Onze reizigers wachtten met ongeduld den middag van den eersten Januari
1895 af. Op dit uur zou namelijk het vraagstuk opgelost worden, dat
hun zooveel belang inboezemde, namelijk, of de luchtstroom, die den
ballon meevoerde, in de richting van de pool ging dan wel of deze
ergens te midden van de eeuwige ijsvelden van het zesde werelddeel
zijne kracht verloor.
Nadat men de gevaarlijke ijsbergen voorbijgegaan was, vloog de
luchtballon gedurende veertien volle uren over vlakten heen, die met
een onafzienbaar sneeuwtapijt bedekt waren, waarop zich hier en daar
rotsen verhieven. Het vasteland aan de Zuidpool lag daar onbeweeglijk
als de dood; er waren zelfs geene vogels om de poolstreken gedurende
den zomer met hun vroolijk gezang te verlevendigen.
Dikwijls scheen het oppervlak der aarde den luchtballon nabij te
komen, terwijl de barometer toch nog altijd eene hoogte van 1300
à 1400 meters aanwees; dit leverde het bewijs, dat de ijsvlakten
zich eenige honderden meters boven het oppervlak van den Oceaan
verhieven en zich boven de linie der eeuwige sneeuw bevonden, die
in de poolstreken zeer laag daalt. Het was een echt Land des Doods,
en Gromski gaf daaraan inderdaad dien naam.
Gelukkig deed zich op den middag van den eersten Januari geenerlei
beletsel voor om de hoogte der zon met juistheid te bepalen.
Ford bevond, na de breedte berekend te hebben, dat de luchtballon
sedert den 31sten December om drie uur niet verder dan 45
geographische mijlen naar de pool voortgegaan was, tot op 78 graden
breedte. Daarentegen gaf de verandering van de lengte hem veel stof
tot nadenken en wekte de blijdschap van den ingenieur.
"We bevinden ons nu op 100 graden ten Oosten van Greenwich. Inderdaad,
ik begrijp gedurig minder van de meteorologische en de astronomische
wetten, die er in deze streken heerschen. Het is intusschen bezwaarlijk
aan te nemen, dat we in minder dan een dag 140 graden in de richting
van het Oosten afgelegd hebben."
"Maar het moet toch zoo wezen, kapitein," viel Gromski hem in de
rede. "Victorie! Binnen 24 uren zullen we het punt zien, waar alle
meridianen der aarde samenloopen."
De kapitein, die op zijne reizen vele onverwachte teleurstellingen
ondervonden had, raakte niet zoo spoedig in geestdrift als Gromski.
"Verklaar u nader!" zeide hij, "want als wij niet meer dan vier graden
per dag vorderen, dan zie ik niet in, hoe we de pool vóór acht dagen
kunnen bereiken."
"Ja, ge zoudt gelijk hebben, als we den ballon geheel aan de willekeur
der spiraalvormige winden overlieten."
"Maar dan?...."
Gromski haalde de schouders vol ongeduld op.
"Vergeet ge dan de machine, kapitein?"
"Volstrekt niet! Alleen is de ballon, voor zooverre mij bekend is,
niet in staat om te kampen tegen een Oostenwind, die eene snelheid
van 100 kilometers in het uur heeft."
"Maar het is niet noodig om tegen den wind te kampen: die wind bestaat
niet voor onzen ballon...."
"Ik begrijp er niets meer van, Mijnheer. Verklaar mij dat
nader!" mompelde Ford, terwijl hij met het hoofd schudde.
"Maar dat is heel eenvoudig. Luister maar! Ge stemt zonder twijfel
toe, dat de luchtstroom, die ons draagt, zich in eene spiraalvormige
lijn in de richting van de pool voortbeweegt."
"Ja, ik begin dit ook te gelooven. Anders zou ik mij niet weten te
verklaren, hoe de luchtballon, terwijl hij meer dan 2300 kilometers
naar het Oosten afgelegd heeft, niet meer dan 4 graden dichter bij
de pool zou gekomen zijn."
"Welnu dan! Thans zult ge zonder twijfel moeten toestemmen, dat die
luchtstroom ons in geen geval naar het Noorden zal terugvoeren. We
zullen onzen ballon nu met alle kracht naar het Zuiden voortstuwen,
terwijl wij den wind van ter zijde trachten te hebben. Op deze
manier zal onze ballon eene dubbele beweging hebben: naar het Oosten
de parallel volgende, en naar het Zuiden den meridiaan volgende. We
behoeven met het eerste geen rekening te houden. De brandstof is voor
20 uren voldoende. Gedurende dien tijd zal de luchtballon, als hij
zich met de meest mogelijke snelheid voortbeweegt, 1300 kilometers
afleggen en zich op een afstand van omstreeks 20 kilometers van
de pool bevinden.... Aan het werk dus! Ge zult zien, waartoe onze
luchtballon in staat is."
