VAN 1905 TOT 1911.

Vrouwenkiesrecht-vooruitzichten onder het Ministerie-Borgesius.

—Aanbieding van onze wenschen aan H.M. de Koningin, bij de

Grondwetsherziening.—Begin van het optreden der Engelsche

suffragettes.—Het Congres te Kopenhagen en het besluit om

het volgende Congres, in 1908, in Nederland te houden.—Interviews

met leden van Kamergroepen.—Voorbereiding voor het Congres in

1908.—In de Hooge Tatra, in Serajewo.—Voor herstel van gezondheid

naar Zürich.—Reisplannen met Mrs. Catt.

Na Gerritsen’s dood heeft het lang geduurd vóór ik mijn werk weder kon

opvatten. Ik was mij wel bewust dat ik in den geest van den overledene

zou handelen indien ik mij niet aan mijn verdriet overgaf, maar het

kostte mij toch veel moeite om mijn oude gewoonten te volgen. Door

slapeloosheid en door al het leed waren mijn zenuwen geheel in de war

en met de komende zonlooze winterdagen werd het alles nog erger. Toen

mij verandering van lucht en omgeving werd aangeraden, besloot ik naar

St. Moritz te gaan, dat in dien tijd nog geen centrum was van sport en

vermaak zoekende buitenlanders. De dagelijksche geneeskrachtige

zonnebaden deden mij veel goed. In deze vreemde omgeving kwam ik

voortdurend in aanraking met personen die genezing of herstel van leed

zochten en daardoor hoorde ik zooveel over de beproevingen van anderen,

dat mijn eigen verdriet op den achtergrond raakte, en ook dit bracht

bij tot mijn herstel.

Toen ik in het begin van 1906 in Amsterdam terug was, wijdde ik mij met

groote wilskracht aan het vele werk wat toen voor de Vereeniging voor

Vrouwenkiesrecht aan de orde was. Het kabinet Borgesius-Rink dat in

1905 aan het bewind was gekomen had haast gemaakt met de voorbereiding

van de Grondwetsherziening waarbij o.a. § 80, het kiesrechtartikel, een

blanco artikel zou kunnen worden. Op die leuze, een blanco artikel 80,

was de Kamermeerderheid gekozen en het Ministerie Borgesius aan het

bewind gekomen.

Bij mijn terugkeer uit St. Moritz was de commissie voor de

Grondwetsherziening reeds benoemd. Ook hadden verschillende politieke

fracties van Links hunne eischen voor de herziening reeds geformuleerd.

Ik vond dat onze Vereeniging dit ook behoorde te doen, niet alleen ten

opzichte van het blanco artikel maar ook van alle artikelen in de

Grondwet welke de vrouwenbelangen raakten. De dames Anna Polak, W.

Drucker en M. W. H. Rutgers-Hoitsema waren bereid dit werk op zich te

nemen.

Op den derden Mei 1906, tijdens het bezoek van de Koningin aan

Amsterdam, werd het door de Vereeniging goedgekeurde geschrift door mij

en Mevr. Rutgers-Hoitsema aan Hare Majesteit zelve aangeboden. Art. 80

was aldus geformuleerd: „De Wet bepaalt welke mannen en vrouwen

kiesbevoegd en verkiesbaar zijn.” Verder waren wijzigingen voorgesteld

op alle artikelen welke het zelfbeschikkingsrecht der vrouw aantastten.

Den daarop volgenden dag hebben we het geschrift aangeboden aan den

Minister van Binnenlandsche Zaken, Mr. Rink, met wien wij daarna een

gemoedelijk praatje konden houden over de kansen van de

Grondwetsherziening.

Wij zijn niet zoo dwaas geweest om te meenen dat onze eischen toen

reeds ten volle zouden worden ingewilligd, maar we waren er van

overtuigd dat we op deze wijze moesten optreden om de hooge

autoriteiten en het volk bekend te maken met onzen eisch: kiesrecht

voor de vrouwen op dezelfde voorwaarden als de mannen het reeds

bezitten of krijgen zullen. Zulke stappen vormden het beste en het

goedkoopste propagandamiddel, want afschriften van ons geschrift werden

onmiddellijk toegezonden aan alle Ministers, leden van de beide Kamers,

van den Raad van State en ook aan alle couranten. Op die wijze kwamen

onze eischen reeds den volgenden dag duizenden onder de oogen.

Naar gelang van hun politieke kleur en richting oordeelden de bladen

instemmend of afkeurend over ons werk. „De Amsterdammer, Weekblad voor

Nederland” vertoonde die week een plaat op welke aan de Koningin-Moeder

in gesprek met de Koningin, deze woorden in den mond waren gegeven:

„Recht, mijne dochter, ziedaar nu iets waarin een klein volk groot kan

zijn.”

Onze vereeniging telde nog slechts even 2000 leden. Daarom trok ik er

elke week een paar maal op uit, om in afgelegen plaatsen waar de

mogelijkheid bestond om een afdeeling te vestigen, over

vrouwenkiesrecht te spreken. Met onze kas was het altijd slecht

gesteld. Daarom maakten wij gaarne gebruik van het aanbod van

dorpsherbergiers die ons hun zaal voor niemendal of voor een

kleinigheid wilden afstaan, mits we op een bepaalden dag zouden komen

en gelegenheid wilden geven om vertering te maken. Gewoonlijk ging ik

niet alleen, maar vergezeld van een der jongeren in de vereeniging, die

ik dan spoedig tot spreekster opleidde. Daarbij herinner ik mij weder

de gezellige tochten met Mw. C. S. Groot, later onze onwaardeerbare

„Marijtje,” die getooid met een Noord-Hollandsche boerinnenmuts en

andere boersche fraaiïgheden, aller harten veroverde. Met haar bewerkte

ik heel Noord-Holland benoorden het Y, waarbij zij een vroolijk troepje

meisjes tot haar lijfgarde had, verstandige maar door en door

onschuldige dorpskinderen voor wie het b.v. een evenement was om in een

hotelbed te slapen.

