AANTEEKENINGEN

[1] Een korte beschrijving van dit document.

[2] Kort stukje promotionele tekst voor op de achterflap.

[3] Kort extract uit de tekst.

[4] Deze belangstelling is onder anderen ook gebleken uit de plaatsing

van het Prospectus of Berigt, waarbij ik mijn oogmerk heb ontwikkeld,

in de derde Mnemosyne, 1829, I. 278, en de aanbeveling van den

Hoogleeraar H. W. Tydeman; als mede uit de opname van hetzelve in de

Handleiding tot de kennis van het Staatsbestuur in het Koningrijk der

Nederlanden, V. 646, alwaar tevens de wensch wordt geuit dat dit plan

spoedig moge verwezenlijkt worden.

[5] Ook tot een goed Schoolboek van de Geschiedenis van Friesland

strekt zich deze behoefte uit.

[6] Deze zeer onbepaalde beschrijving van den alouden Staat der

Provincie is in de Bijvoegsels en Aantt. aangevuld.

[7] De regering dezer Prinsen, zoo wel als die der opvolgende Hertogen

en Koningen, behoort tot het fabelachtig gedeelte der Historie, welke

ook met betrekking tot de gebroeders Friso, Saxo en Bruno (de laatste

wordt hier niet gemeld) zeer verschillend wordt voorgedragen. Zie de

Bijv. en Aantt.

[8] Verheerd, d.i. overwonnen, te onder gebragt.

[9] Gevolg.

[10] Als de zomer hoogde, d. i. in het midden van den zomer.

[11] Ook Hamconius en Cappidus van Stavoren beweren, dat er van

Friso's tijd af een wapen heeft bestaan, hetwelk echter moeijelijk

valt te gelooven, daar men het er voor houden moet, dat in den tijd

der kruistogten, dus niet vroeger dan in het begin der XII eeuw,

de familiewapens zijn uitgevonden. Men zie over dit onderwerp de

Bijv. en Aantt.

[12] Over de groote en kleine Friesen zie Bijv. en Aantt. over den

alouden staat van Friesland.

[13] In de Uitgave van 1677 staat: "Waar van heedendaachs noch top,

noch teil (tegel) te zien is."

[14] In de Ie uitgave staat: "Heeft de Hertog hem bekeeven."

[15] Holle is Olennius. Zie Aantt.

[16] d. i. gedwongen om het beleg op te breken.

[17] Oxel, Oksel, holligheid onder den arm.

[18] Het Gods Hof of Aula Dei, kweekschool van Priesters, waarvan

C. Stavriensis, S. Petri, Hamconius en anderen spreken. Zie Aantt.

[19] d. i. aangehitst, opgestookt.

[20] Het beknopt Chronykjen van Friesland opgesteld en bijeenverzameld

door C. G. Jacoby, Leeuwarden 1755, voornamelijk bestaande in een

uittreksel van Ocko van Scharl, vermeld slechts vijf Prinsen, latende

Adel en Ubbe buiten het spel, en springt dus een tijdvak van bijna

twee eeuwen over.

[21] Lees Westerwierum.

[22] Lees: tusschen Almenum en Terschelling. Verg. Hamconius, Frisia,

fol. 14, die deze gebeurtenissen van 't Klif en der Meerminnen

verhaalt, echter den Duivel buiten het spel laat.

[23] Bij andere Schrijvers Basterd-Broeder van Adelbold genoemd.

[24] Volgens anderen door Tiete of Titus zelf gebouwd.

[25] De oude Uitgave zegt: "Met een gaar geraapten hoop."

[26] Dit geschiedde langs den geheelen Rijn tot aan de Noordzee,

uit wantrouwen tegen de Germanen.

[27] Over de verschillende gevoelens dezer benamingen hebben wij het

noodig geacht in de Bijvoegsels het een en ander aan te stippen.

[28] Engeren, Angeren.

[29] De Ezumazijl nabij Ezonstad, alwaar in den tijd van Foeke Sjoerds

(Beschr. van O. en N. Friesland I. 240) nog eenige overblijfselen

van te zien zoude geweest zijn. Zie verder Aant. op 't jaar 339.

[30] Over de Geschiedenis der Gebroeders Hengst en Hors, die Brittanje

zouden hebben veroverd, zijn de Geleerden het mede niet eens. Zie

daarop de Bijv. en Aantt.

[31] 't Kasteel Grunenberg of Gronenberg was de oudste Burgt, volgens

de Friesche Overlevering, tusschen de Eems en het Vlie.

[32] Vergel. Westendorp, Jaarboek van en over Groningen, p. 24, op

't jaar 409;--alsmede de beschrijving der vrije Schuilplaatsen p. 110.

[33] Zie de Aantt. op 't jaar 808.

[34] Vergel. p. 23, waar ook van twee Lems of Willems gesproken

wordt. Zie voorts Bijv. en Aantt.

[35] Uit hoofde van der Schrijveren verschil in de jaren, waarin de

watervloeden hebben plaats gehad, hebben wij in de Aantt. eene opgave,

zoo naauwkeurig mogelijk, geplaatst.

[36] Chlotarius II.

[37] F. Sjoerds voegt hierbij de woorden: an fen dead wir libben

werden! Schot. Fr. Hist. heeft het tweeledig, zie p. 47 en 54.

[38] In de Uitgave van 1677 staat: "naar den Franschen zin, En liet

de Christenen vryjelijk toe."

[39] Pepyn van Herstal of de Dikke noemde zich Hertog en Prins der

Franken, en was Groot-Hofmeester.

[40] Natuurlijke zoon van Pepyn; was Groot-Hofmeester.

[41] Van daar Sant Michiels dom genaamd.

[42] Men zie de Aant. op 't jaar 830.

[43] Vergel. op 't jaar 463.

[44] Godfried.

[45] Deze belasting heette Klipschild.

[46] Deze togt geschiedde onder bevel van den Deenschen

Koningszoon Hendrik. Van tijd tot tijd moest het handwerk van

zeerooverij worden herhaald op alle kusten, om de jonge manschap te

oefenen. Geloofwaardige Fransche Kronyken vermelden het verwoesten door

de Noren in 837 van drie koopsteden: Antwerpen aan de Schelde, Witha of

Wintland aan den mond der Maas, en Groningen aan de Eems. West. Jaarb.

[47] Men zie Aant. op 't jaar 830.

[48] Zijn zoon Lodewijk, bijgenaamd de Duitscher, volgde hem op.

[49] Thans was Lodewijks zoon, Lodewijk de jonge, Heer der Friesche

Landen.

[50] Winsemius: Haadet goede wacht tyen da Nordera oordt, Want vuyt

da Grimma herna comt ws alle quaed voort.

[51] Nu kwam Lodewijks Broeder, Karel de Dikke aan het gebied. Zie

voorts over dezen strijd de Bijv.

[52] Omstreeks dezen tijd werd Karel de Dikke onttroond, en de

laatste van den stam van Karel de Groote, die 't Westen regeerde,

met name Arnulph, natuurlijke zoon van Karloman volgde hem op,

regeerde drie jaren en stierf, wordende door zijn zoon Lodewijk in

't gebied vervangen. Zie Aant. op het jaar 840.

[53] Een veldvlugtige is een overlooper.

[54] Men zie over deze begiftiging het Jaarb. van den Heer Westendorp

op de jaren 1040 en 1046.

