Zij liet de handen zinken.
Zij meende, haar oogen niet te mogen gelooven.
Daar in de nis, die leeg was, waarin niets was te zien van Mr.
Mackenzie, stond de graaf met lijkbleek gelaat.
Hij staarde als wezenloos naar een visitekaartje, dat hij een oogenblik
geleden uit de hand van het marmeren beeld had genomen, waarin het was
vastgeklemd!
„Hij, hij is hier geweest?” riep hij, eindelijk weer tot zichzelf
komend, vol woede uit. „O, nu is mij alles duidelijk! Nu weet ik,
Mylady, wie uw collier heeft gestolen!
„Ik moet weg, ik moet dadelijk weg! Good bye, Flora, ik volg hem en ik
kom niet terug, voordat het mij is gelukt, hem te pakken te krijgen!”
In het volgende oogenblik had hij het visitekaartje op den grond
geworpen, zich tot Flora’s uiterste verbazing over het marmeren beeld
heengebogen en op een knopje in het voetstuk gedrukt.
Onmiddellijk daarop was hij, terwijl opnieuw het eigenaardige geluid
werd vernomen, dat Flora zooeven reeds had gehoord, achter het beeld,
dat plotseling begon te draaien, door een smalle opening in den muur,
die een oogenblik zichtbaar werd en zich daarna weer sloot, aan haar
blikken onttrokken.
Het raadsel was opgelost!
Zij wist nu, hoe de misdadiger, wiens schaduw haar den vorigen nacht
zooveel angst had bezorgd, de Oostersche kamer, die van binnen gesloten
was, was binnengedrongen!
Nu wist zij, dat ook haar bondgenoot, Mr. Mackenzie, die zooeven nog in
de nis had gestaan, eveneens langs dezen geheimzinnigen weg was
gevlucht!
Maar waarom had hij dit gedaan?
Waarom had hij zich niet onmiddellijk op den schurk geworpen, hem
overweldigd en tot teruggave van het gestolene gedwongen?
Hier stond zij voor een nieuw raadsel.
Zou het visitekaartje, dat de misdadiger zooeven in handen had gehad en
dat nu naast het marmeren beeld op den grond lag, haar opheldering
geven?
Bevend raapte zij het op en slaakte een kreet van grenzenlooze
verbazing.
Op het kaartje, dat met een gouden randje was afgezet, had zij den naam
gelezen: John C. Raffles!
John C. Raffles! De geniale meester-dief, die overal werd gezocht door
de politie en die nimmer werd gevonden, de groote onbekende, over wien
geheel Londen sprak, die steeds opnieuw de wereldstad aan de Theems in
rep en roer bracht,— —hij was dus Mr. Mackenzie geweest, die zich naar
aanleiding van haar advertentie in de „Evening News” te harer
beschikking had gesteld en die haar had beloofd, den dief van het
kostbare halssnoer te zullen vinden!
Had hij zijn visitekaartje voor zijn plotselinge vinder achtergelaten
om haar te hoonen?
Was hij nu de dief geworden van het collier, dat nog in het muurkastje
was achtergebleven; was hij, zooals de graaf beweerde, slechts hier
gekomen om haar te bestelen?
Was zij dus het slachtoffer geworden van twee dieven, van wie de een
nog geslepener was dan de ander?
Maar neen, dat was onmogelijk!
Hield niet iedereen in Londen Raffles voor een gentleman?
Vertelde niet iedereen van hem, dat zijn diefstallen en avonturen
slechts sport voor hem waren en dat hij ze alleen daarom bedreef, om
rijke schurken en misdadigers te straffen en de schatten, die op
oneerlijke wijze in hun bezit waren gekomen, terug te geven aan de door
hen bedrogen en uitgeplunderde menschen?
Ook tegenover haar zou hij vasthouden aan zijn edele principes, die hem
steeds tot richtsnoer zijner handelingen dienden!
Een Raffles kon niet gevlucht zijn, zonder haar, al was het ook een
korte opheldering te geven van zijn vreemde handelingen!
Op het kaartje, dat zij nog steeds vasthield, zou hij haar de oplossing
van het raadsel hebben gegeven, dat haar nu angstig maakte en haar aan
de eerlijkheid en betrouwbaarheid van alle menschen deed twijfelen.
Vol verwachting draaide zij het visitekaartje van Raffles om en zij
beefde van vreugde, toen zij op de rugzijde met sierlijke, kleine
letters het volgende las:
„Wees onbezorgd, Miss Flora, ik zal mijn woord houden. Ik zal niet
alleen den handlanger der politie, die u heeft bestolen, maar ook
zijn medeplichtige vangen en hun het gestolene afnemen. Ik zal
ervoor zorgen dat gij geen onaangenaamheden krijgt met uw vriend,
den Lord.
Een der beide colliers zal beslist nog heden in uw bezit zijn en
daar de twee zoo verbazend veel op elkaar gelijken, zult gij in elk
geval met een ervan geholpen zijn.
Maar gij moet zelf meehelpen.
Spoed u zoo snel mogelijk naar Scotland Yard en vraag onmiddellijk
inspecteur Baxter te spreken. Vertel hem den diefstal van
gisternacht en eisch spoedige hulp van hem!
Zeg hem, dat Raffles hem laat groeten en dat hij dadelijk de Vloo,
zijn particulieren secretaris en detective, die een speciaal vriend
van mij is—al is het helaas ook alleen op een afstand—naar
Peperling en Glanmore in de Leadenhallstreet zendt.
Daar zal hij er zich van kunnen overtuigen, wat voor een groote
ezel hij is, om handlangers te gebruiken van de soort van dezen
nobelen „graaf Melrose”, ten einde deze beruchte oplichters- en
helersfirma te bespionneeren!
Het beste zal zijn, dat gij hem, Baxter, dit kaartje laat zien!
Het zal hem zeker enorm veel genoegen doen en mijn vriend Marholm
zal zich den buik vasthouden van lachen.
Met de meeste hoogachting,