Samen met Mevr. Bakker-Nort, die toen nog geen doctor in de rechten was

en nog volstrekt niet dacht aan een Kamerzetel, bewerkte ik een

gedeelte van de provincie Groningen. Onze tocht in 1906 naar Veendam,

Stadskanaal en Winschoten zal ons beiden zeker nooit uit de herinnering

gaan. Onze wederwaardigheden waren zoo ongemeen dat we ze niet gaarne

in ons leven zouden hebben gemist. In het kort moet ik er toch iets van

vertellen. De eerste vergadering hielden we in Veendam en den volgenden

morgen waren we in opgewekte stemming omdat we een aantal nieuwe leden

hadden geworven en na afloop van de openbare bijeenkomst een afdeeling

met een volledig bestuur hadden gesticht. In Veendam was ons werk dus

afgeloopen. Het was mooi weer en ’t zou nog een paar uur aanhouden voor

het paardetrammetje ons naar Stadskanaal zou brengen waar we dien avond

eveneens een afdeeling hoopten op te richten. We besloten om niet op de

tram te wachten, maar liever zoo lang te wandelen tot zij ons inhaalde.

Eerst volgden we een straatweg, maar buiten de kom der gemeente kwamen

we al gauw in het mulle zand. Het was tot dusver mooi weer geweest,

maar nu begon het stevig te regenen. Daarop waren we niet ingericht,

zoodat we spoedig doornat waren en met onze stadsschoenen door de

modder moesten baggeren. In het eerste het beste huisje aan den weg

gingen we schuilen. Het was zoo’n winkeltje van alles en nog wat. Toen

we binnen stapten rinkelde de schel geweldig, maar er kwam geen levende

ziel voor den dag. We keken overal, maar er was blijkbaar niemand

thuis. Daar het ons een beetje gevaarlijk leek om langer te blijven,

zetten we den tocht door modder en plasregen maar weer voort. Na een

paar kilometer loopen bereikten we weer een huisje, waarin we drie

vrouwen zagen zitten. De jongste kwam naar buiten en noodigde ons uit

om binnen te komen. Voorstellen was niet noodig, zij kenden ons al. Wij

waren immers de eenige vreemde vrouwen die hier voorbij konden komen en

uit de krant wisten ze dat we den vorigen avond in Veendam over

vrouwenkiesrecht hadden gesproken en dat wij dát dien avond in

Stadskanaal weer zouden doen. Bij een vlammend houtvuur konden we onze

natte kleeren drogen en men vergastte ons op kaneelkoffie, een echte

tractatie in deze streek, maar voor ons ongenietbaar. Ondertusschen

babbelden deze vrouwen op haar eenvoudige manier en in haar dialect

over vrouwenkiesrecht, waarbij wij merkten dat zij geestverwanten van

ons waren. Meer dan dat, wij konden van haar nog zelfs een paar nieuwe

argumenten opdoen voor ons goed recht.

Eindelijk kwam het trammetje toch opdagen en moesten we onze

vriendelijke gastvrouwen verlaten. Toen we eindelijk tegen 6 uur in

Stadskanaal aan het hotel kwamen waar we ’s avonds zouden spreken,

hoopten we daar eerst wat eten te zullen vinden. Er wachtte ons echter

een groote verrassing. Het heele perceel was leeg, er waren geen

menschen en geen meubels. In de omgeving hoorden we dat de kastelein

failliet was gegaan en met pak en zak vertrokken. Wat te doen? We

kenden hier niemand om logies te vragen en we waren al overtuigd dat de

vergadering niet zou doorgaan. Na eenig overleg seinden we aan een

bestuurslid van onze afdeeling te Winschoten met verzoek om een rijtuig

te sturen om ons af te halen en eten mee te geven omdat wij sedert den

ochtend niets hadden genoten.

In den tusschentijd waren er toch menschen gekomen om ons te hooren en,

veel te blij dat we toch propaganda konden maken voor de goede zaak,

gingen we met die menschen het leege huis binnen. In de schuur vonden

we een ladder, eenige leege vaten en wat touw. Door de ladder over de

vaten te leggen kregen we goede zitplaatsen voor de dames, de heeren—’t

waren boeren,—wilden wel staan en toen we in de buurt een paar

lantaarns hadden geleend en die met touwen hadden opgehangen, was er

een uitnemende gelegenheid geïmproviseerd om het publiek te doordringen

van de zegeningen van het vrouwenkiesrecht.

Tegen elf uur ’s avonds kwam het rijtuig uit Winschoten met twee

dames-bestuursleden, vergezeld van een groote trommel met heerlijke

belegde broodjes en een flesch wijn. De koetsier wilde niet direct

terug rijden, zijn paarden moesten minstens een uur rust hebben. Dus

gingen we maar naar de schuur terug waar wij nu de ladder tot zitplaats

kozen en een leeg vat tot tafel promoveerden om de broodjes te eten en

van den wijn te drinken. Het werd lang na middernacht voor we naar

Winschoten onderweg gingen en daar kwamen we eerst tusschen drie en

vier uur aan. Of de wijn ons zoo vroolijk had gestemd—ik was niet

gewend aan alcoholica—of dat de avonturen van dezen dag ons zoo hadden

opgewekt, ik weet het niet meer, maar het staat vast dat de lange,

donkere weg in het holst van den nacht en door een onbekende streek,

ons volstrekt niet lang toescheen, zoodat we met een lach aan dien dag

terugdenken.

Deze tijd van opgewekt politiek leven gaf natuurlijk gelegenheid om in

vele bladen artikelen over vrouwenkiesrecht geplaatst te krijgen.

Vooral bestrijding was ons welkom want dan kon men ons een verweer niet

weigeren. Een voorbeeld daarvan was een artikel in „de Nederlander,”

het blad onder leiding van den waardigen Jhr. De Savornin Lohman.

Daarin werd de vraag: „Zal vrouwenkiesrecht invloed uitoefenen op den

loop der wereldgeschiedenis?”, natuurlijk ontkennend beantwoord, maar

er werd toch bijgevoegd dat er geen redelijke grond was aan te voeren

om de ongehuwde, zelfstandige vrouw van het kiesrecht uit te sluiten.

Ziedaar een prachtige gelegenheid om onze eischen onder de oogen te

brengen van de christelijk-historische vrouwen. Mijn antwoord op de

vraag luidde natuurlijk anders. Ik begon met vast te stellen, dat alle

maatschappelijke hervormingen steeds groote of kleine sporen in de

wereldgeschiedenis hebben nagelaten en dat men derhalve, ook zonder

nader bewijs, gerust mocht aannemen dat de groote hervorming,—de

politieke gelijkstelling van man en vrouw—waarvoor door vrouwen in de

geheele wereld zoo hardnekkig werd gestreden, hare sporen in de

geschiedenis zou achterlaten. Daarna weerlegde ik alle bezwaren welke

onze sympatieke tegenstander had aangevoerd. Zijn wederwoord bleef niet

uit en ook daarop kon ik weder antwoorden.

