hebben kunnen denken. Op raad van James sloeg men in de

zolen groote spijkers om niet op de gladde ijsvelden uit te glijden;

bovendien had de stuurman van drie dikke stokken, die hij uit het

schuitje gehaald had, lichte rottingen vervaardigd, waaraan hij

ijzeren punten vastmaakte om bij het neerdalen langs de ijsvelden

tot steun te dienen.

De kapitein splitste de helft van het vleesch in 60 rantsoenen,

die hij onder de drie reizigers verdeelde. De andere helft, die

overbodig werd geacht, werd in het schuitje achtergelaten. Eene

kleine flesch brandewijn en wat beschuit voltooiden dezen bescheiden

voorraad. Ford vestigde de meeste aandacht op de instrumenten,

noodig voor astronomische en meteorologische waarnemingen, en er werd

besloten, dat men den sextant, de chronometers, een metaalbarometer,

een thermometer en een hygrometer zou meenemen. De kapitein belastte

zich met den sextant en de chronometers, de ingenieur nam de

meteorologische instrumenten voor zijne rekening, en de stuurman al

het overige en bovendien een touw, dat, naar hij zeide, veel dienst

zou kunnen doen.

Nadat de kapitein met de toebereidselen gereed was, vertrok men

denzelfden dag, 's avonds om zeven uur.

Om den tocht gemakkelijker te maken, verwijderde Ford zich een weinig

van de kust, die door ijsvelden doorsneden was. Onze reizigers liepen

gedurende drie uren achter elkaar over de bevroren sneeuw. Om tien uur

sloeg de kapitein eensklaps naar het Zuiden af en bleef na verloop

van eenige minuten op eene rots staan, vanwaar men het uitzicht op

het strand had.

Toen de ingenieur de sombere vlakten uit zijn ballon gadesloeg, had hij

geoordeeld, dat het Land des Doods eene woestijn was. Thans zag hij,

dat het planten- en dierenrijk zelfs hier hunne vertegenwoordigers

vonden. Uit het dierenrijk waren vooral de zeevogels in ruimen

overvloed voorhanden. Achter den kapitein aan liep Gromski letterlijk

over tallooze nesten, die de rotsen van de kust bedekten: vetganzen,

duikelaars en meeuwen bevolkten alle toppen. Deze luidruchtige menigte

sloeg geenerlei acht op onze helden; om er doorheen te komen, waren

zij verplicht, zich met behulp van hunne stokken een weg te banen. De

mensch, de meest verbitterde vijand van de andere levende wezens,

had zich blijkbaar in dit gedeelte der wereld nog niet aan zijne

moorddadige aanslagen overgegeven. De natuur verkeerde er nog geheel

en al in een maagdelijken toestand.

James verzekerde, dat de eieren der vetganzen zeer goed eetbaar zijn,

en toen hij er verscheidene, blijkbaar nog versche, gevonden had,

verorberde hij ze met smaak. De ingenieur liet zich, ondanks alle

aanbevelingen van den stuurman, niet bewegen om van deze spijs te

gebruiken.

Eene dikke laag guano, gedurende eeuwen door duizenden millioenen

vogels opgestapeld, bedekte de oppervlakte der rotsen. Uit den aldus

bemesten grond staken armzalige voortbrengselen uit het plantenrijk aan

de pool hier en daar het hoofd op, te midden van een mostapijt. Het

groen van deze kleine plantjes stak aangenaam af op den eentonigen

grond van ijs en rotsen.

Van het punt, waar Ford even bleef staan, kon men eene vrij groote

uitgestrektheid overzien. Aan den voet der rotsen strekte de

Oceaan zijne gestremde vlakte uit. Aldaar begon het ijsveld, dat

de kapitein ontdekt had. Aan gene zijde der hooge bergen vertoonde

zich de betrekkelijk effen oppervlakte van ijs, door den mist aan

den horizon beperkt.

Ford haalde zijn verrekijker uit den zak en begon in dezen chaos een

zoo gemakkelijk mogelijken doortocht te zoeken.

