Toen Raffles door een toevallige, eenigszins onzachte aanraking met het
voetstuk der marmeren figuur in de nis de verrassende ontdekking had
gedaan, dat de muur achter hem plotseling open ging, besloot hij
dadelijk dezen geheimen uitgang te gebruiken om uit de Oostersche kamer
te ontvluchten.
Het gesprek tusschen den graaf en Flora had hem de overtuiging
geschonken, dat de graaf inderdaad de dief van het halssnoer was en de
bondgenoot van Peperling en Glanmore.
Hij moest in elk geval trachten den schurk voor te zijn en den chef der
firma nog eerder te spreken te krijgen dan Melrose zelf.
Ook wilde hij nog heden Baxter, den inspecteur van Scotland Yard,
ergeren.
Daarom schreef hij snel de in het vorige hoofdstuk vermelde opdracht
aan Flora op zijn visitekaartje, zonder er aan te denken, dat dit
kaartje ook den graaf onder oogen kon komen.
Hij meende gerust te mogen aannemen, dat deze niet zoo dwaas zou zijn,
zich ook langs den geheimen weg te verwijderen, daar hij zich zoodoende
tegenover Flora zou compromitteeren en haar op het idee moest brengen,
dat hij den vorigen nacht deze nis ook had gebruikt om het boudoir
binnen te sluipen en het collier te stelen.
Hoewel hij dus aannam, dat de graaf er niet het minste vermoeden van
had beluisterd te worden, stelde hij toch alles in het werk om zoo snel
mogelijk de villa van Lord Orvis te verlaten.
Dit gelukte hem dan ook buiten verwachting goed.
Niemand zag hem, toen hij de trappen afholde om door een achterdeur en
het park de straat te bereiken.
Onmiddellijk snelde hij naar den hoek van Kings Road en Sloanestreet,
om zich zoo spoedig mogelijk in verbinding te stellen met Charly Brand,
die hem reeds vol ongeduld verwachtte, ten einde den graaf en Mr. Dan
Peperling, den chef der firma Peperling en Glanmore, zoo spoedig
mogelijk te overrompelen.
Hij was ervan overtuigd, dat de handlanger der politie met zijn
adellijken naam alles in het werk zou stellen om zich onmiddellijk met
den schurkachtigen juwelier in relatie te stellen, want het tweetal zou
moeten beraadslagen, welke stappen er nu gedaan moesten worden, nu hun
ongetwijfeld gevaar dreigde.
Toen Raffles de bar binnentrad, was hij zeer aangenaam verrast, daar
behalve Charly, die met zijn rug naar de deur zat en hem niet dadelijk
opmerkte, een heer te zien, die, zooals hij bij intuïtie begreep,
niemand anders kon zijn dan Mr. Dan Peperling.
Het scherp geteekende, hoekige gelaat van den ongeveer vijftig-jarigen
man met de kleine, listige oogjes was naar hem toegewend en Raffles
begreep, dat Peperling zijn handlanger, dien hij naar Miss Flora had
gezonden, in de onmiddellijke nabijheid van Kings Road verwachtte.
Peperling wilde natuurlijk zoo gauw mogelijk weten, wat de graaf bij
Flora had gedaan, en hoe het met het echte collier stond, dat de domkop
des nachts met het nagemaakte had verwisseld.
Raffles naderde reeds het tafeltje van den juwelier, toen plotseling de
deur achter hem haastig werd opengetrokken.
Snel draaide hij zich om en schrok, toen geheel buiten adem en met
hoogrood gelaat de graaf over den drempel trad.
Op hetzelfde oogenblik sprong de bejaarde heer met het sluwe gelaat op
en riep:
„Voor den duivel, Flinsch, waar ben je zoo lang geweest?”
Bij die woorden liep hij naar den binnenkomende toe.
Deze had nauwelijks Raffles gezien of hij keerde zich als door een wesp
gestoken om, snelde de straat weer op en sprong in een huur-auto, die
juist voor de bar stond.
Op het volgende oogenblik vloog hij in de auto weg.
Peperling—want er bleef nu geen twijfel meer over, of deze was het—trok
dadelijk de deur open, om den vluchteling achterna te snellen, maar
bleef met wijd opengesperden mond op den drempel staan, toen hij dezen
in razende vaart zag verdwijnen.
