Om tien uur verdwenen de hoogste punten van kaap Hoorn. Thans zagen
onze reizigers, zoover hun oog reikte, niets anders om zich heen dan
het oppervlak van den Oceaan, die zich in het oneindige verloor.
Het scheen hun toe, dat de ballon zich niet bewoog en stil hing
boven deze reusachtige vlakte, die als een spiegel het azuur des
hemels weerkaatste.
Omstreeks één uur ontdekte Ford, die door een verrekijker naar den
horizon tuurde, in het Zuidwesten een zwart stipje.
"Dat schijnt een stoomschip te zijn, dat zich langs de westelijke
kusten van Chili of van Peru voortbeweegt," zeide hij. "Ik zie vrij
duidelijk een rookwolkje."
Van eene hoogte van 1000 meters gezien, scheen het schip, dat op zijn
minst 100 kilometers verwijderd was, in het veld van den verrekijker
als een wormpje, dat langzaam voortkroop. Een lange rookwolk, die uit
den schoorsteen opsteeg, kronkelde zich als een slang over den Oceaan.
"De rook stijgt rechtop; dus moet er daar beneden geen wind zijn,"
merkte Ford aan; "en toch komen wij dit schip met eene verbazende
snelheid naderbij."
"Dat is niet te verwonderen, kapitein," antwoordde Gromski; "de
snelheid van den wind is, zooals de jongste onderzoekingen bewezen
hebben, in de hoogere luchtlagen van den dampkring aanzienlijker
dan in de lagere, en zij neemt in eene vaste verhouding toe. Hier,
waar de barometer eene hoogte van 970 meters aangeeft, bezit de
lucht waarschijnlijk eene aanmerkelijke snelheid, ofschoon zij op
het oppervlak van den Oceaan doodstil is. Van eene hoogte van 1000
meters omvat het oog, naar mijne berekeningen, eene uitgestrektheid
van een straal van 113 kilometers; wij bevinden ons dus bijna op
dezen afstand van het schip. Kunt ge wellicht ook onderscheiden,
in welke richting het gaat?"
"Het komt mij voor, dat het zich naar het Noordwesten begeeft."
"We moeten letten op het oogenblik, waarop de ballon zich op dezelfde
verticale lijn als het schip bevindt. We kunnen op deze manier de
snelheid van den wind, die ons meevoert, bepalen."
Ford en James sloegen met genoegen dit schip gade, dat het eenige punt
was, waarop het oog, moede van het staren op de eentonige oppervlakte
van den Oceaan, kon rusten.
Om één uur was het schip nog 30 kilometers van den ballon verwijderd;
op dezen afstand kon men het reeds met het bloote oog onderscheiden.
"Ik zou wel eens willen weten, of zij ons ook zien," zeide James.
"Zij zien den ballon waarschijnlijk als een zwart stipje, dat zich
slechts 5 à 6 graden boven den horizon bevindt," verklaarde Gromski.
Het stoomschip kwam al dichter en dichter bij; nu scheidde nog slechts
een tiental kilometers het van den luchtballon.
De kapitein keek op zijn horloge: het was vijf minuten vóór half twee.
"Laat ons wat dalen!" riep James uit, terwijl hij met zijn zakdoek
wuifde. "Ze denken, dat de wind den ballon wegvoert! Zij volgen ons!"
Inderdaad veranderde het schip, na een cirkelboog beschreven te hebben,
plotseling van richting en begon den ballon te volgen.
De kapitein ging terstond lucht in het ballonnetje pompen, en twintig
minuten later bevond zich het schuitje nog slechts 200 meters boven
het schip, op welks verdek eene buitengewone drukte heerschte: men
maakte ongetwijfeld toebereidselen om eene sloep in zee neer te laten.
"Laat ons nog wat dalen! Maar we mogen ons gas daarom niet verspillen,
niet waar?... James, aan de pomp!" riep Gromski uit.
De luchtballon daalde nu langzaam en bevond zich al spoedig op eene
hoogte van omstreeks 100 meters boven het oppervlak van den Oceaan.
"Van hier moeten zij ons kunnen verstaan," zei de ingenieur.
En nadat hij zich over den rand van het schuitje heengebogen had,
riep hij met eene stentorstem:
"Keert maar terug! We hebben uwe hulp niet noodig."