In de Roomsche bladen werden wij eveneens dikwijls bestreden en wanneer

we dan in polemiek traden verwierven we ook van die richting nieuwe

leden. Zulke tegenstanders waren ons liever dan de vele liberale bladen

die ons het liefst doodzwegen, nadat ze eerst getracht hadden om ons

belachelijk te maken.

Voor de strijdsters voor Vrouwenkiesrecht is 1906 in verschillende

opzichten een merkwaardig jaar geweest. Nadat in 1904 in Berlijn de

Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht was gegrondvest, zou voor de eerste

maal in Juni 1906, te Kopenhagen een congres worden gehouden van de

internationale strijdsters. In alle landen welke aan dat Congres zouden

deelnemen, werden groote toebereidselen gemaakt. Ons land zou

vertegenwoordigd worden door twaalf afgevaardigden, waarvan ik als

presidente der vereeniging de leidster zou zijn.

Op dit congres te Kopenhagen nu, hoorden we voor het eerst uit den mond

van een suffragette wat de suffragette-beweging voor Engeland te

beteekenen had, hoe zij tot stand was gekomen en wat de feitelijke

waarheid was van de courantenberichten die in alle landen waren

verspreid. Van het oogenblik af waarop deze militante strijdwijze in

Engeland was begonnen, had ik er een grooten afkeer voor gevoeld, maar

ik moet bekennen dat zij het vrouwenkiesrecht een heel eind nader tot

het doel had gebracht. Millioenen menschen die nooit iets over

vrouwenkiesrecht hadden gehoord of gelezen, en er dus ook nooit over

hadden gedacht, hadden nu bijna iederen dag een bericht over het

onderwerp onder de oogen gekregen, al was het dan ook meestal niet

geheel waar en altijd overdreven. Velen moest het daarbij gegaan zijn

als den toenmaligen Bisschop van Londen, die op zekeren morgen bij zijn

ontbijt een bom onder zijn stoel vond en die, toen hij hierover ging

nadenken tot de conclusie kwam: „indien vrouwen, onder wie ontwikkelde

en beschaafde, tot zulke strijdmiddelen haar toevlucht nemen, dan

moeten er voor de vrouwen toch wel groote belangen aan het

vrouwenkiesrecht zijn verbonden.” Daarop is hij de geschriften van de

kalme strijdsters gaan lezen met het gevolg dat hij een openlijk

voorstander van vrouwenkiesrecht werd.

Ook wij hebben van den strijd dezer moedige militante vrouwen de goede

vruchten geplukt. In vele liberale bladen kregen de Nederlandsche

strijdsters opeens pluimpjes voor haar kalm en gematigd optreden, al

dook er nu en dan de angst uit op, dat wij het voorbeeld van de

suffragettes wel eens konden volgen. Het werk der suffragettes heeft in

ons land ten minste dit goede gevolg gehad, dat wij niet meer werden

doodgezwegen en dat we soms zelfs een loftuiting kregen voor iets wat

we hadden gedaan.

Op dat Congres te Kopenhagen werd ook bepaald dat ik met de Presidente

van den Wereldbond, Mrs. Carrie Chapman Catt, naar Oostenrijk en

Hongarije zou gaan om de vrouwen daar bij te staan in het organiseeren

van de propaganda. Over die reis heb ik reeds in hoofdstuk VI

geschreven. Maar op dat Congres werd nog een voor ons gewichtig besluit

genomen. Onze delegatie had uitgerekend dat in den loop van 1908 en ’09

in ons Parlement de Grondwetsherziening behandeld zou worden. Daarom

noodigden wij den Wereldbond uit om het volgende Congres, in Juni 1908,

in ons land te houden. Die uitnoodiging werd gaarne aanvaard en zoo

keerden wij afgevaardigden huiswaarts, vol plannen om te zorgen dat

„ons” Congres schitterend zou worden.

Nog in een ander opzicht was het jaar 1906 voor ons van beteekenis. De

Vereeniging had nu 12½ jaar bestaan en hiervan wilden wij een feestdag

bereiden aan onze leden en hem tevens dienstbaar maken aan de

propaganda. Ook dit gaf ons weer extra veel werk. Maar voor al

dergelijk en ander werk, het is wel onnoodig te zeggen, vond ik altijd

ijverige medewerksters, die steeds het groote doel voor oogen hadden en

die daarvoor geen arbeid te gering, geen inspanning te zwaar achtten.

Als haar gevraagd werd om als spreeksters uit te gaan of ergens een

groep vrouwen te helpen om een afdeeling op te richten, dan deden zij

dat met dezelfde liefde en toewijding waarmede zij tot ’s avonds laat

circulaires vouwden, in de couverten staken of er postzegels opplakten.

In de besturen en onder de vrijwillige werksters heeft de Vereeniging

voor Vrouwenkiesrecht steeds vrouwen gehad die zich met hart en ziel

aan de zaak wijdden, geheel belangeloos en zonder eenige aanspraak te

maken op erkentelijkheid. Allen waren doordrongen van het belang van de

zaak, in het besef dat daarvoor geen offers te groot waren.

De algemeene vergaderingen waarop meestal de krachtigste strijdsters

als afgevaardigden van alle afdeelingen bijeen kwamen, waren voor ons

allen ware feestdagen, ondanks den ernst van het werk dat er werd

gedaan. Daar konden we elkander weder moed inspreken en troosten over

ondervonden tegenstand. Dit duurde tot in 1906, toen bij het periodieke

aftreden van drie herkiesbare leden van het hoofdbestuur, waartoe ook

ik behoorde, een kleine groep vrouwen dit drietal wilde vervangen door

anderen. Het aanstaande Congres van den Wereldbond in 1908 was daaraan

niet vreemd.

Tijdens dien verkiezingsstrijd was ik met Mrs. Chapman Catt in

Hongarije. Ik verheugde mij niet weinig toen ik het bericht ontving dat

wij alle drie met overgroote meerderheid waren herkozen, en dit niet

alleen omdat ik de teugels van het bewind in handen kon houden

gedurende den strijd, maar ook omdat nu was gebleken dat de eenheid in

de vereeniging en de onderlinge band sterk en stevig waren.