[55] Wij hebben het niet ondienstig geacht over de Kruistogten der

Friezen een aangeschakeld verhaal in de Bijvoegsels eene plaats te

geven,--waardoor wij ons onthouden, van alle andere aanteekeningen

op de verschillende jaren, waarin dezelve zijn voorgevallen, 't welk

anders noodig zoude zijn.

[56] Vergel. Westendorp Jaarb. op 1112.

[57] Als voren op 't jaar 1143.

[58] Onder de namen bekend van Frederik I, Aenobarbus, Roodbaard,

ook Keizer Frederik de Groote.--

[59] Dit verhaal komt hoofdzakelijk overeen met het Jaarboek van

den Heer Westendorp, de vermelding op den jaare 1160,--en andere

Schrijvers.

[60] Of van de St. Cistercie-orde. Deze Abdy is de vermaardste geworden

in de Ommelanden, bezittende aanzienelijke rijkdommen.

[61] Over dit voorval, 't welk eene andere oorzaak gehad heeft,

vergel. men West. Jaarb. op 't jaar 1195.

[62] Stoepens zijn Stoopen of Drinkkannen geweest en geenszins de

Stoepen voor de deuren, waarvan anderen uit gebrek aan taalkennis

ooit de Kloppers aan de deuren gemaakt hebben.

[63] Verweend is verwaand; ook fier,--lekker opgebragt, weelderig

enz.--

[64] Of Grind.

[65] Slegtigheid is hier eenvoudigheid, onbeschaafdheid.

[66] Men zie over dezen strijd West. Jaarb. op de jaren 1226 enz.--

[67] Vergel. de Aantt.

[68] Westendorp Jaarb. na 't jaar 1232 noemt de Reiderlanders en

Emisgooërs, welke twist ontstaan was door het verdrinken van een

Reiderlander, omdat hij de lieden, die van de jaarmarkt kwamen,

had willen berooven.--Verg. denzelven I. 280.

[69] Upstalsboom, gelegen een uur gaans ten zuidwesten van

Aurik. Alhier stonden drie hooge eike boomen, met de takken en kroonen

meest aan malkanderen gegroeit, hebbende op 2 a 300 treden na geene

huizen omtrent. De Rechtspleeginge geschiede aldaar onder den blaauwen

Hemel, van de Regeerende en daar toe gerechtigde Perzoonen van alle

de Frieslanden, en richtede alhier over alle zwaare zaaken, welke bij

de mindere Collegien niet afgedaan wierden; als wanneer daar tenten

opgeslagen en banken van opgegraavene aarde wierden gemaakt.

[70] West. Jaarb. I. 282 beschrijft kortelijk dezen oorlog voornamelijk

naar de verhalen van E. Beninga en Harkenroth gevolgd, bewerende

tevens dat het niet de Eenrummers maar de Emersen geweest zijn.

[71] Voor de zusters van de Cistercie-orde, opdat de schimmen der

verslagenen mogten verzoend worden. Het werd eerst aangelegd by

Koevorden aan de A, doch naderhand verplaatst.

[72] Is gebeurd 21 Januarij 1256 op zijnen togt tegen de

West-Friesen.--Zie voorts de Aant. op Sikko Sjaardema in 't jaar 1239.

[73] Over deze twisten zie men de algemeene Aanteekeningen.

[74] Over den juisten dag, waarop deze gruwelijke moord heeft plaats

gehad, zijn vele Schrijvers het niet eens en in zonderlingen twist

geraakt.--

[75] Dit Zegel der vrye Frieslanden verbeelt een geheel gewapent Man,

houdende in zyn regterhand een Lans, en in de linkerhand een bloot

Zwaard, dat na de schouder opgeheven word, en staande onder een Boom.

[76] Men zie Westend. Jaarb. over dezen strijd op de jaren 1232

en 1233, die dezelve toeschrijft aan de partijschappen tusschen

de Vetkoopers en Schieringers, en waarin deze laatsten de overhand

behielden.

[77] Deze Proost Hiske had eene dochter, genaamt Reinske, welke met

Hayo te Westerwolde trouwde; en naderhand uit haare eigene goederen de

Groote Kerk met vier Torens te Mildwolde, in den Oldambte, heeft laaten

bouwen; zynde de zelve die voor enige jaaren is afgesleeten geworden.

[78] Vergelijk over deze list

Wins. fol. 242. Schot. Fr. Hist. p. 253. Petrus Thab. op dit jaar.

[79] Zoo als meermalen was ook thans het eerste artikel van

het verdrag: "volkomen verzoening en een eeuwige vrede!" Bij

West. Jaarb. op dit jaar vindt men eene reeks van voorwaarden.

[80] Vergelijk West. Jaarb. op hetzelfde jaar.

[81] Te regt wordt van hem gezegd dat zijn leven een strijd en

worsteling op deze wereld geweest is.--In dit jaar werd ook door de

Friesen en Groningers een verbond aangegaan ter wering bijzonder van

dieverijen en ander misdrijf. Vergel. Schwartz. Charterb. I. 526.

[82] Zie op dit jaar Westend.

[83] De Keizer Frederik de III. roemt hem wegens zijne ongemeene kunde

in de vrije kunsten, in de Keizerlijke regten, in het Kerkelijk regt,

en vooral zijne gevatheid en vaardigheid in de openbare zintwisten.

[84] Een der heerlijkste werken der bouwkunde van de middeleeuwen. Men

plaatste op den toren een koperen paard van de grootte van eene gewone

noordsche kidde, hetwelk tot een windhaan diende en het teeken was

van St. Maarten van Utrecht. West.

[85] Dus ook Winsemius, Schotanus geeft de leus aldus op: Op uws Finne

herne, lizze fjouwer klaer lotter Ljep-Ayen ijn ien Nest. Zie Aant.

[86] Vast maken is zoo hier als op alle vorige en volgende plaatsen:

Versterken.

[87] Spelen alle zeilen blank: dit gezegde heeft zijn' oorsprong van de

zeerooverij, waarin men van vriend en vijand kaapt en rooft, wat men

vangen en grijpen kan:--alles wegrooven wat men op zee ontmoet. Zie

Winschootens Zeeman, op 't woord Seil, en Weiland N. T. Woord.

[88] Hij smeet (zegt Winsemius fol. 446,) vele Hollanders in plaats

van Borgoenschen over boord, volgens Martinus Ylst uit de overlevering

van Bonne Haisma zijne medgezellen toeroepende: Siuch faynten, ho

kenne da deels kijetten swomma.

[89] Zie hierover de Bijv. en Aantt.

[90] Frederik Gaykinga, in den jaare 1360, Abt van Aduard zynde, had,

tot nadeel van zyn geslacht, hoewel tot eere, dit klooster met veele

goederen begiftigt; doch op zekere voorwaarden, waartoe zyn geslacht

altoos gerechtigt zou wezen. Bestaande 't voornaamste hier in, dat die

van Gaykinga voor eeuwig zouden hebben alle jaar op St. Martens avond

een witte Zwaan, een Capoen, en een kanne Wyn, en zouden voor altoos

eene misse houden in 't Kapittelhuis, en een brandende lampe voor 't

geheele geslachte. Wanneer iemand van 't geslachte quam te verarmen,

zoude aldaar voor zyn leeven de kost hebben; ook wanneer zy met hun

gezinde quamen, zoude de Abdy voor hun geöpent, en de tafel gedekt

worden, na de waardigheid des geslachts, in de voornaamste kamer;

benevens jaarlyks op St. Bernards dag te gast genoodigt worden. Aldus

was Hendrik op dit jaar genoodigt, maar Jan en Frederik quamen van

zelfs. Waar op, onder de monniken een jalousie ontstond, die hun zeer

qualyk bejegende, en waar door het gevegt ontstond.

