In niet minder snelle vaart dan Flinsch reden Raffles en Charly Brand
met Dan Peperling in hun auto naar de woning van dezen in de
Leadenhallstreet.
De weg erheen was veel langer dan naar Scotland Yard, doch in weerwil
hiervan bereikten zij slechts even na de aankomst van Flinsch het doel
van hun tocht.
Snelheid was voor Raffles thans de hoofdvoorwaarde, wanneer hij de aan
Miss Flora gegeven belofte wilde volbrengen en het stoutmoedig plan,
dat hij ter bestraffing van Peperling en den graaf had ontworpen,
werkelijk ten uitvoer wilde brengen.
De groote onbekende liet de auto al op grooten afstand van het
ouderwetsche, door den rook aangetaste huis van de firma Peperling en
Glanmore stil houden, daar hij bang was, dat Flinsch misschien argwaan
had gekregen tegen hem en Peperling en hem per slot van rekening met
behulp der heeren uit Scotland Yard voor het huis der firma een minder
aangename ontvangst zou kunnen bereiden.
Hij had er Flinsch dadelijk van verdacht, dat deze onmiddellijk
inspecteur Baxter zou gaan opzoeken, toen hij hem zoo haastig naar de
auto zag gaan en in deze wegrijden.
In zijn gesprek met Peperling had hij gedaan alsof hij dacht, dat
Flinsch direct naar het huis van den juwelier was gereden.
Een voorgevoel zei hem, dat Flinsch, die mogelijk op de kaart, die
eigenlijk alleen voor Flora bestemd was, zijn naam had gelezen en hem
toen in de bar in gezelschap van Peperling had gezien, alles in het
werk zou stellen om de hooge premie te verdienen, die uitgeloofd was
voor de aanhouding van den grooten meesterdief.
„Laten we bij voorkeur niet door den gewonen ingang uw vossenhol
binnengaan, Mr. Peperling”, sprak hij tot den laatste. „Ge zult zonder
twijfel nog wel ergens een geheimen gang hebben, waardoor wij in uw
heiligdom, het inwendige van uw privé-kantoor binnen komen.
„Voorzichtigheid is de moeder der porseleinkast. En wie weet, of
Flinsch niet— —”
„De hemel beware mij, voor hem behoeven wij niet bang te wezen. Die
doet mij niets en laat mij en mijne gasten thuis ongemoeid”, grijnsde
Peperling.
„Kom maar gerust mee, mijne heeren, wij zullen voor alle zekerheid een
kleinen, veiligen en alleen aan mij bekenden omweg maken en door het
zijstraatje hier en een paar binnenpleinen doorloopen spoedig daar
zijn, waar wij volkomen bewaard zijn en rustig en op ons gemak onze
aangelegenheid kunnen bespreken en afdoen.”
Hij bracht de beide begeleiders daarop in korten tijd door een waar
labyrinth van donkere, onwelriekende gangetjes en pleinen naar den
achter-ingang van zijn huis, in welks bovenste verdieping Peperling een
kamertje dicht onder het dak tot privé-kantoor had ingericht, omdat van
daar uit zoo noodig gemakkelijk een vlucht over de daken der naburige
huizen zou zijn te ondernemen.
Een voorzichtig man, zooals Dan Peperling was, hield altijd rekening
met mogelijke gebeurtenissen.
Het uitzicht uit het raam van dit luchtig kantoor was zoo verrassend,
dat Raffles en Charly, die natuurlijk dadelijk na hun aankomst boven de
geheele omgeving opnamen, een kreet van verbazing slaakten.
Men zag een onafgebroken dakenrij en tallooze tuintjes, d.w.z. kasten
met bloemen en boompjes, die de bewoners der bovenste verdiepingen hier
en daar op het platvorm der daken hadden aangebracht.
Deze konden weliswaar niet vergeleken worden met de hangende tuinen van
Semiramis, doch boden tusschen de rookzuiltjes, die overal uit de
schoorsteenen der huurkazernes omhoog stegen, en het intiemste
waschgoed, dat overal op de daken aan lijnen te drogen hing, een
bijzonder schilderachtigen aanblik.
