HET ZESDE WERELDDEEL.

Nauwelijks was de zak, die tot anker diende, in de golven verdwenen,

of onze reizigers gevoelden een krachtigen luchtstroom. Nu de wind

den ballon niet meer kon voortstuwen, rukte hij daaraan verwoed,

maakte diepe holten in zijn omhulsel en deed de touwen, waarmee het

schuitje aan den ballon bevestigd was, trillen.

De golven deden den zak beurtelings rijzen en dalen; de ballon

zweefde dus steeds heen en weer, alsof hij zelf in verband met den

Oceaan stond.

"Ik dacht niet, dat de wind met zooveel kracht zou opsteken," merkte

de ingenieur aan. "Maar dat doet er niet toe: het touw zal gemakkelijk

aan die schokken weerstand kunnen bieden."

"De ballon trekt den zak met zich mee," merkte Ford aan. "Zie maar

eens, hoe het touw de golven klieft. We gaan, op deze wijze door den

wind voortgedreven, met eene snelheid van 2 à 3 knoopen."

"Maar dat is eene kleinigheid, kapitein. Als we 70 kilometers per

dag afleggen, dan hebben we niet te duchten, dat we gedwongen zullen

worden om naar Amerika terug te keeren. We kunnen zelfs twee dagen

op eene verandering in de windrichting wachten, zonder te vreezen

voor de ondoordringbaarheid van het omhulsel van den ballon."

"Dat is inderdaad een der voornaamste eigenschappen van uw

luchtballon," zeide Ford. "Een gewone ballon zou al lang in zee

gevallen zijn. Als ik mij niet bedrieg, zijn er verscheidene

luchtreizigers in zee omgekomen, niet waar, Mijnheer?"

"Inderdaad, maar de meeste van deze ongelukken zijn gedurende het

beleg van Parijs voorgekomen. Van 64 ballons, die uit deze stad

zijn opgestegen, zijn er drie of vier verongelukt, zonder dat men

er ooit meer iets van gehoord heeft: waarschijnlijk zijn ze in zee

neergekomen. De zeeman Prince en de soldaat Lacaze, die, de eerste

op den 20sten November 1870, 's avonds om elf uur, en de ander op

den 27sten Januari 1871, 's nachts om drie uur, opgestegen zijn,

werden naar den Atlantischen Oceaan heengedreven en vonden in zijne

golven een roemrijken dood. De heeren Martin en Ducauroy, die van

Parijs opgestegen waren, zagen bij het aanbreken van den dag de

zee, en het was slechts door een wonder, dat het hun gelukte, het

eilandje Belle-Isle-en-Mer te bereiken. De vermaarde luchtreiziger

Sivel, die zich voor het eerst van den ankerzak bediende, verkeerde

herhaaldelijk in denzelfden toestand als wij. Hij werd in de golf van

Napels verscheidene malen in zee geworpen; een anker, geheel gelijk

aan het onze, redde hem uit het gevaar, waarmee een wind, van de

kust waaiende, hem bedreigde. Op den 19den Augustus 1874 steeg Sivel

met zijn ballon Het Zenith met een Noordwestenwind te Kopenhagen

op. Hij hoopte den Sond over te steken en in Zweden te recht te

komen. Maar halverwege draaide de wind naar het Noorden. Sivel, die

zijne metgezellen niet aan eene reis vol gevaren wilde blootstellen,

wierp den ankerzak uit en kon, 100 meters boven de zee hangende,

een geheel uur wachten, totdat de schepen, die men van het strand

tot zijne hulp zond, aangekomen waren."

"Hoelang zullen we hier blijven?"

"Een dag op zijn hoogst, kapitein. We hebben weinig tijd ter onzer

beschikking, en wie weet, wat ons nog kan overkomen!"

James had niets tegen een dergelijk oponthoud in te brengen; als een

echt zeeman voelde hij zich weer op zijn gemak, nu het schuitje zich

heen en weer bewoog.

"Ditmaal," zeide hij, "zullen we als op een gewoon schip

middagmalen. Men kan geen volle glazen op de tafel neerzetten, waarin

ik altijd veel schik heb..."

Dank zij den uitstekenden wijn, dien Ford had meegenomen, en hun

levendig gesprek, hadden onze luchtreizigers al spoedig het avontuur

van de ijswolk vergeten. Zij zouden zeker nog langer in hunne

zoogenaamde eetzaal gebleven zijn, indien Ford niet, omstreeks vijf

uur, eenige glinsterende massa's aan het zuidelijk gedeelte van den

horizon had opgemerkt.