De ijver van Gromski deelde zich in een oogwenk aan de beide anderen
mede. Ford, die nu half en half overtuigd was, nam zijne plaats aan
het roer in. De stuurman begon aan de machine te werken.
De motor bevond zich in een uitstekenden toestand; er ontbrak geen
droppel benzine. Zonder tijd verloren te laten gaan, stak Gromski het
vuur aan, dat moest dienen om den inhoud van het voornaamste reservoir
te verwarmen: dit laatste was door een metalen omhulsel beveiligd op
de manier van de Davy-lampen; alle gevaar voor brand was op deze wijze
weggenomen. Een kleine manometer, die aan het reservoir aangebracht
was, wees de drukking van den benzinedamp aan. Na verloop van vijf
minuten begon het waterstofgas te koken.
"We beginnen," zeide Gromski. "Naar het Zuiden, kapitein," voegde
hij er bij, zich tot Ford wendende. "Zijt ge klaar?"
De kloeke zeeman bleef, in plaats van zich op het stoeltje neer te
zetten, dat achter in het schuitje bevestigd was, met het kompas in
de hand staan.
"Ge hebt de grootste moeilijkheid niet vooruitgezien," zeide hij.
"En die is?"
"Dat we ons niet steeds in eene zuidelijke richting kunnen houden. Het
kompas zal ons geen dienst kunnen bewijzen op de breedten, die zich
aan gene zijde van de magnetische pool bevinden. De afwijking moet
hier 90 graden bedragen. Ross heeft de magnetische Noordpool op 70°
5' Noorderbreedte en 96° 46' Oosterlengte van Greenwich ontdekt;
de magnetische Zuidpool bevindt zich volgens Gauss op 72° 35'
Zuiderbreedte en 152° Oosterlengte, van hetzelfde observatorium
gerekend. Kijk eens! De kompasnaald wijst naar het Westen, dus...."
"Hoe bepaaldet ge dan uwe richting op uwe reizen, als ge de breedte
van de magnetische pool voorbij waart?" viel Gromski hem in de rede.
"Ik richtte mij naar de zon, Mijnheer. Op mijne reizen in sleden zag
ik gewoonlijk juist op den middag den een of anderen berg in de verte
of eenig ander hoog uitstekend voorwerp, dat mij vervolgens diende
om mijne richting te bepalen; maar het is onmogelijk, dezen tocht
over sneeuw en ijs te vergelijken met de verbazende snelheid van den
ballon, die 60 kilometers in het uur aflegt."
"Dat is waar; maar er is misschien wel een ander middel om zich in
het luchtruim te oriënteeren, ten einde in de gewenschte richting te
blijven. Gij, kapitein, die verwonderlijk goed met de cosmographie
bekend zijt, gij zoudt, hoop ik, de vier windstreken wel weten te
bepalen, als ge naar de zon kijkt."
"Ja, maar ik sta er u niet voor in, dat wij niet een weinig van onzen
weg zullen afwijken."
"Ik geloof niet, dat die afwijking groot zal wezen. Ga nu dus vlak
in de richting van de zon en vervolgens gedurig meer linksaf."
Gromski, die naar zijne plaats teruggekeerd was, draaide nu het
kraantje van het reservoir om, waarin zich de kokende benzine bevond.
Een minuut daarna vormde de stoom zich.
"We gaan!" riep de ingenieur, terwijl hij het handvatsel van de
klep greep.
Op dit oogenblik begon de machine te werken. Onze reizigers gevoelden
in hun gezicht een zacht windje, dat zich na verloop van eenige
seconden tot een orkaan verhief. De kalmte, die den ballon tot
hiertoe omgaf, verdween plotseling; door eene enkele beweging van
zijn vervaardiger vloog hij door het luchtruim heen.
"Zoo gaat het goed!" riep de stuurman uit.
Ford bestuurde den luchtballon met het grootste gemak. Van tijd
tot tijd verzocht hij Gromski, ten einde zich goed te oriënteeren,
de machine even te doen stilstaan, en keek naar het land. Dan begon
de luchtballon, zijne eigen snelheid verliezende, met den wind in
eene oostelijke richting voort te drijven. Op deze manier bepaalde
de kapitein met vrij groote juistheid de voornaamste punten.
Dank zij het verlies aan gewicht, door de verbranding van de benzine
veroorzaakt, steeg de luchtballon al hooger en hooger; twee uren
nadat hij in beweging gebracht was, bevond hij zich te midden van
eene menigte wolkjes, die omstreeks 500 meters boven hem dreven.
