Eenige oogenblikken daarna overschreed een opvallend magere heer, die
fatterig was gekleed en wiens gelaatstrekken een hatelijke, loerende
uitdrukking hadden, den drempel van de Oostersche kamer.
De groote onbekende, die onmiddellijk de draperieën der nis dicht had
geschoven, zoodat hij geheel daarachter verborgen was, had zich bijna
verraden door een kreet van verbazing bij het zien van den bezoeker.
Als hij zich niet heel erg vergiste, was deze niemand anders dan een
van die misdadigers, die door de politie der groote steden worden
gebruikt om tegen een karige belooning spionnendiensten te verrichten
onder hun vroegere collega’s en die daarom er altijd op uit zijn, hun
inkomsten te vermeerderen door hun vroeger beroep uit te oefenen.
Hij herinnerde zich onmiddellijk, den „graaf” meermalen te hebben
gezien in gezelschap van de Vloo, den alom gevreesden detective en
particuliere secretaris van Mr. Baxter.
Zijn vermoeden, dat alleen hij de dief kon zijn geweest, werd nog
sterker bij het zien van den persoon.
„Als die kerel niet een gemeene handlanger van de politie en een
werktuig is van mijn vriend Baxter van Scotland Yard”, dacht hij bij
zichzelf, „laat ik mij ophangen! Deze schurk, in wien men met een
enkelen oogopslag den vroegeren misdadiger herkent, speelt een zeer
gevaarlijke dubbele rol.
„Ik zou er een eed op durven doen, dat hij in dienst is van den
politie-inspecteur Baxter, en de opdracht heeft, de helersfirma
Peperling en Glanmore in het oog te houden, terwijl hij tevens door
diezelfde firma is aangenomen of er zich misschien zelf voor heeft
aangeboden, om het kostbare diamanten halssnoer, dat, God zij dank,
tijdig in mijn bezit kwam, tegen een zekere belooning van de schoone
Flora te stelen en weer in handen te brengen van deze juweliersfirma.
„Ik ben werkelijk zeer benieuwd, wat deze stommeling, die ondanks zijn
handigheid als inbreker geen brillanten van glas kan onderscheiden, zal
doen om Flora het echte collier afhandig te maken, dat hij per abuis
gisternacht in het muurkastje heeft laten liggen.”
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Intusschen had de schoone minnares van den Lord den graaf uitgenoodigd,
naast haar op den divan plaats te nemen.
„Gij verstaat de kunst om iemand te verrassen, waarde vriend,” sprak
zij tot hem met haar liefsten glimlach.
„Voor een paar dagen naamt gij plechtig afscheid voor jaren en nu reeds
weer uw aangenaam bezoek!
„Hebt gij misschien op uw overvaart naar Amerika schipbreuk geleden? Of
was uw verlangen naar Kings Road zoo sterk?”
„Het spijt mij inderdaad zeer, niet eveneens op schertsenden toon te
kunnen antwoorden,” antwoordde de graaf met een doodbiddersgezicht.
„De reden, waarom gij mij hier ziet, is helaas een andere dan gij
vermoedt.”
„Gij doet mij schrikken, graaf!” antwoordde Miss Flora, terwijl zij
haar blik vol verwachting op den bezoeker richtte, „dat klinkt, alsof
gij mij een slechte tijding bracht!”
„Dat is inderdaad het geval! Ik was het Kanaal nog niet gepasseerd,
toen ik tot mijn niet geringe verbazing gistermiddag op zee door een
marconigram onmiddellijk naar Londen werd teruggeroepen.
„Ik gaf dadelijk gehoor aan dezen oproep en liet mij ter hoogte van
Brighton aan land zetten, om zoo snel mogelijk hierheen te reizen.
„De naam van den afzender van het telegram had mij namelijk het
vermoeden doen opvatten, dat mijn terugkomst misschien in verband stond
met u, Mylady!”
„Met mij?” riep het meisje met onverholen verbazing uit.
„Ja,” vervolgde de graaf, een doordringenden blik werpend op zijn
schoone buurvrouw, „de afzender van het telegram was de heer Dan
Peperling, de vertegenwoordiger van de firma Peperling en Glanmore in
de Leadenhall Street.”
