Zij kwamen in een gang.
Ongeveer in het midden daarvan bleef Miss Flora voor een deur aan haar
rechterhand staan.
„Wij staan hier voor den ingang naar de drie vertrekken, welke mij en
Miss Price tot slaap- en kleedkamer dienen; in een hiervan is
gisternacht een diefstal gepleegd,” sprak zij tot Raffles.
„Laat ons binnengaan en de kamers eens in oogenschouw nemen.
„Gij zult dan merken, hoe ik aan mijn achterdocht kom en zelf een
oordeel kunnen vormen.
„Om voor elke verrassing veilig te zijn, zal ik dadelijk weer achter
ons sluiten.”
Bij die woorden draaide zij den sleutel, die van binnen in het slot
stak, om en trad nu met Raffles de kamer binnen, die zij vol trots haar
„Oostersche kamer” noemde.
Van hieruit kon men naar links en rechts in twee andere vertrekken
komen.
Een daarvan, en wel dat aan den rechterkant, was het boudoir en
slaapvertrek van Miss Flora, het andere dat van haar kamenier.
Flora liet Raffles zich het eerst oriënteeren in de middenkamer.
„Ziet gij, Mr. Mackenzie,” sprak zij tot hem, „de gangdeur in deze
tusschenkamer wordt des nachts door mij altijd van binnen gesloten, de
schuifdeur naar het boudoir daarentegen blijft gewoonlijk wijd
openstaan.
„Ook in den afgeloopen nacht was dit het geval.
„Daar mijn bed, zooals gij ziet, vlak tegenover die deur staat, kan ik
bij het ontwaken in de Oostersche kamer en naar de deur kijken, welke
toegang geeft tot het slaapvertrek van Miss Price.”
„Zeer juist,” antwoordde Raffles, die slechts half luisterde, daar hij,
terwijl Flora sprak, bijzonder aandachtig keek naar den muur, waarin
zich de gangdeur bevond, en waar een door draperieën bedekte nis
onmiddellijk zijn attentie had getrokken.
„Gij sliept dus gisternacht in uw boudoir?”
„Ja, en zooals altijd, was het daar ook toen volmaakt donker.
Daarentegen brandde, zooals dat de gewoonte is, in de tusschenkamer,
die, zooals gij ziet, mijn boudoir van de kamer van de kamenier
scheidt, een lamp.
„De lamp stond op zij, hier op deze tafel.”
Flora wees naar het elegante, sierlijk bewerkte meubelstuk, dat niet
ver van de boudoirdeur tegen den muur der tusschenkamer stond.
„Ik kon dus vanuit mijn bed wel het verlichte vertrek, maar niet de
lamp zelf zien.”
„Dat spreekt vanzelf,” sprak Raffles, die nu beter luisterde.
„Vertel verder, Miss, ik ben zeer nieuwsgierig.”
„Het zal ongeveer middernacht zijn geweest,” begon Flora opnieuw, „toen
ik plotseling uit een benauwden droom ontwaakte.
„Onwillekeurig richtte ik mij in mijn bed op en wendde mijn blik naar
den parketvloer van de Oostersche kamer, die helder verlicht werd door
de lamp.
„Daar plotseling,”—Miss Flora, die in steeds grootere opgewondenheid
sprak, greep in haar enthousiasme de hand van Raffles en drukte die
krampachtig tusschen haar kleine vingers—„daar schrok ik plotseling
geweldig.
„Ik wilde schreeuwen, ik wilde naar de bel boven mijn kussen grijpen om
Miss Price te roepen, maar ik was als verlamd door ontzetting.
„Verbeeld u, Mr. Mackenzie, er was iemand in de Oostersche kamer!
„Ik kon den man zelf niet zien. Maar zijn schaduw, de scherp
afgeteekende omtrekken van een wijden mantel, zooals graaf Melrose er
gewoonlijk een droeg, zag ik onbewegelijk, maar scherp en duidelijk
voor mij.
„Het angstzweet stond mij op het voorhoofd.
„Mijn hart klopte snel en hoorbaar.
„Half opgericht, staarde ik naar het donkere, dreigende en
onbewegelijke schaduwbeeld.
„Zoo zat ik geruimen tijd met bevende ledematen, totdat alles om mij
heen begon te draaien en ik bewusteloos achterover zonk.