Toen onze luchtreizigers zich voor de eerste maal te midden van
deze wolken bevonden, had hare onbeweeglijkheid hen verwonderd; nu
veranderden de toestanden geheel: de luchtballon bezat eene eigene
snelheid; hij vloog dus, als een vogel, de wolken voorbij, ging er
stoutmoedig tegen in en doorboorde ze.
Rondom het schuitje vormden zich allerlei wervelwinden; de stoom
draaide op eene grillige manier heen en weer en baande zich naar alle
kanten een uitweg.
In de hoogte werden de wolken gedurig dichter. Zwarte en dreigende
massa's stelden zich aan den ballon in den weg. Ford draaide somtijds
het stuurrad om, ten einde aan deze reuzen te ontkomen. Dan week de
ballon even van zijn weg af, maar ging toch niet terug. Hij doorboorde
de wolken en zette zijne snelle vaart voort, om een oogenblik later
weder eene wolk te doorklieven.
Het was als eene worsteling met de natuurkrachten, die den toegang
tot de geheimzinnige pool schenen te verhinderen. Deze illusie
ontleende eenige werkelijkheid aan de grillige vormen der wolken;
onze reizigers ondervonden daarvan al meer en meer den invloed. Met
de hand aan het stuurrad geklemd, stuwde de kapitein den ballon
voort. Telkens slaakte James triomfkreten.
Gromski zou er echter de voorkeur aan gegeven hebben, een helderen
hemel boven zich te zien. De wolken, welker grillige vormen Ford en
den stuurman vermaakten, bedekten de zon en veroorzaakten, dat men
zich in het luchtruim niet kon oriënteeren. De luchtballon steeg nog
voortdurend, en omstreeks vijf uur kwam hij uit eene dichte wolkenlaag,
waarvan de uitgestrektheid zeker wel duizend meters te boven ging.
De horizon verdween, vervangen door de grens, die de wolken, welke
zij zooeven doorgegaan waren, van het azuur des hemels scheidde. De
luchtballon bevond zich in eene zonderlinge omgeving; nergens in het
luchtruim zag men eenig voorwerp, dat aan de aarde herinnerde.
Al spoedig, op eene hoogte van 3800 meters, gevoelden de reizigers
zich door de koude aangegrepen; de thermometer daalde plotseling
van 5 graden boven tot 2 graden onder het nulpunt. Daar de ingenieur
niets van de richting van den wind in deze bovenste luchtlagen van den
dampkring wist, besloot hij, daaruit zoo spoedig mogelijk te geraken.
Onder den invloed van de lage temperatuur werd het waterstofgas snel
ineengeperst; de luchtballon begon dus te dalen, en na verloop van
weinig tijd bevond hij zich op zijne vroegere hoogte.
"Het zal ons niet gelukken, de grenzen van den warmen luchtstroom te
overschrijden," zeide Ford.
"Maar dat is mijne bedoeling ook niet," antwoordde Gromski. "Over
eenige uren zal de luchtballon zulk een opstijgingsvermogen bezitten,
dat de samenpersing van het gas hem niet zal verhinderen, nog hooger
te stijgen, hetgeen we moeten voorkomen. We zullen ons ballonnetje
met lucht vullen, hetgeen ons meerdere zwaarte zal geven, en dan
zullen we weder tot de warmere luchtlagen van den dampkring afdalen."
"Ik zal dus maar aan het werk gaan, want ik ben geheel verkleumd,"
zeide James.
"Doe dat!" antwoordde Gromski. "Maar ik waarschuw je, dat je heel
wat werk zult hebben; want de machine verbruikt veel brandstof. Wat
ons aangaat, wij geven er de voorkeur aan, ons met thee en cognac
te verwarmen."
De ingenieur hield zich inderdaad bezig met het zetten van thee. Het
water kookte al spoedig, en onze reizigers genoten voor de eerste
maal sedert hun vertrek van het geurige Chineesche vocht.
Daar de ingenieur eens een bewijs van zijne bedrevenheid in de
kookkunst wilde geven, braadde hij eenige stukken ham, die nu hun
gewoon koud middagmaal vervingen, waarbij men een stevig glas grog
dronk.
Om vier uur was de onvermoeide James met het ballonnetje gereed en
verklaarde, dat het gevuld was. De inhoud van dit laatste was 200
kubieke meters; de luchtballon had dus meer dan 240 kilogrammen
brandstof verbruikt.
"Over eenige uren zal de helft van onze benzine opgebrand zijn," zeide
Ford. "Wat zal er dan worden van dat aanzienlijke opstijgingsvermogen,
een gevolg van de vermeerdering van het gewicht, als het ballonnetje
al niet meer lucht kan verzwelgen? We zullen, geloof ik, eene zekere
hoeveelheid gas moeten laten ontsnappen."