„Wat heb ik nog met die firma te maken!” riep Flora vol verbazing uit,
terwijl zij haar blik niet neersloeg voor dien van den graaf.
„Nadat ik Donderdag het mij beleende bedrag met woekerrente heb
terugbetaald aan Peperling en Glanmore, heb ik niets meer te maken met
die firma.”
„Dit zoudt gij met het volste recht kunnen beweren, mylady, als uw
terugbetaling geheel correct was geweest.”
De graaf haalde de schouders op en vervolgde:
„Maar dit was, helaas, het geval niet!”
„Wat wilt gij met die voor mij raadselachtige woorden zeggen?” riep
Flora toornig uit. „Beteekent dat misschien, dat ik de van mij
terugverlangde som niet in haar geheel heb betaald?”
„O neen, mylady,” glimlachte de graaf geheimzinnig, terwijl hij van den
divan opstond, „gij hebt het bedrag wel terugbetaald, maar het
papiergeld, waarmee gij het verschuldigde hebt voldaan, was, volgens
herhaalde verklaring van den heer Peperling, valsch!”
„Wat? Zou ik met valsch geld hebben betaald?” riep Flora woedend tot
den mageren Mephisto, wiens gelaat weer tot een duivelschen grijns was
verwrongen.
„Weet gij wel, dat gij daar een zware beleediging uitspreekt tegen mij
en tegen Lord Orvis, die volgens uw herhaalde verzekeringen immers de
beste vriend uit uw jeugd is.
„De banknoten waren van hem afkomstig. Hij heeft ze mij per
aangeteekenden brief Woensdag uit Biarritz toegezonden.
„Maak u toch niet belachelijk, graaf! Hoe kunt gij u dergelijke nonsens
door Mr. Peperling laten wijsmaken en er ook slechts een oogenblik aan
gelooven?
„En bovendien, waarom treedt juist gij op als advocaat voor dien heer?”
„Hebt gij dan vergeten, Mylady, dat ik het was, die u met hem in kennis
bracht en de beleening voor u in orde bracht?” antwoordde de graaf
boosaardig.
„Ik moet u eerlijk bekennen, Flora, dat deze geschiedenis met de
banknoten mij zeer, zeer onaangenaam is.
„Ik ben in zekeren zin bij de firma Peperling en Glanmore borg gebleven
voor u en nu betaalt gij op deze manier!
„Weet gij, wat Peperling beweert?
„Hij zweert bij hoog en laag, dat de bankbiljetten, die gij hem hebt
gegeven, niet meer of minder zijn dan—gestolen bankbiljetten, waarvan
de nummers bekend zijn.
„Orvis heeft ze misschien tegen een tiende van de werkelijke waarde van
den een of anderen schurk gekregen.
„Het is ook mogelijk, dat hij er zelf in geloopen is, maar in geen
geval heeft Peperling lust die witte en grijze stukjes papier als
waardevol te erkennen en aan te nemen.”
„En alleen om mij dit mee te deelen, zijt gij teruggekomen?” vroeg
Flora verontwaardigd.
„Neen, niet alleen daarom. Men heeft mij ook opgedragen, u een
schikking voor te stellen met de firma Peperling en Glanmore. Luister:
„De heer Peperling verlangt van u de onmiddellijke uitbetaling van het
u geleende bedrag met de rente in echt bankpapier, of—indien gij
hiertoe niet in staat mocht zijn, teruggave van het echte brillanten
halssnoer, dat de firma zoolang onder haar berusting wil houden, totdat
de uitbetaling, waarop zij het volste recht heeft, door u is geschied.”
De achter het gordijn verborgen groote onbekende had bij deze woorden
van den zoogenaamden graaf bijna zijn zelfbeheersching verloren.
De afzetterij van dezen kerel, die nu duidelijk verried, dat hij met de
juweliersfirma onder een hoed speelde, amuseerde hem eigenlijk meer,
dan dat zij hem vertoornde.
Het liefst had hij hardop gelachen.
Snel sloeg hij de beide gordijnen, waarachter hij verborgen was, uit
elkaar en stak er zijn hoofd voor een kort oogenblik door om de
attentie te trekken van Miss Flora, die zoo door den schurk in het nauw
werd gebracht.
Hij had de voldoening, dat het schoone meisje hem dadelijk zag.