[91] Wins. Chronyck fol. 519.

[92] Kettermeester hetzelfde als Geloofsonderzoeker.

[93] In de maanden Mei en Julij hadden er twee overstroomingen plaats,

door welken, vooral den laatsten, waarvan bij Outhof geen gewag

gemaakt wordt, ook vele menschen omkwamen.--Zie F. Arends Physische

Geschichte der Nordsee-kuste. II. 96.

[94] Zie over dezen strijd het uitvoerig verhaal van Winsemius

Chronyck, fol. 565 volgg.

[95] In den eersten druk van 1677 staat: »Als de Stadhouder

Rennenberg zich door ontrou omgekeert hebbende tot de Papisten; die

van Leeuwarden," enz.--Het woord Papen is overal in den tekst behouden,

omdat de Schrijver er de Roomschgezinden over 't algemeen, zoo leeken

als priesters, mede bedoeld, en het dus hier voor geen scheldwoord moet

worden gehouden, evenmin als Arminianen, Menisten, Calvinisten, enz.

[96] Balthazar Gerards genaamd, geboren te Villefans in Bourgondien,

oud 26 a 27 jaren. Onder verschillende personen, die zich op 't

leven des Prinsen toelagen, moet ook zekere Koopman te Vlissingen,

Hans Hanses, geweest zijn, wiens aanslag echter door eenen Fries,

uit het geslacht der Auckama's ware ontdekt. Gevat zijnde had

hij beleden, daartoe middelen te hebben aangewend.--Gerards werd

daarna als Martelaar hoog vereerd en waardig geacht gecanoniseerd

te worden--onder de belooningen, wil men, was ook de verheffing der

familie in den adelstand.

[97] Nederl. Oorl. en Geschied. 1623, fol. 474 verso.

[98] Dit voorval wordt omstandig beschreven bij Winsemius, Chronyck

fol. 897.

[99] In de druk van 1677 staat: (een gehuerde vleegel enz.)

[100] Zie 't Verwerd Europa ofte Polityke en Historische Beschryvinge

enz., Amst. 1675, bl. 596 volgg.--Van dezen Schrijver, welks werk twee

jaren vroeger dan de eerste druk van onze Kronyk was uitgekomen, is

veel gebruik gemaakt en daaruit overgenomen door onze Kronykschrijvers.

[101] De Leezer dient te weten, dat zekere Broersma hier eigentlyk

Commandant zynde, door de Staaten Generaal was opontboden; doch in

plaats van in den Haag te compareeren, ging hy over by den Bisschop

van Munster, en wierd aldus een verraader van zyn eigen Commandement.

[102] Fantassin, Fant: voetknechten, infanterie.--

[103] Mengel-Poezy, bl. 257.

[104] en der zonde, voegt de eerste druk dezer Kronyk hierbij,

waarmede zij haar verhaal eindigt en de Landverdeeling van Friesland

volgen laat.

[105] Dat de Schelde en de Sincfal, later Zwene geheten, niet dezelfde

rivieren zijn, en dus niet voor elkander genomen moeten worden, wordt

behalve in de Bijv. voor het I. D. van Wagenaars Vad. Hist. ook in

het breede betoogd door den Hoogleeraar Ypeij, in het II. D. zijner

Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 115 volgg.

[106] Over deze vergraving lezen wij in Bilderdyks Geschiedenis des

Vaderlands, I. 24: »'t Was natuurlijk dat Drusus, geheel het zuidelijk

Land zijner Landvoogdij jaarlijks overstroomd ziende, bedacht was

om het Rijnwater af te leiden. Naderhand deed Corbulo 't zelfde met

den zoogenaamden Vliet te graven. Maar beide ondernemingen hadden

gelijke gevolgen: Het verderf van een groot gedeelte Lands. Gelukkig

Holland, zoo men nooit gegraven en nooit gedijkt had! Wij zouden

thans boven de rivieren wonen, die het Land doorsnijden moesten, en

er nu over heen loopen in gemaakte goten, wier bodem steeds verhoogt

door de vallende slib, en die dus hoe langer hoe meer boven het land

rijzen en in kracht en gewelddadigheid hunne dijken overmeesteren;

terwijl men haar nog bovendien door de droogmaking van meeren,

de noodige boezems onttrokken heeft, om zich, bij voorkomende

opzetting van boven, te kunnen ontlasten, zonder hunne boorden te

verwoesten."--Hoezeer deze en dergelijke gevoelens tegenstanders

vinden, kan ik er echter bijvoegen, dat met andere deskundigen ook

de zeer bekwame Waterbouwkundige Cornelis Zillesen in zijne werken

zeer tegen alle vergravingen ijvert. Nog op zijn negentigste jaar

heeft hij daartegen ernstig gewaarschuwd in zijn belangrijk stukje,

getiteld: Iets over de natuurlijke oorzaken der steeds toenemende

Zeeoverstroomingen (Rott. 1825), waarin hij ook beweert en bewijst,

dat de Alwijze Schepper der natuur voor de ontlasting des waters had

gezorgd, en dat, om van land water te maken, alleen daar noodig was,

waar door rivieren of binnenvaarten de kanalen verbeterd moesten

worden, terwijl de verhooging der rivierdijken en de daarin begane

misslagen zoodanig de inkeldering der binnenlanden en woningen

had veroorzaakt, dat bij elke doorbraak de rivieren die landen tot

hunne beddingen verkozen. Ook had deze maatregel een ander nadeel ten

gevolge, het onderhoud namelijk, tot groote kosten van den landbouw,

op plaatsen daar men reeds niet meer het water door sluizen kon

ontlasten, van 2000 watermolens alleen in Holland. De Schrijver geeft

voorts onkostbare behoedmiddelen aan de hand, en dit boekje verdient

de opmerking des onpartijdigen.

[107] Door den Emeritus Predikant P. Brouwer, een man van kennis

en verstand, was in geschriften nagelaten eene Nasporing en

Aanwijzing van den Loop en de Grenzen der opgeslijkte Middelzee,

welk stuk te gelijk wordt uitgegeven (terwijl deze ter perse is,)

met een zeer naauwkeurig en grondig Onderzoek naar de oorspronkelijke

uitgestrektheid, en den tijd en wijze van opslijking der Middelzee;

alsmede hoe Leeuwarden door haar is bespoeld geweest, zamengesteld

door den ijverigen beoefenaar der Geschiedenis W. Eekhoff. Eene zeer

aanbevelende Voorrede van den kundigen Worp v. Peyma versiert dit

werk. Het onderzoek van Do. Brouwer bepaalt zich tot den omvang en

begrensdheid der Middelzee in de 13 eeuw. Eekhoff heeft getracht aan

te toonen en tot eenen hoogen trap van waarschijnlijkheid te brengen,

welke in de oudste tijden de grenzen dier Zee waren, kennende haar eene

veel meerdere uitgestrektheid toe, dan waarvan de geschiedenis gewaagt.

[108] Dit werk getiteld: Physische Geschichte der Nordsee-Küste und

deren Veränderungen durch Sturmfluthen seit der Cymbrischen Fluth

bis jetzt, is in twee deelen uitgekomen te Emden 1833, en was het

laatste voortbrengsel van dezen verdienstelijken man, ten nutte

van zijn Vaderland, omdat hij dat Vaderland verlaten en zich naar

een ander werelddeel begeven moest, ten einde zich een voortdurend

bestaan te verschaffen.

