MARCUS. O, gun uw broeder Marcus, dat hij hier
In 't nest der deugd zijn eed'len neef begraav',
Die eervol voor Lavinia is gevallen.
Romein zijt gij, zoo wees dan geen barbaar;
De Grieken pleegden raad en schonken Ajax,
Schoon hij zichzelf versloeg, een graf, waarvoor
Laërtes' wijze zoon met aandrang pleitte.
Zoo zij den jongen Mucius, eens uw vreugd,
Hier de ingang niet geweerd.
TITUS. Rijs, Marcus, op!
Dit is de onzaal'gste dag, dien ik aanschouwde;
In Rome werd ik door mijn zoons onteerd!--
Het zij, begraaf hem thans, en mij weldra!
(Mucius wordt in het graf gelegd.)
LUCIUS. Ruste uw gebeente, Mucius, bij uw vrienden,
Tot wij uw graf met eereteek'nen sieren.
ALLEN. Dat niemand om den eed'len Mucius ween';
Hij leeft in roem, die stierf ter will' der deugd.
MARCUS. Mijn broeder,--om dien rouw ter zij te stellen,--
Hoe komt der Gothen sluwe koningin
Eensklaps in Rome zoo in eer verhoogd?
TITUS. Ik weet niet, Marcus, maar ik weet, zij is 't,
Door list of hoe, dit moog' de hemel weten.
Moet zij den man niet dankbaar zijn, die haar
Zoo verre bracht naar hier tot zulk een heil?
Ja, en zij zal wis vorst'lijk hem beloonen.
(Trompetgeschal. Van de eene zijde komen weder op: Saturninus, met
Gevolg, Tamora, Demetrius, Chiron en Aaron; van de andere zijde:
Bassianus, Lavinia en Anderen.)
SATURNINUS. Zoo, Bassianus, hebt ge uw prijs erlangd;
God geve u vreugd, man, met uw eed'le bruid.
BASSIANUS. En u met de uwe, vorst! Ik zeg niet meer,
En wensch niets minder; en zoo neem ik afscheid.
SATURNINUS. Heeft Rome wetten, wij gezag, verrader,
U en uw aanhang rouwt dan deze roof.
BASSIANUS. Roof noemt gij 't, vorst, als ik het mijne neem,
Mijn echte en rechte bruid en thans mijn gade?
Doch Rome's wetten mogen dit beslissen.
Hoe 't zij, 'k heb wat het mijne is, in bezit.
SATURNINUS. Genoeg, gij zijt zeer kort met ons, maar wij
Zijn, als wij leven, even scherp met u.
BASSIANUS. Vorst, wat ik deed, zal ik zoo goed ik kan,
Verdedigen, en 'k doe dit met mijn leven.
Slechts dit wil ik uw hoogheid nog doen kennen:
Bij al mijn heil'ge plichten jegens Rome,
De hooge en waardige eed'le, Titus hier,
Is grievend in zijn eer en naam gekrenkt,
Hij, die, om mij Lavinia af te dwingen,
Met eigen hand zijn jongsten zoon versloeg,
Voor u volijv'rig, en in toorn ontvlamd,
Dat hij weêrstreefd werd in zijn gave aan u.
Ontvang hem dus in gunste, Saturninus,
Daar hij in al zijn daden zich een vriend
En vader jegens u en Rome toonde.
TITUS. Prins Bassianus, laat mijn daden rusten;
Gij zijt het en die daar, die mij onteerd hebt.
Mij richte Rome en de gerechte hemel,
Wat liefde en eer ik Saturninus schonk.
TAMORA. Mijn eed'le gade, indien ooit Tamora
Genade vond in deze uw vorstlijke oogen,
Zoo hoor mijn onpartijdig woord voor allen:
Vergeef wat is gebeurd, op mijn verzoek.
SATURNINUS. Mijn gade, wat! in 't openbaar onteerd!
En laf zou ik dit dulden, zonder wraak?
TAMORA. Neen, neen, mijn vorst; verhoeden Rome's goden,
Dat oneer u ten deele viel door mij!
Doch met mijn eer durf ik er borg voor zijn,
Dat de eed'le Titus schuldloos is in alles;
Zijn onverholen woede toont zijn leed.
Zie op mijn bede hem genadig aan;
Verlies door ijd'len waan geen vriend als hij,
En grief zijn vriendlijk hart niet door uw fronsblik.--
(Ter zijde tot Saturninus.) Neem raad aan, mijn gemaal, geef
eindlijk toe;
Ontveins nu al uw grieven en verdriet,--
Te nauwernood zijt ge op uw troon gezeteld,--
Opdat het volk en de patriciërs niet
Na rijp beraad partij voor Titus kiezen
En u ontzeet'len om ondankbaarheid,
In Rome steeds een zwaar vergrijp geacht.
Verhoor mijn bede, en laat mij dan begaan.
Ik vind een dag om allen te verdelgen;
Uitroeien wil ik hun geslacht en aanhang,
Den wreeden vader en zijn valsche zoons,
Tot wie ik smeekte om 't leven van mijn kind.
Zij voelen 't, wat het zegt, een koningin
In 't stof te laten knielen, vruchtloos smeeken.
(Luid.) Kom, kom, mijn keizer!--Andronicus, kom!--
Hef de' eed'len grijsaard op, verheug het hart,
Dat in den storm van uwe gramschap sterft.
SATURNINUS. Rijs, Titus, op, mijn keizerin verwon.
TITUS. Ik dank uw majesteit, en haar, mijn vorst,
Dat woord, die blik stort mij nieuw leven in.
TAMORA. Titus, in Rome ben ik ingelijfd,
Door mijn geluk nu als Romeinsche erkend,
En 'k moet den keizer raden tot zijn heil.
Sterve, Andronicus, heden elke twist,--
En dat het, edel man, mijn eere zij,
U en uw vrienden saam verzoend te hebben.--
Wat u betreft, prins Bassianus, 'k heb
Den keizer mijn belofte en woord verpand,
Dat gij u zachter, buigzamer zult toonen.--
Hebt, mannen,--ook Lavinia,--goeden moed,--
En neemt gij raad aan, buigt dan nu de knie,
En vraagt vergiff'nis aan zijn majesteit.
LUCIUS. Wij doen 't; en hoor' de hemel en uw hoogheid:
Al wat wij deden, was niet boos gemeend;
't Gold onzer zuster en onze eigene eer.
MARCUS. Ja, dit betuig ik op mijn eer; zoo is 't.
SATURNINUS. Van hier; geen woorden meer, stoort ons niet langer.
TAMORA. Neen, heer, wij moeten allen vrienden zijn;
Zie den tribuun daar knielen met zijn neven;
Sla 't mij niet af; mijn beste, zie op hen!
SATURNINUS. Marcus, om uwent- en uws broeders wil,
En de' aandrang van mijn lieve Tamora,
Vergeef ik dezer jonge lieden gruw'len.
Rijst op!
Lavinia, schoon gij smaad'lijk mij verliet,
Ik vond een bruid, en zwoer bij dood en graf,
Niet dan gehuwd te keeren van den priester.
Komt; zoo ons hof twee bruidjes kan onthalen,
Zijt gij mijn gast, Lavinia, met uw vrienden.--
Een dag zij 't van verzoening, Tamora.
TITUS. En morgen, zoo 't uw majesteit behaagt
Den panther en het hert met mij te jagen,
Begroeten wij met hoorn en hond uw hoogheid.
SATURNINUS. Zoo zij het, Titus, en in dank aanvaard.
(Trompetgeschal. Allen af.)