EEN ZELDZAME ADVERTENTIE.

„Of er geldelijk voordeel aan verbonden is of niet, Charly, de

advertentie was zoo interessant dat ik er dadelijk werk van heb

gemaakt. Hier lees ze nog eens met alle aandacht, dan zul je moeten

toestemmen, dat zij juist voor mij iets bijzonder aantrekkelijks moest

hebben!”

John Raffles, de Groote Onbekende, dien men overal zocht en nergens

vond, reikte het uitknipsel uit de krant, dat hij uit zijn portefeuille

had genomen, glimlachend over aan Charly Brand, met wien hij in een

voornaam Clubgebouw in Londen een kopje koffie gebruikte.

„Inderdaad, die advertentie is ongewoon en verleidelijk,” antwoordde

Charly. „Ik kan mij niet herinneren, iets dergelijks ooit gepubliceerd

te hebben gezien.”

Hij nam het stukje papier nog eens op en las met halfluide stem, zoodat

niemand in de omgeving hem kon verstaan, langzaam en met den klemtoon

op ieder woord:

„Wensch onmiddellijk in relatie te treden met energiek, handig

persoon, die genegen is om zoo spoedig mogelijk de behandeling op

zich te nemen van een moeilijke taak, waaraan waarschijnlijk

gevaren verbonden zullen zijn.

Telegrafische aanbiedingen onder motto: Confidence Londen”.

Charly Brand vouwde het uitknipsel weer samen en gaf het Raffles terug.

„Fine, very fine, Edward!” glimlachte hij. „Als voor jou geknipt.

Energie, handigheid—een moeilijke taak en gevaren...

„Allright, het kon niet mooier! Maar ik moet je er nogmaals op attent

maken, dat er in de advertentie geen enkel woord gesproken wordt van

den Mammon, die de handige, energieke persoon zal verkrijgen, wanneer

hij koen en onversaagd zijn leven op het spel zet voor deze zaak.”

„O, Charly, Charly!” zuchtte Raffles. „Je schijnt allen zin voor het

ideale verloren te hebben! Al je gedachten houden zich op het oogenblik

bezig met het materieele!”

„En met recht, Edward! Als er geen geld meer in voorraad is, word ik

gewoonlijk zeer prozaïsch.

„Ik ben verplicht, je er nogmaals op attent te maken, dat wij bijna

niets meer bezitten. Wij hebben nauwelijks nog twintig pond op de Bank

staan.”

„Ah zoo, oude jongen, dat is wat anders!” lachte Raffles en hij opende

zijn étui om Charly een nieuwe sigaret aan te bieden. „Neem mij niet

kwalijk, oudje en stel je gerust. Wij zullen den man, die deze

vreemdsoortige advertentie in de „Evening News” heeft laten zetten, het

vel over de ooren halen!

„Laat mij maar begaan. De paar shilling, die ik heb uitgegeven voor het

beantwoorden der offerte, zullen hopelijk een flinke rente opleveren.”

Charly keek zijn vriend vol verbazing aan.

„Heb je je inderdaad hiervoor aangeboden?” vroeg hij snel.

„Natuurlijk, maar je begrijpt zeker wel, dat ik het niet onder mijn

waren naam deed.”

„En kreeg je al antwoord?”

„Zeker Charly, waarom zou ik niet? Daar de persoon, die hulp inriep,

veel haast scheen te hebben, telegrafeerde ik onmiddellijk, toen ik de

advertentie onder mijn oogen kreeg en ik heb het antwoord al in

ontvangst genomen op het telegraafkantoor, waar wij zooeven

voorbijkwamen en waarin je mij voor eenige minuten zaagt verdwijnen.

„Het antwoord was, zooals ik het had gevraagd, poste restante daarheen

gezonden en ik behoef mij nu slechts naar het mij aangeduide

rendez-vous te begeven om voldoende te worden ingelicht wat betreft den

persoon in kwestie en dat, wat hij van plan is.

„Laten wij ons op weg begeven, mijn jongen, het is bijna zes uur en op

dat uur moet ik mij in Kings Road bevinden, waar ik zeker met ongeduld

word verwacht.”

Beide heeren stonden op en verlieten het lokaal, om op straat een

toevallig voorbijkomend huurrijtuig te nemen en weg te rijden in de

richting naar Kings Road.

Op den hoek van Sloanestreet lieten zij halt houden.

Daar bevond zich een Amerikaansche bar, waar Charly op de terugkomst

van den Grooten Onbekende zou wachten, die voorloopig alleen het

terrein wilde verkennen.

Het kleine huis, dat op een villa geleek, en waarheen Raffles zijn

schreden richtte, lag in het midden van Kings Road.

Het was het eigendom van een zekeren Lord Orvis, een bejaarde

boemelaar, die geen al te besten naam had en die stamde uit een

adellijke familie, welke in vroeger jaren tamelijk nauw verwant was

geweest met de Listers.

Raffles wist, dat Lord Orvis een egoïst en een woesteling van de ergste

soort was en dat hij eenmaal een arme, beeldschoone nicht, die hem

oprecht liefhad, trouw had beloofd om haar daarna op laaghartige wijze

geluk en eer te ontnemen.