Gedurende het jaar 1906 had ik weer voortdurend kunnen werken, maar het

was toch telkens een bittere gewaarwording, bij het thuis komen niemand

te vinden die deelnam in het succes, die mij troostte over

teleurstellingen en met wien ik te rade kon gaan wanneer tegenstand

moest worden geboden. Bovenal miste ik de sfeer van intelligentie

waarin ik zoovele jaren had geleefd. In den aanvang viel het mij

moeilijk artikelen weg te zenden zonder die eerst onder de oogen te

hebben gebracht van een geestverwant, zooals ik dat met Gerritsen

steeds had gedaan. Langzamerhand echter raakte ik ook hieraan gewend en

kreeg ik mijn zelfvertrouwen terug.

Ook 1907 bracht werk genoeg. Toen was immers in regeeringskringen aan

de orde: het recht van arbeid voor de gehuwde vrouw, dat door het

Ministerie Kuyper schandelijk was aangetast, maar door het volgende

Kabinet met Mr. Rink als Minister van Binnenlandsche Zaken, voor de

vrouwen op bevredigende wijze weer in het rechte spoor was gebracht. In

de Tweede Kamer werden verder de Kinderwetten behandeld. Ook het

wetsontwerp voor de Grondwetsherziening was reeds ingediend. Deze

onderwerpen raakten de belangen der vrouwen van nabij en zoo had onze

Vereeniging de handen vol. Voortdurend hadden wij besprekingen met de

leiders der Kamerfracties, audiënties bij Ministers, requesten aan de

Regeering, openbare vergaderingen en het voorbereiden van

propagandageschriften. Die besprekingen met de Kamerfracties gaven ons

soms een eigenaardigen kijk op de beweegredenen waarom de

„volksvertegenwoordigers” vóór of tegen een voorstel stemden. De

vrouwen die wij afvaardigden waren natuurlijk goed op de hoogte van het

onderwerp dat besproken zou worden. Daarentegen leek het wel dat

sommige Kamergroepen een geringen dunk hadden van de intelligentie dier

vrouwen, zoodat men het niet noodig achtte zich vóór de bespreking

eenigszins op het vraagstuk voor te bereiden.

Voor de christelijk-historische groep werden wij ontvangen door de

heeren Jhr. de Savornin Lohman, Van Idsinga en Graaf van Bylandt. Mij

werd het eerst het woord gegeven. Ik sprak de hoop uit dat deze

bespreking sympathie mocht wekken voor ons streven, zoodat hunne

politieke partij zou kunnen medewerken tot een grondwetswijziging welke

het vrouwenkiesrecht mogelijk kon maken. De heer Van Idsinga herinnerde

aan hetgeen hij ons geschreven had, nl. dat de Kamerleden van zijne

partij ons wilden ontvangen indien er over vrouwenkiesrecht nog iets

nieuws viel te zeggen. Hierop antwoordde ik dat over dit onderwerp

iederen dag wat nieuws was te zeggen, omdat de vrouwen iederen dag

opnieuw gevoelden, hoe betreurenswaardig het was voor het land, dat zij

elken invloed op de wetgeving misten. Binnenkort zouden de nieuwe

Kinderwetten in werking treden. Hoezeer wij er ons ook over verheugden

dat daarmede de eerste stap was gedaan voor de wettelijke bescherming

van het kind, toch gevoelden velen onzer al de absurditeit van het

feit, dat zulke wetten tot stand kwamen zonder dat de vrouwen van

Nederland, de moeders van het opkomend geslacht, daarin iets hadden

mogen medespreken. Wetten als deze, zoo diep ingrijpend in de

verhouding van moeder tot kind, wetten die de overheidszorg op een

terrein brachten dat tot dusver uitsluitend aan de vrouw behoorde,

werden alleen gemaakt door mannen. Alsof zij de kinderziel, het

kinderhart het best begrepen! Indien deze wetten waren tot stand

gekomen door mannen en vrouwen te samen, dan zouden zij er zeker anders

hebben uitgezien.

Nog lang liet men mij doorspreken over nog andere wetten en over

hetgeen door christelijk-historischen, geen Kamerleden, op

vergaderingen en in geschriften tegen ons in den strijd was aangevoerd.

Toen vroeg de heer de Savornin Lohman of wij niet van oordeel waren,

dat door den indirecten invloed van de vrouw in de maatschappij,

evenveel tot stand kon worden gebracht als door haar directen invloed.

Welke zouden de gevolgen zijn voor het gezin indien mannen en vrouwen

beiden kiesrecht hadden? Hierop heeft Mv. Johanna W. A. Naber, die mij

vergezelde, het antwoord gegeven. Toen stelde Graaf van Bylandt de

vraag of de dames, indien zij het kiesrecht hadden, ook bereid zouden

zijn om militie-plichten te vervullen. In zijn gedachten, zeide hij,

zag hij ons reeds met het geweer op schouder met de troepen

meemarcheeren, en om ons goed duidelijk te maken wat hij bedoelde, gaf

hij ons een aanschouwelijke voorstelling. Over dit onderwerp hadden wij

juist een artikel geschreven voor het R. C. blad „de Gelderlander”

zoodat we naar ons antwoord niet behoefden te zoeken. Ten slotte zeide

de heer Lohman heel vriendelijk, dat zijn partij zich nog niet op de

hoogte had gesteld van het vraagstuk en dat zij het eerst zou

bestudeeren alvorens een definitief besluit te nemen.

Nu nog een onderhoud met een geheel andere groep. Het waren de dames M.

G. Kramers en S. Tilma-Schaaff die de leiders van de S.D.A.P. zouden

interviewen. Zij werden ontvangen door de heeren Troelstra en Ter Laan.

Die wilden van het invoeren van vrouwenkiesrecht niemendal weten. Zij

vonden de vrouwen nog niet rijp voor het kiesrecht, iederen man echter

wel. Mr. Troelstra voegde er nog bij, dat hij zelfs zou tegenstemmen

indien onmiddellijk algemeen vrouwenkiesrecht verkregen kon worden.

Onnoodig te verzekeren dat onze leden deze heeren het inconsequente van

hun houding duidelijk onder het oog brachten. Zij waren immers

Kamerleden, afgevaardigd door een politieke partij, welke volgens haar

program, algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen voorstond.