"Het komt mij voor, dat het ijsveld zich minstens 40 kilometers aan

gene zijde van de kust uitstrekt," zeide hij, zich tot den ingenieur

wendende; "ik moet u eens doen opmerken, hoe men, naar de kleur van

de lucht te oordeelen, van verre kan onderscheiden, welk soort van

ijs de oppervlakte van den Oceaan bedekt. Wij, zeelieden, doen op

onze reizen dikwijls ons voordeel met deze kenteekenen. Ziet ge die

geelachtige strook wel? Dat is een zeker bewijs van de nabijheid van

een ijsveld. Als de Oceaan niet bevroren was, zou hij aan den horizon

een saffieren tint gegeven hebben. Het ijs, dat in beweging is,

werpt op den hemel eene blauwe kleur, en het jonge ijs, dat zich in

den herfst gevormd heeft, verraadt zich door eene grijsachtige kleur."

"Is het ijs hier dik?"

"Het zou wel een geheel leger kunnen dragen. Ge weet zeker wel,

dat kanonnen zonder het minste gevaar over eene laag van zes duim

dikte overgebracht kunnen worden. Het ijsveld, dat we onder onze

voeten hebben, heeft zonder eenigen twijfel eene dikte van drie à

vier meters, ofschoon het sedert eene maand aan de warmte der zon

blootgesteld is geweest."

Nadat de kapitein den besten weg gekozen had, zette men den tocht

voort. Gromski liep achter hem en keek met nieuwsgierigheid naar

het ijsveld, waarop zich hier en daar ijsblokken verhieven, die op

ontzaglijke massa's kristal geleken. Zij vertoonden op hunne kruinen

en zelfs op hunne zijden groote stukken doleriet. Ford verklaarde,

dat die steenen daar aangevoerd waren door het ijsveld, dat van den

berg neergedaald was. Over 't algemeen ontrukken de ijsvelden aan hunne

bedding rotsblokken en stuwen ze naar zee. De ijsbergen, door den wind

naar warme luchtstreken meegevoerd, smelten langzamerhand en doen deze

steenen in zee vallen. Dikwijls hebben wetenschappelijke onderzoekers

uit de diepten van den Oceaan ontzaglijke rotsblokken opgehaald,

die verscheidene duizenden kilometers van daar verwijderd zijn.

De warme stralen der zon deden in deze ijsmassa's zonderlinge geluiden

ontstaan. De ingenieur zag al spoedig in, dat de oorzaak van dit

verschijnsel de warmte was, die de ijsblokken deed uitzetten en in

allerlei richtingen uiteenspatten, terwijl het water ze eindelijk

geheel deed breken.

Onze reizigers, die verplicht waren, ieder oogenblik een ijsblok om te

loopen, legden dientengevolge zeker wel het dubbele van den weg af. De

oppervlakte van het ijsveld werd al meer en meer oneffen. Dikwijls

kon men geen stap meer doen zonder behulp van den met ijzer beslagen

stok. De reizigers ontmoetten nu en dan breede spleten, waarover zij

moesten heenspringen op gevaar af om er in te vallen.

Na verloop van vijf uren waren allen, zelfs de stoere James, uitgeput

van vermoeienis. Op voorstel van den ingenieur besloot men dus,

halt te houden en een weinig te eten.

"Ik dacht niet, dat wij zóó spoedig moede zouden worden," zeide

Gromski, terwijl hij zich aan den voet van een ijsblok neerzette.

"De reizen in de poolstreken zijn altijd zeer vermoeiend," antwoordde

de kapitein. "Ik heb gelegenheid gehad, die ervaring op mijne

drie tochten naar de Noordpool op te doen. Verscheidene oorzaken

werken samen om ze bezwaarlijk te maken, en in de eerste plaats de

koude. De physiologie leert ons, dat de warmte van een levend wezen

voortkomt uit de oxydatie van de koolstof, die door de spijzen in het

lichaam gebracht wordt. Om de ontzaglijke physiologische verliezen

te vergoeden, die uit de uitstraling van het lichaam bij eene lage

temperatuur voortvloeien, zijn de bewoners der poolstreken genoodzaakt,

veel meer vet te gebruiken dan de bewoners van warme luchtstreken. Ik

verzeker u, dat de Eskimo's eene hoeveelheid vetstoffen en vleesch

gebruiken, die geen Europeaan zou kunnen verteren. Het lichaam heeft in

de noordelijke streken veel koolstof noodig; anders zou het spoedig

zijne krachten verliezen. Het magere vleesch, dat wij nuttigen,

is een onvoldoend voedsel in de poolstreken, vooral wanneer men ze

te voet doorkruist. Behalve de koude komt eene andere oorzaak van

uitputting voort uit allerlei hinderpalen, zooals de oneffenheden

van het ijs en de opeenhoopingen van sneeuw, waarvan het overtrekken,

vooral met eene slede, gewoonlijk met groote bezwaren gepaard gaat."

