In het zelve jaar 130 quam Askon in zyn vaders plaats, die zich,
naar de manier der Romeinen, Hertog liet noemen.
Sinne, de 5de Priester der Druïden, schreef in deze tyden tot Askon:
om de Christenen uit het land te verjaagen, en de Afgoden des lands,
na ouder gewoonte te dienen.
In den jaare 155 is 'er weder eene groote vlamme op 't Roode Klif
uitgeborsten, ter zelver plaatze, als boven verhaalt is: en alzo de
menschen, daar omtrent woonende, daar zeer bevreest voor wierden,
vroegen zy hunnen Afgod Staf: Wat daar van worden zou? Zo antwoorde
hun de Duivel door den Staf, als eertyds tot Eva door de Slang. Dat
zy voor dit vuur niet behoefden te vreezen; om dat 'er na eenigen
tyd wel wat kouds op mogt volgen.
In den jaare 163 deeden de Friesen, met de Oosterlingen en Katten
een inval in Frankenland, daar zy 't zeer verwoesten.
In den jaare 164 is in het zuidwesten, omtrent een halve myl van
Staveren, een put gegraven, die zo veel zout water opgaf, dat men
vreesde het geheele land zoude onderloopen. Waar over den Afgod Staf
nochmaals om raad gevraagt zynde, hun ten antwoord gaf: het bloed
van een driejarig kind daar in te gieten. Dat gedaan wierd, en waar
na het ook ophield, dat 'er zelf geen water meer in de put bleef. Zo
snakt de Duivel naar menschen bloed.
Askon deed verscheidene fraaije dorpen stichten, als Westerbierum
[21], niet verre van Flieland; en Dyxhorne, tusschen Almeenum,
dat nu Harlingen genaamt word; Ter Schelling [22] en Westerbierum,
die nu beide door de zee verdronken leggen.
In den jaare 168 zyn 2 Meereminnen uit de Lauwers opgekomen; en
door Friesland omzwervende, tot verwondering van veele lieden,
hebben zich eindelyk by Westerbierum, van waar zy gekomen waren,
weder ondergedompelt.
In den jaare 173 is Askon, na een vreedzaame en loffelyke regeeringe,
mede gestorven. Hy liet 4 zoonen na, namentlyk, Adelbold, Tiete,
Richold en Radbout. Radbout vertrok naar Friesland, alwaar hy trouwde,
en een zoon won, welke was Diderik, eerste Hertog van Westfriesland:
van wien naderhand de Hertogen en Koningen van Westfriesland
voortgesprooten zyn.
Maar Adelbold wierd de 2de Hertog in zyn's vaders plaatze; en aanstonds
beoorloogde hy zyne nagebuuren.
In den jaare 174 vertrok zyn Broeder Tiete naar Romen: alwaar hy
zich in goede konsten, en byzonder in die van de welspreekentheid
oeffende. Waarom hy ook by den Keizer Antoninus, de Philosooph,
wel bemint was.
Na den jaare 175 had Godefroy Brabo, de zesde Hertog van Braband,
oorlog met de Romeinen; daar Adelbold en Tiete hem met hun volk
te hulpe quamen: alwaar Tiete, om zyn ongemeene dapperheid, Ridder
geslagen wierd van Brabo.
In den jaare 178, als Keizer Antoninus oorloogde met de volkeren,
die tegen de Romeinen opstonden, heeft Adelbold zyn Broeder Tiete met
hulpbenden tot den Keizer gezonden: die daar over zeer verblyd was,
en zyne vyanden vrees aanjoeg, alzo zy op die tyding de vlugt namen.
In den jaare 180 vielen de Friesen met een groote furie in Walsland,
afloopende of bedervende al wat hun voor quam; waar doorze by hunne
vyanden een grooten naam en verbaastheid hebben gemaakt.