"'t Zijn ijsbergen," zeide hij, terwijl hij opstond. "Er heerscht in

deze streken van den Oceaan blijkbaar een koude luchtstroom."

De ijsbergen naderden den ballon langzaam. Zij schitterden als massa's

kristal, welker grillige omtrekken aan torens van albast deden denken;

de stralen der zon vielen phantastisch op hunne oppervlakte. Gromski

zag met zijn verrekijker, dat deze ijsbergen niet eene gladde massa

waren, maar bijna overal kloven en gaten vertoonden.

"Zeg mij eens, welke de oorsprong van deze ijsmassa's is," zeide hij,

zich tot Ford wendende.

"Hare aanwezigheid," antwoordde de kapitein, "verraadt altijd de

nabijheid van een vasteland: zij vormen zich nooit in den Oceaan. Het

groote ijsveld aan de Noordpool loopt glooiend af en bereikt eindelijk

de zeekust. Dan rukt het voorste gedeelte, daar het geen steun meer

heeft en door zijne eigen zwaarte wordt meegesleept, zich van de massa

los en valt in het water. Eenmaal heeft een ijsberg, die zich op deze

wijze vormde, mijne sloep bijna verbrijzeld. Als het blok niet te

midden van het ijs nabij de kust blijft zitten, dan stort het zich

in den vollen Oceaan en drijft naar het Noorden of naar het Zuiden,

door de koude luchtstroomen meegevoerd. De plaatsen, waarop men deze

ijsbergen aantreft, zijn dikwijls zeer ver van de pool verwijderd. Men

treft ze op het noordelijk halfrond tot op 50 graden breedte aan."

"'t Is jammer," zeide James met een zucht, "dat de koude luchtstroomen

op dit halfrond niet dezelfde richting hebben als op het noordelijke;

we zouden dan den wind wel kunnen missen."

"Hoezoo?" vroeg Gromski.

"Dan zouden we onzen ballon aan een ijsberg, die naar het Zuiden

drijft, kunnen vastmaken, en voort dan maar! Op zulk eene manier

zouden wij met een tegenwind den spot kunnen drijven."

"Ik moet zeggen, dat dit een oorspronkelijk denkbeeld is," zeide

Ford met een glimlach. "Je zult daarmee op de terugreis je voordeel

kunnen doen, als je niet tegen eene lange reis opziet. Inmiddels

moeten we elke ontmoeting met de ijsbergen vermijden, daar deze ons

in het water zouden kunnen doen vallen."

Gromski was van dezelfde meening; hij zag vooruit, dat de ballon op

zijn tocht ontzaglijke ijsblokken zou ontmoeten en deze niet altijd

zou kunnen ontwijken.

"We zullen over deze ijsbergen heen moeten gaan, als het ons niet

gelukt, ze te vermijden."

"Dat zal een heele sprong zijn," merkte Ford aan. "Zie eens,

hoe strak de ballon het touw spant. De ijzel, die hem in de

ijswolken zwaarder maakte, is gesmolten; we hebben nu ons vroeger

opstijgingsvermogen,--zonder nog den ballast te rekenen, dien wij

over boord geworpen hebben. In deze omstandigheden zullen wij tot op

minstens 5000 meters stijgen."

De ingenieur wist dit alles zeer goed. Nochtans verried zijn gelaat

geenerlei ongerustheid. Hij beval zelfs niet, het ballonnetje met

lucht te vullen; hij keek met koelbloedigheid naar de ijsmassa's,

die kwamen aandrijven en welker scherpe punten bij de minste aanraking

het omhulsel van den ballon zouden kunnen doen scheuren.

Eenige minuten daarna scheidden slechts 500 meters den luchtballon

van de ijsbergen: er dreigde eene botsing. Gromski begreep, dat het

gevaarlijk zou wezen, de maatregelen om dezen hinderpaal uit den weg

te ruimen langer uit te stellen. Hij greep dus het touw, dat aan den

zak vastgebonden was, en begon het voorzichtig op te halen. Het water,

dat uit den zak liep, verminderde het gewicht daarvan langzamerhand;

de ballon verhief zich dus al spoedig, als een arend, die eene zware

prooi met zijne klauwen omvat houdt, boven het groote ijsblok.