Laat mij hier nog even toevoegen dat wij altijd te voren waarschuwden

dat het verslag van het onderhoud gepubliceerd zou worden.

Door die bezoeken bij Kamerleden kwamen wij tot het inzicht dat zij van

het vraagstuk slecht op de hoogte waren. Degenen onder hen die zich als

voorstanders deden kennen, waren dat meer uit een gevoel van

rechtvaardigheid, maar de werkelijke redenen die er voor pleitten

kenden zij niet. Daarom ging het bestuur van onze vereeniging er toe

over, in een boekje alle argumenten vóór de invoering van

vrouwenkiesrecht bijeen te brengen en dit aan alle Kamerleden toe te

zenden.

Naast, of liever boven al het werk voor onzen eigen kiesrechtstrijd,

kwam dag aan dag het vele werk ter voorbereiding van het Congres te

Amsterdam in 1908. Wel hadden we nog langen tijd voor den boeg maar we

waren allen nieuwelingen op dit gebied. Het zou immers het eerste

internationale vrouwencongres in ons land zijn. Alles moest eerst goed

overdacht en beredeneerd worden. Er was veel geld noodig en wij wisten

niet of wij in het land reeds zooveel sympathie voor het

vrouwenkiesrecht hadden gewekt, dat ook niet-leden ons financieel

zouden steunen. Er was een Centraal Comité gevormd dat verantwoordelijk

zou zijn voor de geheele regeling. Over dat Comité kreeg ik de leiding.

Mevr. W. Drucker, een onzer medeleden in het Comité, kreeg de functie

van penningmeesteres. Zij mocht zich zooveel leden assumeeren als zij

noodig had om te trachten het noodige geld bijeen te krijgen voor alle

voorkomende uitgaven. Tegenover het Centraal Comité bleef Mevr. Drucker

de eenige verantwoordelijke persoon, met de aan haar toegevoegde leden

had dat Comité niets te maken. Laat mij direct meedeelen dat Mevr.

Drucker met haar groepje zooveel geld bijeen heeft gebracht, dat er na

afloop van het Congres zelfs genoeg overbleef om daarmede nog gedurende

langen tijd onze propaganda-uitgaven te dekken.

Mevr. Van Loenen-de Bordes kreeg de zorg voor alle huishoudelijke

zaken, het huren van een geschikte lokaliteit, het huisvesten van de

gasten, het vervaardigen van de herkenningsteekens, het schoonhouden

van de zalen tijdens het Congres, en nog honderd andere dingen meer.

Mevr. Johanna W. A. Naber zorgde voor de pers en voerde de

buitenlandsche correspondentie, terwijl Mevr. van Buuren-Huys de

binnenlandsche correspondentie bezorgde en de notulen hield van onze

tallooze comité-vergaderingen. Mevr. Schöffer-Bunge en Mevr.

Gomperts-Jitta hadden te samen te zorgen voor de ontvangst en voor de

feestelijkheden gedurende het Congres.

Ik had geen afzonderlijk comité onder mijn leiding, maar ik stond in

verbinding met alle comité’s en indien er ergens moeilijkheden

voorkwamen dan trachtte ik die uit den weg te ruimen. In den beginne

hield het Centraal Comité eenmaal in de maand, daarna om de veertien

dagen en eindelijk elke week een vergadering, bij mij aan huis. Ieder

comité-lid bracht dan verslag uit van hetgeen zij gedaan of voor te

stellen had. Daarna werden nieuwe plannen beraamd en verkeerdheden of

moeilijkheden onder de oogen gezien. Met het huren van een lokaal waren

we spoedig geslaagd, maar de som die wij daarvoor te betalen hadden,

leek ons buitensporig hoog. Voor ƒ 2000 kregen we voor een volle week

de beschikking over het heele Concertgebouw.

Reeds twee maanden vóór het Congres arriveerde Mrs. Carrie Chapman

Catt, ons aller presidente, die door vele harer vereersters „de

ongekroonde koningin” werd genoemd, wegens haar majestueuse manieren,

haar groote bekwaamheid en haar beminnelijkheid. Samen met haar moest

ik het internationale werk tot stand brengen, de agenda voor het

Congres opmaken en zorgen dat de feestelijkheden en de gelegenheden die

wij de gasten wilden aanbieden om Amsterdam ook als stad van kunst te

leeren kennen, niet in conflict kwamen met het eigenlijke congreswerk.

Het Congres zou van 15 tot 20 Juni duren. Op 14 Juni, een Zondag, werd

in de groote zaal van het Concertgebouw nog tot middernacht muziek

gemaakt. Daarna konden wij er over beschikken. Een paar dames uit het

Centraal Comité zorgden er voor, dat het heele gebouw gedurende den

nacht duchtig werd schoon gemaakt en zij hielden daarop toezicht. Toen

den volgenden ochtend om 9 uur de eerste bezoeksters kwamen, gingen de

laatste schoonmaaksters de deur uit.

Een beschrijving van het heele Congres zou een groot hoofdstuk beslaan.

Daaraan wil ik niet denken. Ik heb alleen te constateeren dat dit

Congres te Amsterdam nooit door eenig ander van den Wereldbond voor

Vrouwenkiesrecht overtroffen, en alleen door dat te Stockholm in 1911

geëvenaard is. Nog altijd verneem ik op internationale congressen, door

allen die in 1908 te Amsterdam zijn geweest, met lof over dat Congres

spreken. De Nederlandsche vrouwen hebben daarmede den goeden naam

verworven dat zij bij uitstek de kunst verstaan om een Congres te

organiseeren.

De directe reden waarom wij den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht hadden

uitgenoodigd om het congres in 1908 in ons land te houden,—ik mag niet

vergeten dit te vermelden,—was reeds in December 1907 vervallen. Het

Kabinet-Borgesius moest de portefeuilles neerleggen en in de plaats

kwam het Kabinet-Heemskerk, waarvan wij voor onzen strijd niets te

wachten hadden. Wij hadden er ons zoo op verheugd dat het Congres een

gunstigen invloed zou hebben op de besprekingen van de

Grondwetsherziening. Al hadden wij liever dat nog wat verder was

gegaan, de voorgestelde wijziging gaf ons toch groote voldoening.