Zij glimlachte, zonder dat de graaf er iets van merkte, hem heimelijk
toe en begreep ook de bedoeling van haar geheimen bondgenoot, die haar
beduidde, zich in geen geval door den afperser te laten dwingen, maar
hem rustig verder te laten spreken en den schijn aan te nemen, alsof
zij volkomen geloof sloeg aan zijn bedriegerijen.
Zij deed daarom, alsof zij zeer verschrikt was.
„En als ik nu niet inga op de condities, die Peperling mij stelt?”
vroeg zij angstig en bevend.
„Dan zal Peperling dadelijk u en Lord Orvis gerechtelijk laten
vervolgen!” antwoordde de graaf met nadruk.
„Om ’s Hemels wil!” riep het meisje uit, „zoover mag het tot geen
enkelen prijs komen! Ik zou sterven, als Peperling zijn bedreiging
uitvoerde. Wij moeten aan geld zien te komen!”
„Zeer juist, Mylady. Maar zijt gij werkelijk niet in het bezit van het
benoodigde bedrag?”
Flora wrong wanhopig de handen.
„Ik heb alleen nog het pakket banknoten, waarvan ik Donderdag
betaalde”, sprak zij mismoedig, „maar daar zij, volgens beweren van den
juwelier, valsch zijn, zal ik er niets aan hebben”.
„Nu, wij zouden ze in elk geval nauwkeurig kunnen onderzoeken”, stelde
de graaf voor. „Misschien is de rest van het geld, dat gij zeker ook in
het muurkastje van uw boudoir hebt geborgen, goed”.
„Dat geve de Hemel!” zuchtte Flora.
„Het zou ontzettend zijn, als ik gedwongen was, het brillanten
halssnoer nogmaals bij Peperling en Glanmore te deponeeren. Dit
brillanten halssnoer—”
Een plotselinge wenk van Raffles, die zijn hand waarschuwend door de
portière stak, deed haar zwijgen.
„Kom”, vervolgde zij, „wij zullen naar het boudoir gaan en de banknoten
onderzoeken. Ik houd ze zelfs nu nog niet voor valsch!
„Orvis is in geldzaken veel te serieus, om zich door den een of anderen
oplichter valsch of gestolen bankpapier in handen te laten stoppen.
„En dat de vriend uit uw jeugd zelf een vervalscher van papiergeld of
iets dergelijks zou zijn, zult gij, heer graaf, zeker allerminst
vermoeden?”
„Maar ik bid u, Mylady, wat een vraag!” riep de graaf verontwaardigd
uit, terwijl hij Flora in haar slaapvertrek volgde.
„Wie weet, door welk ongelukkig toeval de vervloekte papieren, waarmee
gij Peperling hebt betaald, in het bezit van mijn vriend zijn gekomen.
Hij heeft er waarschijnlijk niets van gemerkt!”
Met nauwelijks bedwongen ongeduld zag Melrose nu, hoe Flora het
muurkastje opende en er een pakje papiergeld, dat in het bovenste vak
lag, uitnam.
Met bevende handen greep hij ernaar en nam haar bijna met geweld de
banknoten af, welke Flora hem met tegenzin overliet.
Het waren alle biljetten van duizend pond.
Zij vertegenwoordigden een niet onbeduidende som.
Snel ging hij naar het venster en begon ze daar een voor een te
bekijken, in de eerste plaats om te zien, hoe hoog hun gezamenlijke
waarde was, waarna hij de biljetten stuk voor stuk aan een nauwkeurig
onderzoek onderwierp.
Hij was hiermede zoo druk bezig, dat het aan zijn aandacht ontsnapte,
dat Raffles, om hem niet uit het oog te verliezen, met zachte,
onhoorbare schreden uit zijn schuilhoek te voorschijn was gekomen en
vlak naast de deur van het boudoir bleef staan.
Vandaar kon hij elke beweging van den schurk en van miss Flora volgen,
zonder zelf gevaar te loopen door hen te worden gezien.
De graaf was nu klaar met het onderzoek der bankbiljetten.
Hij haalde de schouders op.
„Een noodlottige geschiedenis!” sprak: hij op deelnemenden toon tot
Flora. „Hoe moeilijk het mij ook valt, toch moet ik u mededeelen, dat
deze bankbiljetten vervalscht, meesterlijk vervalscht zijn!”