„Nu aan het werk, mijne heeren,” aldus riep Peperling reeds na een paar
minuten zijne gasten tot de werkelijkheid terug.
„Laat mij het collier eens zien, Mr. Raffles. Juist hier, waar het
zonlicht zoo mooi naar binnen valt, wil ik me gaarne nog eens
overtuigen, of het nog in denzelfden goeden staat is als voor een paar
dagen, toen ik het nog in mijn vingers had.”
Raffles haalde het étui uit den zak en maakte het open.
Peperling nam het collier er uit en bekeek iederen brillant en iedere
parel zoo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk.
„Wat wilt ge hebben voor het ding?” vroeg hij daarna, den halsketting
weer in het étui leggend.
„Maak het billijk, Sir. Ik ben een arme man en kan niet veel betalen.”
„Allright, oude jongen, dat heb ik dadelijk al gedacht, ofschoon gij
even te voren in de Bar zeidet, dat gij voor goede waar altijd den
hoogsten prijs betaalt,” lachte Raffles.
„Stel u gerust, oude vriend, ik wil er geen gereed geld voor hebben. Ik
was van plan het te ruilen tegen andere sieraden, waarvan ge zeker een
grooten voorraad hebt.”
De oogen van Peperling klaarden op.
„Goed, Raffles, dat zullen we doen,” antwoordde hij bereidwillig.
„Dat doe ik ook liever. Een zakenman geeft niet graag in dezen
moeilijken tijd, nu het geld zoo duur is, de blanke stukken uit handen.
„De heeren moeten me dan echter volgen een paar trapjes af naar mijn
andere kantoor, waar ik in een brandkast eenige zeer mooie dingen heb
liggen, die u zeker zullen bevallen.”
„Goed, laat ons dan gaan,” zei Raffles. „Gauw maar en niet lang
ophouden. Het zal bovendien noodig zijn, Charly, dat je spoedig op
wacht gaat staan, opdat we veilig zijn tegen iederen overval. Ik
vertrouw Flinsch niet.”
Peperling begon te lachen. „Hij zal wel oppassen, mij te verklappen,”
zei hij zorgeloos. „Wie in zoo’n glazen huisje zit als hij, gooit niet
met steenen.
„De kerel eet uit mijn hand, dat verzeker ik u. Hij weet, dat hij bij
mij steeds een veilig onderkomen vindt en staat al te lang met mij in
handelsrelatie, dan dat ik bang voor hem zou zijn.
„Wanneer hij komt, komt hij alleen, en dan weten we immers wat er met
hem zal gebeuren!”
Tijdens dit gesprek waren zij in het kantoor en pandjeshuis, beneden
aangekomen, beide op de 2e étage gelegen.
Peperling liep direct naar de ijzeren brandkast, die in den donkersten
hoek van het kantoor stond, opende haar met een sleutel, dien hij in
zijn zak droeg, en trok daarop een paar breede, niet al te hooge houten
doozen uit een der vakken.
Zij bevatten beide de gestolen, hem door beroepsdieven gebrachte
sieraden.
In den voor ieder toegankelijken winkel in de parterre, waar zijn vrouw
de klanten bediende, werd slechts onberispelijke waar verhandeld.
„Kijk maar eens hier,” riep Peperling tot Raffles, terwijl hij de
doozen op de tafel zette, die onder een klein gasvlammetje stond, „geef
mij uw wensch te kennen, bepaal maar gauw uw keuze.
„Ik wil met geen enkel woord hierop influenceeren, doch zal alleen ten
slotte zeggen, of ik met de ruiling accoord ga.”
Dit zeggend draaide hij de gasvlam wat hooger op en sloeg de deksels
der doozen open, zoodat Raffles en Charly Brands oogen werden verblind
door een schat van kostbaarheden.
In de eene doos werden hoofdzakelijk ringen, dasspelden, horloges,
prachtige manchetknoopen, kortom uitsluitend heerenartikelen, bewaard;
in de andere sieraden voor dames.