In den jaare 183 hebben de Wenden en Gotten, uit de Noordsche Landen
opgeborsten, verscheidene volkeren overvallen. En van de Deenen
afgekeert, quamen ze over de Elve, neemende hun zitplaats aan beide
de zyden van de Weezer; en wierden van dien tyd af Oostfaalingen,
nu Oosterlingen en Westfaalingen, geheeten. Van welke 1500 dachten
in Friesland te vallen: maar wanneer zy zagen, dat de Friesen aan
de andere zyde van de Eems goede beschansingen hadden, derfden zy
niet onderneemen om over te komen. Waar op Tiete, hun van achteren
bespringende, alle heeft geslaagen, behalven 400, die den Eems
overzwommen; doch in Adelbolds handen vervielen, en die 'er goede
buit van maakte.
In den jaare 186, als Adelbold krank was geworden, wilde hy
zyn broeder Tiete de landbestiering opdraagen. Welke het ernstig
weigerde, doch echter moest aanneemen. Na welken tyd Adelbold noch
veele jaaren leefde.
Tiete Bojokalus, mogelyk Beukels, was de 3de Hertog van Friesland [23].
In den jaare 187 wierd hy ingehuldigt, en regeerde het land met groote
voorzigtigheid, houdende alomme vrede, zo buiten- als binnenslands.
In den jaare 208 Adelbold gestorven zynde, is met een ongemeene pracht
te Staveren in de groote kerk begraven.
In den jaare 217 is voor de derdemaal op het Roode Klif eene vlamme
opgeborsten, doch 18 treeden westelyker, als waar van wy hier boven
gezegt hebben; dezelve vertoonde zich 11 dagen lang, tot verschrikkinge
van die daar omtrent woonden. Tiete, na dat hy den Afgod Staf 3 dagen
lang brandoffer toegedient hadde, zo gaf denzelven tot antwoord:
Dat door ten gewapend Ridder 3 kannen water, uit de Noordzee gehaalt,
moest in gegooten worden; alzo het anders niet zoude uitgaan. Zulks
gedaan wordende, zo verdween de vlam. De Duivel kon ligt genoeg zien,
dat het land door de slag van het water geweldig ondermynt wordende,
de Noordsche golven daar wel haast haaren loop zouden neemen.
In den jaare 240 is Tiete overleden: en zyn neef Ubbe, zoon van
Richold, Tietes Broeder, is in 't zelve jaar tot 4de Hertog
verkooren. Door dien hy zeer vredelievend was, heeft hy 't
Land met treffelyke gebouwen, sterktens, vestingen, dorpen en
steden verheerlykt. In 't 2de jaar van zyne regeeringe bouwde hy
in Westfaalen, dat hy met volk bezet hadde, een slot, geevende het
zelve den naam van Tiete, na zyn oom, of Tietenburg [24]. Het zelve
is nu een stad, maakende met het omleggende gewest het graafschap uit,
voerende beide den naam van Tekelenburg, en in zyn wapen noch tweemaal
3 Plompen, nevens 2 Ankers, uit het oude Friesche wapen.
In den jaare 248 stichte Ubbe aan de Lauwers een sterk kasteel,
't welk hy den naam gaf van Dokkenburg, dat zo veel gezegt is als
Havenslot; want Dokke, zeggen de Geleerden, is in oud Duitsch een
haven, doch word in Friesland ook in de beteekenis van een kinder
poppetje gebruikt. Gemelde kasteel was zeer bequaam, om de haven
tegen de zeeroovers te beschermen. Naderhand is 'er de stad Dokkum van
geworden. Staveren heeft hy veel vergroot, en met heerlyke gebouwen
aanzienlyk gemaakt.
In den jaare 260, ten tyde als Hertog Haron een Heer des lands was,
is 'er naauwelyks eenig landschap in gantsch Duitschland geweest,
of het brande en blakerde van oorlog. In Zweeden, Noorwegen, Hessen,
Friesland, enz. was alles op de been. Van dezen Haron zoude het dorp
Haren alhier zyne benaminge ontfangen hebben.
In den jaare 279 vielen de Baatenburgers in Friesland, en deeden veel
quaad, eer de Friesen zich verweeren konden: maar als Ubbe hen met
een party volk [25], zo spoedig als hy 't zelve byeen konde krygen,
tegen quam, wierd 'er aan weêrskanten hardnekkig gevogten, en vielen
wederzyds wel omtrent 500 mannen.
