Eene onweerstaanbare kracht scheen den luchtballon naar onafzienbare
ijsvelden voort te stuwen. Onze reizigers keken met ongerustheid naar
de rotsen, waarvan de scherpe kanten hier en daar uit de sneeuw te
voorschijn kwamen. Binnen vijf minuten zou het schuitje daarmee in
botsing komen, en dan zou alles gedaan zijn.
De Zuidenwind, waartegen de machine nu al sedert 24 uren te kampen
had, floot onafgebroken door het touwwerk van den luchtballon
heen. Zijn kille adem deed het bloed in de aderen van onze helden
verstijven en bluschte den moed in hunne harten uit. James zeide,
dat het de ijsduivel was, die zijne uiterste krachten inspande om
hun den toegang tot de pool te beletten. De benzine was reeds sedert
lang verbruikt, de stoomketel verslond het gas, en de ballon verloor
zijne krachten. Hij zou dus langzamerhand beginnen te dalen.
"Och hemel! We zullen neerkomen, terwijl we nog maar 120 kilometers
van ons doel verwijderd zijn!" riep James handenwringend uit. "Is er
niets meer uit te werpen?"
Allen zwegen. Reeds sedert een geruimen tijd hield deze zaak zijne
kameraden bezig: men had reeds het reservoir van de benzine, het
zitbankje, de helft van het water uit den condensator en verscheidene
werktuigen uitgeworpen. Het ging moeilijk, nog iets te vinden, dat
niet volstrekt noodzakelijk was.
"De wijn!" zeide Gromski eensklaps.
"Ja, de wijn!" herhaalde Ford. "Te midden van sneeuw en ijs zal de
dorst ons niet kwellen!"
De stuurman haalde terstond een vaatje met wijn voor den dag en wierp
het uit.
"Dat is een gewicht van twintig kilogrammen. We hebben dus dezelfde
hoeveelheid kubieke meters waterstofgas te verbruiken," zeide
Gromski. "We zullen daarvan nog voor een kwartier genoeg hebben."
"Voor een kwartier! En wat dan?" riep James uit.
De ingenieur en de kapitein koesterden de hoop, dat de tegenwind
eindelijk zou gaan liggen.
Maar zou hij wel werkelijk gaan liggen? Het duurde nu al een heelen
dag, dat de ballon er tegen worstelde. Deze worsteling was al begonnen
op het oogenblik, waarop de luchtballon uit de nevelen, waarachter
de pool hare geheimen verborgen hield, te voorschijn gekomen was.
Sedert twintig volle uren zweefden onze reizigers op eene hoogte van
2000 meters boven de aarde, terwijl zij telkens de zon raadpleegden. De
luchtballon had nu eene snelheid van 8 meters in de seconde. Gromski
koesterde de hoop, dat hij met deze snelheid het gewenschte doel in
één dag zou kunnen bereiken.
Maar de ijsduivel--aan welk denkbeeldig wezen James allen tegenspoed
placht toe te schrijven--bekommerde zich zeer weinig om den ballon
en zijne bemanning. Toen de kapitein op den 3den Januari des middags
de geographische gesteldheid had opgenomen, had hij tot zijn schrik
bemerkt, dat de ballon in twintig uren, in plaats van 600 kilometers,
nog geen 340 afgelegd had. Dit raadsel was gemakkelijk op te lossen. In
de hoogere luchtlagen van den dampkring heerschte de zuidelijke koude
luchtstroom; de spiraalvormige luchtstroom had al zijne warmte aan
het poolijs afgestaan en was verdwenen zonder eenig spoor achter te
laten. Vruchteloos zochten onze luchtreizigers dien op verschillende
hoogten: overal vonden zij denzelfden ijskouden luchtstroom, die,
zooals James steeds bleef beweren, door den ijsduivel was afgezonden
om den ballon terug te drijven. Slechts 260 kilometers scheidden op
het oogenblik onze reizigers van de Zuidpool! Zonder een oogenblik te
aarzelen, had Gromski de kranen van de reservoirs met benzine geopend
en den luchtballon met volle kracht tegen den wind doen ingaan.
Nu was de worsteling eerst recht begonnen.
De kostbare benzine was echter reeds na een tocht van 120 kilometers
uitgeput. Toen de reservoirs geheel ledig waren, begon men waterstofgas
te verbranden.
Sedert eenige uren waren onze luchtreizigers aan een soort van koorts
ter prooi. De ingenieur overtuigde er zich om het halfuur van, dat
de machine nog met dezelfde spanning werkte. James, die zich over
den rand van het schuitje heenboog, zag de rotsen, die zich in de
verte verloren, zoodat hij op die practische manier de snelheid van
den ballon begrootte. Men telde nauwkeurig de kilometers, die men
aflegde. Ford hield met opeengeklemde lippen het roer in handen en
sloeg den horizon gade, als verwachtte hij, dat hij aldaar ieder
oogenblik dat geheimzinnige punt zou ontdekken, waar de meridianen
samenloopen.
