Eenigen tijd geleden stonden drie jongens in den leeftijd van 12 tot 14
jaar bij den hoek van een straat en zagen door een keldervenster een
groot vat, waarin, naar zij vermoedden, wijn zou zijn.
Dat bracht hen op een idee.
Zij zouden zoo graag eens van het druivensap willen proeven, maar zij
durfden niet!
Toen kwam een van hen op een krijgslist. Hij trok zijn beiden vriendjes
de pet van het hoofd en wierp die hoofddeksels in den kelder.
Nu klommen zij samen door het venster naar binnen om hun petten terug
te halen en daar zij nu toch eenmaal beneden waren, besloten zij, een
leege flesch, die zij van een plank in den kelder namen, met wijn te
vullen.
Zij draaiden de kraan van het vat open en wilden heel voorzichtig eerst
eens probeeren, hoe de wijn er uit zou loopen.
Op hetzelfde oogenblik echter vloeide een stroom frambozensap uit het
vat en de kraan wou niet meer draaien.
Roerloos van schrik stonden de jeugdige zondaars te kijken. Plotseling
echter liepen zij weg, want zij zagen den portier aankomen.
Zij vertelden den portier wel, dat er niets was gebeurd, maar deze
vertrouwde hen niet, daalde in den kelder, om te zien, wat de jongens
hadden uitgevoerd en vond daar een fraaien toestand!
De kelder dreef van het frambozennat. Voor ongeveer 500 Mark van de
lekkere vloeistof was weggestroomd.
De kleine boosdoeners ontliepen hun rechtvaardige straf niet en het
onplezierigste voor den portier was, dat een van het drietal zijn eigen
zoon was.