Hij wist blijkbaar niet of hijzelf dan wel Flinsch plotseling
krankzinnig was geworden.
Zijn gelaat had inderdaad zulk een idiote uitdrukking, dat Raffles en
Charly, die eerst nu zijn vriend Edward had ontdekt, luidkeels lachten.
Eerst toen Raffles plotseling naar hem toetrad, hem vriendschappelijk
op den schouder sloeg en zacht tot hem zei:
„Stel u gerust, Mr. Peperling, laat dien stommeling loopen! Ik kan u
veel interessanter dingen vertellen, dan gij van hem zoudt kunnen
vernemen,” kreeg het gelaat van den juwelier een uitdrukking van
grenzenlooze verwondering.
„Wie zijt gij, mijnheer?” stamelde hij en hij nam Raffles, die Charly
een wenk had gegeven om hem met den ouden schurk alleen te laten, met
wantrouwende blikken van het hoofd tot de voeten op.
„Een man van het vak, die gaarne een klant van u zou willen worden,”
antwoordde Raffles fluisterend. „Ga mee, Mr. Peperling, naar de kleine
zijkamer, daar zullen wij een glas half om half drinken; ik heb u een
uiterst gewichtige mededeeling te doen.”
Raffles bestelde twee glazen van bovengenoemde likeur en had de
voldoening, dat de juwelier hem, al was het dan ook aarzelend, volgde.
Nog steeds wantrouwend, nam de koopman plaats.
„Ik kan me niet herinneren, dat ik ooit het genoegen heb gehad, u te
hebben ontmoet,” sprak hij, terwijl hij den grooten onbekende door zijn
half toegeknepen oogleden fixeerde.
„Nu, dan zult gij dat genoegen nu hebben, mijnheer Peperling,”
antwoordde de ander met een allerbeminnelijkst lachje.
„Prosit, oude heer, ik hoop dat gij er pleizier van zult beleven, met
John Raffles kennis te hebben gemaakt!”
Peperling, die juist zijn likeurglas in de hand had genomen, liet het
van schrik bijna vallen.
„Wat?” sprak hij, „zoudt gij Raffles zijn? Vertel toch geen nonsens!
Dat kan iedereen zeggen!”
„En als ik het u bewijs?”
„Bewijzen? Gij kunt mij niet voor den gek houden, jonge man; houd uw
praatjes maar voor u!”
„No, no, mister Dan! Het is mij met mijn woorden maar al te groote
ernst! Omdat ik weet, dat gij graag met menschen werkt, die zich niet
met kleinigheden ophouden en omdat ik heb gehoord, dat gij goed
betaalt, ben ik naar u gekomen om u iets aan te bieden, waarop gij,
naar ik zeer beslist weet, bijzonder gesteld zijt!”
„Nu, laat eens hooren, wat het is! Voor mooie, goede waar betaal ik
altijd de hoogste prijzen en beleen ze, als gij wenscht, ook zeer
goed!”
„Straks, mijnheer Peperling, maar eerst moet ik u in uw eigen belang en
ook in het mijne dringend waarschuwen voor een handlanger, met wien gij
u, zoo dom mogelijk, reeds al te zeer hebt ingelaten.”
„Ik begrijp niet, wat gij wilt zeggen, mijnheer—”
„Niet Raffles, als ’t u belieft! Noem mij liever Smith of bij een
dergelijken mooien naam—en houd u dan verder niet zoo dom en
onschuldig.
„Gij en dom, dat is al te belachelijk, sluwe vos!
„Natuurlijk bedoel ik den kerel, op wien gij hier zit te wachten en die
een visite maakte bij miss Flora Palmerston, de geliefde van Lord
Orvis!”
Peperling werd bij deze woorden van Raffles lijkbleek.
Vol ontzetting staarde hij den jongen, eleganten man aan.
„Ja, ja, ouwe heer”, vervolgde Raffles lachend. „Er dreigt groot gevaar
voor u, als gij den kerel, die zooeven zoo laf wegvluchtte, niet
onmiddellijk onschadelijk maakt.
„Die man zal u, hoofdzakelijk door zijn ongeëvenaarde domheid, in de
val brengen!”
„Domheid? Wat weet gij van zijn domheid? En wat interesseert u dit
alles? Mij kan het zelfs niets schelen! Ik heb met dien vent niets te
maken, ik weet ook van geen Miss Palmerston of hoe gij die vrouw
zooeven noemdet!