Zijne woorden waren blijkbaar niet te verstaan door het gedruisch
van de stoommachine; men deed deze stilstaan, en Gromski herhaalde
zijne woorden zoo luid mogelijk.
"Het komt hun niet in de gedachten, dat het ons doel is, hier in de
lucht te zweven," mompelde de stuurman. "Ze zullen ons voor gekken
houden."
"Ze schijnen antwoord te geven," zeide Ford.
"Wat zeggen ze dan?"
"De officier, die op het verdek staat, heeft insgelijks geantwoord:
"Keert maar terug!""
Gromski lachte.
"Dat is de echo," zeide hij. "De stem, kapitein, wordt door het
oppervlak der zee teruggekaatst als door de oppervlakte van een muur."
"Nu zegt de kapitein van het schip werkelijk iets.... Wacht eens! hij
zegt, dat we het gas moeten laten ontsnappen. Blijkbaar hebben ze
mij niet goed verstaan. Laat ons hun dus eene dépêche zenden."
Dit zeggende, scheurde Gromski een blaadje uit zijn zakboekje en
schreef daarop:
"Dank voor uwe goede bedoelingen. Wij hebben niets noodig. Wij gaan
naar de Zuidpool."
Het stukje papier dwarrelde eenige oogenblikken heen en weer en viel
toen op een korten afstand van het schip in het water.
Onze reizigers zagen de matrozen pogingen aanwenden om deze dépêche
met hunne roeispanen op te visschen.
"Ziezoo, nu kunnen we opnieuw opstijgen zonder deze lieden aan een
nutteloos tijdverlies bloot te stellen," zei de ingenieur. "James,
aan het werk!" Ditmaal hielp Ford den stuurman; want het leegpompen
van het ballonnetje was een vrij vermoeiend werk.
Vijf minuten daarna wees de barometer opnieuw 980 meters hoogte aan.
Dit voorval was wel geschikt om er kapitein Ford van te overtuigen,
dat de luchtballon uitstekend vervaardigd was, dat hij kon rijzen
of dalen zonder iets van zijn ballast of van zijn gas te verliezen:
men kon hem al naar verkiezing lichter of zwaarder maken. Zulk
eene samenstelling stelde onze luchtreizigers in staat om op de
verschillende hoogten gunstige winden te vinden en zich alzoo in de
gewenschte richting voort te bewegen.
De ingenieur wist nu met volkomen zekerheid, dat de luchtballon
door den Noordoostenwind voortgedreven werd, die zeer dikwijls in de
zuidelijke streken van den Atlantischen Oceaan heerscht.
Na den tijd berekend te hebben, die er sedert het verschijnen van
het stoomschip verloopen was, kon hij vaststellen, dat de snelheid
van den wind 35 kilometers in het uur niet te boven ging.
"'t Is waarschijnlijk wel het eerste en het laatste schip, dat we te
zien zullen krijgen," zeide James, terwijl hij naar het schip keek, dat
opnieuw naar het Noordwesten draaide. "Morgen zullen we niets anders
dan ijsbergen zien. Als we vallen, welnu, dan is het met ons gedaan."
De ingenieur antwoordde niet. Hij was ten prooi aan dezelfde sombere
gedachten als die, welke den stuurman vervulden. Ondanks al het
vertrouwen, dat hij in zijn ballon stelde, kon hij een soort van
geheimzinnige vrees niet van zich zetten. Er kon een ongeluk gebeuren,
dat hij niet had kunnen vooruitzien; eenig gebrek aan de machine,
een onbeduidend scheurtje in het weefsel of andere gebreken waren
voldoende om den luchtballon in het water te doen vallen, dat zich
onder hen uitstrekte. En zou er zich dan een schip vertoonen om aan
de verongelukte luchtreizigers hulp te bieden?
De ingenieur wist heel goed, dat dit niet zoo wezen zou. Niemand onder
de walvischvaarders waagde zich zóó ver in die streken van den Oceaan,
waarboven de luchtballon na verloop van een twintigtal uren zou zweven.
Onder den indruk van deze gedachten onderzocht Gromski den ballon
oplettend, die nochtans in den best mogelijken toestand verkeerde.
"Alles gaat tot hiertoe goed," zeide hij, na zijn onderzoek voltooid
te hebben. "We vorderen echter te weinig. Als dat zoo blijft voortgaan,
dan zullen we een heele week noodig hebben om de pool te bereiken."
