AAN HET EIND VAN DE WERELD.

De beroemde James Cook, die van 1772 tot 1775 zeer ver in het Zuiden

doordrong, zag voor het eerst te midden van de onafzienbare ijsvelden

de hooge zwarte rotsen van een onbekend vasteland. Maar hij trachtte

zich vruchteloos een weg daarheen te banen; terwijl hij langs zijne

ontoegankelijke kusten voer, kwam hij tot de overtuiging, dat zij

ongetwijfeld tot een groot vasteland, het zesde werelddeel, behoorden.

Na Cook bezocht niemand gedurende een geruimen tijd deze doode streken

van onze planeet. Eerst negen en veertig jaren later ontdekten Powell

en Palmer aan gene zijde van kaap Hoorn eene landstreek, waarin

zij tot op 62 graden breedte doordrongen, en waaraan zij de namen

"Drieëenheid-land" en "Palmer-land" gaven.

Bijna tegelijkertijd, namelijk van 1819 tot 1821, landde Bellinghausen,

nadat hij den weg over de ijsvelden, die het zuidelijk deel van den

Atlantischen Oceaan begrenzen, had afgelegd, op twee eilanden, die

er woest uitzagen.

Niet lang daarna ontdekte de Schotsche walvischvaarder Weddell, na

stoutmoedig een muur van ijs overschreden te hebben, tusschen den

30sten en 50sten graad Westerlengte het GeorgeIV-land, waarop het,

naar men zegt, van vogels en amphibieën wemelt.

Van dat oogenblik af volgden de wetenschappelijke tochten naar den

Zuidpooloceaan elkander spoedig op. Ongelukkig stootten de moedige

zeelieden, als zij verder dan de poolcirkel doordrongen, altijd op

opeenstapelingen van ijs, waarvoor zij moesten terugwijken.

Als wij de kaart van het zuidelijk halfrond vóór ons leggen en met

aandacht de kronkelende lijn der kusten volgen, die verschillende

reizigers aangeteekend hebben, dan komt onwillekeurig de gedachte

bij ons op, dat deze lijn een groot zuidelijk vasteland begrenst,

dat zich rondom de pool uitstrekt.

Laat ons eens met kaap Hoorn beginnen. Vooreerst vindt men dan

ten Zuiden Vuurland, verder de Biscoe-eilanden en de eilanden

Adelaïde en Joinville, die dicht in de nabijheid daarvan liggen. Het

oostelijk uiteinde van het vasteland wordt beschouwd als gevormd

door Louis-Philippe-land, in 1838 door Dumont d'Urville ontdekt. In

het Zuidwesten doemen AlexanderI-land, door Bellinghausen ontdekt,

en het PeterI-eiland uit den Oceaan op. Verder in het Oosten is er,

naar het zeggen van enkele zeevaarders, niets anders dan water en een

muur van eeuwig ijs. Eerst aan de zuidelijke grens van den Indischen

Oceaan, te beginnen met 90 graden lengte, ontdekten Biscoe in 1831,

Dumont d'Urville van 1838 tot 1840, Balleny in 1839 en Wilkes van

1839 tot 1840 kusten, waarin baaien zichtbaar waren, die door het

ijs versperd waren, hetgeen zonder twijfel eene reeks van eilanden

is. Deze reeks draagt op de kaarten den naam "Wilkes-land." De

verschillende deelen daarvan heeten Knox-land, Budd-land, Sabrina-land,

North-land, Clarie-land, Adélie-land, het eiland Ringgold-Knoll en

de Balleny-eilanden. James Clarke Ross, de moedige onderzoeker van de

noordwestelijke doorvaart, slaagde er, terwijl hij zich een weg baande

over de ontelbare ijsbergen die in den Zuidpooloceaan voorkomen,

in de maand Februari 1842 in, verder dan zijne voorgangers door te

dringen, waarschijnlijk tot 78° 10' Zuiderbreedte. Deze stoutmoedige

zeevaarder ontdekte tusschen den 70sten en 80sten graad steile kusten,

woest en met sneeuw bedekt, waarop zich twee vulkanen, de Erebus en

de Terror, en een aantal andere bergen bevinden.

Dit land, dat den naam Victoria-land draagt, ter eere van de koningin

van Engeland, is het dichtst bij de Zuidpool gelegen land, dat ooit

ontdekt is.