Het arme meisje werd door haar familie verstooten en sleet sinds dien

tijd haar ongelukkig leven als gouvernante in een hoog adellijke

Londensche familie.

Aan dit alles dacht Raffles, toen hij voor het vergulde hek stond, dat

de villa van Lord Orvis scheidde van de lange, smalle straat, waarin

het op dat oogenblik slechts matig druk was.

De gedachte, dat het misschien Lord Orvis zou zijn, met wien hij te

doen kreeg, was hem daarom niet aangenaam.

Raffles, die steeds zijn geestesgaven en de geldbronnen, welke hij

altijd weer opnieuw wist te doen vloeien, aanwendde voor het welzijn

van zijn minder bedeelde medemenschen en die daardoor veel zorg en

verdriet lenigde, was een verklaarde vijand van alle voorname

nietsdoeners, welke de geërfde en dikwijls niet eerlijk verkregen

rijkdommen hunner voorouders verbrasten en slechts aanwendden ter

bevrediging hunner eigen lusten en begeerten.

Maar misschien was het niet eens de Lord, die „de moeilijke taak,

waaraan waarschijnlijk gevaren verbonden zouden zijn,” wilde laten

uitvoeren!

Uit het telegram, dat hij terug ontvangen had, viel dienaangaande niets

met zekerheid te zeggen!

Het kon evengoed ieder ander dan Lord Orvis zijn, die hem had

uitgenoodigd tot de samenkomst onder vier oogen in de villa.

In gespannen verwachting drukte Raffles op het knopje der electrische

bel, om zijn bezoek aan te kondigen.

Dit was hem duidelijk: het een of ander ongeoorloofde moest achter deze

zaak steken. Misschien wilde het toeval, dat hij nu een blik zou kunnen

slaan op de zeker niet al te reine particuliere aangelegenheden van den

Lord en dat hij een bedrogen, ongelukkig meisje zou kunnen wreken.

„Mr. Mackenzie?” vroeg de oude bediende in rijke livrei, die het hek

opende.

„Dat is mijn naam,” antwoordde Raffles.

„Wees dan zoo goed mij te volgen!”

De huisknecht ging den bezoeker voor door het kleine tuintje tusschen

het hek en de villa en geleidde hem door een donkere vestibule, langs

een breede trap met zware loopers naar de bovenverdieping.

Een rijk gebeeldhouwde leuning, geheel in den stijl der zestiende eeuw,

begrensde de trap aan de eene zijde, terwijl aan den anderen kant het

oog werd bekoord door wandschilderingen, afgebroken door nissen met

beelden.

Het inwendige der villa was grooter dan het smalle voorfront deed

vermoeden.

Een zeer groote vleugel was naar achteren uitgebouwd, bijna tot aan

Trafalgar Square en daarvan slechts gescheiden door een heerlijk, niet

al te groot park.

„Is Lord Orvis thuis?” vroeg Raffles, terwijl hij naast den bediende

een reeks weelderig ingerichte vertrekken doorliep.

„No Sir,” antwoordde de oude man. „Zijn Lordschap is nog op reis naar

Parijs.”

„Hij is het dus niet, die mij wenscht te spreken?”

„Wel neen, Lady Flora verwacht u.”

„Vermoedelijk de echtgenoote van den Lord?”

De bediende glimlachte.

Hij bleef het antwoord schuldig.

Zij hadden juist het einddoel van hun wandeling bereikt.

Met een buiging voor Raffles een deur openend, verzocht de bediende hem

binnen te treden en plaats te nemen, waarop hij zelf door een andere

deur verdween.

Onmiddellijk daarna werd deze weer geopend en een niet meer piepjonge,

maar nog altijd bekoorlijke en schoone brunette ruischte de kamer

binnen.

De welriekende japon scheen er voor gemaakt om haar al te weelderige

vormen meer te doen vermoeden dan ze te verbergen.

„Heb dank voor uw komst, Mr. Mackenzie!” sprak zij met een lachje tot

den elegant gekleeden heer, die van zijn stoel opstond en niet al te

eerbiedig voor haar boog.

Met een onderzoekenden blik en zichtbaar welgevallen nam zij hem van

het hoofd tot de voeten op.

„Het verheugt mij bijzonder, dat een heer, die blijkbaar tot de beste

kringen behoort en niet een detective van beroep, zich te mijner

beschikking wil stellen.”

„Wees geheel onbezorgd, mevrouw, ik ben een zeer ongevaarlijk

particulier persoon,” antwoordde Raffles en het voorbeeld van Lady

Flora volgend, die in een fauteuil plaats nam, ging ook hij weer

zitten.

„Ik heb niets, absoluut niets met de politie te maken. Het is niets dan

een soort van sport, een eigenaardige liefhebberij om zoo te zeggen,

dat ik mij aanbied om de een of andere taak op mij te nemen, die, naar

ik vermoed, betrekking heeft op een misdaad?”

„Zeer juist, mijnheer, het handelt hier om een diefstal, om de

ontvreemding van een kostbaar sieraad, dat ik liefst zoo spoedig

mogelijk weer in mijn bezit zou willen krijgen door de hulp van een

energiek persoon.”