"Welnu, dan moeten we de machine met meer kracht laten werken."
"Daaraan denk ik in de verste verte niet; we moeten slechts in de
uiterste noodzakelijkheid onze toevlucht tot den motor nemen; maar
ik heb plan om in hoogere streken een wind op te zoeken, die eene
grootere snelheid bezit. Dien warmen luchtstroom, waarop ik reken,
hebben we tot dusverre nog niet gevonden, niet waar?"
"Welnu, laat ons dien dan zoeken," antwoordde Ford. "Als het maar
niet verkeerd afloopt!...."
"Dat denk ik niet," antwoordde Gromski. "Ik heb er genoeg bewijzen
voor. Hebt ge den vulkaan Cotopaxi wel eens gezien?"
"Staat die vulkaan dan met den warmen luchtstroom in verband?"
"Ja, omdat de rook, die uit zijn krater opstijgt en die eene hoogte van
3000 meters bereikt, eerst naar het Noordwesten gaat en dan eensklaps
van richting verandert en naar het Zuidoosten trekt. Ge zult mij moeten
toestemmen, dat het moeilijk is, eene betere bevestiging van mijne
onderstellingen te hebben. We zullen er ons bovendien aanstonds van
kunnen overtuigen.... James, werp den grootsten zak met zand eens uit!"
Daarop plaatste Gromski zich bij den barometer. Na verloop van tien
minuten bleef deze laatste op het punt staan, dat eene hoogte van
1200 meters aanwees.
"Kijk eens op den thermometer, kapitein."
"Die staat twee graden boven nul."
"Mooi zoo! Dus is de temperatuur niet gedaald.... Nog een zak, James."
Binnen een kwartier steeg de ballon 800 meters en bevond zich dus 2000
meters boven het oppervlak van den Oceaan, Tot groote verwondering
van Ford steeg de thermometer, in plaats van te dalen, tot vijf graden
boven het nulpunt. De ingenieur had zijn doel echter nog niet bereikt:
op zijn bevel werd er weder een zak met zand door James uitgeworpen.
"Hoe gevoelt ge u nu?" vroeg Gromski. "We bevinden ons nu op eene
hoogte van 3200 meters boven het oppervlak van den Oceaan."
"Ik heb een gesuis in mijne ooren," antwoordde Ford, "en mijne
ademhaling wordt sneller."
"De mijne ook; maar behalve dat voel ik niets."
"Dat is heel natuurlijk: we bevinden ons in een verdunden dampkring;
onze longen moeten dus krachtiger werken. Maar laat ons een
weinig wachten; want zulk eene snelle verandering van drukking is
gevaarlijk. Over een uur zullen we nog wat ballast uitwerpen."
"Als we ons inmiddels eens aan tafel zetten?" stelde James
schroomvallig voor.
De verandering in den toestand der lucht had den braven stuurman den
eetlust niet benomen; de kapitein en Gromski gevoelden niet minder
honger; dus werd het voorstel van James volgaarne aangenomen.
De thermometer teekende twaalf graden warmte: de temperatuur was dus
vrij zacht.
De stuurman begaf zich dadelijk aan het werk. Nadat hij de mand met
levensmiddelen opengedaan had, bedekte hij "de tafel" in een oogwenk
met spijzen.
Alle drie bevonden zich in een goede luim; de verdunde dampkring wekte
den eetlust op, zoodat de ham, de ingelegde groenten en de pekelsaus
binnen weinige oogenblikken naar binnen gewerkt waren. Deze maaltijd
in de lucht, 3 kilometers boven de zee, duurde tot vier uur. Onze
luchtreizigers lachten en schertsten met dezelfde luchthartigheid,
alsof zij in eene restauratie van New-York gedineerd hadden.
Intusschen vertoonden zich aan de lucht, die tot dusverre helder
geweest was, eenige van die wolkjes, welke men gewoonlijk in de
hoogste luchtlagen van den dampkring aantreft.
Dit verschijnsel, op eene hoogte van 4000 meters, verwonderde Gromski
eenigszins; want hij wist, dat wolken van dit soort gewoonlijk in de
hoogste luchtlagen van den dampkring drijven.
Zij bewogen zich blijkbaar naar het Zuidoosten; zij moesten dus
vlugger voortdrijven dan de luchtballon, die zich lager bevond.
Deze opmerking bevestigde nogmaals de onderstelling van Gromski,
wat den hoogeren luchtstroom aangaat.
