VOORWOORD.

Dit boekje bedoelt niets anders dan een kort overzicht te geven

van de nationale Nederlandsche kleederdrachten die heden (1916) nog

in de verschillende provinciën in werkelijkheid door de bevolking

gedragen worden. De hierbij gevoegde plaatjes geven een afbeelding

van de voornaamste dier drachten en de wijze waarop zij gedragen

worden. De hier afgebeelde personen zijn geen aangekleede figuranten,

maar de werkelijke en gewoonlijke dragers van hun costumes, zoodat deze

afbeeldingen derhalve een volkomen indruk van de betreffende nationale

kleedij geven. De bestaande realiteit af te beelden en te beschrijven,

was mijn eenig doel, ik streefde naar een korte inventariseering van

datgene wat er, thans in 1916, nog van die zoo bekende Hollandsche

inheemsche drachten is over gebleven.

Dit is dus een handboekje, waaruit zich landgenoot en vreemdeling

op een makkelijke wijze eenige, zoo noodig gebleken, kennis van

de wel zeer bekende, maar zoo weinig gekende nationale kleedij kan

verschaffen. Uit den aard van dezen opzet volgt dat hier slechts die

drachten besproken worden die heden (in 1916) nog werkelijk gedragen

worden en dat van deze slechts een zeer korte beschrijving zonder meer

gegeven wordt. Alle mededeelingen of bespiegelingen over de historische

wording, blijven hier achterwege. Alleen is van dit plan afgeweken

voor de provincie Friesland, waar de nationale drachten wel niet meer

dagelijks door het volk gedragen worden, maar een zeer belangrijke

rol spelen zoodra de Friezen zich als Friezen willen doen kennen,

en deze kleedij dus nog bij herhaalde gelegenheden gedragen wordt,

zoodat ook deze costumes hier moesten worden besproken en afgebeeld.

De gegevens die in dit boekje zijn bijeengebracht, zijn door mij

sinds 1912 verzameld. De eerste aanleiding tot deze studie gaf het

Feest in Nationale kleederdrachten, dat op den 12 September 1913

te Amsterdam, op mijn initiatief en onder mijn leiding gehouden

werd. Op dat feest waren ongeveer zeshonderd personen in ongeveer

honderd verschillende drachten bijeen. Toen ben ik begonnen de daar

verzamelden te photographeeren, en ik heb de meeste van hen, later, in

herhaalde rondreizen door Nederland in hun eigen woning, bezocht. Uit

hun mond heb ik de verschillende gegevens en wetenswaardigheden omtrent

alle onderdeden van hun costumes vernomen en opgeteekend. De meest

uiteenloopende persoonlijkheden, van elken stand en rang, stonden mij

bij mijn vragen om inlichtingen te woord. Waar ik echter mijn vragen

niet naar mijn wensch of niet duidelijk, volledig of zakelijk genoeg

door de dragers van die nationale drachten zelf beantwoord kreeg, daar

vroeg ik belangstellenden om inlichtingen. En het viel mij daarbij

op hoe velen in den lande, vooral in de provincie, en dat niet alleen

onder den boerenstand, maar onder alle rangen en standen, nog zoo veel

belangstelling in, en kennis van een of andere locale dracht bewaren.

Hier was het een burgemeester, daar de gemeente-secretaris, weer

elders een gewone boer of boerin, soms een heel eenvoudige winkelier,

een schoolmeester of een naaister of mutsenmaakster, die mij te woord

stond. En zij allen wisten zeer veel bijzonderheden van een of andren

dracht te vertellen, die echter in het bestek van dit boekje niet

alle kunnen worden opgenomen. Maar hun kennis pleitte voor de groote

plaats die de nationale kleedij nog in veel streken van ons land in

de volks-psyche inneemt.

Aan allen, die mij bij het kostbare en tijdroovende verzamelen

van deze gegevens hun bereidwillige medewerking verleenden, mijn

bijzonderen dank.