In den jaare 289 zyn de Hollanders, Friesen, Drenthers, enz. in den
winter, als de wateren bevrooren waren, met een schrikkelyk groot
krygsheir den Rhyn gepasseert; inneemende de landen aan geene zyde
dezelve gelegen, doodslaande en verwoestende voorts alles, daar maar
Roomsche bezettinge inlag.
In den jaare 299 overleed Ubbe, en wierd te Staveren, by zyn oom Tiete,
in de groote kerk begraven.
Om dat zyn oudste zoon Odilbald by den Keizer Diocletianus, wegens
het inneemen van de stad Alexandria, in groote achting was, en hem
tot wigtige zaaken in Egypten groote dienst deed, zo wierd Haron,
Ubbes jongste zoon, tot 5de Hertog van Friesland verkooren, en trouwde
de dochter van den Koning der Deenen.
In den jaare 308 en eenige volgende jaaren, heeft Constantinus Magnus,
Roomsch Keizer, deze landen wederom onder zyn gehoorzaamheid gebragt;
doende de guarnisoenen versterken, nieuwe kasteelen bouwen, en de oude
verbeteren [26]. Voorts alle de geene dreigende, die zich in volgende
tyden zouden roeren, hen te vuure en zwaarde te zullen vervolgen.
Omtrent den jaare 312 is Westfriesland, dat dus lang als verlaaten en
woest had gelegen, van 5 voornaame mannen begonnen bebouwd te worden,
en met dorpen en heerlykheden versiert. Waar van Diderik, zoon van
Radbout, zoon van Askon, eerste Hertog der Friesen, wel de grootste
aanleider was: dezelve heeft ook het eerste ontwerp van Medenblik
gemaakt, en tot een Hoofdstad van Westfriesland gestelt.
In den jaare 334 heeft Diderik, door deze nieuwe heerlykheden
verhovaardigt zynde, den naam van Koning willen voeren. Waarom Haron,
Hertog der Friesen, hem zo met wapenen te keer ging, dat hy binnen
3 dagen te Staveren quam; en gemelde Diderik dwong zyne Koninglyke
Kroon af te leggen. En Diderik, als overwonnen, zynen overwinnaar om
vergiffenisse bad, die hem eindelyk toestond Hertog van Westfriesland
te blyven: doch met eene eeuwige onderwerpinge onder hem en zyne
nakomelingen. Diderik had een zoon en zoons zoon, die beide Lem of
Willem genaamt waren. Van de laatste draagt Haarlem zynen naam.
Van dien tyd af is de naam van Westfriesland geweest: ook zyn de
inwoonders doe Friesche Buinen, dat is Plompaarts, (Frisiabones)
genaamt [27].
In den jaare 335 is Haron by 't Roode Klif overleden, en te Staveren
by zynen vader in 't graf gelegt.
Odilbald, Harons zoon, wierd aanstonds tot 6de Hertog verkooren. Hy
was een dapper krygsman, en tot de landbestiering wel onderwezen.
In den jaare 339 heeft hy Staveren noch wyder uitgezet, en hooger en
breeder muuren daarom getrokken, en met diepe wyde gragten voorzien,
en met heerlyker vryheden begiftigt. Het land liet hy alomme met
meer buurten en dorpen bezetten, en dezelve met volk bewoonen. Aan
de Lauwers, tusschen Dokkenburg en Schiermunniksoog, heeft hy mede
een stad doen bouwen, die Waarden wierd genaamd, om het land voor
zeerooveryen te beschermen.
In den jaare 344 zyn de Westfaalingen, met die van Angria [28], hunne
gebuuren, tusschen de Eems en de Lauwers, daar nu Groningerland is,
ingevallen. Doch Odilbald heeft niet alleen hunnen roof ontjaagt,
maar hen zelve in hun land vervolgt, dat hy onder zyn gebied bragt,
en eenen Igle Laskon tot Overste daar in gestelt, die 't ook 65 jaaren
trouwhartig bewaarde. Ook bouwde hy aldaar tot zekerheid 3 kasteelen,
als in Angria, Soest en der Yburg: welke 2 laatste nu steden van die
naamen zyn. Na gemelde overwinning, vertrok Odilbald weder tot zyn
slot Dokkenburg.