„Toen ik ontwaakte, was de schaduw verdwenen.
„Ik belde en Miss Price verscheen.
„„Heb je niets gehoord?” vroeg ik gejaagd. „Er was iemand in de
Oostersche kamer.”
„Verschrikt snelde het meisje, dat nog slaapdronken was, naar de
aangrenzende kamer.
„„Onmogelijk,” antwoordde zij, „de sleutel steekt aan den binnenkant in
het slot.”
„Aangegrepen door een angstig voorgevoel, sprong ik mijn bed uit en
snelde naar het kastje aan den muur, dat ik altijd gesloten houd en wie
beschrijft mijn ontzetting, toen ik zag dat uit het juweelenkistje dat
daarin stond, het kostbare diamanten collier gestolen was!”
De geliefde van den Lord had, terwijl zij sprak, Raffles met zich naar
het boudoir getrokken en nu stonden zij beiden voor het kastje naast
het bed.
Raffles onderzocht het nauwkeurig.
„Uw schatkamertje is, zooals ik zie, weer gesloten,” sprak hij. „Als ik
een politie-beambte of detective was, zou ik u daarvoor ernstig moeten
berispen.
„Men moet voorwerpen, waaraan misdadigers zich hebben vergrepen,
zooveel mogelijk in denzelfden toestand laten, waarin men ze vond, om
een onderzoek gemakkelijker te maken!”
„Dat is best mogelijk, maar in mijn angst sloot ik het kastje dadelijk
weer en legde, zooals gij ziet, zelfs deze ijzeren stang ervoor, opdat
mij tenminste het andere sieraad dat naast het brillanten halssnoer in
het juweelenkistje lag, niet ontstolen kon worden.”
„Hoe?” riep Raffles vol verbazing uit, „dit tweede sieraad heeft de
nachtelijke inbreker, in wien ook ik den graaf vermoed, onaangeroerd
gelaten?”
„Ja, zoo is het,” antwoordde Miss Flora, terwijl tranen in haar oogen
kwamen.
„Het was hem waarschijnlijk niet de moeite waard, een nagemaakt stuk te
rooven.”
„Namaak?” vroeg Raffles vol bevreemding, „wilt gij u wat duidelijker
uitdrukken?”
„Het is een nabootsing van het gestolen sieraad,” verklaarde de miss
opgewonden. „De schurkachtige graaf vond het, hoewel het een kunstwerk
op zichzelf is, blijkbaar beneden zijn waardigheid om het mee te nemen.
„De echte paarlen en brillanten van het halssnoer zijn hem zeker
voldoende. Deze vertegenwoordigen, volgens opgaaf van den Lord, een
waarde van minstens 500 pond sterling.”
„Drommels, dat is een aardig stuivertje!” riep Raffles uit. „Ik ben
zeer nieuwsgierig, het nagebootste halssnoer te zien.
„Werkelijk, Miss Flora, wanneer ik u het collier ter waarde van 500
pond terug zal bezorgen, moet ik eerst weten, hoe het er heeft
uitgezien.”
„Zeker, Mr. Mackenzie en daarom zal ik gaarne uw verzoek inwilligen.”
Zij opende bij die woorden het slot der ijzeren stang en dat van het
kastje, waarna zij met bevende handen naar het juweelkistje greep, dat
op de onderste der beide planken stond.
Toen zij dit er uit had genomen en op de tafel gezet, die helder werd
verlicht door de middagzon, zag Raffles bij den eersten blik, dat
alleen een geslepen knaap, die het handwerk verstond, dit zaakje in
handen gehad kon hebben.
Het juweelenkistje, dat van voren nog gesloten was, was namelijk door
den dief geopend door op geslepen manier de stift uit de scharnieren te
schuiven.
Hoe interessant deze waarneming ook voor Raffles was, op dit oogenblik
stelde hij nog meer belang in het similie-collier in het kistje.
Hij tilde dus haastig het deksel op en, toen het bijzonder kunstig
nagebootste halssnoer op het donkerblauw zijden kussen voor hem lag,
uitte hij bijna een kreet van verrassing.
Onmiddellijk had hij gezien, dat de dief zich in zijn haast had
vergist, dat dit collier echt was en dat Miss Flora zich zonder twijfel
schromelijk vergiste, wanneer zij dit voor imitatie hield!