[109] Vergelijk hierbij de Voorrede voor het II deel van 't

Charterboek, p. 65 en 66.

[110] Vervaardigd voor het, door 't Friesch Genootschap uitgegeven,

Friesch Jierboeckjen. Het eerste gedeelte is geplaatst in dat van 1831:

Kirt Oersicht oer Frieslâns Schijdnis, fenne fierste tijd oon it jier

1814 to, loopende dit deel van de vroegste tijden af tot aan Karel

den Groote, dat is, tot aan 't jaar 773 of daaromtrent. Dit tijdvak

noemt de Schrijver het Fabelachtige Friesland.

Het tweede tijdperk, loopende tot op de aanneming van Albrecht,

Hertog van Saksen, tot Heer van Friesland, d. i., tot aan 1498,

wordt genoemd het Vrije Friesland.

Het derde, de geschiedenis zullende bevatten van 1498 tot op de

afzwering van Philips II., Koning van Spanje, als Heer der Nederlanden,

heet het Overheerde Friesland.

Het vierde tijdvak, van 1584 tot aan 1795, tijdstip van het vertrek van

Prins Willem den V., laatste Stadhouder der VII Vereenigde Gewesten,

uit Holland, zal het Stadhouderlijk Friesland genoemd worden.

Het vijfde, zullende gaan van 1795 tot de omwenteling van 1813, zal

den naam ontvangen van het Nieuwere Friesland.--Zie gem. Jierboeckjen.

[111] Het gevoelen van den heer Hettema, ontwikkeld in zijn Iets over

de Geschiedenis van Friesland (zie het Mengelwerk van de Leeuwarder

Courant van den 10 Augustus 1830, No. 64), vind ik niet aannemelijk,

dat namelijk Friezen hetzelfde zoude beteekenen als Frigen, Frisschen

of vreemde volkplantingen;--hoezeer dan ook M. Alting in zijne

Notitia Bat. et Frisiae Ant. in voce Frisii deze beteekenis aan

de hand geeft en daartoe overhelt. H. v. Rhyn, in zijne Aantt. op

de Friesche Oudhed. en Gest. I. 43, en andere Geleerden houden het

met de beteekenis van vrijen. Dat de frissche of koude landstreek

den naam Friezen zou geschapen hebben, zal toch wel geen' ingang

vinden.--Vergelijk ook de voorrede van Gutberleth, voor Gabbema's

Verh. van Leeuwaarden.

[112] Vg. bl. 206, II. deel van de Bekn. Geschied. der Nederl. Taal

door A. Ypeij, over de herkomst der Friezen.--

[113] Winsemius in zijne Chronique, f. 6, en Suffr. Petri de

Frisior. antiq. et orig. p. 234, noemen Hoppers een beroemd en

verdienstelijk man, de eer der Friesche natie; v. Rhyn en na hem

F. Sjoerds zeggen echter, dat zijn gevoelen geene voorstanders heeft.

[114] Gemelde Aantt. p. 44.

[115] Cf. Suffr. Petri de Fr. Or. L. I. Cap. XVIII.

[116] Zie deswegens v. Rhyn t. a. p. en Westendorp, Jaarboek van en

voor Groningen, p. 5.

[117] Hunibaldus, Trithemius, Funccius, Panthaleo; of hebben zij

zonder onderzoek elkander nageschreven?

[118] Westendorp, Kronyk, p. 6 en 7.--V. Rhyn, ll. F. Sjoerds,

Fr. Jaarb. I. 14 enz.

[119] Wolfgang, Lazius en Aventinus.

[120] Zie Westendorp, p. 8. Van deze omstandigheid, in de Kronyk van

Eggerik Beninga vermeld, maken V. Rhyn, F. Sjoerds en anderen geen

gewag.--Over andere volksvertellingen der stichting van Groningen,

zie men onder anderen West., p. 19.

[121] Men zie ook wat Bilderdyk, Geschied. des Vaderlands. I. 296

over de Sagen zegt.

[122] Vergel. A. Matthæi veter. ævi Anal. T. IV. p. 9, de derde

Ankomst der Fresen.

[123] Bl. 6.--De Heer Westendorp zijne bronnen in het I. deel van

zijn Jaarboek nergens hebbende opgegeven, heb ik te vergeefs gezocht

naar den veranderden inhoud dier sage.

[124] Waarom onze schrijver Bruno heeft verkiezen weg te laten, is

mij een raadsel, daar hij toch in alle andere kronijken mede zijne

rol speelt.

[125] Achter de Oudheden en Gestichten van Vriesland geplaatst,

tot aanvulling van vele onvermelde zaken in dit werk, in welks

voorafspraak bij de Friesche schrijvers luchtig beoordeelt. Hij

verwerpt S. Petri, Furmerius, Winsemius, Hamconius en Zoeteboom,

en houdt zich aan Emmius, Douza, Schotanus, Buchelius, Huetius en

Alting. F. Sjoerds komt met zijn oordeel zeer naauwkeurig overeen in

al wat van Rhyn geoordeeld heeft.

[126] Zie gem. Nabericht, p. 350.

[127] Cf. M. B. v. Nidek, Anal. Medii aevi, p. 140, drukfout voor

440.--

[128] Not. Bat. in voce Frisii.

[129] Men vergelijke voorts de Chronyk van Eggerik Beninga in de

Ann. van Mattheus.

Onder verschillende schrijvers die over de Friezen en derzelver

oorsprong geschreven hebben, kwam mij als niet een der geloofwaardigste

voor, den minder bekenden en in Mencker's Gelerthen Lexicon, door

Jöcher uitgegeven, vermelden Werner Rolevink de Laer, een Karthuizer

Monnik te Keulen, uit Westfalen geboortig. Hij bloeide omstreeks 1495,

onderzocht vlijtig de H. Schrift, leidde een godvruchtig leven en

stierf in eenen hoogen ouderdom. Deze heeft onder vele werken ook een

ten titel voerende: De origine Frisionum uitgegeven.--Suffr. Petri

in Origine Frisionum maakt gewag van hem op p. 237,--en Furmerius

heeft bij het opstellen zijner Annales gebruik van hem gemaakt.

[130] Friesch Jierboeckjen foar it jier 1831, bl. XII en volgg.

[131] Ook op Texel stichtte Drusus een burgt, waarvan het bewijs nog

aanwezig is in den naam der hoofdplaats, terwijl grafheuvels en andere

oudheden van het verblijf der Romeinen in die streken getuigen.

Waarschijnlijk is destijds de stad Grebbe gesticht, welke gelegen heeft

omtrent een half uur gaans benoorden Wieringen, aan het tegenwoordig

Amsteldiep. Omstreeks 1710 was er nog veel muurwerk overig, en voorheen

moet de massa van dat muurwerk ongelijk grooter geweest zijn, vermits

men om het midden der XVII eeuw zeer veel duifsteen heeft opgehaald en

met kagen naar Amsterdam vervoerd.--Over het bestaan dezer stad is veel

getwist en aan de kronijkschrijvers Twisk, Borger, Valkoog en Zoeteboom

voorheen (zoo als aan de oude Friesche kronijken) allen geloof in dezen

ontzegd; doch na de opsporingen en berigten van Paludanus en anderen,

in onzen leeftijd gedaan en gegeven, is die twijfel opgehouden.--Dat

Drusus in deze streken dijken heeft aangelegd, is door de berigten en

ontdekkingen van de geleerde oudheidkundigen A. Junius, den Marquis

de Saint Simon en R. Paludanus buiten twijfel gesteld.--Scheltema,

Geschiedenis der Zuiderzee. M. S.

