Weinig plekjes van ons land zijn in de internationale artisten-wereld
zoozeer bekend, als Laren. Maar of die vermaardheid, zelfs ook maar
voor een deel, te danken is aan de opmerkelijke kleederdracht en
het eigene van de oorspronkelijke bevolking van dit dorp, zou te
bezien staan.
Zeker is het, dat Antoon Mauve, toen hij om gezondheids-redenen dit
oord van gezonde lucht noodgedwongen "ontdekte", daar niet kwam om
de eigenheid van de bevolking, maar het meest door de schoonheid
van het landschap werd aangetrokken. Zijn nakomelingen en navolgers
zijn--meest allen--even blind voor die volkseigenheid gebleven als
hun grooten meester. Vandaar dat ook in Laren zich het bijzondere
verschijnsel voordeed dat, te midden van een kunstenaarskolonie,
een bevolking leefde waarvan het uiterlijk iedere "_begrijpende_"
kunstenaar zou hebben geïnspireerd. Voor de Laarder artisten bleven de
Laarder inboorlingen echter niets dan "plekken-kleur". Het menschelijke
en de diepere beteekenis, de psychologiesche redenen voor de bijzondere
uiterlijke verschijning van die landelijke bevolking, is blijkbaar
aan deze moderne artisten voorbijgegaan.
En toch, hoe merkwaardig is niet die Laarder inheemsche kleedij,
hoe merkwaardig is niet het ras dat ze draagt, hoe opmerkelijk zijn
niet de typen, en is niet heel dit volk dat zoozeer zijn eigenheid
bleef bewaren, ondanks de steeds sterker wordende overstrooming
van moderne-villabouw, "Sommerfrischler" en "inter-nationalistisch
kunst-snobbisme" met al zijn verderfelijken en onnatuurlijken aankleve.
Dat Laarder volk heeft een zeer bijzonder Hollandsch type. Het paart de
gemoedelijkheid en kracht van het Hollandsche element aan het fiere,
en bijna aristocratische van het Friesche ras. Dat blijkt vooral uit
de burgerlijke voornaamheid van de oudere vrouwen, met hun zielvolle
gezichten, hun hooge gestalte, en de prachtige maar eenvoudige
deftigheid van den vorm en de kleur van hun eigenaardige dracht, de
gouden kettingen, de geplooide doeken, en het geheel bekroond door de
_vierkante muts_, die het eigenaardig ras-type nog te meer accentueert.
En dat bijzondere cachet wordt nog des te meer geconserveerd,
omdat slechts de Roomsche bevolking dit costume draagt. Er is dus
wisselwerking tusschen levensopvatting-uit-geloof en volks-dracht,
zooals dat trouwens bij alle nationale drachten in Nederland en elders
duidelijk op te merken is.
De kleedij van een Laarder vrouw (zie bl. 18, 19) bestaat uit: Een
hemd met heel lange mouwen, daarover borstrok van keper, daarover
_romp_ of _corset_ van blauw-keper, van voren dicht, zonder eenige
verdikking (met kussentjes) aan de heupen. Daarover komt de gewone
krop-lap (kralap). Over de (open) broek met bandjes (onder de knie)
komt de blauw baaienrok, daarover de zwarte (katoen) moiré-rok,
daarover de zwarte bovenrok en het (lange) jak van dezelfde stof,
beide soms van zijde, satijn of thibet, in effen zwart, blauw of bruin.
De rokken zijn alle van voren plat, op zij twee platte plooien, van
achter met _rimpels_. (kleine plooitjes.) Dan komt de boezelaar, die
heelemaal rond het lichaam gaat, van achter tegen elkaar sluit. Ze
is meestal van zijde, aan de kanten geboord met satijnlint.
's Winters en 's zomers is het costume hetzelfde. Het jak is aan den
hals uitgesneden, zoodat de kroplap te zien komt, en de mouwen zijn
wijd, met hooge poffen aan de schouders. Daarover gaat de _overdoek_,
van zwarte of blauwe zijde, met bonte kleuren met franje, netjes
geplooid, van voren en van achter vastgespeld in de taille. Om den hals
komt een ketting van _vier_ rijen bloedkoraal, het gouden vierkante
slot in den nek, van achter.
En dan de muts, bestaande uit zwarte ondermuts over het haar, dat niet
afgeknipt is, maar plat is weggekamd. Daarover het oorijzer van zilver
of goud, in hoofdvorm gelijk aan den oorijzer-vorm van Staphorst tot
Nunspeet, en zóó gedragen dat de "_speld_" onder aan de wang komt,
zijdelings van den mond, zooals op Urk en op Staphorst. Daarover de
vierkante muts, een vergroot-soort Hollandsche hulle, waarvan echter
de punten niet afhangen, maar weer naast het hoofd, naar boven,
zijn opgespeld, waardoor het geheel een vierkanten vorm krijgt,
het geheele hoofd als in een cubus-vorm van kant vervat schijnt,
een zeer mooie en eigenaardige vorm-geving.
's Winters wordt over dit costume een schoudermantel gedragen,
(_schoe-mantel_) van zwart thibet, met blauw baai gevoerd, en een
naar achteruitstaande, stijve kraag, met haak en oog onder de kin,
soms met linten vastgestrikt. De vorm doet aan de schoormantels van
de Scheveningsche vrouwen denken. (Zie aldaar.) Dat is het typische,
echte, Laarder vrouwen-costume, dat in zijn eenvoudige vormen
en meestal op zwart, donker-blauw of paarsch en bruin gekleurde
hoofd-tinten slechts verlevendigd wordt door de gouden (kruize)
ketting, de bloedkoralen om den hals en de eigenaardige vierkante muts.
Maar dat alles verkrijgt eerst zijn ware eigendommelijkheid, door het
bijzondere menschen-ras, dat deze dracht getrouw blijft, een ras dat
niet uitmunt door lichamelijke schoonheid, zooals het Zeeuwsche,
Urker of Friesche, maar dat vooral den indruk van burgerlijke
deugdelijkheid geeft.
Er wordt in Laren nog een ander soort muts gedragen, de meer
nieuwerwetsche, de zoogenaamde _ronde muts_, die niet anders is dan de
Hollandsche hul, waarvan de punten een weinig meer naar boven-voren
steken, en de kromming boven het voorhoofd wat ronder is dan bij de
Hollandsche hul. Overigens is ze van hetzelfde type. Bij de ronde
muts wordt het gewone verboerschte stads-costume gedragen.
De mannen-dracht van Laren heeft niets opmerkelijks.