"Zeker, want anders zouden wij verscheidene duizenden meters stijgen,"
antwoordde Gromski. "Maar in plaats van de klep te openen, zal ik
het waterstofgas in het fornuis brengen en dit als benzine verbranden."
Dit zeggende, ging Gromski naar den stoomketel toe, en nadat hij aan
het fornuis een lange buis van caoutchouc bevestigd had, bracht hij
deze in verbinding met het inwendige van den ballon. En al spoedig
vertoonden zich in het fornuis blauwachtige vlammetjes; ontstaan
door de vermenging van het waterstofgas met de lucht,--vlammetjes,
die veel meer warmte dan de benzine gaven.
Tengevolge van het verlies van gas daalde de luchtballon langzaam, en
's avonds om zeven uur bevond hij zich opnieuw in de wolkenlaag. waar
hij reeds doorheen gegaan was.
't Was als eene grenslijn, die de boven- van de benedenwereld
scheidde. Toen deze grens overschreden was, zagen onze luchtreizigers
het sombere vasteland van de Zuidpool weder. Het voorkomen daarvan
was bijna niet veranderd. Alleen zagen zij nu, in plaats van vlakten,
besneeuwde heuvels, samengesteld uit puntige rotsblokken, die op elkaar
gestapeld waren; deze heuvels namen langzamerhand den vorm van hooge
bergtoppen aan, die aan den ballon somtijds den weg versperden. Ford
maakte zich over deze hinderpalen niet bekommerd; hij vermeed ze
door eene enkele beweging van het roer, en de luchtballon zette zijne
vaart voort.
Na verloop van twaalf achtereenvolgende uren werd de luchtballon
zóó zwaar, dat nog geen 500 meters hem van het oppervlak der aarde
scheidden. Om de lucht in het ballonnetje te doen blijven, moest men
dus opnieuw de toevlucht tot de benzine nemen.
Maar de ingenieur wilde niet op goed geluk af voortgaan; wetende,
dat de kapitein den ballon kon besturen zonder zich van het kompas te
bedienen, achtte hij het verkieslijk, in eenig rustig dal te vertoeven
en eerst op den middag den tocht te hervatten, als de geographische
plaats van den luchtballon op de kaart zou bepaald zijn.
Juist te middernacht raakte de ballon, die al meer en meer daalde,
uit den warmen luchtstroom en bevond zich, tot groote verwondering
van onze luchtreizigers, te midden van eene volmaakt kalme lucht. De
Zuidoostenwind, die den vorigen dag hevig blies, was geheel gaan
liggen. Deze kalmte in den dampkring vergunde aan den kapitein,
eene geschikte plaats te kiezen, om aan land te komen. Gromski, die
deze windstilte niet vertrouwde, ried, in eene vallei neer te dalen,
hetgeen dan ook geschiedde. Een kwartier later rustte het schuitje op
eene dikke bevroren sneeuwlaag. James greep het anker en maakte het
met inspanning van al zijne krachten aan eene nabijgelegen rots vast.
"Vergun mij, vóór u uit te stappen," zeide hij tegen den ingenieur.
"Goed, maar doe het vooral voorzichtig; want je zoudt wel eens alleen
op het land kunnen blijven, als je het touw losliet, zonder in je
plaats een gewicht, gelijk aan dat van jou, te stellen."
"Maar het is hier de pool nog niet, ouwe jongen," riep Ford, om den
ijver van den braven stuurman lachende. "We zijn daarvan op zijn
minst nog 600 kilometers verwijderd. Waarom ben je er zoo op gesteld,
het eerst den voet op deze plaats te zetten?"
James liet zich echter niet van zijn plan afbrengen: zich aan het touw
vasthoudende, sprong hij op het land en begon steenen te zoeken. Na
langdurige pogingen gelukte het hem eindelijk, eenige kluiten bevroren
sneeuw los te rukken, die hij in het schuitje neerlegde. Toen hij
gevoelde, dat de luchtballon hem niet meer in de hoogte trok, liet
hij den rand van het schuitje los.
"Wilt gij nu ook uitstappen?" vroeg hij op een zegevierenden toon
aan Ford.
"Heel graag, ouwe jongen. Eene wandeling van een halfuur zal heel
aangenaam zijn, als men zoo lang achtereen gezeten heeft."
James ging heen en bracht na verloop van eenige oogenblikken nog twee
blokken ijs aan om het schuitje te ballasten. Toen Ford den voet op
den vasten grond had gezet, greep hij den stuurman bij den arm, en nu
begaven beiden zich met langzame schreden naar den muur van rotsen,
die de vallei als met een ontzaglijken en zwarten gordel omgaven.