Deze manoeuvre geschiedde juist bijtijds; had men er een oogenblik

mee gewacht, dan zou het anker aan de uitstekende punten van den

ijsberg zijn blijven haken.

De ballon, die nu de hinderpalen, welke zich aan hem voordeden, te

boven gekomen was, ging met snelheid voort, voortgestuwd door den

Zuidoostenwind. Maar al spoedig was hij genoodzaakt, verscheidene

kubieke meters lucht te verliezen, die Gromski in het ballonnetje

bracht; bijgevolg begon hij weder te dalen en kwam zijn anker opnieuw

met het oppervlak van den Oceaan in aanraking.

Onze reizigers zagen nog meer dan eens ijsbergen; maar deze dreven

ver van den ballon voorbij en bedreigden dien volstrekt niet. Wat

daarentegen den ingenieur verontrustte, was, dat de wind steeds uit

denzelfden hoek bleef waaien. Des namiddags om twee uur, op den 31sten

December, was er een geheele dag verloopen sedert het avontuur met de

ijswolken. De voorzichtigheid gedoogde niet, langer te wachten, te

meer daar de ballon blijkbaar van zijn gas verloor. De luchtballon

daalde zóó sterk, dat de golven zich nauwelijks 3 meters onder

het schuitje voortbewogen en somtijds zijne wanden met haar schuim

bespatten. De wind, die op den ballon drukte, deed daaruit zonder

twijfel het waterstofgas ontsnappen. Daarom besloot de ingenieur,

naar de hoogere luchtlagen op te stijgen, in de hoop, dat hij aldaar

gunstige luchtstroomen zou aantreffen en, ingeval van nood, zijn weg

in eene zuidoostelijke richting zou kunnen voortzetten.

Ford, die zeer goed de gevaren inzag, waaraan het verlies van den

ballast den luchtballon blootstelde, verzette zich niet tegen de

plannen van Gromski.

Om vier uur werd de ankerzak dus opgehaald en steeg de ballon tot

eene hoogte van 1000 meters.

Onze reizigers maakten uit de beweging der ijsbergen op, dat de kracht

van den wind in de hoogere luchtlagen toenam. Men moest dus opnieuw

den warmen luchtstroom opzoeken, hetgeen den ingenieur noodzaakte,

nog een zak ballast uit te werpen, waarvan reeds niet meer dan 15

kilogrammen overgebleven was.

De barometer wees eene hoogte van 2400 meters aan, toen de thermometer

aan het licht bracht, dat de ballon in de warme luchtlaag gekomen was.

Uit de verandering in de ligging der ijsbergen maakte Ford zonder

moeite op, dat de luchtballon op eene hoogte van 2500 meters eensklaps

eene zuidelijke richting aannam en veel sneller voortging.

"We zijn weder in den spiraalvormigen luchtstroom; alleen schijnt de

kracht daarvan verminderd te zijn; want we leggen op zijn hoogst 40

knoopen af."

De ingenieur keek intusschen niet meer naar de ijsbergen. Al zijne

aandacht vestigde zich op eene wolk van een zonderlingen vorm, die

langzaam uit den Oceaan opsteeg.

Deze wolk, die in de stralen der zon schitterde, breidde zich al meer

en meer naar den horizon uit, naarmate de ballon steeg, en op hare

heldere oppervlakte vertoonden zich kleine stippen met onregelmatige

omtrekken.

"Maar dat is land!" riep James eensklaps uit.

Door dezen uitroep in geestdrift ontstoken, nam Ford zijn verrekijker

en zag, dat de stuurman gelijk had. De zoogenaamde wolk was een

vasteland, dat zich zeer ver naar het Oosten en naar het Westen

uitstrekte. De lucht, die geheel doorzichtig was, stelde in staat om

de met sneeuw bedekte bergen te zien, die zich daarginds verhieven;

de sneeuw lag overigens ook in de valleien.

"Komaan, nu gaan we boven het land zweven, kapitein," zeide Gromski

met voldoening. "Om u de waarheid te zeggen, begon ik voor den Oceaan

te vreezen. We hadden te weinig ballast in, en ik twijfel er aan,

of het ons mogelijk zou wezen, andermaal behouden uit de ijswolken

te voorschijn te komen."