[132] Over deze daad en het Brittenkruid vergelijke

men Plinius XXV. 3. F. Sjoerds, Fr. Jaarb. I. 125

en 126,--Beschr. v. Fr. I. 344. Schotanus,

Friesche Hist. p. 8. West. Jaarb. p. 14. Wagenaar,

Vad. Hist. I. 79. H. Cannegiet. Dissert. de Herba Brittanica

etc. p. 40.--Tegenw. Staat van Friesl. I. p. 19 volgg. en p. 126.

[133] 't Zal met deze namen den Romeinen, als den lateren Franschen

met die van de Admiralen Tjerk Hiddes en van Duvenvoorde gegaan

zijn. Dezen heetten zij Kierkides en Vandenfort.

[134] Zie F. Sjoerds, Jaarb. I. 203. Schot,

Fr. Hist. bl. 26. Tegenwoordige Staat van Utrecht, I. 13 volgg.

[135] Ook Westendorp (Jaarb. p. 16) heeft hier geen licht verspreid,

verklarende niet te weten, op welk gezag de Jaarboekschrijvers

van eenen inval der Noormannen in 't jaar 90, bij F. Sjoerds Gothen

genoemd, gewagen.--Dit punt verdiende mede een opzettelijk onderzoek,

daar men toch niet kan vooronderstellen, dat deze vermelde feiten,

op verschillende tijden geschied, uit de lucht gegrepen zouden zijn.

[136] Vergel. F. Sjoerds, Jaarb. I. 220 en volgg.

[137] Vergelijk Westendorp, Jaarb. van en over Groningen, p. 32 en

volgg., zoo over deze als de opvolgende tijdvakken, onder de regering

der Koningen Radboud I, Adgillus II, Gondebald en Radboud II., de

laatste Koning over Friesland.

[138] Luden, Geschichte des Teutschen Volks. Een onwaardeerbaar boek!

[139] Gaillard, Histoire de Charlemagne. Niet een van de minsten,

wat zijnen schrijftrant betreft.

[140] Hoezeer te dikwijls de kleine daden van groote mannen tot

bouwstof moeten dienen, om des Schrijvers historie met luister op te

sieren, is echter in de geschiedenis van dezen Karel, hoe dikwijls

ook beschreven, geen verdicht sieraad noodig: want altoos levert

zij een grootsch tafereel op van een merkwaardig Vorst, aan wien de

wetenschappen en letteren, maar vooral de vrijheid en onafhankelijkheid

van geheel de Christenheid, alles te danken hebben.

[141] Over deze en al de oude wegen in Oost-Friesland is eene zeer

uitvoerige beschrijving gegeven door Fr. Arends, in het Ostfrisisches

Volks-Buch van het jaar 1832, waarvan eene gedeeltelijke vertaling

door mij is gegeven, in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant.

[142] Men zie hierover Adam en Meijer, Römische Altherthümer, II. D.,

en vergelijke de Aanteekeningen over het Oude Friesche Wapen,

in het Mengelw. Leeuw. Courant, 20 Sept. 1831. alwaar dit breeder

ontwikkeld is.

[143] Bilderdyk, Geslachtlyst op het woord Adel, zegt: het is slechts

eene andere uitspraak van edel; van aad, oud. Van deze meening moeten

wij, met anderen, verschillen.

[144] Dit Register is onder anderen te vinden bij Winsemius,

Chron. fol. 402.

[145] Graven waren Bestuurders namens den Vorst in de

Provinciën,--Hertogen waren Legerhoofden,--Baronnen of Baanderheeren

Hoofden van een District--en Heeren Krijgsmannen.

[146] Tacitus zegt: Olennius e primipilaribus regendis Frisiis

impositus.--De Primipilares behoorden tot de eerste compagnie der

Triariërs; vandaar Primipilares scil. Centurio, de Hoofdman van die

eerste compagnie: Stuart, Rom. Gesch. XXII. noemt Olennius een der

eerste Hoplieden eener keurbende.

[147] Men weet dat er over het bestaan van deze stad Grebbe bij de

oudheidkundigen is getwist. Aan de latere kronijkschrijvers Twisk,

Borger, Valkoog en Zoeteboom werd voorheen in dezen geloof ontzegd,

doch na de opsporingen en berigten van Paludanus en anderen, in onzen

leeftijd gedaan en gegeven, heeft de twijfel opgehouden. Scheltema,

Geschiedenis der Zuiderzee. M.S.

[148] Westend. Jaarb. spreekt in 662 van een zwaren watervloed over

West-Friesland. Deze heb ik niet kunnen vinden; welligt is 't eene

drukfout voor 626.

[149] Westendorp, Jaarb. p. 31 zegt: die langer dan de Spies van

Klotarius waren: dit zou nog al verschil maken.

[150] Het is beschreven onder anderen bij Wins. Chronique, fol. 61;

West. Jaarb. p. 39. Vergel. F. Sjoerds, Beschr. I. 546.

[151] Over de Graven en Hertogen vergelijke men

Bild. Gesch. d. Vad. I. 107 volgg.

[152] Algemeen noemt men hem Lodewijk den Vrome doch Bilderdijk zegt

(Gesch. d. Vaderl. I. 100. noot), dat pius niet vroom beteekent,

want dat vroom eigenlijk is 't geen de Romeinen strenuus,

dapper, noemen.--Beter noemden hem de Franschen, le debonnaire,

de Zachtmoedige.

[153] Uitgegeven te Leiden bij S. en J. Luchtmans, 1833.

[154] Gesch. d. Ned. Taal, II. 136. De aanmerking van den Schrijver,

dat er in het woord karelui in den Neders. tekst door onachtzaamheid

of onkunde der afschrijvers een misslag begaan is, en dit Karelen of

Karels zal moeten zijn, zal ook in den Duitschen tekst gelden, daar de

Duitsche overzetter van Karelui, Karl-pfui schijnt gemaakt te hebben.

[155] Zie de Aanteek. op den jare 1239. Fr. Jierb. 1833, §§ 5 en 14;

Bild. Gesch. I. 89, 92-94, 252 en 296.

[156] Westendorp maakt geen gewag van deze Potestaten. Ook Bild. laat

dit punt onaangeroerd.

[157] De Script. Frisiae, Dec. VII. C. 3 et Dec. XII. C. 6.

[158] Wij hebben dit verhaal hoofdzakelijk getrokken uit een door

den geschiedkundigen T. D. Wiarda bewerkt stuk, zamengesteld uit de

Friesche en andere Kronijk- en Geschiedschrijvers, benevens eenige

Handschriften. Men vindt het in het Tijdschrift Ost-Friesische

Mannigfaltigkeiten, 3 Jahrgang, Aurich, 1786.--Waar het ons

noodig dacht, hebben wij eenige veranderingen en vermeerderingen

gemaakt. Wiarda heeft alle zijne bronnen naauwkeurig aangewezen, welke

aanhalingen wij hebben achterwege gelaten, doch eenige ophelderende

aanteekeningen er bij gevoegd. In het Mengelw. der Leeuwarder Couranten

van 4 Junij, 6, 20 Aug. en 10 Sep. 1833, in welke wij dit stuk als

eene bijdrage geven, zijn de eersten te vinden.