De zeelieden keken met levendige aandoening in de rondte;
deze woestijn, die zich in het middelpunt van een geheimzinnig
vasteland--met recht het eind der wereld genoemd--bevond, maakte een
diepen indruk op hen.
De puntige basaltrotsen, die geheel met sneeuw bedekt waren, en de
ontzaglijke ijsblokken deden hen huiveren. De zonnestralen goten
tevergeefs stroomen van licht op deze rotsen uit. Alles bleef er
even koud en onbezield; het scheen wel, dat de dood deze bergen
tot verblijfplaats had gekozen, na daarvan alle sporen van leven
uitgewischt te hebben.
Het water en de lucht, die twee krachtige geologische factoren,
schenen, naar men zou gezegd hebben, geen deel gehad te hebben aan
de samenstelling van deze wereld, die blijkbaar sedert het oogenblik
der schepping onveranderd gebleven was.
Over de eeuwige sneeuw voortloopende, zochten onze helden, maar
vruchteloos, het spoor van een vos of van een beer. Zij waren zeker
de eerste levende wezens, die ooit den bodem van deze vallei betreden
hadden.
"Welk eene woestijn!" riep Ford uit. "Het komt mij voor, dat ik op
een bevroren planeet ben. Alleen op de maan kan men zulke sombere
landschappen vinden."
"Nimmer zal de mensch langs den gewonen weg hierheen kunnen komen,
kapitein. Zulk eene reis, op sleden afgelegd, zou wel tien jaren
duren."
"Ja, tien jaren op zijn minst, ouwe jongen. Zeelieden zullen niet
gemakkelijk tot de Zuidpool doordringen."
"Wat zouden zeelieden in deze bergen doen?" mompelde de stuurman,
terwijl hij de schouders ophaalde. "Met onzen ballon is het een ander
geval, en als wij daarmee de pool niet bereiken, dan zal niemand dit
ooit doen."
"Welken naam zullen wij aan deze vallei geven?"
"De naam, die daarvoor het best past, is naar mijne meening de
Maanvallei," zeide Ford.
"En aan de bergen?"
"Het Sneeuwgebergte."
"Ziezoo! Dus hebben we in het Land des Doods eene Maanvallei, gelegen
te midden van het Sneeuwgebergte. We moesten hier het een of ander
gedenkteeken achterlaten, dat eenmaal aan anderen het bewijs zal
leveren, dat wij hier geweest zijn."
"Welk gedenkteeken?... Een hoop steenen misschien?"
"Juist zoo! Een hoop steenen. In het midden zullen we eene blikken doos
plaatsen met onze namen en den datum van heden. Zulk een bewijsstuk
moet overmorgen aan de pool achtergelaten worden."
"Je plan valt bijzonder in mijn smaak, ouwe jongen. Ik geloof, dat
Mijnheer Gromski volgaarne het zijne tot de verwezenlijking van dit
plan zal bijdragen. Laat ons er eens met hem over gaan spreken!"
En beiden keerden, zonder tijd te verliezen, met haastige schreden
naar den ballon terug.
Maar nauwelijks hadden zij eenige honderden schreden afgelegd, of een
oorverdoovend geschreeuw van den ingenieur drong tot hunne ooren door.
"Wat zou er zijn?" vroeg de kapitein. "Hij schijnt ons te roepen!"
Inderdaad gaf Gromski, die in het schuitje stond, aan zijne metgezellen
allerlei wenken. Een oogenblik daarna boog hij zich voorover en begon
de kluiten sneeuw, die de stuurman en de kapitein op hunne plaats
hadden achtergelaten, haastig over boord te werpen.
"Laat ons haast maken! Er is zeker iets gebeurd!" riep Ford onder
het voortloopen.
"Wacht er u voor, een schrede verder te doen, kapitein," zeide James,
terwijl hij hem bij den arm greep. "Laat ons de vlucht nemen!"
"Waarom? Je bent niet wijs!... Laat ons haast maken, zeg ik je,
als we niet willen, dat..."
Maar eensklaps viel Ford zich zelf in de rede, want hij zag het gevaar,
dat den ingenieur bedreigde.
Op een afstand van omstreeks 20 meters van den ballon liep een
ijsbeer. Toen hij den ingenieur opgemerkt had, die den ballast
uitwierp, ging hij op zijne achterpooten loopen en maakte zich gereed,
een aanval te doen. Gromski echter verloor zijne tegenwoordigheid van
geest niet. Na nogmaals aan zijne kameraden toegeroepen te hebben, op
hunne hoede te zijn, greep hij de laatste kluit sneeuw. Maar voordat
deze op den grond neergekomen was, had de beer zijne sterke pooten
reeds op den rand van het schuitje gezet. De ballon trilde even,
maar verhief zich niet. Van schrik als verstijfd, zagen onze beide
zeelieden dit ontzettende tooneel aan.