Ford bekeek met de uiterste nieuwsgierigheid het geheimzinnige

vasteland. De liefde voor de aardrijkskunde greep den braven kapitein

aan. Hij haalde de kaart te voorschijn, en nadat hij deze op den vloer

van het schuitje uitgespreid had, wees hij naar de uitgestrekte witte

vlakte, die ten Oosten van Louis-Philippe-land gelegen is.

"Kijk eens, Mijnheer, op de beste der kaarten vindt men in deze

streken geen enkel spoor van land. Men weet tot dusverre niet, wat

er ten zuidoosten van het eiland Alexandrië is. Maar nu wordt dit

geheim opgelost: het land, dat we zien, is zonder twijfel het verst

verwijderde gedeelte van het zuidelijk vasteland, aan welks bestaan

verscheidene aardrijkskundigen nog twijfelen."

"En ik twijfel er ook nog wel wat aan," zei de ingenieur; "maar deze

twijfelingen zullen spoedig uit den weg geruimd worden, mits de wolken

het land niet aan onzen blik onttrekken."

De luchtballon vloog met eene buitengewone snelheid naar het onbekende

vasteland; na verloop van twee uren dreef hij over een eilandje heen,

op welks zuidelijk gedeelte zich hooge ijsbergen verhieven, die

blijkbaar door den kouden poolstroom aangevoerd waren. Het vasteland

vertoonde zich aan onze reizigers in al zijne majesteit. Aan den

rechter- en den linkerkant teekende zich de grillige lijn van het

kustland af, dat door eene oneindige reeks van ijsbergen omgeven

was. Achter de kust vertoonden zich rotsachtige en steile heuvels,

die hier en daar in grillige wanorde verspreid en met eeuwige sneeuw

bedekt waren. Verder in het binnenland verhief zich het vasteland in

zachte hellingen, die met een dikke ijslaag bedekt waren.

De luchtballon, die nu het tot dusverre onbereikbaar geachte land

bereikt had, dreef boven steile afgronden en besneeuwde bergtoppen,

die het voorkomen van witte plekken op den grijsachtigen bodem

der rotsen hadden. De sombere landschappen veranderden met eene

verwonderlijke snelheid. De heuvels verdwenen in de verte en maakten

plaats voor dalen, die met rotsblokken bedekt waren. Van eene hoogte

van 2400 meters konden onze reizigers gemakkelijk al de bijzonderheden

onderscheiden en de geheimen van het onbekende vasteland uitvorschen.

De kapitein, met zijn zakboek in de hand, maakte daarvan aanteekeningen

en vluchtige schetsjes. Gromski sloeg de snelheid en de richting van

den luchtballon zorgvuldig gade.

"We gaan wat meer naar het Oosten dan in het begin van onze reis,

kapitein," zeide hij. "Dit feit is niet bemoedigend. Ik ben al

nieuwsgierig, waarheen deze zonderlinge wind ons zal brengen."

"In allen gevalle brengt hij ons niet naar de pool," merkte de stuurman

aan, op wien de snelheid van den luchtballon een machtigen indruk

maakte. "Herinnert ge u onze laatste reis nog wel, kapitein? Omstreeks

twee jaren geleden vertrokken wij op sleden, met honden bespannen,

naar het hartje van Groenland," vervolgde hij, zich tot Gromski

wendende. "We wilden de noordelijke kust daarvan bereiken. Zoolang

ik leef, zal ik mij dezen tocht herinneren. In eene maand hadden we

slechts 150 kilometers afgelegd, juist zooveel als we nu in anderhalf

uur afleggen. Eindelijk kregen wij, uitgeput door ontberingen van

allerlei aard, last van scheurbuik, de honden kwamen allemaal om,

zoodat we bij onze terugkomst genoodzaakt waren, zelf de sleden met

levensmiddelen en instrumenten voort te trekken. Verscheidene malen

moesten we ravijnen, half met sneeuw gevuld, overtrekken, zooals die,

welke ge hier ziet. Maar ik zou nooit aan een eind komen, als ik u

alles, wat wij doorgestaan hebben, wilde vertellen; ik zal u alleen

maar zeggen, dat we niet meer dan een Engelsche mijl per dag konden

afleggen, en dat er, van twintig forsche en krachtige mannen, slechts

twaalf overbleven, die halfdood het schip terugvonden. En nu... we

vliegen over die verwenschte ijsvelden als meeuwen heen. Welk een

verwonderlijk voertuig hebben we toch! Als ge het vroeger hadt

vervaardigd, zouden niet zoovele zeelieden nutteloos omgekomen

zijn...."