De ballon, die nu geen gas meer inhad, daalde voortdurend; uitgeput van
de langdurige worsteling, scheen hij zich ter ruste te willen leggen op
de sneeuw der vlakte, die zich zonder einde uitstrekte. Verscheidene
malen stond hij op het punt, in de wolken door te dringen; maar dan
viel er het een of ander uit het schuitje, hetgeen den ballon zijn
weg deed voortzetten, als een paard, dat de sporen van den ruiter in
zijne zijden voelt.
Een kwartier na het oogenblik, waarop het vat met wijn was uitgeworpen,
daalde de luchtballon opnieuw, en het scheelde zelfs niet veel, of
hij was met de puntige rotsen in aanraking gekomen; maar door eene
vlugge beweging van het roer deed Ford hem dien hinderpaal ontwijken.
Gromski, die aan de machine zat, keek met een uitvorschenden blik om
zich heen, of hij ook eenig overbodig gewicht kon ontdekken. Maar het
schuitje was reeds geheel ledig. Al het keukengereedschap lag sedert
lang ergens te midden der sneeuw.
"Nog maar 100 kilometers," zeide Ford, terwijl hij eensklaps
opstond. "Over twee uren zullen we de pool zien. Werp het blik met
ingelegde groenten uit; dit weegt op zijn minst 15 kilogrammen."
"Dat is waar, kapitein. We kunnen het daarbuiten wel stellen. We
zullen nog genoeg vleesch en ham overhouden; want we hebben voor zes
weken genoeg."
James aarzelde niet lang. Hij haalde het blik te voorschijn.
"Het vleesch is in een vat vrij zwaar," zeide hij. "Als ik het eens
in het blik deed!"
"Dat plan is uitstekend!" riep Ford uit. "We zullen op die manier
ons gewicht met zeven kilogrammen verminderen."
In een oogwenk had de stuurman het blik gevuld, en al spoedig daarna
kwam het vat met een hevig gedruisch op eene ontzaglijke rots neer,
waarover de ballon heenging.
"Nu is het gedaan. Er blijft ons nu niets anders over dan het schuitje
af te snijden of zelf overboord te springen."
"Als de nood ons daartoe dwingt, dan zal ik de eerste zijn om dit
te doen," zei de stuurman ernstig. "Maar laat ons eerst nog zooveel
mogelijk voortgaan!"
"Misschien zou het beter zijn, een gunstigen wind af te wachten,"
bracht Gromski in het midden.
"Wachten, terwijl we 100 kilometers van de pool verwijderd zijn!" riep
de kapitein uit. "Maar dan geef ik er de voorkeur aan, er te voet
heen te gaan."
"Ik ook," voegde James er op een beslisten toon bij. "Al hadden we ook
genoeg geduld om te wachten, dan zouden we toch onzen tijd nutteloos
verspillen; want het is geen gewone wind, die er nu waait."
Deze laatste woorden werden door den kloeken stuurman op een
geheimzinnigen en fluisterenden toon uitgesproken. Zijne langdurige
en dikwijls vruchtelooze worstelingen tegen de natuurmachten, die in
de poolstreken gebied voeren, hadden hem bijgeloovig gemaakt.
"We kunnen geene enkele schrede terugwijken," vervolgde hij op
denzelfden toon; "want dan zou de wind in een sneeuwstorm veranderen
en alles verloren zijn. Welnu, we zullen eindelijk toch wel, zoo goed
en zoo kwaad als het gaat, aan de pool komen!"
Om één uur was de luchtballon, volgens de nauwkeurige berekeningen
van Ford, slechts 80 kilometers van de pool verwijderd. Het
luchtschip spande zijne laatste krachten in. Zijn zijden omhulsel,
dat langzamerhand van gas ontdaan was, kromp ineen, vertoonde
eene menigte plooien en werd ten gevolge van den ijskouden wind al
platter en platter. In één woord, de ballon was "vermoeid," zooals
James zeide. Zou hij wel in staat zijn, de laatste 80 kilometers
af te leggen? Gromski, die een somberen blik op den omtrek sloeg,
twijfelde er nu aan.
"Over tien minuten zullen we op eene rots stooten," zeide James,
terwijl hij zich over den rand heenboog. "Wat moet ik uitwerpen,
kapitein?"
"Al wat je maar wilt," antwoordde Ford kortaf.
"Er is niets meer."
"Dan de ham maar! Haast je wat!"
"Dan blijft ons niets anders over dan het vleesch en de brandewijn."
"Dat is voldoende. Over drie weken zal de ballon al zijn gas verloren
hebben; als we vóór dien tijd niet terug zijn, zullen de levensmiddelen
ons toch niet baten."
Dit was het laatste, inderdaad heldhaftige middel om den ballon
lichter te maken. Maar de kapitein deinsde voor niets terug.
De ingenieur, die zag, dat er een somber vuur in de oogen van
den zeeman schitterde, begreep, dat hij voor geen enkel offer
zou terugdeinzen, mits hij het vurig verlangde doel slechts
bereikte. Helaas! de krachtigste wil en de grootste geestkracht
vermogen niets tegen de physische noodzakelijkheid. De luchtballon
moest vroeg of laat machteloos op de aarde neerkomen.