En nog van iets anders was hij bliksemsnel overtuigd geworden, en die
overtuiging riep hem plotseling zijn jeugd weer voor den geest:
Dit halssnoer, dat daar voor hem lag, behoorde niet, zoo als Lord Orvis
zijn geliefde had verteld, tot de familiestukken zijner voorvaderen,
maar tot die der familie Lister!
Ja, ongetwijfeld! Dit was het heiligdom, dat eeuwenlang door de Listers
was bewaard als dierbaar aandenken aan een edele, reeds lang gestorven
stammoeder van vorstelijke bloede!
Het had hun toebehoord tot aan den noodlottigen dag, waarop de
schurkachtige Londensche beursspeculant, die de ouders van Lord Edward
Lister hun geheele fortuin afhandig maakte, zich ook dit heerlijke
brillanten halssnoer toeëigende!
Van dezen bedrieger had ongetwijfeld een lid van de familie Orvis, die
waarschijnlijk tot de intieme vrienden van den Londenschen beursschurk
behoorde, het op de een of andere manier verkregen.
Niet eenmaal, maar bij verschillende feestelijke gelegenheden had de
moeder van Lord Edward het kleinood van onschatbare waarde gedragen; de
sprookjesachtige glans der kostbare paarlen en diamanten had in dien
tijd een onuitwischbaren indruk gemaakt op den knaap.
En nu lag het daar voor hem in zijn volle, schitterende pracht—het
dierbare souvenir aan zijn gelukkige kinderjaren, aan zijn teerbeminde
moeder!
Weemoed en ontroering vulden het hart van Lord Lister en hij had al
zijn bovennatuurlijke, door jarenlange oefening verkregen
zelfbeheersching noodig om de gevoelens niet te verraden, die hem
bestormden.
Het gelukte hem inderdaad, aan zijn gelaat slechts een uitdrukking van
verbazing en bewondering te geven.
Geen enkele trek op zijn fijnbesneden gelaat deed vermoeden, wat er in
hem omging en dat hij de vergissing van Miss Flora onmiddellijk had
opgemerkt.
„Inderdaad, een prachtige nabootsing,” sprak hij, terwijl hij het
halssnoer uit het kistje nam en de steenen, die met bijzondere kunst
waren geslepen, nauwkeurig bekeek.
„Hoe mooi moet het echte collier zijn! Indeed, een zwaar verlies, wat
gij en de Lord hierdoor hebt geleden, Miss Flora!
„Die graaf Melrose moet een zeer geslepen schurk zijn!
„Anders zou hij zich niet hebben vergrepen aan een voorwerp, waarvan
het spoor zoo gemakkelijk te volgen is. Ik begin mij ernstig ongerust
te maken omtrent het verdere lot van het gestolen halssnoer!”
„En waarom, Mr. Mackenzie?” vroeg Flora angstig.
„Omdat ik honderd tegen een zou durven wedden, dat Melrose alles in het
werk zal stellen, om de paarlen en diamanten van het collier weer van
de hand te doen.
„Gij zult het collier misschien nooit in zijn eigen vorm terugzien!
„Hier moet zoo snel mogelijk gehandeld worden om den brutalen schurk te
pakken te krijgen en hem te beletten de steenen los te breken en te
verkoopen.
„Ik moet onmiddellijk zijn spoor volgen.
„Opdat ik dit echter met eenige kans op succes kan doen, is het niet
alleen noodig, dat ik dit onechte sieraad voorloopig in mijn bezit
neem, maar moet ik ook omtrent de persoonlijkheid en de betrekkingen
van den zoogenaamden graaf Melrose iets meer van u vernemen dan hetgeen
gij mij tot dusverre hebt meegedeeld.”
Zonder te letten op het ontstelde gelaat van Miss Flora, die zeer
verschrikt scheen, toen hij het étui met het collier er in in den
borstzak van zijn smoking wegborg, alsof dit van zelf sprak, verliet
Raffles het boudoir, nam plaats op den divan in de Oostersche kamer en
verzocht de beminde van den Lord eveneens plaats te nemen.