"Wat zoudt ge er wel van zeggen, als ik u eens voorstelde, ons tot
die wolken te verheffen?" zeide hij tot zijne metgezellen.
"Moeten we dan nog heel hoog gaan?" vroeg James.
"Neen; het komt mij voor, dat het voldoende zal zijn, nog één zak
uit te werpen. Ik wil eens weten, of de temperatuur nog zal stijgen."
"Welnu, moet ik dien dan uitwerpen?"
"Ga je gang maar, vriend."
De ingenieur sloeg nu met de uiterste aandacht den thermometer gade.
"'t Is opmerkelijk!" riep hij eindelijk uit. "Kijk eens, kapitein! De
thermometer stijgt tot veertien, vijftien graden.... en hij blijft
steeds rijzende."
Ford sloeg een blik op den thermometer en haalde de schouders op.
"Ik begrijp er niets meer van," zeide hij. "In plaats van half te
bevriezen, zooals ik had verwacht, begin ik het in mijne bonten
kleeren warm te krijgen."
"Achttien graden!" riep Gromski uit, als vreesde hij, dat hij de
speelbal van een gezichtsbedrog was.
"En 't is het einde nog niet! De barometer wijst 3700 meters aan."
"Negentien graden, kapitein. Er moet zeker iets bijzonders gebeurd
zijn."
"Nu staat hij al op twintig en een half," zeide Ford, terwijl hij
zich over den thermometer heenboog. "Het is blijkbaar, dat we in dien
warmen luchtstroom zijn, waarop ge gerekend hebt."
"Maar ik moet erkennen, dat ik er niet zulk eene hooge temperatuur
verwacht had. Het is geen warme luchtstroom meer, maar bijna een
gloeiende."
"Daar gaan we de wolken in!"
Op dit oogenblik kwam de luchtballon in een dichten nevel. Onze
luchtreizigers verloren eensklaps den Oceaan uit het oog, terwijl zij
niet verder dan eenige meters om zich heen konden zien. Ford kon niet
dan met moeite James onderscheiden, die zich aan het andere einde
van het schuitje bevond.
In het inwendige der wolk steeg de temperatuur nog meer; de beide
thermometers, de kwikthermometer en de alcoholthermometer, teekenden
22.4 graden, en de barometer gaf eene hoogte van 4800 meters aan.
Ford had het in deze vochtige atmosfeer zeer warm; hij trok dus
zijne bonten kleederen uit, welk voorbeeld door Gromski en James
gevolgd werd.
Toen de luchtballon na verloop van eenige minuten uit de wolk was,
steeg hij steeds langzamer en bleef eindelijk met de omringende lucht
in evenwicht.
Kapitein Ford kon zich niet weerhouden, een uitroep van bewondering
te slaken, toen hij naar beneden keek.
De wolkenlaag, waar de ballon doorheen gegaan was, lag nu onder hem.
Massa's damp, die als zilver schitterden, vormden een onmetelijke
keten, die veel weg had van phantastische bergen, welke zich
in de oneindige ruimte uitstrekten. Hunne uiteinden verdwenen
achtereenvolgens in het luchtruim en schenen het zenith te
bereiken. Het geleken wel uitgetande rotsen, met eeuwige sneeuw bedekt.
Dit tooneel veranderde ieder oogenblik. De toppen werden scherper
begrensd en namen allengs in omvang toe, daar er zich nieuwe massa's
bij aansloten, of dreven uit elkaar. De afgronden veranderden
onmerkbaar in zachte hellingen.
De zon, die met moeite tusschen de nevelachtige toppen doordrong,
verwarmde ze en gaf hun het voorkomen van vulkanen, die vuur en
vlam uitbraakten; hare stralen, die elkander van de hoogste tot de
laagste punten weerkaatsten, verloren zich in de onpeilbare diepten
en kleurden de half doorzichtige dampen met een rooskleurigen gloed.
De ballon bleef onbeweeglijk en wierp op de wolken eene reusachtige
schaduw.
James, die over dit schouwspel in verrukking geraakte, klapte in
de handen. Ford, die tegen den rand van het schuitje aanleunde, zag
het zwijgend aan, geheel van bewondering vervuld. Zelfs Gromski, die
dikwijls in de gelegenheid geweest was om deze wonderen te aanschouwen,
geraakte insgelijks in vervoering.