De meeste aardrijkskundigen gelooven aan het bestaan van dit vasteland

aan de Zuidpool. Petermann, de bekende onderzoeker der poolstreken,

schatte, dat dit geheimzinnige vasteland den ontzaglijken omvang van

390.000 vierkante mijlen heeft. Anderen verzekeren, dat de kusten, door

verschillende zeevaarders gezien, tot eene reeks eilanden behooren,

die de Zuidpool omgeven.

Dit is in de nieuwere aardrijkskunde een betwistbaar vraagstuk, dat

onmogelijk door gewone middelen op te lossen is. Alle zeevaarders,

wier namen wij genoemd hebben, van Cook tot Nares, die in 1874 eene

reis naar het Zuiden heeft gedaan, zijn eenstemmig in de verklaring,

dat de Zuidpooloceaan veel ontoegankelijker is dan de Noordpooloceaan.

De golfstroom, die ontzaglijke warme stroom in den Oceaan, dringt niet

in zijne wateren door. Daarom hoopen zich rondom het veronderstelde

vasteland zulke dichte massa's ijs op, dat het aan een waaghals

zelden gelukt, zich daar doorheen een weg ter lengte van een tien-

of twintigtal mijlen te banen, om eindelijk toch terug te deinzen

voor dien nog ongeschonden muur, die, als eene natuurlijke vesting,

de geheimzinnige pool tegen de nieuwsgierigheid der menschen

beveiligt. De landen, tusschen de Noordpool en het vasteland van

Amerika gelegen, zijn reeds verscheidene malen in sleden of op

sneeuwschoenen door verschillende reizigers doorkruist; men is er

zelfs in geslaagd, in de binnenlanden van Groenland door te dringen,

dat zich, volgens de onderstellingen van sommige onderzoekers,

tot aan de Noordpool uitstrekt. Maar geene slede, geen menschelijk

wezen is nog in de diepten van het geheimzinnige vasteland aan de

Zuidpool doorgedrongen. De twijfel zweeft over die zwarte rotsen,

die zich verheffen achter een muur van ijs, dat, naar men zegt, nooit

smelt. Daarom heeft men geene vruchtelooze pogingen meer aangewend:

sedert Moore in 1845 en Nares in 1874 is geenerlei wetenschappelijke

tocht naar de gevaarlijke kusten van het Zuiden ondernomen; alleen

banen zich de walvischvaarders, door hoop op winst gedreven, jaarlijks

met levensgevaar een weg door de bergen en over de ijsvelden, ter

vervolging van de robben, de zeekoeien en de walvisschen, die dit

uiterste gedeelte der aarde bevolken.

De verhalen, die zij van daar meebrengen, gewagen van onoverkomelijke

opeenhoopingen, onafzienbare ijsbanken, die dit land in een

geheimzinnigen sluier hullen,--dit land, dat nog lang de pogingen

zal dwarsboomen van al degenen, die het krachtigst strijden om het

in naam der wetenschap te veroveren.

Alleen die schier wonderbare uitvinding, de bestuurbare luchtballon,

kon deze hinderpalen te boven komen, die men langs den zeeweg nooit

uit den weg heeft kunnen ruimen.

Met behulp van den luchtballon waren onze reizigers er in geslaagd,

althans voor een gedeelte, den tot dusverre ondoordringbaren sluier

op te lichten, waarachter de natuur het zesde werelddeel verborgen

heeft. Gedurende hunne reis hadden zij kunnen vaststellen, dat

er, ondanks de onderstellingen van enkele aardrijkskundigen, geen

vasteland ten Zuidoosten van Graham-land, en dus tot op 78 graden

breedte, bestaat. Het land begint verder, in het Oosten en in het

Zuiden. Wij weten, dat zijne grenzen vrij juist overeenkomen met het

denkbeeld, dat men zich daarvan gevormd had, volgens de verhalen der

weinige onderzoekers en der walvischvaarders, die het uiterste Zuiden

bezocht hebben.

Kapitein Ford had tot op het laatste oogenblik vast aan het bestaan

van een groot vasteland geloofd en de hoop gekoesterd, den voet op de

Zuidpool te zetten. Gromski koesterde dezelfde hoop. Het zien van den

Oceaan, die zich voor de oogen onzer reizigers uitstrekte, juist op

het oogenblik, waarop zij zich reeds van de overwinning zeker waanden,

was voor hen een der grievendste teleurstellingen.

