EEN DAG MET SNEEUW.

Het sneeuwde in Venetië. Traag schommelend, teruggezogen door den

noordoosten wind, die over de koppen der huizen heensneed, daalde de

sneeuw, als donzige veêrvlokken rijzend en dalend op den adem van een

spelend kind. En de donkere winkelkasten schenen donkerder en verder

achter het kringelende netwerk van witte vlokken met wijde mazen, dat

brokkelend neêrviel op hoofden en schouders der voortgangers. In de

donkere smalle straatjes had zich de sneeuw onder den eeuwigen cadans

van trippende voeten omgezet tot een smerige brei, die bij elke nieuwe

witte vlok sopperiger en troebeler werd.

Een vochte, griezelige lucht huisde tusschen de bonte gevels en deed de

mannen huiverend voortgaan, tot den neus gehuld in wijde wollen mantels,

met een dikke plooi, slingerend van schouder tot schouder onder de

kin, met een voorkomen van antieke bronzen busten; en de vrouwen die

hun inkoopen deden, scholen dieper weg in hun kleurige omslagdoeken,

schuivende door die kringelende witte wisseling, als vlekken rood en

geel en groen, als verdwaalde kleuren op een grijs palet.

De hemel was grauwgrijs, strak, als smalle strooken van een vuile stof

uitgespannen boven de straatjes.

En het stille Venetië was stiller dan ooit. Slechts van tijd tot tijd

kwam het heesche roepen van een melkventer: «latte! latte!" die stilte

storen. Het kwam van heel ver, als de schreeuw van een drenkeling,

een schreeuw met den mond vol water. Of hier en daar gleed een half,

kort woord, uitgaande van een bedekten mond, grommelend en bijna

onverstaanbaar: «koud, koud vandaag!" dan was alles weêr stil en

hoorde men alleen het gezuig en gekluts van schoenen in de modder.

Maar op het plein San Marco vierde de sneeuw feest in de groote stilte.

Het was daar een jagen en woelen van witte vlokken, als een razende dans

van bezetenen op de wilde maat des winds, die schuins van boven vrij in

de vierkante ruimte viel. En zijn forsche slag joeg de dolle vlokken

voor zich uit en brokte ze tot glinsterende schubben, tot fijn stuivend

poeder, dat heel de sneeuw één rag van dunne, draaiende draden scheen,

een groot doorzichtig weefwerk met witte verdiksels van plooien

en krooken, wapperend op de richting van zijn adem. En achter die

wriemeling waren de strakgelijnde gebouwen links en rechts als

onbelijnde massa's en de kolonnaden als donkere holen aan hun voet.

En de sneeuw heerschte overal.

De Riva di Schiavoni, die zich in segmentlijn buigt om de zee, verlengde

en verbreedde zich met het ebbende water, en water en lucht, alles

smolt weg in dien trillenden chaos, alles werd meêgesleurd in dat dolle

winterbacchanaal; sneeuw, witte sneeuw overal en bleekgrijze schijnsels

van huizen, schepen, gondels, lantarens en palen met bevende omtrekken,

achter de in den val elkander kruisende vlokken.

Alleen aan den huizenkant dáár sloop een vuile, gore streep langzaam

voort, woelend over bruggen en stoepen, bevolkt met schimmen van

menschen en opgestoken regenschermen, levend en bewegend als een levende

slang. Dan, op den hoek gekomen dien het plein San Marco maakt met de

Riva di Schiavoni, kromde zij om het oude paleis der Doges en spleet

zich honderd passen verder in twee dunne strepen.

En uit die slang rees als een groote adem, een geluid zonder geluid,

een onbestemd mengsel van voetengeschuifel en gegons van gedempte

stemmen, éenig teeken van bewust leven in al die krioelende doodschheid,

in al die sneeuw, heerschend overal, overal.

Doch eerst op den vlakken grond van het plein San Marco straalde de

sneeuw in al haar oogverblindende zuiverheid en grootschheid; achter het

gaas der vlokken rekten de lijnen zich uit, wijder en wijder, verder

en verder. En aan de verste grens dier ruimte rees daar het reuzige

silhouet der Byzantijnsche kathedraal wonderlijk en vreemd, met zijn

moskeevormen en grillige spitsen, als een Oostersch droombeeld geworden

in éénen nacht; met zijn verguldsel en bonte mozaïeken, als een gouden

zonde neêrziende op zooveel zuiverheid; met zijn uitgewischte omtrekken,

als een fata morgana in een woestijn van sneeuw.