„Onmogelijk!” riep Flora op ongeloovigen toon en wilde de bankbiljetten
uit de hand van den graaf trekken.
„Ik zal deze biljetten nog door iemand anders laten onderzoeken, dan
zal wel blijken, dat gij ongelijk hebt!”
„Onder geen enkele voorwaarde zal ik, als uw oprechte vriend, dit
toelaten,” antwoordde de graaf, snel het pakket bankpapier in zijn
borstzak stekende.
„Gij zoudt niet alleen den lord, maar ook uzelf in het verderf storten.
Gij zoudt ongetwijfeld beiden verdacht worden, tot een bende valsche
munters te behooren, vooral wanneer Peperling zijn bedreiging
uitvoerde, om u gerechtelijk te laten vervolgen.”
„Graaf!” riep Flora, nu werkelijk ongerust uit. „Gij wilt toch het
geld, dat op het oogenblik mijn geheele vermogen uitmaakt, niet onder
uw berusting houden?”
„De hemel beware mij!” riep de schurk uit, „zoodra ik buiten op een
stil plekje ben gekomen, verscheur ik deze bankbiljetten in duizend
kleine stukjes en geef ze prijs aan den wind. Misschien ook gooi ik ze
in de Theems of ik verbrand ze, opdat de corpora delicti zoo snel
mogelijk worden vernietigd en van de wereld verdwijnen!”
Flora vroeg met een snellen blik raad aan Mr. Mackenzie, dien zij bij
de boudoirdeur vermoedde, en was een beetje verwonderd, toen Raffles
haar door een handbeweging te kennen gaf, dat zij zich in de
maatregelen, welke de graaf wenschte te nemen, moest schikken.
Maar haar stem trilde van zenuwachtigheid, toen zij antwoordde:
„Inderdaad, sir, gij oefent voogdij over mij uit op een manier, die ik
mij niet langer kan laten welgevallen.
„Als gij u nu eens vergistet, wat betreft de bankbiljetten?”
„Dat is ten eenenmale onmogelijk, mijn waarde!” beweerde Melrose.
„Bedenk eens, hoeveel papiergeld reeds door mijn handen is gegaan;
geloof mij, mylady, dat ik slechts uw belang wensch!”
„Maar wat moet ik nu beginnen?” riep Flora angstig uit. „Ik heb het
geld noodig, ik zei u immers reeds dat dit geld mijn geheele vermogen
uitmaakt?”
„Den moed niet verliezen, mylady! Wij zullen wel raad schaffen! Het
brillanten halssnoer, ik bedoel natuurlijk het echte en niet het
similiestuk, is immers zoo waardevol, dat Peperling er u ongetwijfeld
weer een zeer aanzienlijk bedrag op zal voorschieten, als gij het hem
nu door mij toezendt.
„Ja, lieve vriendin, gij moet door den zuren appel heenbijten en
nogmaals voor den dag komen met het prachtige sieraad!”
Hij was bij die woorden het muurkastje genaderd en keek er met onrustig
zoekende blikken in.
Nu had hij het juweelkistje ontdekt en ging een stap achteruit van
schrik.
Zelfs een zeer naïef toeschouwer moest merken, dat het aanstellerij en
comedie van hem was.
„Om ’s hemels wil!” riep hij, „wat moet ik zien! Hebt gij, Mylady,
reeds bemerkt, wat er met het kistje is gebeurd?
„Het maakt geheel en al den indruk, alsof hier pas een inbreker aan het
werk is geweest. Kijk eens hier, dierbare vriendin, de scharnieren aan
de achterzijde zijn losgemaakt, neen, zij hangen alleen nog maar los
aan het hout!
„De asjes zijn eruit geschoven! Ik vermoed iets vreeselijks!”
Met sidderende handen tilde hij het kistje eruit en opende het deksel.
En nu veranderde de comedie, die hij tot nu toe had gespeeld, in
werkelijkheid, hij schrok inderdaad geweldig, toen hij in het kistje
keek en niets, letterlijk niets vond!
„Mylady!” riep hij bijna gillend uit en hij greep Flora’s pols zoo
stevig vast, dat zij nauwelijks een kreet van pijn kon onderdrukken.