Ford wist dit volkomen, maar hij liet zich daardoor niet
ontmoedigen. Er was blijkbaar eene gedachte bij hem opgekomen; want
hij sloeg van tijd tot tijd blikken achter zich, alsof hij iets
zocht. Verscheidene malen had hij het stuurrad losgelaten; dan nam
hij het besluiteloos weer in handen.
"Het is tijd om de machine te laten stilstaan, als we niet tegen een
van die rotsen verpletterd willen worden," zeide Gromski.
"Vijf en zestig kilometers," zeide James met een zucht. "Het zal
moeilijk gaan, over deze sneeuw- en ijsvelden te voet naar de pool
door te dringen."
"Wacht eens even!" zeide Ford.
Dit zeggende, haalde hij een mes uit zijn zak, liep naar den
achtersteven van het schuitje, waaraan de ankerzak hing, en sneed
het touw door, waaraan deze bevestigd was.
"Wat doet ge daar?" riep Gromski uit.
"Twaalf kilogrammen minder!" antwoordde de kapitein met een zegevierend
gelaat; "we hebben dezen zak niet noodig, nu we boven het vasteland
zijn."
"Maar hoe moet het dan op onze terugreis gaan?" vroeg Gromski. "Als
we ons van het anker ontdoen, dan maakt ge de reis over den Oceaan
onmogelijk."
"Wat doet dat er toe, als we de pool maar bereiken? Overigens kunnen
we het ingeval van nood terugvinden."
"In dezen doolhof van rotsen, waar we geenerlei sporen achter ons
laten!" zeide Gromski. "Ge wilt zeker den spot met mij drijven."
Inmiddels steeg de luchtballon, die nu heel wat minder gewicht had,
snel opwaarts; de beperkte horizon breidde zich voor de oogen onzer
reizigers uit en vertoonde aan hun blik eene groote uitgestrektheid
lands, door heuvels in de verte begrensd.
Gromski wilde naar de machine toe gaan, toen hij de hand van den
kapitein zwaar op zijn schouder voelde rusten. Hij keerde zich om;
Ford stond vóór hem, doodsbleek, met opeengeklemde lippen, gefronste
wenkbrauwen en een verwilderden blik.
"Wat scheelt er aan?" vroeg Gromski, verschrikt door deze plotselinge
verandering, die er op het gelaat van den zeeman gekomen was.
Ford strekte toen den arm uit, terwijl hij met den vinger naar het
Zuiden wees.
Aan den horizon vertoonde zich eene reeks ijsblokken, die als een
zilveren lint op de zwarte lijn van eene kust schitterden. Dit
perspectief, dat in het eerst beperkt was, werd allengs ruimer,
besloeg een steeds grootere oppervlakte en veranderde in een Oceaan,
waarvan de grenzen, die in een dichten mist gehuld waren, zich in
het oneindige verloren.
Men zou zich grootelijks bedriegen, als men meende, dat het zien
van dezen nieuwen hinderpaal, die in lijnrechte tegenspraak met alle
geographische onderstellingen was, den moed van onze luchtreizigers
niet aan het wankelen zou brengen. De eerste pijnlijke onrust duurde
echter niet lang. Na verloop van een oogenblik herkreeg Ford zijne
gewone koelbloedigheid. De stuurman gaf aan zijne ergernis lucht door
een keur van krachtige matrozenvloeken, die hij tegen den ijsduivel
uitbraakte. Gromski had nooit onder het getal der zoodanigen behoord,
die aan het bestaan van een groot vasteland aan de Zuidpool gelooven:
hij ondervond dus geene teleurstelling. Hij begreep, dat in de
tegenwoordige omstandigheden de reis onmogelijk werd. De luchtballon
dreef met eene verbazende snelheid naar den Pooloceaan, maar hij
daalde tegelijkertijd al meer en meer. Na verloop van een kwartier,
na de opoffering van het anker, dreef hij nog geen 15 meters boven
de vlakte voort.
"Hier is het einde van onze reis," zeide Gromski, terwijl hij de klep
van den stoomketel sloot.
De machine, van stoom verstoken, hield plotseling op, te werken.
De luchtballon ging nochtans vooruit, maar raakte de hoopen smeltende
sneeuw bijna aan.
"Werp het anker uit!" riep de ingenieur, zich tot den stuurman
wendende.
Maar James schudde ontkennend met het hoofd.
"Op een afstand van 40 kilometers van de pool onzen tocht te
staken!... Dat nooit van mijn leven!"
"Het kan niet anders. Je weet immers wel, dat de ballon niet verder
kan gaan."
"Er bestaat nog één middel toe."
"En dat is?"
"Hier is het!"
En nadat de kloeke matroos haastig over den rand van het schuitje
gestapt was, sprong hij uit het schuitje, voordat zijne kameraden
den tijd hadden gehad om hem hierin te verhinderen.