[159] De meeste Geschiedschrijvers spreken van roode kruisen. Dit

kan van dezen eersten Kruistogt waar zijn; doch in de volgenden

hebben voorzeker de onderscheidene natiën zich door de kleuren

kenbaar gemaakt. »De Koning van Frankrijk neemt met de zijnen roode,

de Koning van Engeland met de zijnen witte, de Graaf van Vlaanderen

met de zijnen groene kruisen aan:"

Et Rex Franciae cum suis rubeas cruces, Rex Angliae cum suis albas,

Comis Flandrensis cum suis virides suscipiunt. Andr. Sylv. Marcian:

ad ann. 1188.

[160] Helmoldi Chron. Slav. L. 2. C. 66. Dit geval vindt men beter

en omstandiger vermeld bij F. Sjoerds, Jaarb. II, 361-363.--Schotanus

zegt: »Onse reuck is stanck in hare neus-gaten."--

Volgens Ebert, Bibliogr. Lexicon, is de Kronijk van Helmold naar het

H. S. te Lubeck uitgegeven in den jare 1659, en met nooten voorzien

door H. Bangertus in quarto;--de eerste druk echter is van 1556.

[161] Van de groote bijgeloovigheid dier tijden kan men zich bijna

geen denkbeeld maken. Het ontbrak in Friesland niet aan kruisen

in de lucht: misschien reeds de vliegeruitvinding, om het volk te

verbijsteren. F. Sjoerds, Jaarb. II, 491.

[162] Deze Olivier werd in 1223 Bisschop te Paderborn en in 1226

Kardinaal. Vid. Nic. Schat. Hist. Westph. L. XX, p. 996 seq.--Deze

N. Schaten was een Jesuit in Westfalen, geboren 1608, heeft ook

de daden van Karel den Groote beschreven: zijne geschiedenis van

Westfalen kwam het eerst uit in 1690. Ebert in voce.

[163] K. Muchler, Abendzeitung, August. 1831. F. Sjoerds, Jaarb. II,

492; J. C. Maier, Geschiedenis der kruistogten, p. 187.

[164] Misschien van Olivier zelven, die den togt mede gedaan,

en ook eene Historia Damiatina (Geschiedenis van Damiate)

geschreven heeft. Eccard heeft in Corp. Hist. med. aevi dezelve doen

afdrukken. Het spijt mij, dat mij dit werk, 't welk ik hier met nut

gebruiken kon, niet ten dienste staat.

[165] Het Itinerarium zegt van 12 schepen. Emmius, die dit Itinerarium

desgelijks in Mspt. (want het was toen nog niet afgedrukt) voor zich

had, spreekt van 212 schepen. Het eerste is zeker eene drukfout. Ook

in de Wijsgeerige en Staatkundige Geschiedenis der Wereld, van

K. H. L. Pölitz, door Wits. Geysbeek vertaald, wordt slechts van 12

schepen gemeld; dan volgens F. Sjoerds, Jaarb. II, 493 en anderen,

stak Graaf Willem met 12 schepen uit de Maas in zee, wordende gevolgd

van een groot aantal volks. Naar Engeland overstekende, vereenigden

zich de Hollandsche en Friesche vloten met die der Engelschen, onder

bevel van George, Grave van Wight, welke vereenigde vloten uit 212

schepen zullen bestaan hebben.

[166] Volgens de woorden van Emo's Chronicon: (vid Matth. Analecta

vet. aev. II, 26)--Comes de Wetha Praedux totius classis est electus,

posteriore custodia Comiti Hollandiae deputata, quem Ducem et Dominum

jam totus sibi delegerat exercitus.--was niet den Graaf van Holland,

maar den Graaf van Wieden het Opper-Admiraalschap opgedragen.

[167] Wij willen hierbij voegen, hetgene voorkomt in het

geslachtregister van Friesche Adellijke Familien, opgemaakt door

S. v. Adelen van Cronenburgh, en vervolgd door P. van Albada ter

Oele (M. S.), betrekkelijk het Geslacht der Roordaas, die eertijds

in hun wapen mede rozen boven de baar voerden, maar dit naderhand

hebben veranderd.

De oorzaak van deze verandering is dit: »'t Is gebeurd ten tijde dat

veel verscheidene Natiën, gelijk de Friezen, in 't H. Land waren

getogen, om hetzelve uit de handen en het geweld der Saracenen of

Turken te verlossen, dat onder anderen verscheidene Edellingen uit

Friesland, ook die van het Geslacht van Roorda, met de menigte aldaar

zijn geweest, onder welke zoo het gebeurde, tusschen de beide heiren

van de Christenen en Saracenen, dat er een uitnemend groot, stout en

vaillant Moorsch Prins was uit het Saraceensche heir, die voor het

Christen-leger zeer hoogmoedig ging braveeren, uitdagende aldaar een

van de vaillantste Ridderen der Christenen, om met hem een kampslag

te slaan; zoo heeft er terstond een stoutmoedige edele Fries uit het

geslacht van Roorda verlof van zijnen Prins begeerd, om met dezen

man een kampslag te doen; 't welk hem toegestaan zijnde, is hij in

het aanzien van beide legers tegen dezen Moor in het veld getreden,

en heeft aldaar zulk eene forsigheid met feiten van wapens bedreven,

dat hij ten laatste dezen Moor heeft overweldigd, ter neêr gehouwen en

onthoofd, het hooft ook tot een teeken van victorien op de poot van

zijn geweer naar het Christen-leger triumphantlijk gebragt; alwaar

hij bij alle de Prinsen, Heeren en Ridders zeer loffelijk van zijne

stoutmoedigheid zeer geprezen, en mede Ridder geslagen en eerlijk

ontvangen is. En is hem ook, alsmede zijnen nakomelingen, tot een

teeken en memorie van eene zoo vrome daad, een Moriaanshoofd in zijn

schild en wapens vereerd, gelijk zijn geslacht nog tegenwoordig voert,

benevens zeer loffelijke brieven en attestatie met Prinsen en Heeren

Zegelen bevestigd."

[168] In het Grand Theatre Historique, T. III, p. 328 vindt men de

plaat van dit met eene zaag voorziene schip. De stad Haarlem eigent

zich dit schip toe. Men vindt daarom nog in de groote kerk zelfs een

model van dat schip. Ook maken er de Dokkumers aanspraak op. Zij

hebben er een model van tot windwijzer op den toren der groote

kerk gemaakt. Idsinga, Staatsregt van Groningen, p. 126.--Wagenaar,

Vad. Hist. II, 350.

[169] Meleddin was de oudste zoon van den Sultan Saphaddin, die

gedurende het beleg van Damiate gestorven was.

[170] De te voren vermelde verovering der stad Damiate plaatst Beninga

verkeerdelijk in het jaar 1229, in de Geschiedenis dezes Kruistogts

onder Frederik II.

[171] Dat zij aan dezen Kruistogt geen deel genomen hebben,

is genoegzaam zeker, want op verzoek van den Koning Willem had

de Kardinaal Caputio, namens den Paus, de Friezen van hunnen

Kruistogt naar het H. Land ontslagen, mits zij Willem Aken hielpen

veroveren, waarop zij bij gansche scharen naar zijn leger optrokken,

natuurlijkerwijze dezen togt ver de voorkeur gevende, boven den meer

verwijderden naar Palestina. Verg. J. Meerman, Gesch. van Graaf Willem

van Holland, Roomsch Koning, I. 263-264.