En de brave stuurman, blijkbaar geroerd door deze treurige

herinneringen, die hem echter nog versch in het geheugen lagen, haalde

zijn grooten zakdoek te voorschijn en veegde er zich de oogen mee

af. Daarop greep hij de hand van den ingenieur en schudde die krachtig.

"Een verwonderlijk voertuig!" herhaalde hij. "Ge zijt de knapste man,

dien ik ooit van mijn leven ontmoet heb."

De kapitein brak dit gesprek af, daar hij naar de omtrekken van

een berg wees, die geheel met sneeuw bedekt was. De luchtballon,

die naar het Oosten voortgestuwd werd, moest er onvermijdelijk tegen

aanstooten of er vlak langs heenstrijken. Het was moeilijk om zoo

in de verte de hoogte van den top te bepalen; de ingenieur geloofde

intusschen, dat deze zich bijna 3000 meters boven het oppervlak van

den Oceaan verhief. Daar onze luchtreizigers nog maar zeer weinig

ballast inhadden, leverde de berg voor hen een geducht bezwaar op.

Gromski onderzocht het ballonnetje, dat tot reservoir van lucht diende,

en bevond, dat het geheel leeg was. Hij kon dus het opstijgingsvermogen

van den ballon niet op de gewone manier doen toenemen.

De ingenieur hoopte, er in te zullen slagen, den berg over te

komen zonder zijne drie laatste zakken ballast te verkwisten; hij

sloeg dus oplettend en met eene zekere onrust de richting gade,

die de luchtballon nam. Intusschen merkte hij omstreeks zes uur,

dat de hinderpaal, in plaats van zich naar rechts of naar links te

verwijderen, gedurig grootere afmetingen aannam. Gromski had nu het

plan, om den berg heen te gaan; maar hij bemerkte al spoedig, dat

de toppen, die een kwartier geleden 50 à 60 kilometers verwijderd

schenen te zijn, eensklaps op eene dreigende manier naderbij kwamen:

de luchtballon ging regelrecht op de ontzaglijke rotsen af, die met

reusachtige ijsmassa's bedekt waren.

Er moest intusschen gehandeld worden.

De ingenieur wilde juist den laatsten zak met ballast uitwerpen,

toen Ford hem bij den arm greep.

Een zonderling geval deed zich voor: in plaats van zijne richting naar

den berg te nemen, week de luchtballon plotseling daarvan af. Onze

reizigers zagen duidelijk, dat het schuitje zachtjes langs de hellingen

heengleed, terwijl het de geduchte uitstekende punten der rotsen

vermeed. Onder hen strekten zich eenige ijs- en sneeuwvelden uit; de

ballon ging door wolken van warmen waterdamp heen, die uit diepe kloven

voortkwamen, welke zich in de zijden van den berg bevonden; te midden

der basaltblokken vertoonden zich breede stroomen van gestolde lava.

"'t Is een vulkaan!" riep James uit.

Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken, of de gapende opening

van den krater vertoonde zich aan hun blik; de diepten van dezen

afgrond, die zich in de geheimzinnige duisternis verloren, lieten

een lichten damp ontsnappen. Onze reizigers roken den verpestenden

stank van den vulkaan.

"Welk een verstikkende damp!" zeide Ford, terwijl hij een leelijk

gezicht trok.

Een plotselinge en hevige schok, die het geheele schuitje deed

schudden, brak de woorden van den kapitein af. Gromski, die zich over

den rand heenboog, werd op het reservoir van benzine geworpen. Het

scheelde niet veel, of James was gevallen; gelukkig kon hij zich nog

bijtijds aan een touw vastgrijpen.

Ford keek naar beneden en zag, dat de ballon tegen eene hooge rots

aangekomen was, die zich naast den vulkaan bevond. Het schuitje ging er

echter overheen, zonder eenig letsel te bekomen. De verpestende stank

van den vulkaan verdween nog maar altijd niet, ofschoon de ballon

zijn weg met eene onbeschrijfelijke snelheid vervolgde. Integendeel

werd deze stank gedurig sterker.

Dit gas, door den wind meegevoerd, verpestte den geheelen

dampkring. Eerst Gromski, en toen ook Ford en James, ondervonden den

invloed van deze vergiftige dampen.

"Laat ons hooger stijgen, Gromski, ik kan het niet langer

uithouden!" riep de kapitein uit.