Hiervan kon nu vooreerst niets komen en van het Congres was dus in dit

opzicht geen voordeel meer te wachten. Hier stond echter tegenover dat

het Congres ons vele honderden nieuwe leden aanbracht en dat er een

geheele ommekeer in de publieke opinie ontstond. Vele couranten

leverden uitgebreide en degelijke verslagen en daarbij verschenen er

ernstige of humoristische platen, onder de laatste inzonderheid in „De

Amsterdammer, Weekblad voor Nederland.”

Na afloop van het Congres heb ik eerst samen met Mrs. Catt nog eenige

weken besteed aan het samenstellen van het rapport van het Congres, dat

in Amsterdam moest gedrukt worden. Ook ons nationaal comité moest de

zaken nog afdoen. Persoonlijk had ik huiselijke beslommeringen, doordat

enkele van de vijf logees die ik gedurende het Congres gastvrijheid had

verleend, nog bij mij vertoefden. Toen ik dit alles achter den rug had,

ging ik met Mrs. Catt een lange, rustige reis maken. Het einddoel zou

Genève zijn, waar in September het Internationaal bestuur en

comitéleden van den Internationalen Vrouwenraad zouden bijeen komen.

Vóór dien tijd hadden wij nog gelegenheid in overvloed voor een lange

reis zooals wij ons voorstelden. Mijn lieve reisgenoote wilde in alle

Duitsche steden die wij aandeden en die zij slechts bij naam kende, een

paar dagen overblijven. Op die manier kwamen we eerst na veertien dagen

te Triberg aan, waar wij langer zouden vertoeven. Ik vermeld deze

bijzonderheid, omdat ik altijd gemeend heb dat zij, Mrs. Catt, die

belangstelling in een klein stadje, na een paar uren sporens, alleen

maar voorwendde opdat ik mij niet te zeer zou vermoeien. Door al de

inspanning voor en gedurende het Congres, waren mijn krachten vrij wel

uitgeput. Na Triberg hadden wij nog wel een maand gelegenheid om

verschillende plaatsen in Zwitserland te bezoeken. Toen maakten we ook

het plan om samen een wereldreis te maken.

Ofschoon mijn leven opging in werken en nog eens werken, zonder tijd te

verspillen aan onvruchtbare ontspanning, vond ik toch nog wel

gelegenheid om mijn reislust bot te vieren en mij op de hoogte te

stellen van toestanden in het buitenland. Nadat ik den winter 1905–’6

voor een deel te St. Moritz had doorgebracht en daarvan zulke goede

resultaten had ondervonden, ging ik elken winter een maand in dat mooie

gedeelte van Zwitserland doorbrengen. Daar vond ik dan telkens een

aantal Fransche en Engelsche heeren en dames terug, met wie ik reeds

den eersten winter vriendschap had gesloten. Des zomers werd mijn

reisplan om het andere jaar bepaald door het Congres van den Wereldbond

voor Vrouwenkiesrecht, na afloop waarvan ik dan nog een groote reis

maakte door het land waar het Congres werd gehouden. In 1909, dus het

jaar na dat te Amsterdam, werd een Congres van dezelfde organisatie

gehouden in Londen, maar dit was voornamelijk bestemd voor een grondige

herziening van statuten en reglementen. Ook had ik geen lust om lang in

Engeland te blijven, waar ik reeds dikwijls had rondgereisd. Bovendien

was ik het harde werken van het vorige jaar nog niet geheel te boven

gekomen. Om al die redenen zocht ik naar een rustige plek voor een

lange zomervacantie, ergens waar ik niemand kende en zelve onbekend

was. Met deze overweging ging ik naar Tatra Lomnics in de hooge Tatra,

een vrij onbekend oord voor vacantie-reizigers. Het werd zomers bewoond

door adellijke en voorname Hongaren. Hoe ik daar werd ontvangen heb ik

reeds in Hoofdstuk IX verteld. Absolute rust vond ik wel niet, maar het

verblijf heeft mij toch goed gedaan.

Gravin Pejačević, een oprechte feministe en strijdster voor

vrouwenkiesrecht in Hongarije, bracht mij spoedig in aanraking met

verschillende meer of minder belangrijke menschen. Van dezen herinner

ik mij inzonderheid Graaf Zichy, ook in ons land bekend, die op zijn

13e jaar door een noodlottig toeval zijn rechterarm had verloren. Hij

had zijn eigen levensbeschrijving geschreven en uit het manuscript,—het

verhaal was nog niet in druk verschenen,—las hij mij dikwijls

brokstukken voor. Het meest interesseerden mij de gevoelens die hij had

gehad toen zijn arm werd afgezet. Hij had alle narcotische en

plaatselijk verdoovende middelen afgewezen en hij beschreef wat hij van

het begin tot het einde had gevoeld en wat er in zijn geest was

omgegaan. Toen had hij zich direct ernstig voorgenomen om alles met

zijn linkerhand te leeren doen wat anderen met twee handen kunnen

verrichten en ’t was merkwaardig hoe ver hij het daarmee had gebracht.

Als een éénarmige pianist van groote vaardigheid is hij ook bij ons in

het Concertgebouw opgetreden.

Een andere persoonlijkheid met wie ik kennis maakte was Baronesse

Lipthay, die mij voor verre tochten haar paard en wagentje leende en in

wier huis ik een Hongaarsch Minister ontmoette die mij treffende

staaltjes vertelde van de toenmalige corruptie in de Hongaarsche

politieke kringen. Alles was daar wel zeer achterlijk, de adel regeerde

het land, omkooperij was er schering en inslag en alles hing aan elkaar

van afzetterij.

In het begin van September begon in Boeda-Pest het internationaal

geneeskundig congres. Baronesse Lipthay bood mij logies aan in haar

prachtige woning met gebruik van haar equipage. Daartoe zou zij haar

bedienden tijdig waarschuwen. Toen ik te Boeda-Pest aankwam werd ik dan

ook met het rijtuig van den trein gehaald. In het prachtige, van

kunstschatten overladen huis, was een heele serie vertrekken voor mij

in orde gebracht, zoodat ik er rustig werken en vrienden ontvangen kon.

Bij mijn vroegere bezoeken aan de stad had ik er vele gemaakt. Zij

vormden een jong en geestdriftig groepje van strijdsters voor

verbetering van het lot der vrouw en voor vrouwenkiesrecht. Ondanks

haar jeugd ontbrak het geen harer aan ernst en aan kennis van zaken.

Over het geneeskundig congres heb ik reeds geschreven en eveneens hoe

ik mij daarna aansloot bij een groep medici die naar Serajewo trokken.

