EEN MAN, EEN MAN—EEN WOORD, EEN WOORD!

Detective Marholm, bijgenaamd de Vloo, zat alleen in zijn kantoor.

Zijn chef Baxter had hem reeds eenigen tijd geleden verlaten, om in

gezelschap van een half dozijn manschappen zich op weg te bewegen naar

de Leadenhallstreet.

Hij glimlachte vergenoegd.

„Die zal wat goeds uitrichten, mijn goede Baxter”, mompelde hij in

zichzelf. „Wanneer die Raffles vangt, mag ik mijnentwege dadelijk van

„Vloo” in „Luis” veranderen.

„Dat gespot begint mij toch reeds lang te vervelen, al hoor ik er zelf

ook niets van en is men zoo verstandig, het alleen achter mijn rug te

doen.

„Ach Baxter, Baxter, jij ouwe zottekop, ik wensch je van ganscher harte

vandaag toe, dat je eens een flinke douche zult krijgen en je eindelijk

eens van je Raffles-manie zult genezen.

„Wat een dwaasheid om zich zoo in te laten met zoo’n nietswaardig sujet

als Flinsch is!

„Hij zweert bij den schurk! Haha! Het liefst zou hij hem tot vast

gesalarieerd detective maken, om hem met Marholm te laten concurreeren.

„Wel ja, prosit! Dat ontbrak er nog maar aan—”

Marholm brak plotseling zijn monoloog af.

Een politie-agent kondigde hem het bezoek aan van een dame, die den

heer inspecteur van politie Baxter of diens plaatsvervanger zeer

beslist dadelijk wenschte te spreken over een gewichtige

aangelegenheid.

„Laat dat meisje maar binnenkomen!” antwoordde de Vloo op vroolijken

toon. „Het zal wel niets te beteekenen hebben; de vrouwen loopen

dadelijk, bij iedere kleinigheid, naar de politie.”

Deze slechte meening van den heer detective omtrent het vrouwelijk

geslacht veranderde echter dadelijk, toen eenige oogenblikken later een

niet meer jeugdige schoonheid in zeer elegant toilet over den drempel

schreed, zich aan hem voorstelde als Miss Flora Palmerston en hem

daarna, zonder met een woord haar komst te verklaren eenvoudig een

visitekaartje ter hand stelde.

Verbaasd nam Marholm dit in ontvangst, maar hij moest dadelijk lachen,

toen hij op de voorzijde den naam Raffles las.

Opeens sprong hij op uit zijn stoel, om aan zijn steeds grooter

wordende vroolijkheid lucht te geven door een herhaald, nog luider

lachen.

„Hoe en waar kwam u in het bezit van deze kaart?” vroeg hij haastig.

Zonder eenigen omhaal van woorden kwam Miss Flora aan zijn wensch

tegemoet om iets naders te vernemen. Binnen vijf minuten had zij

Marholm alles verteld.

Vergenoegd wreef hij zijn handen.

„Ik dank u, Mylady, ik dank u van ganscher harte”, sprak hij met een

beleefde buiging. „Gij hebt de politie door de overlegging van deze

kaart een grooten dienst bewezen.

„Ik zal dadelijk aan het verzoek, dat Mr. Raffles, mijn vriend op een

afstand, tot mij heeft gericht, met het grootste genoegen voldoen en

mij zoodra mogelijk op weg begeven naar de Leadenhallstreet.

„Er zijn trouwens al eenige heeren van dit bureau daarheen gegaan, maar

zij worden hoogstwaarschijnlijk door dien fameuzen graaf Melrose op

schandelijke wijze gedupeerd en op een dwaalspoor geleid.

„Naar ik hoop, zal de stand van zaken nu met één slag veranderen. Ik

verwacht bepaald, dat Raffles licht zal hebben ontstoken in de zeer

zeker kritieke situatie en dat gij, Mylady, dientengevolge weldra weer

in het bezit zult zijn van uw collier.”

Hij nam daarop zoo snel mogelijk afscheid van Miss Flora en beloofde

haar naar Kings Road bericht te zullen zenden, welk gevolg de inval in

de Leadenhallstreet had gehad.

Hij verliet het bureau, nadat hij aan een collega het toezicht had

overgedragen.

Met inwendig leedvermaak snelde hij zoo spoedig mogelijk naar het huis

van den schurkachtigen juwelier.

Hij kwam daar juist aan op het oogenblik, dat Baxter en zijn mannen

door de gangdeur de kamer van Peperling betraden en bij den aanblik van

de beide slapende booswichten en de met juweelen bedekte tafel een luid

„hallo!” begonnen te roepen.

