De reden, waarom graaf Melrose, of liever Flinsch, zooals Peperling hem
met zijn waren naam had geroepen, zoo snel uit de bar vluchtte, was een
zeer begrijpelijke geweest.
Daar hij Raffles bijna op de hielen was gevolgd en dezen met groote
snelheid naar net hoekhuis van Kings Road en Sloanestreet zag loopen,
had hij wel onmiddellijk vermoed, dat Raffles daar de bar zou
binnengaan, maar geen oogenblik had hij gedacht, dat ook Mr. Peperling
in dat lokaal aanwezig zou zijn, want deze had beloofd, hem in zijn
woning af te wachten.
Toen hij nu, om zich ervan te overtuigen, dat Raffles in de bar was, de
deur daarvan opende en in het lokaal ook den juwelier ontdekte, was een
plotseling vermoeden in hem opgekomen.
In zijn opgewondenheid vermoedde hij namelijk niet, dat Mr.
Peperling—zooals inderdaad het geval was—alleen uit ongeduld hem tot
aan de bar was tegemoet gekomen, maar hij verbeeldde zich, dat
Peperling hem ontrouw was geworden.
Verbitterd daarover, dat hij van zijn nachtelijken rooftocht naar de
villa slechts een nietswaardig collier had meegebracht, zou Peperling
zich nu met John C. Raffles, den beroemden meesterdief, in verbinding
hebben gesteld en met dezen een samenkomst hebben in de bar.
Vervuld met onuitsprekelijke woede over deze handelwijze van zijn
langjarigen bondgenoot, kwam nu onmiddellijk het plan in hem op,
Peperling en Raffles in het verderf te storten.
Nu, terwijl hij in het bezit was van het pakje bankbiljetten, die een
vrij groot bedrag uitmaakten, had hij den juwelier niet meer noodig.
Het geld was voldoende om daarmede de reis over den Oceaan te maken om
aan de overzijde van het Groote Water een ander en beter leven te
beginnen.
Hij had er genoeg van, voor handlanger der politie te spelen en nog
steeds zijn vroeger beroep van dief uit te oefenen.
Nu zoo snel mogelijk uit Londen weg!
Alleen zijn wraak op Peperling en Raffles, welke laatste hem had
beetgenomen en het kostbare halssnoer voor den neus had weggepikt, die
wraak alleen kon hem nog voor eenige dagen in Londen doen blijven.
Misschien gelukte het reeds heden, hen beiden in handen der politie te
leveren. Men kon gerust aannemen, dat Raffles den juwelier naar diens
woning zou vergezellen. Daar zouden beiden door de politie-beambten
overvallen worden.
Hij zou daarvoor een hooge geldpremie krijgen.
Hij liet de auto, waarin hij had plaats genomen, zoo snel mogelijk naar
Scotland Yard rijden.
Hij beloofde den chauffeur een groote fooi, als deze hem daar zoo gauw
mogelijk bracht en zoo vloog de motorwagen bliksemsnel door de straten
van Londen, zoodat de voorbijgangers met verschrikte gezichten bleven
staan om hen na te kijken.
Binnen weinige minuten was Flinsch op het bureau aangekomen en liet
zich dadelijk aandienen bij inspecteur Baxter, dien hij echter, tot
zijn niet geringe ergernis, eerst een half uur later kon spreken.
„Zoo, Flinsch”, begroette Baxter hem, die bij uitzondering in een goed
humeur was, omdat hij juist zijn secretaris Marholm een vervelend
werkje had opgedragen, „wat voert je hierheen?”
„Een prachtig zaakje!” antwoordde Flinsch op gewichtigen toon.
„Staat het in verband met Peperling en Glanmore?”
„Wel, inspecteur, ik hoop, dat gij over mij tevreden zult zijn”.
„Kom, vertel dan maar eens gauw!”
Baxter beduidde door een handbeweging, dat Flinsch mocht gaan zitten en
beval, dat men hem niet mocht storen, daar hij met Mr. Flinsch moest
confereeren.
Hij begon vol zenuwachtig ongeduld met zijn vingers op de schrijftafel
te trommelen, wachtende op hetgeen de spitsboef te vertellen zou
hebben.
„Ik moet u allereerst meedeelen, dat Peperling zijn zaken in den
laatsten tijd eenigszins heeft uitgebreid”, begon Flinsch.
„Druk u als ’t u belieft duidelijker uit”, bromde de inspecteur, „spaar
mij uw lange inleiding”.
„Nu, Mr. Baxter, gij weet immers, dat Peperling behalve zijn gewoon
bedrijf, de in- en verkoop van gestolen sieraden en andere voorwerpen
van waarde, behalve zijn winkelzaak, waarin juweelen van allerlei soort
worden verkocht, ook zaken van waarde beleent?”
„Zeer zeker!”
„Nu is hij echter nog iets anders begonnen,” vervolgde Flinsch. „Hij
laat ook waardevolle voorwerpen, die bij hem ter beleening worden
gebracht en daarna weer worden ingelost, uit de woningen der eigenaren
stelen, wanneer die voorwerpen zijn hebzucht hebben opgewekt en hij er
een flink bedrag voor denkt te kunnen maken.
„Zoo kwam onlangs een fijne dame, de minnares van Lord Orvis, van Kings
Road, die in geldverlegenheid was geraakt, bij hem met een prachtvol
brillanten halssnoer, dat onder kenners minstens 500 pond waard was, om
zich daarop een bedrag te laten voorschieten.
„Toevallig was ik juist bij hem.
„„Weet je, Flinsch,” sprak hij tot mij, toen de dame met haar paar pond
weg was, „dit collier moet ik in elk geval hebben. Wil jij het voor mij
zien te krijgen, als de dame het weer heeft ingelost en mee naar huis
heeft genomen? Je zult er een flinke duit aan verdienen.”