"Naar mijne meening," zeide Gromski, "bestaat er nog een hinderpaal,

waarvan de Zuidpoolreizigers gewag maken. Wij weten, dat de beweging

der aarde om hare as eene middelpuntvliedende beweging veroorzaakt,

die het gewicht der voorwerpen, welke zich op de oppervlakte bevinden,

vermindert. In de nabijheid der polen, waar de snelheid der omwenteling

onbeduidend is, is deze kracht zeer gering, en bijgevolg weegt ieder

voorwerp in de poolstreken zwaarder dan op de evennachtslijn: daaruit

volgt, dat het aan menschen en dieren meer inspanning kost om zich

aldaar te verplaatsen dan in warmere streken. Dit verklaart ons,

waarom de reizen in deze streken zoo vermoeiend zijn."

"Zeker, Mijnheer," zeide Ford. "Intusschen moet men dit niet

overschatten. Ieder lichaam weegt aan de pool 1/280 meer dan op de

evennachtslijn, zoodat bijvoorbeeld het gewicht van mijn lichaam

met 300 à 400 grammen vermeerderd wordt. Zulk een gering verschil

komt bijna niet in aanmerking. Maar toch erken ik, dat het feit,

door u vermeld, de som der bezwaren vermeerdert, waartegen men in de

poolstreken te kampen heeft."

"We zullen voor geenerlei bezwaar terugdeinzen!" riep James uit.

Terstond na het gebruik van een karigen maaltijd begaf men zich opnieuw

op weg. Ford berekende, dat men zich niet meer dan 5 à 6 kilometers

van de kust verwijderd had. Allengs werd het ijsveld al hobbeliger

en hobbeliger. De ervaren blik van den kapitein zag in de grillige

omtrekken daarvan de sporen van de opeenhoopingen van ijs, die zich

gedurende den winter gevormd hadden. Van tijd tot tijd ontmoetten

onze reizigers onoverkomelijke ijsbergen. Ontzaglijke ijsblokken,

ter dikte van verscheidene honderden meters, hadden zich in eene

woeste wanorde opeengestapeld. Deze riepen aan James het treurige

voorval op zijne laatste reis in het geheugen terug, toen de Narwal

geheel door het ijs verpletterd werd.

"Ik zie ons ongelukkig schip nog, zooals het op het laatste oogenblik

was," zei de oude zeeman. "Ge moet namelijk weten, Mijnheer Gromski,

dat de voorlaatste winter zóó vroeg ingevallen was, dat we den tijd

niet hadden gehad om eene veilige schuilplaats op te zoeken. Ons

schip was, zonder dat we er eenig vermoeden op hadden, midden in een

breed kanaal ingevroren, en nooit is het weer uit het ijs los kunnen

raken. December en Januari gingen zonder merkwaardige voorvallen

voorbij. We wachtten met ongeduld de lente af, die echter, in plaats

van de Narwal uit het ijs los te maken, haar geheel verpletterde. Het

was op het einde van Februari. Ik herinner mij alles nog zoo goed,

alsof het eerst gisteren gebeurd was. We speelden een komediestukje in

de groote kajuit. Iedereen lachte zich slap bij het zien van het spel

van Bob, onzen kok, die er dan al bijzonder den slag van had, toen

we eensklaps een dof gekraak in de balken van ons schip hoorden. We

vlogen naar het verdek. Een hevige wind blies uit het Noorden. Het

was vinnig koud. Het ijsveld, dat zich om het schip heen gevormd

had, trilde en barstte met een ontzettend gedruisch uit elkaar. Op

een afstand van tien schreden van ons ontstond er een breede kloof;

maar het ijs vulde deze onmiddellijk aan. Eenige uren daarna barstte

ons ijsveld in wel twintig stukken, die zich door den aandrang van

het ijs in den omtrek opeenstapelden. In een oogwenk hoopte zich eene

ontzettende hoeveelheid ijs rondom de Narwal op, en deze opeenhooping

werd langzamerhand al hooger en hooger. De arme Narwal moest het zeker

zwaar te verantwoorden hebben; want zij zuchtte en kermde letterlijk

als een mensch.