Ford begreep terstond, dat het volstrekt onmogelijk was, zonder

behulp van een kano de Zuidpool te bereiken. Ondanks zijne kostelijke

eigenschappen kon de ballon, vooral na het verlies van den ankerzak,

zich niet lang ophouden op het punt, waar al de meridianen samenloopen.

Dus was eene juiste waarneming niet te doen of zelfs de oprichting

van een hoop steenen niet te verwezenlijken. De zelfopoffering van den

braven stuurman was voor diens metgezellen van geenerlei nut; want de

luchtballon, eensklaps van een gewicht van 70 kilogrammen ontlast,

verhief zich snel naar den hemel en bereikte eene hoogte van 2300

meters. Op deze hoogte heerschte er zulk eene lage temperatuur, dat de

alcoholthermometer tot 21 graden onder het nulpunt daalde. Bovendien

leverde het snelle wegvlieden der kusten aan onze luchtreizigers

het bewijs, dat een hevige wind hen naar het Noorden voerde. Ondanks

de vermeerderde drukking van den stoom kon de machine daaraan geen

weerstand bieden. Er was dus niets anders te doen dan zoo spoedig

mogelijk te dalen; anders zou de edelmoedige stuurman reddeloos

verloren geweest zijn. Gromski opende de klep, en al spoedig zweefde de

ballon weder boven de sneeuwhoopen, waartusschen James verdwenen was.

Het hart van den kapitein brak bij de gedachte, dat de moedige

metgezel op zijne reizen aldaar om het leven zou kunnen komen, als

een slachtoffer van zijne heldhaftige zelfopoffering. Men moest wel

vreezen, dat de oude zeeman, die van eene hoogte van omstreeks tien

meters neergevallen was op het oogenblik, waarop de ballon zich met

volle kracht voortbewoog, terstond gedood was, daar hij tegen een

der rotsen was aangekomen, waarmee de vlakte bedekt was.

Gromski had insgelijks bange voorgevoelens; zoodra de ballon op

den grond neergekomen was, stelde hij zorgvuldige onderzoekingen

in het werk, liep in allerlei richtingen heen, riep, schreeuwde,

maar vruchteloos. Men begon de hoop om den armen James nog terug te

vinden reeds op te geven, toen zijne stem zich uit de diepte van

een sneeuwhoop deed hooren. De kloeke zeeman was ongedeerd op de

sneeuw neergekomen, die eene spleet vulde, maar was daaronder geheel

bedolven. Na een geruimen tijd vruchtelooze pogingen aangewend te

hebben om er uit te komen, had James zich in zijn lot geschikt,

en indien Gromski hem niet had geroepen, zou hij levend begraven

geweest zijn.

Toen de stuurman uit zijn benarden toestand gered was, brachten onze

reizigers den ballon met inspanning van al hunne krachten tot aan

een klein meertje nabij een ijsveld, dat zich tot aan den Oceaan

uitstrekte. Aldaar was de luchtballon volkomen tegen de Noorden-

en Zuidenwinden beveiligd.

Dit punt bevond zich, zooals de zorgvuldige waarnemingen van Ford

aanwezen, op 89° 38' 48'': slechts 37 kilometers scheidden onze

avonturiers dus nog van de Zuidpool.

Toen James dit cijfer hoorde, kon hij zich niet weerhouden, een

luid hoera! aan te heffen. Gromski viel, met tranen in de oogen,

den kapitein om den hals.

"Ik vraag u vergiffenis," zei de laatstgenoemde. "Zonder mijne

onvoorzichtigheid zouden wij misschien over deze ijsvlakten heengekomen

zijn."

"En dan?"

"Dan zouden we het anker uitgeworpen hebben, dat ik, dwaas genoeg,

heb laten vallen, en de juiste plaats van de pool hebben aangeteekend."

"Dat zou op den Oceaan moeilijk gaan, daar de ballon geen oogenblik op

dezelfde plaats had kunnen blijven uit hoofde van den wind. Bovendien

hebben we geen brandstof meer, zooals ge weet. Wel is waar hadden we

toch wel kunnen zegevieren, als een van ons, in plaats van onverhoeds

overboord te springen, in het schuitje gebleven was: dan zouden we

niet nutteloos gas verspild hebben."