Op die reis maakte ik reeds den eersten nacht kennis met Frau Dr.

Rosen, de echtgenoote van een dokter te Wiesbaden, die evenals ik als

dame seule reisde. Wij hadden een slaapwagen samen. Spoedig hadden wij

vriendschap gesloten en in vele opzichten bleken wij geestverwanten.

Ook zij had reeds veel gereisd en zij kende de kleine trucs om het zich

op een lange reis „gemüthlich” te maken.

Onze eerste halteplaats was Serajewo, de hoofdplaats van Bosnië en toen

nog onder Oostenrijksch bewind. Het was een van de vreemdste stadjes

die ik ooit heb gezien, half oostersch, half westersch. De bevolking

bestond uit zeven volksgroepen, die alle in den gemeenteraad waren

vertegenwoordigd. De Turken en de Spanjaarden maakten vooral mijn

belangstelling gaande. Hier was ik ook in de gelegenheid om het

inwendige van een echten harem te zien. Toen ik mijn wensch aan een

stedelijke autoriteit had kenbaar gemaakt, werd er gezorgd dat ik een

uitnoodiging kreeg van een jongen Turk, een van de aanzienlijksten in

de stad.

Met twee andere dames ging ik er heen. Aan het vrij onoogelijke huis

werden wij ontvangen door een vieze vrouwelijke bediende die ons in een

kamer bracht waar de heer des huizes, gezeten op een met kussens

belegden stoel, ons welkom heette. Wij mochten plaats nemen op een

houten bank. Hij was gekleed in Turksch gewaad met een wijden

afhangenden pantalon en een fez op het hoofd. Zijn manieren waren

westersch. Die had hij geleerd te Leipzig waar hij ten huize van een

leeraar was opgevoed. Toen wij binnenkwamen legde hij de Turksche pijp

uit den mond en vroeg ons hoffelijk of wij Duitsch of Engelsch met hem

wilden spreken. Deze 24-jarige jongeling had een jaar te voren van zijn

vader vijf vrouwen ten huwelijk gekregen. Het waren mooie vrouwen,

zeide hij met trots, maar zij zouden niet met ons kunnen spreken omdat

zij alleen haar eigen taal kenden. Hij zou echter wel als tolk dienen.

Vóór we op bezoek gingen bij de vijf vrouwen, hadden we een gesprek met

den gelukkigen echtgenoot. Ik vroeg hem of hij, een man van Westersche

ontwikkeling, het niet onduldbaar vond voor een vrouw om op Turksche

wijze te leven. Het kon zijn dat al die vrouwen hem lief hadden, maar

dan moesten zij toch onderling jaloersch zijn. Het was echter ook zeer

goed mogelijk dat zij hem niet lief hadden, want vóór het huwelijk was

naar hun meening niet gevraagd en hoe bitter moest zulk een

huwelijksverbond dan niet voor haar zijn.

Hij was het alles met mij eens, maar zoo waren eenmaal de Turksche

zeden en hoe grooter iemands harem, hoe voornamer men werd geacht. Ik

vertelde hem toen dat ik in 1890 een verzoek had gekregen van de

Oostenrijksche regeering om mij in haar dienst te Serajewo als doctor

te vestigen. Voor mijn veiligheid was het toch maar goed geweest dat ik

het verzoek had afgewezen, want ik zou zeker alle Turksche vrouwen in

opstand hebben gebracht tegen haar onmenschwaardige positie.

Na deze inleiding gingen wij naar het vrouwenverblijf. Het was een

vertrek van 9 tot 10 Meter in het vierkant met een houten vloer. Tegen

den ruw houten wand lagen op vijf plaatsen matrassen met kleurige

lappen. Hoog tegen de zoldering waren twee kleine, langwerpige vensters

voorzien van ijzeren tralies, zoodat niemand naar binnen of naar buiten

kon klimmen. Door de hoogte konden de vrouwen ook niet uitzien. In dit

vertrek moesten zij dag en nacht samen huizen. Naar mijn smaak liet de

schoonheid van het vijftal veel te wenschen en haar kleeding was

kortweg schamel. Alle vijf vlogen zij op ons af om ons ieder haar eigen

kleine baby te laten zien. Wij waren wel zoo verstandig om voor het

eene wichtje niet méér bewondering te toonen dan voor het andere. Nadat

wij nog andere gedeelten van de schamele woning hadden bezichtigd,

keerden we naar de kamer van den heer des huizes terug, waar nu ook aan

zijn vijf echtgenooten werd veroorloofd om binnen te komen. We werden

getracteerd op Turksche koffie. Wel poogden wij een gesprek te voeren

met de dames, maar daar de heer des huizes onze vragen en hare

antwoorden vertaalde, interesseerde het mij niet. Het werd spoedig

duidelijk dat de slimme Turk in plaats van onze vragen, iets anders

overbracht en hij de antwoorden eveneens zelf fabriceerde. Gedurende

deze visite zaten wij op een bank, de Turk op een stoel en de vijf

vrouwen aan zijn voeten op den grond. En dat terwijl er toch nog meer

stoelen in de kamer stonden. Laat ik er bij aanteekenen dat ik later in

Caïro en in Jerusalem wel geheel andere harems heb gezien.

Ook de Spanjolen boezemden mij veel belangstelling in. Hunne vrouwen

hadden veel meer vrijheid dan de Turksche. Zij mochten zich vrij op

straat bewegen, maar dan toch van het hoofd tot de voeten in een donker

gewaad gewikkeld, zoodat er niets van het lichaam en zelfs de handen

niet te zien kwamen. Het is mij niet gelukt van haarzelf iets te weten

te komen, omdat de introductie die ik gevraagd had mij te laat, eerst

op den dag van vertrek, bereikte.

In Ragusa hebben Mevr. Dr. Rosen en ik ons van de doctoren afgescheiden

omdat de schilderachtige ligging en het heerlijke klimaat van Ragusa

ons aanspoorde tot een langer verblijf. Aan reisbeschrijvingen wil ik

niet beginnen, maar misschien is het nòg noodig, reizigers te

waarschuwen voor de booten die ons van Ragusa naar Montenegro en

vandaar naar Fiume voerden. Nooit heb ik op mijn latere reizen in het

Oosten zooveel ongedierte bijeen gezien als hier in bedden, op stoelen

en banken en op of in alles wat maar eenig bekleedsel droeg. De

inboorlingen vonden dat blijkbaar heel gewoon, niet de moeite waard om

over te praten.