Maar Gromski schudde ontkennend het hoofd. "Laat ons nog een oogenblik

geduld hebben! De luchtballon begint al wat te dalen."

Inderdaad vertoonden de sneeuw en het ijs, die de kanten van den

vulkaan bedekten, zich opnieuw; maar onze reizigers gevoelden zich

niet verlicht.

"Ik stik!" riep de stuurman, die er doodsbleek uitzag.

De ingenieur was zelf op het punt om flauw te vallen; hij begaf

zich dus met waggelende schreden naar het touw van de klep en trok er

krachtig aan. Het gas, dat nu een uitweg gevonden had, maakte gedurende

eenige oogenblikken een geluid, als ware het de donder in de verte;

de luchtballon daalde snel; toen de ingenieur het touw losliet, wees

de barometer eene hoogte van omstreeks 1400 meters aan. Op deze hoogte

was de stank van den vulkaan nog maar even te ruiken.

James ademde met welgevallen de frissche lucht in.

"Ik begrijp niet, dat we niet tegen dien verwenschten berg aangekomen

zijn," zeide hij, toen hij zijne kalmte eenigszins herkregen had.

"We zijn er overheengegaan met den wind, die noodzakelijk dezen

weg heeft moeten kiezen," antwoordde Ford. "De ballon is 200 meters

hooger gestegen en toen gedaald, na over den vulkaan heengegaan te

zijn. Het komt mij voor, dat deze vulkaan op dit oogenblik in werking

is. Tusschen 170 en 160 graden Oosterlengte van Greenwich ontdekte

James Clarke Ross in 1842 ook een keten van bergen, waaronder zich

twee vulkanen bevonden: de Erebus, hoog 3700 meters, en de Terror,

een weinig minder hoog, beide in Victoria-land. Ge ziet dus, dat

hetgeen er met ons is gebeurd, niets buitengewoons is; het is nog

gelukkig, dat wij niet met gloeiende lava in aanraking gekomen zijn,

want dan zouden we levend verbrand zijn."

Dit avontuur had noodlottige gevolgen. Bij onze reizigers, die

gedurende twintig minuten in een dampkring hadden vertoefd, die met

zwavelwaterstofzuur bezwangerd was, deden zich de verschijnselen van

vergiftiging voor. Ford leed nog meer dan de beide anderen: hoofdpijn

en duizeligheid hielden bij hem tot den volgenden dag aan.

Deze lichte ongesteldheden waren echter niet zoo ernstig als het

verlies van het gas. De ballon was na de opening der stoomklep, zooals

we reeds gezegd hebben, tot op 1400 meters gedaald; de aanwijzingen van

den thermometer maakten, dat de luchtreizigers een kouden luchtstroom

wisten te ontgaan, die zich eenige honderden meters onder het schuitje

deed gevoelen.

Sedert lang had de ingenieur de opmerking gemaakt, dat de luchtstroom,

die in het eerst warm was, allengs kouder werd en al meer en meer

naar de oppervlakte der aarde daalde; deze omstandigheid troostte

hem eenigszins over het verlies van den ballast en van het gas.

"We zijn nu als op een schip zonder anker," zeide hij. "Als we nogmaals

in eene ijswolk geraakt waren, zooals gisteren, dan zouden we verplicht

geweest zijn, de benzine, de levensmiddelen en de instrumenten uit

te werpen."

Het is dus gemakkelijk na te gaan, dat de toestand van onze reizigers

hachelijk begon te worden. De ingenieur, die niet had gedacht,

dat de ballast zoo spoedig op zou raken, had daarvan slechts 270

kilogrammen meegenomen, daar hij plaats wilde besparen voor andere

dingen en vooral voor brandstoffen.

"Morgen op den middag zullen we nogmaals de plaats bepalen, waar we

ons bevinden," zeide Ford. "Het komt mij voor, dat we in de laatste

veertien uren de pool hebben moeten naderen."

Gromski, die tegen den stoomketel aanleunde, gaf zich blijkbaar aan

ernstige gepeinzen over. Intusschen wendde hij zich bij de laatste

woorden van den kapitein eensklaps tot dezen, zeggende:

"Morgen zal mijn ballon het bewijs leveren, waartoe hij in staat

is. Uitstel is gevaarlijk, kapitein."

Per luchtballon naar de Zuidpool · 第 18 / 36 题