„Zoo,” sprak hij, „hier kunnen wij eens praten. Vertel mij nu
openhartig en onbeschroomd alles wat gij omtrent Melrose weet en ook,
hoe gij aan de wonderschoone nabootsing van het collier zijt gekomen.
„Dit laatste wilde ik vooral gaarne eerst weten!
„Maar voor alles: wonen de juweliers, die de imitatie hebben
vervaardigd, hier in Londen?”
„Ja, zeker!”
„En hun naam?”
„Peperling en Glanmore, Leadenhallstreet.”
Een ironisch lachje gleed over het gelaat van Raffles.
Snel vroeg hij verder:
„En om welke reden, mijn waarde Miss, werd er een duplicaat gemaakt van
het prachtige kleinood?”
„Dat is in weinig woorden gezegd,” antwoordde Flora. „Mijn vriend, Lord
Orvis, had mij een beetje krap gehouden in den laatsten tijd—ik had
dringend geld noodig, veel geld voor mijn nieuwe toiletten,—en daar hij
op reis was, moest ik mij zelf helpen.
„Daarom beleende ik—op aanraden van den graaf, die onmiddellijk na het
vertrek van den Lord zijn eerste visite bij mij maakte—het echte
sieraad om daarop een zekere som,—driehonderd pond—te leenen.
„Tegelijkertijd liet ik mij bij de firma Peperling en Glanmore een
getrouw namaaksel vervaardigen van het collier.
„Het was immers altijd mogelijk, dat Orvis eerder terugkwam dan ik
dacht.
„Met het similie-sieraad kon ik hem zoolang bedriegen, totdat ik in
staat zou zijn, het echte halssieraad terug te halen.”
„Ik begrijp u”, glimlachte Raffles. „Het was misschien wel een beetje
onvoorzichtig van u, Miss Flora, om Melrose het halssnoer te laten
zien.”
„Hij kwam mij geheel onverwacht bezoeken, toen ik er mij reeds mee had
getooid om naar de opera te gaan”, antwoordde Flora. „Hij was er
natuurlijk dadelijk verrukt over en prees zijn ouden vriend Orvis vol
geestdrift, omdat deze als een echt gentleman zijn uitverkorene zulk
een kostbaar geschenk had gegeven.”
„Ried Melrose u, het halssnoer juist bij Peperling en Glanmore te
beleenen en om ook bij die firma de imitatie te bestellen?”
„Wel, Mr. Mackenzie, hij beval mij deze firma aan als een van de
soliedste en betrouwbaarste van geheel Londen. „Daar ik u helaas op het
oogenblik zelf niet uit de verlegenheid kan helpen,” sprak hij, „wil ik
u ten minste een juweliersfirma aan de hand doen, die solide is en die
in elk geval discreet zal blijven.” En ik werd niet teleurgesteld, want
de firma bediende mij correct en snel.”
Raffles glimlachte.
„Onder deze omstandigheden hebt gij u dus zeer verplicht gevoeld
tegenover Mr. Melrose?” vroeg hij eenigszins spottend.
„Ik kan het niet ontkennen”, antwoordde Flora blozend. „Niet alleen om
zijn goeden raad. Ik was hem ook dankbaar, dat hij mij gedurende eenige
weken hielp de gruwelijke verveling te verdrijven, die ik natuurlijk
moest ondervinden in de afwezigheid van den Lord.”
„Zeer begrijpelijk. En later verloor mijnheer de graaf uw sympathie.”
„Ja, Mr. Mackenzie. Ik begon hem langzamerhand te wantrouwen en had
vooral in den laatsten tijd het gevoel, dat hij mij, misschien op
verzoek van den Lord, die zeer jaloersch en wantrouwend is, in stilte
gadesloeg en tot dat doel zelfs des nachts om ons huis zwierf.
„Maar ik was zeer ontsteld, toen hij verleden Donderdag op hetzelfde
oogenblik, waarop ik, nadat ik een groote som geld van den Lord had
ontvangen, het diamanten halssnoer had ingelost, tegelijkertijd met mij
voor den winkel van Peperling en Glanmore stond, welke ontmoeting, naar
hij zeide, geheel toevallig was.”
„Toen ging hij natuurlijk met u meer naar huis?”
„Ja, hij ging mee. Hij liet zich niet afschepen.