"'t Is prachtig, 't is onvergelijkelijk!" riep hij uit. "Niet waar,
kapitein?"
"We bevinden ons in eene tooverwereld, waarvan niemand op aarde de
schoonheid kent. O, wat is het jammer, dat ik geen schilder ben! De
photographie, die de kleuren weergeeft, zou in dit opzicht uitnemende
diensten kunnen bewijzen. Wanneer men deze tot meerdere volkomenheid
gebracht heeft, zal de luchtoceaan aan onze kunstenaars eene ontelbare
menigte onderwerpen aan de hand doen. Het verwondert mij, dat zij
tot dusverre hunne aandacht niet gevestigd hebben op de wonderbare
tooneelen, die men uit het schuitje van een luchtballon aanschouwt."
"Welk eene verscheidenheid! Kijk eens!"
Gromski wees met den vinger naar eene wolk, die, na zich van eene
andere verwijderd te hebben, als een reusachtig vliegend monster in
het luchtruim dreef. Na verloop van eenige oogenblikken nam deze weer
een geheel anderen vorm aan.
Het was aan onze reizigers nauwelijks gelukt, deze opeenstapeling
van wolken goed gade te slaan, of het tooneel veranderde weer.
De zon, die naar den horizon neeg, wierp een vuurrood licht op
de bovenste van deze wolken, terwijl de onderste langzamerhand in
duisternis gedompeld werden.
Een kwartier daarna verdween de Oceaan geheel achter een
ondoordringbaren violetkleurigen sluier.
De stralen der ondergaande zon bleven de wolken nog eenigen tijd
kleuren; maar om negen uur verdwenen hunne laatste tinten.
De nacht daalde in deze onbegrensde ruimte. Onze reizigers, die zich
door de invallende duisternis eenigszins schrik lieten aanjagen,
keken elkander angstig aan.
"Het komt mij voor, dat we dalen," zeide Ford, terwijl hij een blik
op den barometer sloeg. "We zijn nu niet hooger meer dan 3600 meters."
"Dat verwachtte ik wel," antwoordde Gromski. "De stralen der
zon verwarmen den luchtballon nu niet meer: dus wordt het gas
samengeperst. We moeten echter op eene hoogte van 3500 meters
blijven. Het verwondert mij alleen dat de thermometer nog altijd op
18 graden blijft staan."
"Moeten we nu den geheelen nacht wakende doorbrengen?"
"Wel waarom, kapitein? Ga maar naar bed en slaap gerust! Ik zal mij
bij den barometer neerzetten en ook wat gaan dommelen. Ik verzeker u,
dat geenerlei gevaar onzen ballon bedreigt."
"En als er eens een storm opstak?"
"Welnu, wat zou dat dan nog? We zullen zelfs niets gevoelen van
den storm, die ons voortdrijft. De bliksem kan wel is waar het gas
in den ballon doen ontbranden; maar op deze geographische breedte
zijn stormen, van onweer vergezeld, eene groote zeldzaamheid. We
zullen ook niet vallen, daar de ballon altijd op dezelfde hoogte
blijft. Overigens zullen we James verzoeken, op den barometer te
letten. En nu, goedennacht! Ge zult hier veel beter slapen dan in de
hut van een schip of in een spoortrein. Het is nu halfelf. Ge hebt
dus nog zes uren tot uwe beschikking, voordat de zon opgaat."
En na den stuurman bevolen te hebben, hem om vier uur, dat is tegen
het aanbreken van den dageraad, te wekken, strekte Gromski zich
gemakkelijk op den bodem der mand uit, en na verloop van tien minuten
sliep hij even gerust als in zijne villa bij Chicago. Ford wilde,
na een oogenblik nagedacht te hebben, zijn voorbeeld volgen.
Maar de kapitein vond den slaap niet zoo spoedig als zijn geleerde
metgezel.
Gewoon aan het geluid van het stampen van het schip, aan het huilen
van den wind en aan het geklots der golven, was hij geheel uit zijn
gewone doen, te midden van de doodelijke stilte, die hem omgaf.
Toen James zag, dat Ford den slaap maar niet kon vatten, kwam hij op
de gedachte, een matrozenliedje te neuriën om hem op die manier in
slaap te doen vallen.
Langzamerhand begonnen de oogleden van Ford inderdaad zwaarder te
worden, en hij viel eindelijk in een verkwikkenden slaap.