[172] Willem is, gelijke bekend staat, en onze Kronijk zegt, niet in

Friesland, maar te Hoogwoude in Noord-Holland door de West-Friezen

vermoord. Zie Meerman, als voren. De opgave van Wiarda is dus

hier onjuist. Vergelijk Wagenaar, Vad. Hist. II. 401; Bilderdyk,

Geschiedenis des Vaderlands, II. 151, 152.

[173] Tot dusver loopt het verhaal van Wiarda.

[174] Zie het slot van aangehaalde werk: Proeve van eene Geschiedenis

der Kruistogten en derzelver gevolgen, bl. 546, waarin echter

zeer uitroerig over de voordeelen en weinig over de nadeelen wordt

gesproken.

[175] Dit uitmuntend werk is door den zeer kundigen Steenbergen

van Goor in den jare 1823 uit het Hoogduitsch vertaald en met vele

belangrijke aanmerkingen voorzien. Het gevoelen van dezen was het

volgende: »Dat Europa door de Kruistogten veel geleden heeft, zal

niemand ontkennen; maar dat het tevens door dezelve in burgerlijke

vrijheid, beschaving, verlichting, koophandel en kunstvlijt veel,

zeer veel heeft gewonnen, is onbetwistbaar. En nu vrage men, of die

voordeelen destijds voor eenen minderen prijs te verkrijgen zouden

geweest zijn?" Ook Luden in zijne Allgemeine Geschichte der Völker

und Staaten des Mittelalters, is ten dezen niet genoeg aan te bevelen.

[176] Verg. Styl, Opkomst en Bloei der Nederlanden, bl. 28;

Tegenwoordige Staat van Friesland, I. 312; West., Jaarb. I. 209;

Cerisier, Geschiedenis der Nederlanden, I. 209.

[177] Verg. Schot. Fr. Hist. bl. 92; Egger. Beninga, Kronijk, bl. 101;

Dumbar, Analecta, I. 333.

[178] Vergel. Gesch. des Vaderl. II. 130, waar het anders had

behooren vermeld te zijn. Over de Bulle van Karel Byv. en Aanm. op

Wagenaar, I. 107, en A. Kluit, Hist. der Holl. Staatsr. V. 52,

die het vrij zeker stelt, dat voor den jare 1300 dat stuk

bestond. Aantt. O. Fr. Wett. 109, 112. Zie over den dood van Willem,

onze noot op bl. 387, Tegenw. Staat, I. 409 en 410.

[179] Op bl. 20 en 21; welk Geschiedverhaal met de andere Geschriften

van Jancko Douwama worden uitgegeven door het Provinciaal Genootschap

ter beoefening der Friesche Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, waarvan

de eerste aflevering in den jare 1830 is uitgekomen.

[180] Verg. H. W. Tydeman, Over de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten,

bl. 111.

[181] Winsemius, fol. 174: »Wat meer is die oude gheschreven Chroniquen

ghetuygen, dat door 't selve quaedt van tweedracht, die inghesetenen

deser landen, nu in ryckdom ende weelde sittende, alle hare macht

aengheleyt te hebben tot stiftinghe der Stinsen ende vasticheden,

in sulcken aentale, dat in een Dorp 't begrijp van dertich huysen,

hebbende, sesthien Stinsen uyt den ouden Vrieschen Steen gemaeckt

(welcke van hardicheyt een vlintsteen ghelyck was) ghevonden zyn."

[182] Over het vroeger tijdvak en de gesloten verbonden en

overeenkomsten zijn belangrijk de Monumenta Groningana veteris

aevi inedita, door den geleerden Keuchenius Driessen uitgegeven, en

met uitnemende Aanteekeningen verrijkt; bijzonder zijne Aantt. op

bl. 335, 398, 475, 493, 797 en 831. Verg. Iets over den Oorsprong

en de Partijnamen der Schieringers en Vetkoopers, door den Heer

P. Burggraaff, in No. I van het Tijdschrift voor Onderwijzers, die

alleen als oorzaak der twisten beschouwt: het ontstaan, de uitbreiding

en het toenemend aanzien van den vierden stand der maatschappij dien

der burgers.

[183] In de eerste druk van onze kronijk staat ook dit jaar vermeld.

[184] Dit H. S. is de oorspronkelijke Grafelijke Rekening van den

Heer Garbrand van der Couster, Proost van Berghen in Henegouwen,

ende Jorghel, mijns Heeren Camerling, van 't geen sy ontfaen

hebben van mijnen lieven Heere van Holland, toter reyze behoef van

Oistvrieslant; verrekend en gesloten op den 18 Maart 1396, hofstijl,

d. i. 1397. Zie de uitmuntende Geschiedenis van het Nederl. Zeewezen,

door den Archivarius de Jonge, I. 30 en 31.

[185] Wagenaar, V. H. III. 502.

[186] de Jonge, t. a. p.

[187] Hoveling. De Edellieden, die op vaste burgten, sloten of stinzen

woonden, werden in Friesland Hovelingen genoemd. Verg. Archief

voor Vaderl. en Vriesche Geschiedenis van Visser en Amersfoordt,

Aant. I. bl. 25.

[188] De Geschiedschrijvers vermelden dit voorval breedvoerig:

O. v. Scharl. quarto, bl. 245-247; Wins. Chron. fol. 306;

Schot. Fr. Hist. fol. 372; Gabbema, Verhaal van Leeuw. 164;

Petr. Thaborita op 't jaar 1487; Kronijk en Beschrijving van de stad

Sneek, door Napjus, 2e dr. bl. 11, enz. De Heer van Halmael heeft

in een gedicht dit feit herdacht. Zie Mengelwerk der Leeuw. Courant,

20 April 1830.

[189] Onder de oudere Schrijvers heeft de geleerde en verdienstelijke

Historieschrijver Lambertus Hortensius van Montfoort, in zijn werk:

de tumultu Anabaptistarum, te Bazel in 1548 uitgegeven, van dit oproer

in Friesland een getrouw verslag gedaan. In de zeldzame Hollandsche

vertaling van 1659, in klein Octavo, versierd met fraaije plaatjes,

is ook eene afbeelding van de belegering des kloosters. De Wind,

Bibliotheek, I. 150 noemt een' druk van 1660.

[190] Vele oude kloosters, en ook het Convent Thabor, waren zeer

uitgebreid en groot gebouwd, zoodat zij zelfs een aantal krijgslieden

konden bevatten en verzorgen. Deze Schrijver verhaalt, dat zijn Convent

de navolgende gebouwen had: een Molkenhuis, Bakhuis, Waschhuis,

Schoenmakershuis, Poorthuis, Bouwhuis, Timmerhuis (welligt met het

Bouwhuis hetzelfde), Koehuis, Molkenhuis, Brouwhuis, Ziekenhuis,

verscheidene Dormters, slaapplaatsen der Geestelijken en Leeken,

eene Kloosterkerk, Sacristij, Capittelhuis enz., voorts Binnenhof,

Tuin, Bosch en Boomgaard.--De bewoners waren Geestelijken, Leeken,

Priesters en Monniken: Beambten waren er velen, als Bouwmeester,

Opzigter, Kellener, Molkenmeester, Portier, Biermeester enz.,

terwijl er voor de gewone behoeften een aantal bedienden nodig waren.