„Waar zijn de beide colliers? Waar is het heerlijke, echte brillanten
halssnoer?”
Een hoonend antwoord lag het schoone meisje reeds op de tong.
Maar zij wist zich te beheerschen.
„Ik weet het niet”, antwoordde zij op onverschilligen toon, den graaf
met doordringende blikken aanziende. „Het is gisternacht gestolen!”
„En het andere? Het similie-collier? Is dat ook weg?” vroeg Melrose nog
dringender, want hij wist wel, dat het collier, dat hij als onecht had
laten liggen, het echte was geweest.
„Het similie-collier?” antwoordde Flora plotseling met nadruk, „dat
bevindt zich in de handen van een man die naar ik stellig hoop, den
dief van het echte collier zal vinden en mij het kleinood weldra weer
terug zal bezorgen.”
De graaf verbleekte.
„Wie is die man?” riep hij, zoo vol aandacht aan Flora’s lippen
hangend, dat hij het eigenaardige, zacht snorrende geluid niet vernam,
dat in de Oostersche kamer hoorbaar was en dat aan Flora’s aandacht
niet ontsnapte.
„Ik ken hem niet nauwkeurig”, antwoordde zij, de schouders ophalend.
„Hoe! Kent gij den man niet eens, dien gij een dergelijk stuk van vrij
groote waarde toevertrouwt en dien gij belast met een dergelijke
kiesche aangelegenheid? Heeft hij zich dan niet op voldoende wijze aan
u bekend gemaakt?”
„Neen, graaf, waarom zou hij? Ik vertrouw hem op zijn eerlijk gelaat;
het was mij voldoende, dat hij zich eenvoudig aan mij voorstelde als
Mr. Mackenzie.”
„O, Mylady, ik vrees, dat gij in handen zijt gevallen van een
bedrieger!” kermde de graaf.
Daarop lachte hij plotseling nerveus.
„Ach!” riep hij uit, zich met de hand tegen het voorhoofd slaande, „nu
gaat mij een licht op! Niet waar? Gij zijt het geweest, die de vreemde
advertentie in de „Evening News” heeft geplaatst?
„Gij zijt het, Mylady, die onmiddellijk in relatie wenschtet te treden
met een energiek, handig persoon, die de behandeling op zich zou willen
nemen van een moeilijke taak, waaraan misschien zelfs gevaar verbonden
zou zijn?”
„Ik kan het niet ontkennen”, antwoordde Flora droogweg.
„Wanneer is die energieke, handige persoon hier geweest?”
„Dat kan ik niet nauwkeurig zeggen.”
„Welnu, dan kan ik uw geheugen misschien te hulp komen!” riep de graaf
hoonend, maar door onmiskenbaren angst aangegrepen, terwijl zijn grijze
oogen een vreemde uitdrukking aannamen.
„Hij is zoo juist hier geweest!
„Ja, ja, Mylady,—kort voordat ik de kamer binnenkwam, meende ik, hier
iemand te hooren spreken.
„Ik wil, ik moet dien man leeren kennen! Ik moet u uit de handen van
een bedrieger redden!”
Miss Flora beefde en was niet in staat, te antwoorden.
Welke tooneelen zouden zich afspelen tusschen de beide mannen?
Groote hemel! Misschien kwam het zelfs tot een bloedig gevecht!
En zij, een zwakke, hulpelooze vrouw, alleen met hen!
Vooral was zij angstig voor den graaf, wiens geheele wezen zoo opeens
was veranderd!
Ja, nu wist zij het, dat hij inderdaad een misdadiger, een brutale,
gemeene kerel was!
Haar voorgevoel had haar niet bedrogen. Niemand anders dan de graaf kon
den vorigen nacht in de Oostersche kamer zijn geweest!
Hij en geen ander had den diefstal gepleegd! Zijn schaduw was het
geweest, welke zij had gezien!
En nu haalde hij een revolver uit zijn zak te voorschijn.
In haar verbeelding hoorde zij reeds de schoten, die er moesten vallen!
Daar—wat was dat?
Nu sprong hij op de nis toe, waarin Mr. Mackenzie zich had verborgen!
Flora bedekte haar gelaat met beide handen.