"Hij zal zich niet kunnen redden!" riep Ford uit.
Maar Gromski had geen plan om zich zoo maar aan het wilde dier over
te leveren. Met bliksemsnelheid ging hij naar de plaats, waar de
levensmiddelen lagen, en haalde van daar een zwaar vat met wijn te
voorschijn. Hij hoopte, dat de ballon, op deze wijze een grooter
opstijgingsvermogen krijgende, grooter dan het gewicht van het
stoutmoedige dier, aan diens klauwen zou ontkomen.
Hij bedroog zich echter. Toen de beer geen grond meer onder zich
voelde, klampte hij zich stevig aan het schuitje vast en ging, aan
zijne voorpooten hangende, daarmee de lucht in.
"Hij zal wel vallen!" riep de stuurman uit.
De beide zeelieden wachtten in angstige spanning af, wat er verder
zou gebeuren. Helaas! Wat James had gedacht, gebeurde niet. Het
monster klom handig in het schuitje en begon, als ware het door zijn
eigenaardigen toestand van zijn stuk gebracht, naar de aarde te kijken,
die onder hem wegzonk.
Inmiddels verdween de ballon, toen hij boven de rotsen in den omtrek
gekomen was, langzamerhand achter deze.
Onze zeelieden deden vruchtelooze pogingen om den ingenieur te zien. De
afloop van den ongelijken strijd, die er in de lucht gevoerd werd,
was maar al te gemakkelijk vooruit te zien.
"Ach! Mijn arme Gromski!" zei de kapitein met een zucht, terwijl hij
moeite deed om zijne tranen te bedwingen.
Ja, de ingenieur, onverhoeds aangevallen en in de onmogelijkheid om te
vluchten, moest noodwendig het onderspit delven. De luchtballon had
zonder twijfel zijn eigenaar verloren en dreef ten spel der winden
in de lucht, het bloed-dorstige dier met zich meevoerende.
De ingenieur was dus verloren, en een niet minder vreeselijk lot
wachtte hun zelf te midden van deze sneeuwwoestijn!
Maar James dacht niet aan zich zelf. Hij zag slechts den ongelukkigen
Gromski voor zich, bezwijkende voor de doodelijke omhelzing van
het wilde dier. Zich op de sneeuw neerwerpende, rukte hij de reeds
grijzende haren uit zijn hoofd en weende als een kind.
"Ach, waarom, kapitein, waarom ben ik niet bij hem gebleven?" riep
hij telkens.
De kapitein vestigde zijn blik op den top van den muur van basalt,
waarachter de ballon verdwenen was. Diepe droefheid teekende zich op
zijn gelaat af. Hij antwoordde niets.
Gelukkig zou deze smart niet van langen duur zijn. Omstreeks een
kwartier na dit vreeselijk tooneel vertoonde de luchtballon zich
opnieuw. Hij naderde met volle kracht de vallei.
Bij het zien daarvan stond James in aller ijl op en begon als een
gek te dansen.
"Hij leeft! Hij leeft!" riep hij, terwijl hij Ford in de armen
viel. "Kijk maar! Daar komt hij terug!"
De ballon kwam al spoedig boven de hoofden van onze zeelieden tot
staan. Het doffe geluid van het gas, dat uit de klep ontsnapte,
bewees, dat Gromski zich haastte, een einde aan den angst van zijne
metgezellen te maken.
Eenige minuten daarna rustte het schuitje op de sneeuw. Aan het roer
staande, met den voet op den bebloeden muil van den beer, glimlachte
de ingenieur hun toe.
"Het beest heeft vier revolverschoten in zijn kop," zeide hij, terwijl
hij aan zijne kameraden een wenk gaf om naderbij te komen. "Ik heb ze
er in gekregen, voordat het van zijne verwondering over de luchtreis
bekomen was."
"Drommels! Zoo'n onverschrokken man heb ik nog nooit van mijn leven
gezien," zeide James geroerd. "We beweenden u al!"
En de oude stuurman drukte Gromski stevig de hand, als wilde hij er
zich van overtuigen, dat hij werkelijk nog leefde.
"Ge kunt u geen begrip maken van de vreeselijke oogenblikken,
die we hebben doorgebracht," zeide Ford, terwijl hij den ingenieur
omhelsde. "Inderdaad, ik dacht niet anders, of het was met u gedaan."
"Waarlijk, 't is een wonderlijk avontuur," antwoordde Gromski. "Ik
had nooit kunnen denken, dat ik zulk een zonderlingen passagier op
mijn luchtballon zou krijgen."