„Nu, ik zei niet neen—hij merkte echter wel, dat ik het niet graag
deed.
„Wat doet de schurk nu?
„Hij bestelt dadelijk bij een collega, volgens monster van het
prachtige halssnoer, een ander collier van similie, dat wonderbaarlijk
op het echte gelijkt, met de bedoeling, dit prul, dat gij nog bij
Peperling kunt vinden, aan de dame ter hand te stellen in plaats van
het echte stuk, wanneer zij dit zou komen inlossen.
„Nu, daar kwam niets van, want het nagemaakte collier kwam eerst klaar,
nadat de dame haar eigendom weer had teruggehaald.
„Maar ondanks alles gaf de oude schurk zijn plan niet op.
„Nogmaals wendde hij zich tot mij met verzoek, het zaakje klaar te
spelen in de villa der dame.
„„Zie je, mijn jongen,” sprak hij, „het is geen gevaarlijk werk en voor
iemand als jij kinderwerk.
„„Deze miss Flora Palmerston, van wie het collier is, is de minnares
van Lord Orvis, die haar dikwijls maandenlang alleen laat, om andere
vrouwen het hof te maken. Je kunt het werk dus gemakkelijk ten uitvoer
brengen. Je bent immers géén nieuweling in het vak en het gaat hier om
een stuk van waarde!”
„Nu, ik zei weer niet neen, maar beloofde, dat ik er over nadenken zou.
„En nu, Mr. Baxter, komt het voornaamste, dat, wat u het meeste zal
interesseeren!
„Omdat ik nog steeds aarzelde en ja noch neen zeide, verloor Dan
Peperling plotseling het geduld en—wat denkt gij, wien hij in mijn
plaats heeft aangenomen om het werk voor hem ten uitvoer te brengen?”
„Zeg het maar, Flinsch!”
„Gij zult het werkelijk niet gelooven—ik hield het eerst ook voor
onmogelijk—niemand anders dan—Raffles!”
De inspecteur van politie floot lang en gerekt, pakte zijn langen neus
tusschen duim en wijsvinger beet en keek met starenden blik naar het
plafond, wat steeds een teeken was, dat hem iets op buitengewone manier
interesseerde en bezighield.
„Ik geloof, Flinsch, dat je mij leelijk voor den gek wilt houden,”
klonk het eindelijk van zijn lippen, terwijl hij opsprong en den
spitsboef dreigend aankeek.
„Raffles—Raffles, zeg je? Raffles een handlanger van den gemeenen ouden
Dan Peperling?”
„Ik bezweer het u, inspecteur, en Raffles heeft inderdaad zijn slag
reeds geslagen, is in het bezit van het prachtige collier en
waarschijnlijk op dit oogenblik in het vossenhol van den ouden juwelier
om zijn belooning in ontvangst te nemen.”
„Hoe weet gij dit, Flinsch? Kerel, ik wurg je, als je mij wat op de
mouw wilt spelden!” schreeuwde Baxter, terwijl hij den spitsboef bij de
schouders greep.
„Omdat ik zelf reeds wekenlang onder het masker van een zekeren graaf
Melrose, een vroegeren vriend van Lord Orvis, die zich in het
buitenland bevindt, in diens huis in- en uitloop, op goeden voet sta
met zijn minnares en daarom op alle tijden van den dag en den nacht in
haar woning den verspieder kan spelen.
„Zoo heb ik met mijn eigen oogen gezien, hoe Raffles werkt.
„Ik verzeker u, heer inspecteur, het is verbazend!
„Een kwartier geleden pas had hij een ontmoeting met Peperling in de
bar op den hoek van Kings Road en Sloanestreet en daar had hij het
collier bij zich.
„Nu zullen zij alle twee, zooals ik u reeds zei, in de woning van
Peperling zijn.
„Het zou dus nu de beste gelegenheid zijn om den vogel, dien gij reeds
zoo langs tevergeefs achtervolgt, te vangen!”
„Flinsch, als dat waar is, zult gij vorstelijk door mij beloond
worden!” juichte Baxter, terwijl hij den bedrieger bijna van vreugde
omhelsde.
„Wij zullen ons dadelijk naar Leadenhallstreet begeven. Ik ga zelf mee
om met onze handigste en sterkste beambten onder uw leiding—gij weet
daar immers het best den weg—de schuilplaats van uw ouden vriend binnen
te dringen om hem, maar vooral Raffles, voor eeuwig onschadelijk te
maken.
„Nu ziet gij het, Marholm”, het aangrenzende kantoorlokaal
binnensnellende, waar „de vloo”, schijnbaar met veel ijver, maar met
een zuurzoet gelaat, in eenige lijvige politieboeken bladerde en
studeerde, „heb ik niet altijd gezegd, dat wij Raffles wel zullen
krijgen?
„Vertel eens in korte woorden, Flinsch, uw fameuze ontdekking van dien
aartsschurk.
„Maar neen, gij kletst te veel—wij mogen geen oogenblik verliezen—dus,
let op, Marholm:
„Raffles is op dit oogenblik compagnon en handlanger van Peperling en
werkt voor hem!
„Hij bevindt zich hoogstwaarschijnlijk in diens woning in de
Leadenhallstreet—telefoneer onmiddellijk naar het politiebureau daar:
het huis moet onbemerkt van buiten af bewaakt worden, tot dat ik met
onze jongens ben aangekomen en wij de brutale gasten hebben gevangen
genomen!”
„Veel geluk, inspecteur!” bromde Marholm, in zichzelf lachend, „als gij
maar niet de huid van den beer verkoopt, voor dat gij het beest
gevangen hebt!”
Daarop begaf hij zich naar het telephoontoestel.