"Dat wil zeggen, dat mijn plan niet heel verstandig was," merkte de

stuurman treurig aan.

Intusschen dacht Gromski na over het besluit, dat men nu moest nemen.

De voorzichtigheid gebood, zonder tijd te verliezen terug te keeren;

want de ballon kromp gedurig meer ineen. Op zijn oppervlak vormden

zich lange en diepe rimpels, waarvan het aantal snel toenam. Als men

de machine, die nu nutteloos geworden was, evenals den stoomketel

overboord wierp, kon men aan den luchtballon een opstijgingsvermogen

van meer dan 1000 kilogrammen geven. Als men dit cijfer met 210

kilogrammen--het gewicht der reizigers--verminderde, bleven er nog

800 kilogrammen ballast over, die, volgens de berekeningen van den

ingenieur, voor een tocht van 6 à 8 dagen voldoende zouden zijn.

De ingenieur hoopte, dat de koude luchtstroom den ballon zonder moeite

in eene week naar de kusten van Amerika zou terugvoeren. Alleen moest

men zich haasten; want het gas ontsnapte al meer en meer.

Onze luchtreizigers konden zeggen, dat zij het beoogde doel bereikt

hadden; want zij waren dichter bij de pool genaderd dan eenig ander

reiziger vóór hen.

Inderdaad was men er tot dusverre niet in geslaagd, in de

Zuidpoolstreken verder dan den 85sten breedtegraad door te dringen;

de bemanning van de Polen had dus eene reis volbracht, zooals de

aardrijkskundige jaarboeken van geen volk er ooit eene vermeld hadden.

Deze reis plaatste onze luchtreizigers aan het hoofd der onderzoekers

en hief schier geheel den sluier op, waarin de polen van den aardbol

gehuld zijn. Wat deed het er toe, of zij den voet al niet hadden

gezet op het punt, waar de meridianen samenloopen? Als er niet zulke

nevelen en zulke wolken boven de zee gehangen hadden, zouden zij zonder

moeite uit hun luchtballon de plaats hebben kunnen zien, waar dit

punt gelegen is. Geen van onze helden, zelfs James niet, geloofde,

dat er aan de pool buitengewone toestanden aanwezig waren, die de

wetenschap met een nieuw en onbekend licht zouden kunnen bestralen.

Het gezond verstand beval dus, het besluit te nemen om onmiddellijk

terug te keeren, na de vereischte astronomische en meteorologische

waarnemingen gedaan te hebben. Iedere dag uitstel deed het gevaar

toenemen. De onbeduidendste hinderpaal kon het leven der bemanning van

den ballon in gevaar brengen, die, sedert het verlies van den ankerzak

en de machine, niets meer dan de speelbal van onbekende winden was.

Na al deze omstandigheden rijpelijk overwogen te hebben, verklaarde

de ingenieur zich voor het onmiddellijk vertrek.

Al spoedig echter kwam hij tot de overtuiging, dat de redenen, die

hij daarvoor te berde bracht, noch aan Ford, noch aan den stuurman

afdoende voorkwamen. Hij kende die menschen nog niet.

"Laat ons nog een weinig wachten!" zei de kapitein, toen Gromski hem

den toestand had blootgelegd.

Des avonds omstreeks acht uur verdween de kloeke kapitein,

na een weinig vleesch gegeten te hebben, met James tusschen de

rotsen. Gromski, die bij den luchtballon gebleven was, zag hen met

moeite eene steile rots beklimmen, terwijl zij duizenden eenden en

meeuwen, die zich in hare holten genesteld hadden, deden opvliegen. Van

eene hoogte keek Ford een geruimen tijd om zich heen naar den chaos

van ijs, die de kust met een onbeweeglijken gordel omgaf. Geelachtige

dampen belemmerden het uitzicht.

Wat wilde de kapitein toch? Was het zijn doel, door den mist heen die

plaats te zien, waarop hij den voet niet kon zetten, of wel een middel

te zoeken om zich derwaarts over land te begeven? Maar de kusten,

die door ijs ingesloten en door smalle en diepe fjorden uitgehold

waren, strekten zich in eene onafzienbare lijn van het Oosten naar

het Westen uit. Niets rechtvaardigde dus de hoop, dat het zichtbare

gedeelte der zee eene zeeëngte of eene baai was.