„Gij hebt gelijk, Lady Orvis, en juist voor een dergelijke zaak ben ik

bijzonder geschikt. Wilt u mij een beetje nauwkeuriger inlichten, opdat

ik zoo snel mogelijk een punt van uitgang heb?”

„Zeer gaarne, Sir, maar—” de dame wierp Raffles bij deze woorden een

betooverenden blik toe—„wilt gij mij, als ’t u blieft, niet met Lady

aanspreken? Ik ben niet, zooals gij schijnt te vermoeden, de

echtgenoote van zijn Lordschap, maar reeds jarenlang diens

hartsvriendin.

„Maar daarom ben ik niet minder bezorgd, om hem elke ergernis en elke

opwinding te sparen.”

„Dus de mededeeling van dezen diefstal zou zijn Lordschap vermoedelijk

veel ergernis geven?”

„Ongetwijfeld, Mr. Mackenzie,” verzekerde de dame, naar het scheen zeer

angstig.

„Het kleinood, dat men mij ontstolen heeft, is een overoud erfstuk der

familie Orvis en ik ben er van overtuigd, dat de Lord ontroostbaar zou

zijn, als hij vernam, dat het niet meer in mijn bezit is.

„Flora,” sprak hij tot mij, toen hij eenige dagen geleden afscheid van

mij nam, om met een vriend van hem een plezierreis te ondernemen.

„Flora, een ding moet ik je nog op het hart drukken, zorg vooral goed

voor het brillanten collier! Bewaak het als je oogappel! Je weet,

hoeveel waarde ik er aan hecht.

„Afgezien nog van het feit, dat ik nooit weer in staat zal zijn, je een

dergelijk kostbaar sieraad ten geschenke te geven, is het ook als oud

familiestuk niet door iets anders te vervangen en bovendien door de

prachtige, bijzonder groote diamanten van onberekenbare waarde.

„Stel u dus mijn schrik voor, toen ik hedenmorgen tot de ontdekking

kwam, dat het uit mijn juweelkistje verdwenen was!”

„Verdenkt gij misschien den een of anderen persoon met den diefstal van

dit collier te maken te hebben?” vroeg Raffles met de grootste kalmte,

terwijl hij met scherpen blik het gelaat van Flora bekeek, dat hem

merkwaardig bekend voorkwam.

„O ja, Sir,” antwoordde deze. „Sinds gisternacht verdenk ik iemand en

wel een heer, die mij gedurende de afwezigheid van den Lord voortdurend

lastig viel onder voorwendsel een oud vriend van den Lord te zijn en

die mij zelfs hier in mijn woning meermalen bezocht.

„En verder,” vervolgde de maîtresse van den Lord plotseling op

levendigen toon, toen zij bij haar laatste woorden een spottend lachje

op het gelaat van Raffles waarnam, „zou ik u deze bekentenis niet doen,

als gij mij niet zooeven, toen ik u zag binnenkomen, bekend hadt

geschenen.”

„Hoe bedoelt gij dat?” riep Raffles verbaasd uit.

„Inderdaad,” vervolgde Flora, „ik ben het toeval dankbaar, dat mij

juist u als bondgenoot toezendt. Ontken het niet, Sir, ik had reeds

jaren geleden het voorrecht u te leeren kennen op een buitenpartij bij

Lord Hastings te Epping!

„Gij hebt u heden aan mij voorgesteld onder een valschen naam.

„Ik kan mij helaas uw waren naam op het oogenblik niet herinneren, maar

ik weet, dat hij tot de edelste en voornaamste van den oud-Engelschen

adel behoorde en dat ik tegenover een gentleman sta, die discreet is!”

Raffles boog toestemmend.

„Laat mijn naam er buiten,” verzocht hij glimlachend. „Laat het u

voldoende zijn, dat Mr. Mackenzie zich bereid verklaarde om u te

helpen.

„Gij hebt gelijk, Miss Flora, ik ben een edelman en zal dus nimmer de

geheimen van dames, die mij haar vertrouwen schonken, verraden.

„Maar gij vergist u zeer beslist, wanneer gij meent, mij reeds eerder

gezien te hebben. Lord Hastings is niet eens een goede kennis of vriend

van mij.

„Ik verzoek u, Miss,” vervolgde hij op dringenden toon, toen hij

merkte, dat Flora zich niet liet overtuigen en bij haar meening bleef,

„laat ons bij de zaak blijven, vertel mij verder van den heer, die zich

voorstelde als een vriend uit de jeugd van Lord Orvis, vertel mij

waarom gij sinds gisternacht juist hem verdenkt.”

„Ik hoop, dat gij mij gelijk zult geven, als gij zoo vriendelijk zijt

geweest om mij te volgen naar de vertrekken, die speciaal zijn

ingericht voor mij en mijn kamenier Miss Price, die op het oogenblik

niet thuis is,” antwoordde de geliefde van den Lord.

Daarop opende zij de deur, waardoor zij zooeven de kamer was

binnengekomen.

Lord Lister No. 0044: Het briljanten halssnoer van Flora Palmerston · 第 4 / 25 题