Ook Marholm haastte zich naar binnen en overhandigde Baxter het

visitekaartje van Raffles.

De inspecteur van politie werd bleek van woede, toen hij dat gelezen

had, zoo zelfs, dat alle beambten hem vol verbazing aankeken, daar zij

dachten, dat hij het volgende oogenblik door een beroerte zou worden

getroffen.

„Wat een gemeene streek! Wat een grenzenlooze laagheid!” schreeuwde

Baxter. „Haha, Marholm, hier hebben we waarschijnlijk met een nieuwen

truc van dien aartsschurk te doen!”

Met half dichtgeknepen oogen van het lachen overhandigde de Vloo zijn

chef het vel papier, dat Raffles voor zijn vertrek op tafel had gelegd.

„Neen, maar, dat gaat toch alle perken te buiten!” riep Baxter, „wat

schrijft die kerel? Hij bedankt mij, dat ik overeenkomstig zijn wensch

de Vloo hierheen heb gezonden en dat ook ik zelf gekomen ben.

„Die brutaliteit gaat toch waarachtig te ver!

„Luister maar eens, wat Raffles—Raffles, die satanskerel—verder

schrijft:

„Uit erkentelijkheid voor uw welwillendheid—gij moet immers toch

altijd naar mijn pijpen dansen—heb ik u ontlast van alle moeite met

de beide schurken, voor wie gij hierheen zijt gekomen om hen

gevangen te nemen.

Daar zitten zij aan de tafel! Een nobel tweetal!

Bovendien heb ik u de handelsboeken van den gewieksten Peperling en

zijn zeer interessante, zakelijke aanteekeningen, welke gij in het

kladboek zult vinden, te zamen met de gestolen sieraden op tafel

neergelegd.

Volgens aanwijzing van de boeken kunt gij de laatste weer ter hand

stellen aan hun rechtmatige eigenaren, en ook het geheele troepje

dieven, dat voor Peperling werkte, leeren kennen.

De voornaamste hiervan is graaf Melrose of wel Flinsch, uw

steunpilaar, Mr. Baxter.

Behoud dezen parel der menschheid en moge de hemel u nog lang, tot

groote vreugde van alle spitsboeven en schurken, in het leven en in

uw betrekking bewaren!

Met vriendelijken groet aan u en mijn vriend Marholm,

Uw u zeer toegenegen

JOHN C. RAFFLES.”

Een onbedaarlijk gelach klonk uit de keien van alle beambten. Het

scheelde niet veel of de heeren hadden „hoera!” geroepen en een

donderend „lang zal hij leven!” geschreeuwd voor den Grooten, genialen

Onbekende.

Daarna begon men naar Raffles te zoeken. Het geheele huis van Peperling

werd van den kelder tot de bovenste verdieping ondersteboven gekeerd,

iedere hoek, ieder kamertje werd doorzocht—Raffles echter was nergens

te vinden.

Den volgenden dag deelde miss Flora Palmerston den politie-inspecteur

Baxter in beleefde woorden mede, dat zij zoo juist, door bemiddeling

van Mr. John C. Raffles, in het bezit was gesteld van het haar

ontstolen halssnoer en bankpapier.

De Groote Onbekende, die met Charly uit de woning van Peperling over de

daken der naburige huizen ontkomen was, had woord gehouden—miss Flora

durfde er een eed op doen, dat zij het echte brillanten halssnoer weer

haar eigendom kon noemen.

Ook de Lord, die eenige dagen later in Londen terugkwam, kon het

nagemaakte stuk niet van het echte onderscheiden.

Het echte collier echter kwam korten tijd daarna in handen van de nicht

van den Grooten Onbekende, aan wie het rechtmatig toekwam.

Zij ontving het onder bijvoeging van een pakje bankpapier en een

allerbeminnelijksten brief.

De anonieme afzender verzocht daarin de hoogst gelukkige geadresseerde

het collier en de banknoten ten geschenke aan te nemen van een man, die

het zich tot levenstaak had gesteld om met zijn rijkdom arme menschen,

wien men hun geluk ontstolen had, voor zooverre in zijn macht lag, af

en toe een kleine vreugde te bereiden!

Peperling en Flinsch werden in veilige bewaring gebracht en werden al

spoedig veroordeeld tot jarenlange gevangenisstraf, terwijl alle

schatten, die in het vossenhol van den juwelier werden gevonden,

benevens diens handelsboeken en papieren door de politie in beslag

werden genomen.

Lord Lister No. 0044: Het briljanten halssnoer van Flora Palmerston · 第 22 / 25 题