„Werkelijk, dat alles gaat mij niets aan. Laat mij dus liever met rust,
Mister—hoe zeidet gij ook weer? O ja, Mister Smith, met uw handlanger
en met uw Miss Flora Palmerston.
„Ik heb Goddank nog nooit iets te maken gehad met handlangers of met
beruchte vrouwen!”
„Des te meer deze echter met u!” lachte Raffles. „Het zal er toch mee
eindigen, dat een van die kerels u ten val brengt. En die eene heet
Flinsch of noem hem mijnentwege, wat u misschien aangenamer is, graaf
Melrose!”
„Gerechte hemel! Meent gij dat werkelijk, Mr. Smith?” riep Peperling
uit, terwijl hij Raffles’ arm beetpakte.
„Ik zal u toch niet voor den gek durven houden? Ik zeg u alleen: neem u
in acht voor Flinsch! Hij behandelt u valsch. En bovendien—waar het een
man betreft, die zoo dom is dat hij u glasscherven brengt, namaak, waar
hem is opgedragen, een echt brillanten halssnoer voor u te stelen, kunt
gij op alles voorbereid zijn!”
„Barmhartige goedheid!” jammerde Peperling. „Ik ben een verloren man,
gij weet alles, gij zult mij in het ongeluk storten!”
„Integendeel, ik zal u dadelijk het brillanten halssnoer, dat gij
wenscht te hebben, bezorgen.
„Ik zal mij met weinig tevreden stellen, met hoogstens een paar duizend
pond, want meer geeft gij, oude gauwdief, toch niet. Laat ons dus
dadelijk naar uw vossenhol gaan; mijn jonge vriend, die daarginds zit,
gaat ook mee.”
„Tot welk doel? Kunnen wij de zaak hier niet behandelen? Hebt gij het
sieraad hier?”
„Wilt gij het zien? Best, maar ik geef het niet uit handen.”
Raffles haalde bij deze woorden het étui uit zijn borstzak, opende het
en liet den juwelier er een snellen blik in werpen.
Deze uitte een kreet van verbazing.
Begeerig greep hij met beide handen naar het kostbare kleinood, terwijl
de hebzucht in zijn oogen te lezen stond.
„Goed, mijnheer, goed!” riep hij opgewonden en stond haastig op, toen
Raffles het kleinood weer in zijn zak borg. „Wij zullen onmiddellijk
met ons drieën naar huis rijden, ik zal met Flinsch doen wat gij
verkiest en u zooveel betalen, dat gij meer dan tevreden zult zijn.”
„Afgesproken, Peperling!” sprak Raffles, „ik zou niet zooveel haast
maken, als ik niet begreep, dat Flinsch reeds op u wacht!”
„Daarvan kunt u zeker zijn”, antwoordde de juwelier op vasten toon; „ik
heb nog verschillende dringende zaken met hem te verhandelen die allen
afgedaan moeten worden.
„Bovendien heeft de kerel altijd geld noodig.
„Zeg mij nog één ding, Mr. Smith: heeft hij u bij de dame op Kings Road
gezien?”
„No, zelfs het puntje van mijn neus niet. Daarentegen heb ik hem echter
des te beter waargenomen en mij ervan kunnen overtuigen, dat de man
volkomen onbruikbaar en gevaarlijk voor u is.
„Terwijl ik bij de Miss op mijn gemak het echte collier stal, was hij
niet eens zoo handig om de verdenking van zich af te wentelen, welke de
dame reeds tegen hem had opgevat.
„Hij praatte zooveel nonsens, dat zij al heel dom moet zijn, als zij
niet heeft gemerkt, dat gij, Peperling, met Flinsch onder één hoedje
speelt!”
„Wel vervloekt! Als die kerel zoo stom is,” mompelde de juwelier met
vonkelende oogen, „dan is het meer dan tijd, dat wij korte metten met
hem maken. Kom, Sir, ik hoop, dat het ons zal gelukken, hem binnen een
uur voor eeuwig den mond te stoppen!”
Een oogenblik later hadden Raffles en Peperling, te zamen met Charly
Brand, die zich op een wenk van zijn vriend bij hen had gevoegd, de bar
verlaten om evenals de graaf in een auto den tocht te ondernemen naar
Leadenhallstreet.