Wij hebben nog eenige weken in deze streken rondgereisd en op de

terugreis in Wiesbaden van elkander afscheid genomen.

De verkiezingen in 1909 hadden weder een rechtsche meerderheid gebracht

met het gevolg dat het Kabinet-Heemskerk gecontinueerd werd. Gedurende

de aanstaande regeeringsperiode viel aan invoering van vrouwenkiesrecht

in het geheel niet te denken en het werk van de vereeniging moest dus

worden gericht op versterking van het ledental en verspreiding van onze

wenschen. Wij waren het laatste jaar vooruitgegaan tot 81 afdeelingen

met 7500 leden. Het bestuur was overtuigd dat dit aantal minstens drie

tot viermaal grooter moest worden vóór we met kracht bij de regeering

zouden kunnen aandringen op de invoering van vrouwenkiesrecht.

In het laatst van 1909 schreef Mrs. Chapman Catt mij reeds telkens over

onze groote reis. Zij was echter lijdende. Wel had ik haar

herhaaldelijk een operatie aangeraden, maar daar wilde zij niet van

hooren. Ik voelde mij ook meestal ziek. Mijn Amsterdamsche medici

schreven al mijn klachten op rekening van overwerken en zij raadden mij

aan, absolute rust te nemen voor lichaam en geest. In die dagen,

terwijl zij zelve zeer ziek was, schreef Mrs. Catt mij: „Now about

yourself. I expect if you were an American your malady would be called

nervous prostration. You are overworked I am sure. The trouble with us

all is, that when we overdo, we do not take time enough to recover. If

you want to run from all the troubles at any time, come over here and I

shall be glad indeed to take you into my household at any time.”

In ieder geval, zoolang wij beiden in dezen toestand verkeerden,

mochten wij geen reis naar Afrika en Azië ondernemen.

Toen ik kort daarna eenigen tijd in Londen doorbracht bij Mrs. Adela

Stanton Coit, vertelde deze mij dat zij een paar jaar te voren dezelfde

ziekteverschijnselen had gehad en dat zij toen met goede resultaten een

kuur had gevolgd te Zürich in het sanatorium van Dr. Bircher-Benner,

toen nog geen Freud-maniak, maar bekend voor zijn goede diëetkuren.

Dien goeden raad heb ik gevolgd. In Juni 1910 kwam ik in het sanatorium

op den Züricherberg. In tegenstelling met den raad om lichamelijk en

geestelijk rust te houden, moest ik van ’s morgens 6 tot ’s avonds 6

uur bijna zonder ophouden loopen, bergop en bergaf, gymnasticeeren, in

den tuin werken, dagelijksch gemasseerd worden en een dieet volgen van

bijna uitsluitend versche vruchten. Ik nam sterk af in gewicht, maar in

kracht toe. Evenwel werd aan geestelijke rust streng de hand gehouden.

Na een verblijf van drie maanden kon ik geheel genezen naar Amsterdam

terugkeeren.

Intusschen had Mrs. Catt de voor haar noodzakelijk geworden operatie

ondergaan en daarna voelde zij zich als herboren. Nu konden wij plannen

maken voor onze groote reis, maar eerst moest het volgende Congres voor

den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht, te Stockholm in 1911, achter den

rug zijn. Te voren moesten onze plannen echter vast staan, want indien

Mrs. Catt lang vóór dat Congres uit Amerika vertrok, moest zij al haar

zaken geregeld hebben omdat zij dan bijna twee jaar van huis zou zijn.

Met mij was hetzelfde het geval en daarom behoorde ons reisplan lang te

voren vastgesteld te zijn.

Natuurlijk hadden wij beiden telkens van goede vrienden moeten hooren

dat het geheel verkeerd was wat wij gingen doen. Twee vrouwen konden

niet alleen door Azië en Afrika reizen. Daarbij werden, mij ten minste,

allerlei vreeselijkheden verteld waaraan onbeschermde reizigsters zeker

bloot stonden.

In de eerst volgende jaren kon voor het vrouwenkiesrecht in Nederland

alleen propagandistisch gewerkt worden en daarvoor was ik in ons land

persoonlijk niet dringend noodig. Ik liet de vereeniging achter met een

uitstekend bestuur onder leiding van Mevr. van Balen-Klaar, mijn huis

kon ik verhuren en mijn meubilair laten opbergen. Onder die

omstandigheden en omdat ik mij nu weder gezond voelde, was ik dus

vastbesloten om te gaan en dit nog te meer omdat een andere goede

vriendin en geestverwante in Amerika, the reverend Anna Howard Shaw,

mij schreef: „If Mrs. Catt does not go around the world with you, why

should not we go together? It would be an awfully good thing for us

both if we only could forget suffrage for a time.”

Maar Mrs. Catt is wèl medegegaan. Van die reis hoop ik in het volgende

hoofdstuk nog wat te vertellen.

In 1909 en 1910 was de diagnose „overwerkt” niet ongerijmd en wel

verklaarbaar. Behalve het reeds aangeduide werk had ik ook een deeltje

uitgegeven met de levenbeschrijvingen van zes merkwaardige vrouwen die

ik had gekend en met wie ik op vriendschappelijken voet had verkeerd.

Eene enkele was zelfs nog in leven. Ik had de reisbrieven uit Amerika

van mijn overleden echtgenoot en die van mijzelf in boekvorm doen

verschijnen, en daarnevens ook het mooie boek van Olive Schreiner,

„Woman and Labour”, in het Nederlandsch vertaald en ter perse gelegd.

Dit alles ongerekend tallooze dagblad- en tijdschriftartikelen over

uiteenloopende onderwerpen. Laat mij hier nog mogen bijvoegen dat ik

reeds in 1898 een beschrijving heb gegeven bij een anatomische plaat

over „De vrouw, haar bouw en haar inwendige organen,” een uitgave

waarvan thans de vijfde oplaag in omloop is. Dit boekje heb ik

samengesteld omdat eene beknopte, populaire beschrijving van het

lichaam, de ligging en de verrichting van de geslachtsorganen der

vrouw, in onze taal toen nog niet bestond en vele mijner patiënten den

wensch kenbaar maakten om meer te weten van haar lichaam en van de

functies der verschillende organen.

Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs · 第 26 / 47 题