Alles wat ik vernam, kon hier echter niet worden meegedeeld. Dit

boekje beoogt slechts een kort overzicht van heel de Nederlandsche

volks-kleedij te geven. Mochten onnauwkeurigheden of storende

onvolledigheden worden opgemerkt, dan houd ik mij voor verdere

inlichtingen, voor photo's en beschrijvingen, van welken kant ze ook

komen mogen, gaarne aanbevolen. Die nieuwe gegevens zullen het dan

misschien mogelijk maken, later uitvoeriger dit hoogst belangrijke

onderwerp meer volledig te behandelen. Vooral ook omdat de kennis van

onze nationale kleederdrachten een heel nieuw veld van studie is, en

niets in deze door mij, ten behoeve van dit werkje, uit litteratuur

kon worden gecompileerd. Daar dit dus geheel uit eigen onderzoekingen

is saamgesteld, hoop ik dat bij de beoordeeling van dit werk deze

omstandigheden in aanmerking zullen genomen worden.

Nog altijd hebben onze nationale kleederdrachten de bijzondere

belangstelling van ons volk en van het buitenland, ofschoon die

belangstelling zeer verschillend in soort is.

Een deel van de bevolking onzer voornaamste centra van moderne

beschaving, beschouwt die merkwaardige costumes niet anders dan

als verachtelijke overblijfsels van een verouderde, achterlijke

cultuur. Zij ergeren er zich aan, en meenen dat die blijken van

boerschheid en onbeschaafdheid nu maar zoo spoedig mogelijk moeten

verdwijnen, omdat zij landgenoot en vreemdeling niet anders dan het

levende bewijs geven van de inertie van onzen volksgeest. Andere

Nederlanders, die meer gevoel voor het eigendommelijke en

pitoresque hebben, en nog iets eigens weten te waardeeren, en die,

ondanks de alles verpletterende niveleeringswoede van wat men de

hooggeroemde moderne beschaving noemt, nog eenige zelfbewustheid

hebben overgehouden, zien in die nationale kleedij nog de laatste

resten van onze eenmaal zoo groote en eigen Nederlandsche cultuur,

en waarvan zij de laatste manifestatie in deze volks-drachten erkennen.

Voor hen zijn die drachten dan ook een bewijs dat ons volk nog "_iets_"

eigen Hollandsch heeft.

Maar voor vele buitenlanders, die ons land vliegensvlug doorreisden,

en niet anders dan naar oppervlakkige indrukken oordeelen, en dus niet

het "_wezen_" van ons volk, noch van onze nationale kleederdrachten

gezien hebben, zijn die costumes een middel geworden om heel ons

volk belachelijk voor te stellen. Zij verbinden de idee van de

Hollandschheid aan het logge uiterlijk van een grove, wijdgebroekte

visscherskerel, die zij op zijn breede klompen over het asphalt

onzer hoofdsteden zagen stappen, als één logge klos-klomp van

levensdomheid. En veel Hollanders meenen "beschaafd" te zijn door

die buitenlandsche miskenning uit domheid te billijken en na te volgen.

Die verkeerde beoordeeling bij landgenoot en vreemdeling, vindt echter

in hoofdzaak zijn grond in gebrek aan kennis van het wezen zoowel als

van de verschillende vormen van onze nationale kleedij. Bovendien

hebben de verkeerde afbeeldingen en beschrijvingen de waardeering

nog meer geschaadt.

En ... dat is tot op zekere hoogte de schuld van de Hollanders

zelf. Zij hebben de afbeelding en de beschrijving van het nationale

monument dat in hun inheemsche kleederdracht bestaat, voor het

allergrootste deel aan buitenlanders overgelaten, die er niets

anders dan het vreemde, het "rare", dikwijls slechts het belachelijke

in zagen.

Meer en beter kennis van het wezen, van de bedoeling en van den vorm

van onze nationale kleederdrachten zal in het binnen- en buitenland

niet alléén die costumes, maar ook heel Nederland ten goede komen. Die

meerdere en betere kennis is meer dan noodzakelijk.

In deze het mijne bij te dragen is het doel van dit handboekje, dat,

het zij nog eens herhaald, geenszins aanspraak maakt op volledigheid,

maar slechts met de mij hier ten dienste staande middelen een algemeen

en kort overzicht over deze nationale drachten geven wil, maar met

_juiste_ mededeelingen aan de hand van _echte_ en _ware_ afbeeldingen.

Th. MOLKENBOER.

Amsterdam, Juli 1916.

De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten · 第 3 / 50 题