[191] Deze Memorien zijn eerst uitgegeven in 1564, daarna door Dumbar

in zijne Analecta geplaatst, met vele bijgevoegde aanteekeningen,

uithoofde dit werk uiterst zeldzaam was geworden. Zie Aantt. op

bl. 182 der kronijk.

[192] De titel is: Joannis Caroli de rebus Casparis â Robles Billaei

in Frisia gestis commentariorum Libri IV. De Schrijver, geboren te

Antwerpen in de laatste helft der XVI eeuw, was lid van den Grooten

Raad te Mechelen, uithoofde van welke betrekking hij in den jare 1567

in Friesland kwam, en Algemeen Geregtsverzorger (Procureur Generaal)

werd. Hij legde daarna zijne ambten neder, werd Franciskaner Monnik,

doch stierf nog voor het einde van zijn proefjaar in 1598.

[193] Bara-Huis, Bara-Stins en Bara-Convent waarschijnlijk dus genoemd

naar den naam des stichters, die even onbekend is als den tijd waarin

de stichting heeft plaats gehad. Men kan echter voor zeker stellen,

dat de Middelzee nog in volle kracht was, toen de bouwing heeft plaats

gehad. In de burgeroorlogen der Friesche partijen werden er meene

dagen, vergaderingen en bijeenkomsten, gehouden. Twee boereplaatsen

zijn aldaar nu aanwezig, waarvan de eene waarschijnlijk op den bouwval

van het Convent zal zijn aangelegd, en in de tweede boerderij, aan

den straatweg gelegen, wordt de naam nog bewaard.

[194] Staatkundig Nederland, I. 49. Aldaar wordt ook melding gemaakt

van de marmeren poort van Viglius, voorzien met zijne spreuk: Vita

mortalium Vigilia (het leven der stervelingen is eene nachtwake),

geplaatst in de voorzaal der Kanselarij. Doch dit was zij weleer,

want ook dit eerwaardig gedenkstuk der oudheid moest in de algemeene

vernietiging deelen.

[195] Deze redevoering is uitgesproken in een Letterkundig Genootschap

te Amsterdam na 1795, en na 's mans dood gedrukt en uitgegeven,

door de zorg van den verdienstelijken Hoogleeraar H. W. Tydeman,

in de Mnemosijne, XIV Deel.

[196] Deze Verhandeling, in het openbaar uitgesproken, is daarna

geplaatst in het Mengelwerk der Leeuwarder Couranten van 23 en 30

Maart 1830.

[197] Zie de Unie van Brussel des jaars 1577, naar het oorspronkelijke

uitgegeven door Mr. J. C. de Jonge, bl. 95 en 166-169.

[198] Zie het Cort Verhael van Rennenburgs leven, op bl. 469-473 zijner

Memorien. Dit geschrift heeft hoofdzakelijk tot bouwstof gediend voor

de Schrijvers van den Tegenwoordige Staat van Stad en Lande, I. 420 tot

502, bevattende Rennenberg's geschiedenis; voor van Meteren, in het

breede 't beleg van Steenwijk vermeldende en voor Wagenaar over dit

tijdvak, welke ook schijnt te betwijfelen: »of hem de kwaade uitslag

zyns bedryfs niet meer dan de snoodheid en 't verraad gesmert hebbe."

[199] Van dit Huwelijk wordt bij Winsemius, Wagenaar en anderen geene

melding gemaakt. Kok, Vaderl. Woordenb. zegt dat Graaf Willem niet

getrouwd is geweest. Wij hebben ook misstellingen en veel verschil in

de dagteekeningen ontdekt, en daarom de opschriften der grafzerken,

zoo ver vermeld, gevolgd. Men vergelijke onder anderen over deze en de

volgende Stadhouders Johannes van den Bosch, de Heeren Stadhouderen

van Vriesland,--beschreven, enz.;--de Redevoering van A. G. Camper,

bij de inhuldiging van Vrieslands Athenaeum uitgesproken, met het

eerste bijvoegsel, en Holland's Roem, door den Baron Collot d'Escury,

IV. Aantt. bl. 220, 221.

[200] Over de begraving der Vorstelijke Familiën, zie de Noot op den

jare 1620.

[201] Uit eene verzameling van eigenhandige en vertrouwelijke Brieven

van den Stadhouder, geschreven van de jaren 1734 tot 1747, aan zijnen

Vriend en Raadsman den Heere van der Mieden, Raadsheer in het Hof van

Holland, mij goedgunstig door deszelfs Neef, Mr. J. Schonck, Raad in

het Hoog Geregtshof te 's Gravenhage, medegedeeld, blijkt des Vorsten

uitnemend karakter. Ook is deze hoogst belangrijke Correspondentie

tevens bevattende een aantal eigenhandige brieven van Prinses Anna,

den Baron H. van Aylva, den Hertog Lodewijk van Brunswijk, den

Opperstalmeester Grovestins, den Secretaris van Prinses Anna, de

Larrey en anderen, voor de geschiedenis van dien tijd van hooge waarde.

[202] In ons Gewest bleef echter van die invoering tot op den huidigen

dag een gebruik over, bij anderen niet aangenomen, zijn oorsprong

ontleenende uit het verschil van dagen, door den Ouden en Nieuwen

Stijl ontstaan. Alle verhuringen en verhuizingen hebben plaats op

den 12 Mei, niet op den eersten; zoo komen alle dienstboden op den

12 Mei en 12 November, welke dagen men oude Mei en oude Allerheiligen

noemt, in hunne diensten; dit gebruik is gewettigd geworden bij eene

nadere Publicatie der Provinciale Staten van 29 Januarij 1701. Men

verkoopt en verhuurt de Zathen en Landen enz. te aanvaarden, voor de

landen St. Petri, dat is den 5 Maart, (oude Sint Pieter), en voor de

huizinge en schuur den 12 Mei; overigens rigt men zich in alles naar

den gewonen Gregoriaanschen Almanak.

[203] In de nagelatene Adversaria van een' onzer verdienstelijke

Friesche Geleerden, vond ik nog deze aanteekening op het woord

Grietman: »De geregtelijke tweegevechten werden gehouden in eene

plaats het Krijtveld genaamd. Kryt staat voor het Hoogd. griet

of gries, (gruis), dat volgens Veit Weber, Sagen der Vorzeit,

B. 11. p. 101, beteekent het Steenzand, waarmede de kampplaats

wordt bestrooid. Kan de benaming Grietman hiervan ook eenig licht

erlangen? Hij zoude dan oorspronkelijk de Opziener over zulk eene

Regterlijke kampplaats, Hoofd van zulk eene Regtspleging geweest zijn,

en het zou dan eigenlijk hetzelfde beteekenen als in de Oude Wetten

't woord grieswart, grieswärtel, tournooivoogd, of volgens nog ouder

schrijfwijs greiswärtel. Zie Haltaus, Gloss. Germ. med. aev. p. 753,

die hetzelve drie beteekenissen toekent, welke met die waardigheid

overeenkomen. Het woord greta, waarvan het afgeleid wordt bij Beyma,

is, meen ik, oorspronkelijk ook alleen gebruikt van oproeping of

dagvaarding ten kampstrijd; (si vacat, hoc ulterius demonstrabo)."

»Huydecoper op Melis Stoke, III. 54, legt krijt uit door kring (kreis,

kreits), doch ten aanzien van onze gissing over den oorsprong van

het Woord Grietman is dit hetzelfde."

It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen · 第 28 / 29 题