Nadat onze zeelieden een weinig tot kalmte gekomen waren, deelden
zij aan Gromski hun plan mede om een hoop steenen op te richten,
als een bewijs, dat zij aldaar geweest waren.
Deze keurde vol geestdrift dit plan goed.
Men begaf zich dus aan den arbeid. Daar er in den omtrek slechts weinig
losse steenen lagen, was dit werk uiterst vermoeiend. De vingers van
onze luchtreizigers raakten aan het bloeden bij het losrukken van de
steenen, die op het naburige ijsveld verspreid lagen.
De steenhoop vorderde slechts langzaam. Na er tien uren aan gewerkt
te hebben, hadden zij nog maar eene hoogte van 8 voet bereikt. Ford
scheurde een blad uit zijn zakboek en schreef daarop eenige regels,
die men in een blikken doos deed. Het waren de volgende:
"Wij ondergeteekenden hebben, na op den 29sten December 1894 met
een luchtballon van kaap Hoorn opgestegen te zijn, deze plaats
bereikt, gelegen te midden van de bergketen, het Sneeuwgebergte
genaamd. Als een bewijs van ons verblijf in de Maanvallei plaatsen
wij nevensgaand papier in den steenhoop, dien wij met onze eigen
handen hebben opgericht.
"Het hoofd van den luchtballon de Polen, "Gromski, ingenieur.
"Ford, kapitein.
"James Galling, stuurman
"Gedaan in de Maanvallei op den eersten Januari 1895."
De hoop steenen, die door onze luchtreizigers bijeengebracht waren,
rustte op het gladde oppervlak van eene rots, die ten Zuiden en ten
Oosten door hooge bergen beveiligd was, en die gemakkelijk uit de
vallei kon opgemerkt worden.
Eerst om elf uur waren onze reizigers met dit vermoeiende werk klaar,
dat voor immer eene getuigenis zou afleggen, dat zij te midden van
deze ijswoestijn geweest waren, en zij konden dus verder gaan.
Het gelukkig gesternte van onze reizigers begon toen te tanen. De
elementen, die hun tot dusverre gunstig geweest waren, kantten zich
nu plotseling tegen hen. Alles scheen samen te spannen om hen van
hun weg af te brengen, in een mist te hullen en in het verderf te
storten. De pool had zich in een sluier van mist en wolken gehuld,
waardoor de zonnestralen niet heen konden dringen, en deed tengevolge
daarvan de pogingen der drie waaghalzen, die hare geheimen trachtten
te ontraadselen, mislukken.
Dat alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat de bemanning van den
luchtballon den tijd niet had gehad om zich rekenschap te geven van
de verandering, die er had plaats gegrepen.
Twee uren na hun vertrek uit de Maanvallei daalde de temperatuur
op eene hoogte van 1000 meters van 5 graden tot 1 graad boven het
nulpunt. Aan den horizon vertoonden zich dikke wolklagen, die omstreeks
drie uren het geheele luchtruim bedekten. De zon, de eenige gids der
moedige luchtreizigers, verdween achter deze dampen, die de wind,
welke onafgebroken uit het Oosten blies, niet uit elkaar kon drijven.
De kapitein zocht vruchteloos naar de oorzaken van deze plotselinge
opeenhooping van wolken; hij vermoedde, dat, tengevolge van de
aanraking van den warmen luchtstroom met de bergtoppen, die met
sneeuw en ijs bedekt waren, de waterdamp in den dampkring plotseling
samengeperst werd en deze ondoordringbare wolken deed ontstaan, die
het onmogelijk maakten, aan den ballon de gewenschte richting te geven.
De ingenieur was uiterst voorzichtig geworden van het oogenblik af,
waarop hij bemerkt had, dat eene reis zonder kompas slechts eene reis
op goed geluk af is.
Uit de waarnemingen, onmiddellijk na het vertrek uit de Maanvallei
gedaan, was gebleken, dat de ballon gedurende twaalf uren nauwelijks
450 kilometers afgelegd had, in plaats van 750, zonder twijfel omdat
hij in het luchtruim eene zeer golvende lijn beschreef.
En de zon, die achter wolken verscholen was, kon niet meer tot een
veilige gids op den tocht dienen.
Gromski had zijne machine dus laten stilstaan: sedert twaalf uren dreef
de ballon met den spiraalvormigen luchtstroom mee, in afwachting van
het oogenblik, waarop de zon zich weer zou vertoonen.
De Maanvallei lag, volgens de berekeningen van den kapitein, op 82°
35' Zuiderbreedte en 11° 40' Oosterlengte; dus was de luchtballon
sedert den 31sten December van 98° 40' oostwaarts gegaan, zoodat hij
een vierde gedeelte van den omtrek van de parallel afgelegd had.