"Ieder oogenblik drong er iets met een vervaarlijk gedruisch in hare

voegen door. De kapitein beval, de levensmiddelen, de brandstoffen

en de sleden over te brengen naar de nog gladde ijsvlakte, die echter

merkbaar al kleiner en kleiner werd. We bouwden eene hut, en we hadden

daarin nog pas eene schuilplaats gevonden, of een ontzaglijke ijsberg

kwam er tegen aan en sneed haar letterlijk doormidden. Dit ongeval kwam

ons op het verlies van twee matrozen en een aanzienlijk gedeelte van

onze levensmiddelen te staan. Om niet alles te verliezen, verdeelden

we onzen voorraad en legden dezen op verschillende plaatsen neer.

"Intusschen stapelden de ijsbergen zich al meer en meer in de

nabijheid van het schip op. Den volgenden dag staken zij al een

heel eind boven het verdek uit. Aan den anderen kant van het schip

vormden zich insgelijks ontzettende ijsbergen. We zagen, dat zij

onze ongelukkige Narwal al meer en meer naderden, en we konden er

toch niets aan doen. Wat vermag menschelijke kracht in dergelijke

omstandigheden? Kort daarop wakkerde de storm tot een orkaan aan, en

nu had het laatste uur voor ons schip geslagen. Ge hadt eens moeten

zien, wat de "ijsduivel" toen deed. Hij brak het ijsveld in honderd

stukken, die hij met een geweldig gedruisch op elkaar wierp. Overal

hoorden we gekraak, overal een geluid als van donderslagen; het was,

alsof het einde der wereld nabij was. We wachtten in onze sloepen

het oogenblik af, waarop alles aan stukken zou breken. Niemand deed

gedurende drie dagen een oog dicht, allen luisterden wij met eene ziel,

door smart verscheurd, naar de angstkreten, waarmee ons schip onze hulp

scheen in te roepen. We achtten het reeds geheel verloren. Eensklaps

ontstond er in het schip eene scheur, die bij den boegspriet begon;

vervolgens stortte de ijsmuur zich op het verdek neer en was het schip

geheel door het ijs omgeven. Eensklaps deed zich een verschrikkelijk

gekraak hooren: het verdek was ingestort, evenals een dak, dat bij een

brand naar beneden valt. Na verloop van eenige oogenblikken zagen we

niets meer van het schip dan een hoop vaneengespleten balken en den

grooten mast, die zich te midden van het ijs omhoog hief, als de hand

van een drenkeling, die zich om hulp uitstrekt. De kapitein, ik en de

helft van onze bemanning stortten bij het zien van deze verwoesting

tranen. Toen de orkaan ging liggen en de "ijsduivel" zijne woede op

het schip had gekoeld, was er geen spoor van onze Narwal meer te zien."

Deze eenvoudige woorden van den stuurman verrieden eene gelaten

onderwerping, wars van hartstocht of van toorn. De kloeke stuurman

was er blijkbaar aan gewoon geraakt, zich in alles te schikken,

zonder ooit zijne kalmte van gemoed te verliezen.

Gedurende dit verhaal bemerkten onze reizigers, nadat zij eenige

honderden meters hadden afgelegd, een keten van ijsbergen, die den

horizon aan den kant van het Zuiden aan het oog onttrokken. Ford

zag, toen hij door zijn verrekijker naar deze keten keek, dat zij

samengesteld was uit ontzaglijke ijsblokken, die zich opeengestapeld

hadden. Zulke ijsbergen over te steken was niet zonder gevaar,

zooals Ford bij ervaring wist. Verkieslijker was het, er omheen te

loopen. Maar bij nader onderzoek bleek, dat deze ijsbergen zich zoover

uitstrekten, als het gezicht reikte. Men was dus wel genoodzaakt,

ze over te trekken.

"We zullen een moeilijken en gevaarlijken tocht te doen hebben,"

zei de kapitein, zich tot zijne kameraden wendende.

Een halfuur daarna bereikte het gezelschap de keten. Reuzen van ijs

verhieven zich ten hemel als de phantastische overblijfselen van eene

marmeren stad, die door eene hevige aardbeving verwoest is. De toppen

van sommige bergen verhieven zich wel 100 meters boven het oppervlak

van den Oceaan.

Onze reizigers hadden op een afstand van eenige honderden schreden van

de keten halt gehouden; zij keken verwonderd naar de grillige vormen,

die deze blokken kristal hadden aangenomen. En uit dien chaos deed zich

een oorverdoovend gedruisch hooren, dat nu eens aan de ontploffing

van een mijn, dan weer aan salvo's van het geschut deed denken. Op

een afstand van ongeveer twintig schreden lagen rondom iederen berg

ijsblokken, dikwijls van een kolossalen omvang.

