3. In de Landsspraak alleen, als Tjietjerk, Tjaalebird.

4. Gemengd, 1. uit de gemeene Stadsspraak, als Peperga, Lutkepost,

Nyjenhuis. 2. Uit de gemeene en Landsspraak, als Langewar, Suerig. En

3. uit Stads- en Landsspraak, als Tserkgaast, Molkweeren.

5. De zelve Dorpen, anders in 't gemeen, als by stedelingen en

landlieden, als Nieukerk, Nykerk, Nytjerke: Molkweeren, Molkwarren.

6. Naar oude misspellinge, Hyelsum voor Jelsum; Hyaure voor Jaure of

Joure; en Greonterp voor Grien of Groenterp.

7. In verkorting, als Birdaard voor Birdewerd, Oestrum voor Eestroom,

Raard voor Raawerd, enz.

Waar op het wel billyk is, dat men in een schrift, in de gemeene taal

geschreven, als dit tegenwoordige, ook hier de naamen der Dorpen

in die zelve taal zoude stellen: doch nochtans hier niet vry staat

omtrent eenigen, als die haar oorsprong uit de byzondere spraaken

hebben, gelyk Tserkgaast, Adegae en Molkwarren: voor welke men

(hoewel mogelyk in gelyke zin, doch ongerymt) zou zeggen, Kerkburg,

Ouddorp en Melkfennen. Even ongerymt zoudenze alle in de Stads- of

Landsspraak gestelt worden: en geheel overtollig in die alle te gelyk.

Daarom hebben wy geacht dezelve veilig te mogen gebruiken, naar

de uitspraak die in de gemeene wandeling meest omgaat. Gelyk wy

zien dat in de Saxische bedeelinge, (achter dien Hertogs Wetten,

in die tyden gedrukt) en ook by Winsemius, Schotanus en anderen,

geen eenerlei wyze is gehouden.

It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen · 第 19 / 29 题