„Onder voorwendsel, dat hij bij zijn laatste bezoek in mijn woning een
kostbaren stok had vergeten, volgde hij mij, zonder eerst een
uitnoodiging af te wachten en noodigde zichzelf uit om te blijven.”
Raffles lachte luidkeels.
„Dat is werkelijk kostelijk”, sprak hij op vroolijken toon, „mijnheer
de graaf was er nu natuurlijk ook getuige van, toen gij het halssnoer
in het muurkastje wegsloot en bij het nagemaakte legdet?”
„Ook dit kan ik helaas niet ontkennen”, antwoordde Miss Flora verlegen.
„Ik hield hem immers toen nog niet voor een dief en inbreker. Bovendien
verklaarde hij dienzelfden avond, Londen misschien voor jaren te moeten
verlaten en terug te moeten keeren naar Amerika, zijn vaderland.
„Hij nam dan ook reeds korten tijd daarna afscheid van mij, de
hartelijkste groeten achterlatende voor zijn ouden vriend Orvis.”
„En gij geloofdet werkelijk, dat deze man, tegen wien gij reeds een
zeker wantrouwen koesterdet, zijn woord zou houden en werkelijk op reis
gaan?” vroeg Raffles spottend.
„Zoo is het, Mr. Mackenzie. Ik was ervan overtuigd.”
„Hm, dan verbaast het mij inderdaad zeer, dat gij gisternacht
onmiddellijk aan hem dacht, toen gij plotseling de spookachtige schaduw
op den parketvloer van deze Oostersche kamer zaagt vallen.”
„Ik weet zelf niet, hoe ik daartoe kwam, Mr. Mackenzie”, antwoordde
Flora op zachten toon. „De omtrek van den mantel was het in elk geval
niet alleen, wat mij dadelijk aan Melrose deed denken.
„Het was eigenlijk meer een instinctief gevoel, dat in mij opkwam en
dat mij de gedachte ingaf: Deze graaf Melrose is geen vroegere vriend
van den Lord en evenmin een detective, wien de Lord heeft verzocht, je
te bespionneeren. Hij is echter een gemeene gauwdief en misdadiger!”
„Zeer juist! Dergelijke vermoedens bedriegen ons zelden”, antwoordde
Raffles met een glimlachje. „Maar nietwaar, Mylady, nu wilt gij mij wel
zoo’n beetje de geheele persoonlijkheid schilderen van den graaf, die
des nachts in de huizen zijner oude vrienden rondsluipt om hen op zoo
gemeene en sluwe wijze te bestelen?
„Hoe ziet de kerel er eigenlijk uit?
„Is hij, wanneer hij overdag als een levend wezen van vleesch en bloed
te midden zijner medemenschen rondwandelt, groot of klein? Bruin of
blond? Of heeft hij misschien rood haar?
„En dan, waar woonde hij hier in Londen?”
Raffles kreeg echter geen antwoord op al deze vragen.
Hij had nauwelijks uitgesproken of Miss Flora greep hem in de grootste
opgewondenheid bij den arm en fluisterde bevend:
„Om Godswil, zwijg, Sir? Als ik mij niet vergis, hoorde ik daar juist
de stem van Melrose in den corridor!”
Raffles stond bliksemsnel op.
„Werkelijk?” en hij wreef zich vergenoegd in de handen. „Hm, dat kan
niet beter treffen! Nu zal ik dien heer dus zoo meteen persoonlijk
leeren kennen! Maar neen, neen!” sprak hij nadenkend. „Voorloopig zal
en mag hij nog niets van mij weten!
„Good bye voorloopig, Mylady! Ik verdwijn! Ik zal mij snel verbergen
achter die prachtige gordijnen bij de deur naar de gang.
„Daar zal ik gemakkelijk kunnen hooren, wat mijnheer de graaf u te
zeggen heeft.
„Niet bang zijn, Miss Flora! zoo vriendelijk en onbevangen mogelijk!”
Reeds in het volgende oogenblik, voordat er aan de deur werd geklopt,
had Raffles zich behendig in de nis verborgen, die reeds eerder zijn
aandacht had getrokken, omdat daarin een meesterlijk uitgevoerd beeld
van de Venus Anadyomene was aangebracht, welke nieuwsgierig tusschen de
draperieën, die voor de nis hingen, doorkeek.