Hy bequam ook na eenige dagen tyding van den inval der Baatenburgers
in Friesland. Dewelke van hem aangetast zynde, bleeven 'er wederzyds
omtrent 400 dood: doch de Baatenburgers vlugtende, nam hy eenige
van hunne sterktens in, en versloeg noch van de vlugtelingen wel 250
vyanden: keerende met goeden buit weder te rugge. En leefde voortaan
gerust, zonder eenige oorlogen.
In den jaare 357 verbrande de onlangs gebouwde stad Waarden geheel af.
In den jaare 359 overleed Odilbald, tot droefheid van zyn volk.
In 't begin van den jaare 360 is Odolf Haron, de laatste Hertog
verkooren. Zyne genegentheid was zeer tot den oorlog, en was door
Laskon in den wapenhandel wel geoeffent en onderwezen.
In den jaare 368 zyn die van Angria, de Westfaalingen en Gelderschen
tegen Igle Laskon opgestaan. Doch Haron met een machtig leger
afkomende, versloeg hen, plonderde Gelderland, en bragt het onder
zyn gebied.
Niet lang daar na zond Igle aan Haron een wolf, die over den huid met
veelerlei zeldzaame afbeeldzels van hoofden bezet was. Haron vereerde
denzelve aan den Keizer Valentinianus, als een wonderschepzel.
In den jaare 376 vergaderde Odolf een grooten hoop volk by Staveren
en Dokkenburg, waar mede hy in 't oost en zuidoost is opgetrokken,
neemende aldaar verscheidene vestingen in, die hy met volk bezette.
In den jaare 377, heeft Odolf de afgebrande stad Waarden weder
opgebouwt, en Ezonstad genaamt, daar nu Emmerzyl is [29].
In den jaare 385 kon Friesland zyne Inwoonders niet voeden, alzo de
traage akkerbouw schaarsheid in levensmiddelen voortbragt, zo dat by
gemeenen raade wierd goedgevonden, een gedeelte strydbaare mannen by
lotinge uit te kiezen, om een ander land op te zoeken: ja de Hertog
Odolf was zelve zo toegeevende, dat hy deze lotinge mede over zyne
eigene zoonen liet gaan, en het lot mede op hen is gevallen: des
Hengst en Hors, zyne zoonen, tot Hoofden van 't uitgelote volk gestelt
zynde, hebben den Eiderstroom aangedaan, en aldaar zich nedergeslagen:
want zy aan 't Hof van den Keizer Valentinianus zeer wel in krygs-
en staatszaaken onderweezen waren; als ook by Karel Taxander, 10de
Hertog van Braband, groote proeven van kloekmoedigheid hadden gegeeven;
en ook by Laskon lang in Westfaalen geweest waren. Het land, dewyl het
laag en broekig was, wierd met dyken en sluizen, tot haar gebruik ten
nutte gemaakt: en gaven 't den naam van kleen Friesland, vervattende
het land dat men nu Eiderstede, Angelen en Strantfriesen noemt [30].
In den jaare 389 hebben de volkeren dezer landen aan de Romeinen
schattinge geweigert te geeven, en daar by hunnen Raadsheer Sisinus met
al zyn volk doodgeslagen. Daar op togen zy langs den Rhyn, en vielen
zeer schrikkelyk op de Romeinen in, om hen uit het land tusschen Rhyn
en Maas gelegen te verdryven; doch te sterken tegenstand vindende,
moesten zy vrugteloos weêr te rug trekken.
In den jaare 420 hebben deze volkeren wederom een schrikkelyk krygsheir
byeen gezamelt, en in de wapenen gebragt; vallende voorts by Doesburg
over den Rhyn, en hakten alles, wat zy van de Romeinen op de been
vonden, kapot; voorts het gansche land doorstroopende, namen zy alle
steden en sterktens tusschen Rhyn en Maas in bezettinge, en bevolkte
dezelve met hun eigen natie.
In den jaare 429 zyn in Friesland, alschoon Haron en de zyne
afgodendienaars waren, door de Christenen 4 kloosters gesticht.
In den jaare 432, Haron, wegens zynen ouderdom, de regeering moede
geworden zynde, heeft met goedvinden van de Staaten des Lands, zyn
zwager Offe in deszelfs plaatze gestelt.