Op den 2den Januari was de lucht nog niet opgeklaard, en onze reizigers
gaven de hoop reeds op, dat zij de zon ooit zouden weerzien. De
ingenieur wilde niet langer wachten, en tegelijkertijd vreesde hij,
de reis verder op goed geluk af voort te zetten.
Intusschen moest een besluit genomen worden. Men kwam dus overeen, den
ballon naar het helderste gedeelte van den hemel te richten. Gromski
zag wel in, dat, als men de machine in beweging bracht, de voorraad
benzine in de tegenwoordige omstandigheden niet toereikend zou wezen;
want de luchtballon had, ten gevolge van zijne afwijking, minstens
1200 kilometers in plaats van 900 af te leggen. De ingenieur bracht
dus de snelheid van den ballon op de helft, in de hoop, op die manier
de brandstof te besparen.
Dit gaf aan onze luchtreizigers weder nieuwe hoop.
Door het verlies van de benzine lichter geworden, bereikte de ballon
de wolken en raakte er geheel in.
Het was eene echte reis op goed geluk af. Onze reizigers konden zelfs
den ballon boven hunne hoofden niet meer onderscheiden. Ford wilde
de machine doen stilstaan, maar Gromski verzette zich hiertegen,
hopende, dat de ballon zich al spoedig een weg door het wolkengordijn
zou banen en dat zij de zon weder zouden te zien krijgen.
Inderdaad zagen onze reizigers na eene reis van zes uren te midden
der wolken den helderen hemel terug. Ford begroette de zon met de
vreugde van een heiden.
Hij snelde onmiddellijk naar de instrumenten toe en ging eerst weder
zitten, nadat hij de geographische breedte nauwkeurig had aangeteekend.
De kloeke zeeman had zeker nooit zulk een verwonderd gezicht gezet,
als hij had, toen hij nu op de kaart keek. Hij kon zijne oogen niet
gelooven, want hij vergeleek al de horloges met elkaar en onderzocht
den sextant, vooronderstellende, dat deze onklaar geraakt was. Maar
daar hij geenerlei vergissing in zijne waarnemingen kon ontdekken,
haalde hij de schouders op.
"Hoeveel tijd heeft Magelhaens noodig gehad om zijne reis rondom
de wereld te doen? Weet ge dit ook?" vroeg hij aan den ingenieur,
die aan het roer stond.
"Drie jaren, geloof ik."
"En in hoeveel tijd kan men dit tegenwoordig doen?"
"Ik herinner mij, dat de reis, door den held van Jules Verne, Phileas
Fogg, gedaan, kort geleden nog als iets buitengewoons werd beschouwd;
ik geloof intusschen, dat men onder gunstige omstandigheden de reis
om onze planeet wel in 77 dagen kan maken."
"Welnu, dan laten wij zeer ver achter ons, niet alleen degenen, die
vroeger reisden, maar ook alle reizigers van de 19de en de 20ste eeuw;
want wij hebben de reis om de wereld in 48 uren gedaan."
"Hoezoo?" riep James lachende uit.
"Op een heel eenvoudige manier: wij bevinden ons op 38° 40'
Westerlengte van Greenwich, dat is, op denzelfden meridiaan, waarop
wij twee dagen geleden waren."
"Dat verwachtte ik wel, kapitein," zeide Gromski. "De spiraalvormige
wind loopt om de pool heen; we hebben met den ballon dus eene reis
om den meridiaan heen gedaan. Welke breedte hebt ge genoteerd?"
"84 graden."
"Welnu. Laat ons dan aannemen, dat wij de reis om den 80sten
parallelgraad hebben gedaan, waarvan de omtrek aan bijna 4200
kilometers gelijk is; onze reis is dus niet buitengewoon: we hebben
gemiddeld 90 kilometers in het uur afgelegd. Om de reis langs de
evennachtslijn te doen, zouden we met dezelfde snelheid 18 dagen
noodig hebben."
"Wel, dat is nog niets. Als we de pool bereiken, dan verbind ik mij,
de reis om de wereld nog duizendmaal sneller te doen," zeide James.
"Dat wil ik graag gelooven: je zoudt hem zeker wel in vijf minuten
kunnen doen," gaf Ford ten antwoord.
"Nog vlugger. Ik zal mij eenvoudig op het punt plaatsen, waar volgens
uwe berekening, kapitein, het uiteinde van de as der aarde valt,
en dan zal ik mij omdraaien. Ziedaar alles!"
"Inderdaad, je hebt gelijk, James."
Ja, doch de zaak is maar, juist op het punt te komen, waar de
meridianen samenloopen.