Het is dus niet te verwonderen, dat het onzen reizigers aan moed

ontbrak, zich in dien chaos te wagen, waar zich zoo lichtelijk een

doodelijk voorval kon voordoen. Ford begaf zich langs de keten op weg,

eene spleet zoekende, waar zij doorheen zouden kunnen gaan.

"'t Is zonderling, dat zulk eene massa ijs zich op dezelfde plaats

heeft opgestapeld!" zeide Gromski.

"Naar hunne hoogte te oordeelen," zeide Ford, "moeten ze wel 500 à

600 meters onder water zitten, daar een ijsberg ternauwernood voor

een zesde gedeelte boven het water uitsteekt."

De waarnemingen van Ford bevestigden het feit, dat de hoogste ijsbergen

zich op de kust van het vasteland bevinden; de andere, die zich achter

deze vertoonden, waren lager.

Ondanks de nasporingen, die een geheelen dag duurden, konden onze

reizigers noch een doortocht noch een ravijn ontdekken. De stuurman

merkte zelfs op, dat de keten al breeder en breeder werd, naarmate

men naar het Oosten voorttrok. Men wendde zich dus naar het Westen

en onderzocht zorgvuldig iedere kloof, die men zag.

"Als de zon zich gedurende eenige uren achter de wolken verschool,

zou het ijs ophouden te smelten en zouden wij zonder gevaar verder

kunnen gaan. Ongelukkig is de lucht helder en rijst de barometer. We

moeten dus eene hoogte zien over te komen, als we onzen tijd niet

met wachten willen verspillen."

"Ik ben klaar," zeide Gromski.

"Komaan, kapitein," voegde James er bij. "Op een afstand van

tweehonderd schreden van hier zie ik een spleet tusschen twee bergen;

deze moet ons, dunkt mij, naar den anderen kant brengen."

De oude stuurman ging naar de keten van ijsbergen toe en bleef al

spoedig bij een blok staan, dat veel overeenkomst met een obelisk had;

daarnaast verhief zich eene vormlooze massa met scherpe kanten. De

beide ijsbergen waren door een ravijn van elkaar gescheiden.

Het drietal ging deze in; maar de stukken ijs maakten den weg

moeilijk. Somtijds hoorden onze reizigers het dof gedruisch van

vallende ijsblokken. Gelukkig duurde de tocht door het ravijn slechts

kort: men bevond zich na verloop van eenige minuten op eene kleine

vlakte, die echter aan alle kanten door ijsbergen omgeven was.

"Drommels!" mompelde James, "we hebben het einde nog niet!"

"Voorwaarts! Volgt mij!" zeide Ford kortaf.

Hij snelde haastig naar het naastbijliggende ijsblok, waar zich weder

eene spleet bevond; maar na omstreeks 15 meters afgelegd te hebben,

moest hij wel blijven staan.

"Welnu, wat is er?" vroeg Gromski.

"Geen doorgang," antwoordde deze, van vermoeienis hijgende. "We

moeten terugkeeren."

"Eindigt de kloof daar?"

"Neen, maar het is onmogelijk, verder door te dringen."

Daarop begon Ford terug te keeren; zijne metgezellen, die niet rechtop

konden staan, kropen op handen en voeten naar den uitgang.

Nadat zij op deze manier eene ruimere plaats hadden bereikt, wilde

James weder opstaan. Plotseling deed zich een geweldig gedruisch

hooren, de wanden der kloof werden door een verwonderlijken schok

aangegrepen, en nu stortte zich een stroom ijskoud water in de kloof

en maakte onze reizigers van het hoofd tot de voeten nat.

"Wat is er, James?" riep Ford, terwijl hij zich de oogen uitwreef.

De stuurman, die reeds een weinig bekomen was van den schrik, die

zich bij dit onverwachte stortbad van hem meester gemaakt had, liep

haastig vooruit en verdween achter een hoek van de kloof.

De ingenieur, die een voorgevoel van eenig ernstig gevaar had, wilde

zich zelf rekenschap geven van hetgeen er gebeurd was. Maar nauwelijks

had hij eenige schreden gedaan, of hij zag James roerloos naast een

ontzaglijk ijsblok neerzitten.

"Wat beteekent dat, James?" vroeg hij hem.

"We zijn tusschen vier muren ingesloten," antwoordde de stuurman,

zonder zich om te keeren.

Per luchtballon naar de Zuidpool · 第 26 / 36 题