Raffles ging tegenover Peperling bij de tafel zitten, waarop tusschen
hen in de doozen stonden.
Charly Brand stond achter den stoel van zijn vriend.
„Dat is een moeilijke keus,” sprak Raffles, de schitterende steenen vol
aandacht bekijkende, „ik zal wel niet dadelijk kunnen beslissen.
„Ik geloof, dat wij bij het bekijken van al dit moois best op ons gemak
een sigaret kunnen gaan rooken. Zooals ik zie, zijn alle kostbaarheden
van nummers voorzien, zeker om de opmerkingen omtrent de verkoopers en
vroegere eigenaren dadelijk in de boeken te kunnen opslaan, nietwaar
Mr. Peperling?”
„Allright, Mr. Raffles,” antwoordde de juwelier. „Het is goed dat men
alle bijzonderheden kent van deze artikelen.”
„Ik begrijp u,” sprak Raffles, terwijl hij een sigaret uit het elegante
étui nam, aanstak en den geurigen rook er van met opzet in het gelaat
blies van den tegenover hem zittenden juwelier.
„Drommels, Sir,” riep deze uit, „gij rookt een fijn merk! Dat is een
ware godendamp!”
„Niet waar. Het zijn echte Duke of York, Carbaty, guaranteed hand
made,” antwoordde Lord Lister, terwijl hij den juwelier op
verleidelijke wijze het geopende étui zoo voorhield, dat de eene helft,
die met een dozijn goudsigaretten was gevuld, geheel onder zijn bereik
kwam.
„Wilt gij opsteken, Mr. Peperling?”
„Als ik zoo vrij mag zijn,” sprak deze en nam er een der sigaretten met
gouden mondstuk uit, terwijl Charly op een wenk van Raffles een
brandend lucifertje gereed hield om Peperling het aansteken van de
sigaret zoo gemakkelijk mogelijk te maken.
„Inderdaad, een genot!”
Peperling klapte met de tong, toen de sigaret brandde en hij een paar
trekjes had gedaan.
„Zooiets krijgt men niet elken dag te rooken.”
Vol welbehagen leunde Peperling achterover in den leunstoel en zoog
nogmaals den rook der sigaret diep naar binnen, om dien daarop door den
neus weer uit te blazen.
Raffles en Charly wierpen elkaar een veelbeteekenenden blik toe, om
daarop vol aandacht te kijken, hoe de juwelier zich verder zou
gedragen.
Zij wisten beiden zeer goed, welke gevolgen het gebruik der
opium-sigaret reeds binnen eenige minuten voor den rooker had.
Een paar trekjes van een dezer geprepareerde sigaretten was voldoende
om zelfs den sterksten rooker volkomen te bedwelmen en gedurende
eenigen tijd in een zwaren slaap te doen verzinken.
De verwachte werking van het verdoovingsmiddel trad met de gewone
stiptheid in.
In twee minuten begonnen de oogleden van Peperling zwaar te worden en
dicht te vallen, daarop vielen zij toe en de juwelier zonk, terwijl hij
de sigaret uit zijn geopenden mond liet vallen, in zijn stoel
achterover.
Een oogenblik later verkondigde een diepe, regelmatige ademhaling dat
een loodzware slaap zich van hem had meester gemaakt.
„Zoo,” sprak Raffles, haastig van zijn stoel opspringend, „nu is het
tijd om te handelen.
„De brandkast is open, de sleutel steekt in het slot! Wij kunnen onzen
oogst binnenhalen!
„Help mij gauw, de bovenste vakken door te zoeken, Charly, dan kun je
het verdere werk aan mij overlaten.
„Je moet dan door die deur wegsluipen, waardoor men, naar ik geloof, in
een lange, donkere gang en daarna op een trap komt, welke naar de
benedenvertrekken van het huis voert.
„Je zult daar den weg wel vinden en hopelijk ongestoord bij den uitgang
komen.