Nochtans liep de kapitein steeds voort. Hij klom van den eenen top

naar een hoogeren en zag nog steeds ijsvelden. De stuurman volgde hem

op dezen gevaarlijken tocht, waarbij iedere stap hen aan het gevaar

blootstelde om den nek te breken.

Gromski volgde hen een geruimen tijd met de oogen, totdat zij tusschen

de golvingen van het ijsveld verdwenen waren.

Zes uren daarna keerden de beide zeelieden terug. Zij haastten zich

blijkbaar om zich weder bij den ingenieur aan te sluiten. Ford maakte

reeds van verre allerlei gebaren en riep daarbij iets, dat de ingenieur

echter niet kon verstaan.

Toen zij naderbij gekomen waren, riep hij op zegevierenden toon,

terwijl hij Gromski bij den arm greep. "We hebben gevonden...."

"Een ijsveld," voegde de stuurman er bij, terwijl hij zich al

glimlachende in de handen wreef.

"Zeg mij eerst, over hoeveel tijd we kunnen beschikken, Mijnheer,"

vroeg Ford. "Binnen hoeveel dagen zal het ons onmogelijk zijn om

terug te keeren?"

"Over tien dagen zal de luchtballon op zijn minst 500 kubieke meters

gas verloren hebben, en we zullen ternauwernood genoeg ballast kunnen

meenemen om den Oceaan over te steken."

"Tien dagen? Die tijd is voldoende om deze ijsvelden over te gaan."

"Te voet?"

"Wel zeker. Doch wees maar niet bang, daar ik een uitstekenden weg

gevonden heb; twee mijlen hier vandaan bevindt zich een ijsveld. Voor

zooverre ik er, ondanks den mist, over heb kunnen oordeelen, strekt

het zich meer dan 10 kilometers ver naar het Zuiden uit. Ik onderstel,

dat vier à vijf dagen voldoende zullen zijn om daarlangs de plaats

te bereiken, waar de Zuidpool zich bevindt."

"En als het ijsveld eens dichterbij eindigt dan ge wel denkt?"

"Dan zullen we terugkeeren. Eene reis over het ijs is uiterst

vermoeiend voor menschen, die er niet aan gewoon zijn. We hebben dan

ook maar besloten, zonder u te gaan."

"Denkt ge te slagen?"

"Om te slagen moet men eerst de vaste overtuiging hebben, dat dit

zal gebeuren, Mijnheer. Als wij over twee weken niet terug zijn,

kunt ge wel vertrekken zonder ons af te wachten. Op deze wijze zal

de menschheid althans te weten komen, dat de Zuidpool bijna ontdekt

is geweest."

"Denkt ge dan, dat de wetenschap er veel bij zal verliezen, als ge

niet juist den voet zet op het punt, waar de pool zich bevindt?"

"Volstrekt niet. Maar het is mij onmogelijk, mij van het genoegen te

berooven, dat ik alsdan zal smaken."

"Ja," voegde de stuurman er vol geestdrift bij, "als we maar bij de

pool aankomen, dan kan de ijsduivel ons verder gerust den nek breken."

"Het spijt mij, vrienden, dat ge zoo weinig op mij gerekend hebt,"

zeide Gromski langzaam. "Ge wilt, dat ik hier blijf, vreezende, dat

ik zal weigeren, u te vergezellen. Ik heb den terugkeer aangeraden,

omdat de voorzichtigheid dit gebood. Maakt daaruit echter niet op,

dat ik niet evenveel hart voor die zaak heb als gij."

"En de ballon?" zeide Ford met eene stem, die van ontroering trilde.

"Dien zullen we hier laten. Geenerlei gevaar bedreigt hem hier ter

plaatse. Bovendien zullen we, om er zeker van te zijn, dat de wind

hem niet zal wegvoeren, het schuitje met steenen vullen. Ik wil tot

het einde toe bij u blijven."

Ford en James gaven den ingenieur geen antwoord. Maar hunne krachtige

handdrukken en het vuur in hunne oogen waren honderdmaal welsprekender

dan woorden konden geweest zijn.

Alle drie gingen nu eene voetreis ondernemen, in de moeilijkste

omstandigheden, na voor eenigen tijd het verwonderlijke voertuig

verlaten te hebben, dat hen tot hiertoe had gebracht en waarin hunne

eenige kans lag om ooit de bewoonde wereld terug te zien.

Per luchtballon naar de Zuidpool · 第 24 / 36 题