En van uit de wijde portieken der kerk suisde een zachte, weeke muziek.

Een enkele kerkganger uitgaande van den mond der kolonnaden, ontrustte

een oogenblik die onverstoorbare witheid en verdween vervolgens in het

rossige duister der portieken. Alleen een kleine, gekromde man bleef

daar voor den ingang der kathedraal de sneeuw wegvegen, als een vlek

uitgewasschen sepia; met witte sneeuwvlokken op hoofd en schouders als

gespaarde lichten op een kantig begonnen aquarel; met een langen bezem,

als een snelle penseelsliert vol ivoorzwart zich lossend op de sneeuw,

den ganschen morgen lang.

Tegen twaalf ure hield het op te sneeuwen en daarmede hernam Venetië

zijn gewone aanzien. Toen kwamen van alle kanten de duiven van San Marco

neêrvallen van onder de beschuttende overhuifsels der kozijnen; met

hunne kleppende vleugels veegden zij de lange lijnen sneeuw weg van de

lijsten, in wolkjes stuivend poeder. Zij daalden in het bed van blanke

vlokken, zoekend en wroetend naar ondergesneeuwde maïskorrels, of er

zich in rondwentelend, rollend als blauwgrijze ballen, dons in dons.

Van toen aan was het plein niet langer verlaten en ongeschonden.

De kathedraal stond daar pralend in zijn vreemde dos, als verwonderd

over zijn eigen zonderlingen opschik, met zijn vier bronzen paarden

boven den ingang dragend een witte kap van wollige sneeuw; met zijn

marmeren heiligen getooid met blanke aureolen om het hoofd; met

zijn hooggekleurde boogvullingen in mozaïek gevat, in lijsten van

blinkend wit; in zijn geheel éen massa van goud en rood en grauw,

gestreept en geplekt door schelle witte lijnen en vlekken, volgend in

architektonische juistheid iedere welving, iederen voorsprong, iedere

verhevenheid. Zij stond daar in den namiddag als een groot ontzien

meesterstuk van suikerwerk, neêrziend op een verlaten en ontredderde

feesttafel vol met vuile vlekken.

En tegen vier uur rommelde de muziek der stedelijke garde boven de

plassige en glimmende plaats, bevolkt met bonte groepen van mannen,

vrouwen en kinderen, weêrkaatsend in den natten vloer als in een ouden

en dofgeworden spiegel; en de duiven zeilden en klapwiekten door de

vochtige en ongezellige lucht, en de muziek klonk uit de koperen kelen

der speeltuigen als een droevige treurmarsch.

--«Zie!" klonk in een pauze de schelle stem van een jongen, gekleed in

een flodderig pak van zwart geworden linnen, met een bezem op den rug

en een anderen op de borst, saâmgebonden door een tros touw, met oogen,

glimmend uit een smoezelig gezicht vol roet, als een kleine neger: «zie,

San Marco heeft een witte muts op!"--

Een half dozijn paar oogen keken in de richting des zwarten vingers naar

de koepels van San Marco.

--«Mooi, heel mooi!"--klonk het uit de monden der kijkers.

--«Heel mooi, maar eet er maar eens van,"--zei een man die naast zijn

schoenen stond en wien de honger uit de oogen en het naakte lichaam door

de kleêren keek. Hij sloeg zich met de handen tegen de schouders om

warm te worden.

--«Hoor me eens zoo'n smulpaap"--hernam de kleine schoorsteenveger;....

toen trokken zich twee donkere strepen boven zijn oolijke oogen, als

werd hij gezet voor een onopgelost vraagstuk. Hij zag den man aan,

draaide met een zwiep van zijn lichaam en een zwaai van zijn bezems rond

op de hielen en keek weder naar den tronenden heilige op de spits des

gevels en naar de koepels van San Marco, die nog altijd prijkten met

witte hoogsels, staande in een dommeling van wegvliedend licht, in een

damp van smeltende sneeuw.

Proza · 第 7 / 30 题