„In de buurt daarvan moet je je zoodanig verbergen, dat je de straat
kunt overzien en mij dadelijk kunt waarschuwen, als er gevaar nadert.”
Haastig gingen beiden aan het werk en begonnen alles, wat zij in de
brandkast vonden, uit te pakken.
Het eerste, wat Raffles in handen kreeg, was het similiestuk van Miss
Flora, dat hij onmiddellijk met het étui bij zich stak.
Daarop ontdekten zij een aantal grootboeken en een kladboek, waarin
Peperling een groote lijst had aangelegd van alle dieven en
misdadigers, die voor hem hadden gewerkt en van wie hij gestolen
goederen had gekocht.
In dit boek vonden zij ook de genummerde kleinere of meer uitgebreide
aanteekeningen omtrent de gestolen voorwerpen van waarde, welke
overeenkwamen met de nummers, welke aan de bijouterieën waren
bevestigd, die op tafel lagen.
Ook het similiestuk van miss Flora was reeds geboekt en bij de
aanteekeningen stond, door Peperling zelf geschreven, duidelijk te
lezen, dat Bob Flinsch het op Donderdagnacht der vorige week uit de
woning van miss Flora Palmerston in Kings Road no. 10 had gestolen.
„Neem dit kladboek, Charly, en leg het naast de geopende kistjes op
tafel,” sprak Raffles tot zijn vriend, „sla de bladzijde op, waar de
aanteekening betreffende Flinsch staat en onderstreep ze met rood
potlood, dat daar op de schrijftafel ligt.
„Dan kunnen Flinsch en de wakkere kerels van Scotland Yard het dadelijk
lezen, als zij hier mochten komen.
„Ik schrijf misschien zelf nog een groet aan Baxter, als ik er tijd
voor vind.
„Eerst wil ik dit pakje bankpapier in mijn zak steken; wat mij betreft,
kun jij er ook wel wat nemen—we zijn dan weer voor langen tijd
rijkelijk van geld voorzien.
„Heb ik je niet gezegd, dat de fameuze advertentie in de „Evening News”
ons wel voordeel zou opleveren!
„Ziezoo, mijn jongen, nu ben jij klaar. Trek nu je schoenen maar uit en
sluip op je kousen naar de observatiepost.”
Zoo snel mogelijk verwijderde Charly zich en was in het volgende
oogenblik reeds door de deur verdwenen.
Raffles begon dadelijk daarna ook den lessenaar van Peperling open te
breken, waarin eveneens een menigte kostbare juweelen verborgen waren
en een dikke stapel papiergeld lag.
Terwijl hij de brillanten onaangeroerd liet, legde hij de banknoten met
een glimlach bij de andere, waarmee hij reeds al zijn jaszakken had
gevuld.
Toen sloeg hij het deksel van den lessenaar weer dicht en begon op een
velletje handelspapier van Peperling vlug een paar bladzijden te
schrijven, aan het slot met den naam „Raffles” onderteekend.
Zeer opvallend had hij zijn brief juist naast het kladboek op tafel
gelegd, toen Charly plotseling op den drempel verscheen en met een
zacht „psst” de aandacht van zijn vriend op zich vestigde.
„Flinsch komt!” fluisterde hij.
„Alleen?” vroeg Raffles even zacht terug.
„Wel—hij wil zich blijkbaar overtuigen, of er geen onweer aan de lucht
is.”
„Nu en of! Je reinste aether!” glimlachte Raffles.
Reeds het volgende oogenblik was hij naar de deur gesprongen, daar hij
juist een zacht kraken van de trap had gehoord.
„Ga jij gauw achter die ouderwetsche kast daar in de gang; achter de
andere, die daar juist tegenover staat, ga ik staan!
„Zoodra hij tusschen ons in is, mijnheer de graaf Melrose, springen we
op hem toe.”
Als twee schaduwen snelden beiden naar hun schuilhoek en hadden zich
nauwelijks achter de groote meubelstukken verscholen, of reeds aan het
eind van de gang dook de magere gestalte op van den handlanger der
politie.
Een oogenblik bleef hij bewegingloos staan.