MIJNE BEMOEIINGEN TEN OPZICHTE VAN HET VROUWELIJK WINKELPERSONEEL

Gevolgen van het lange staan.—Mijn pogingen om verbeteringen

aan te brengen.—Voor de Staatscommissie.—Geen medewerking

van mijne collega’s.—Oproep aan de vrouwen van Nederland.—

De publieke opinie.—Mijn wenschen worden verwezenlijkt.

Toen ik mij, als eerste vrouw-doctor in den lande, te Amsterdam kwam

vestigen, mocht ik mij vrij spoedig in een drukke praktijk verheugen.

Op mijn spreekuur kwamen tal van seksegenooten hulp en raad vragen.

Onder haar bevonden zich van den aanvang af vele winkeljuffrouwen, wier

klachten wat de hoofdzaak betreft steeds op hetzelfde neerkwamen. En

bijna altijd bleek na onderzoek, dat zij leden aan gynaecologische

afwijkingen, waarvan ik de oorzaak slechts kon toeschrijven aan het

feit, dat deze jonge vrouwen uren en uren achtereen en elken dag weder

opnieuw moesten stáán. In die jaren toch werden, althans in de groote

steden, de winkels meestal niet vóór elf uur ’s avonds gesloten.

Aangezien de werkdag van het personeel des ochtends om acht uur begon,

beteekende dit voor de winkeljuffrouwen dat zij, behoudens de zeer

korte rustpoozen voor de maaltijden bestemd, gedurende dien ganschen

langen arbeidsdag achter de toonbank moesten staan, waar geen

zitgelegenheid van welken aard ook was aangebracht.

Toen ik telkens nieuwe gevallen van dien aard onder de oogen kreeg,

waarbij vele van die jonge menschen voor hun geheele verdere leven

opgescheept werden met een kwaal die toch zoo gemakkelijk voorkomen had

kunnen worden, meende ik geen moeite te veel te mogen achten om

verbetering in dien toestand te verkrijgen. Ik was nog naïef genoeg om

aan te nemen, dat alleen onkunde omtrent de gevolgen van het langdurig

staan de winkeliers en magazijnhouders het personeel deed verbieden om

gedurende de werkuren, zoo vaak de omstandigheden zulks veroorloofden,

gebruik te maken van een zitgelegenheid. Ik meende dat het op mijn weg

lag deze werkgevers de oogen te openen en ik twijfelde geen oogenblik

aan het succes. Hoezeer had ik mij daarin vergist!

Toen ik eenige middagen achtereen chefs van groote zaken ging opzoeken

om de belangen der winkeljuffrouwen te bepleiten, toen ik de heeren

trachtte uit te leggen waarom het lichaam niet tegen het urenlange

staan bestand is, vond ik slechts bij hooge uitzondering gereede ooren.

Verreweg de meeste zakenmenschen opperden allerlei bezwaren tegen de

wijze waarop ik dit euvel wilde bestrijden. Zooveel dom vooroordeel,

zooveel tegenstand, voortspruitend uit eigenbelang van het allerminste

allooi, kreeg ik te hooren, dat ik begreep op die manier mijn doel niet

te zullen bereiken. Dan maar een anderen weg ingeslagen en de aandacht

der overheid op dit euvel gevestigd.

Nauwkeurig beschreef ik eenige der door mij geobserveerde

ziektegevallen in een artikel, bestemd voor het „Sociaal Weekblad”. Uit

den aard der zaak noemde ik noch de namen der patiënten, noch die der

firma’s bij wie de meisjes om wie het ging, in betrekking waren. Wel

echter belichtte ik uitvoerig en op een ook voor leeken bevattelijke

wijze, de ziekte-oorzaak die ik hoopte te kunnen wegnemen.

Tot mijn groote teleurstelling ontving ik na eenigen tijd het artikel

terug. In een begeleidend schrijven deelde de redactie mij mede, dat

zij mijn manuscript aan twee medici ter inzage had gegeven. De heeren

doctoren waren van meening, dat de door mij beschreven gevallen

onmogelijk het gevolg konden zijn van te lang staan, en dat de redactie

mijn artikel niet moest plaatsen alvorens naam en adres van de meisjes

door mij waren opgegeven, evenals de namen van de firma’s bij wie zij

in betrekking waren. In dat geval zou een nader onderzoek kunnen worden

ingesteld. Voldeed ik niet aan dezen eisch, dan kon aan mijn artikel

geen plaats worden verleend.

Onnoodig te zeggen, dat het mij onmogelijk was dezen eisch in te

willigen. Ik mocht de namen dezer patiënten niet aan anderen bekend

maken en evenmin de namen publiceeren van de firma’s bij wie zij in

functie waren.

Zoo moest ik dan dezen misstand laten voortduren en in gelatenheid het

oogenblik verbeiden, waarop de mogelijkheid zich zou voordoen er

opnieuw tegen te kunnen ageeren. Want van de slachtoffers zelf was in

dezen niets te verwachten. Wat hadden zij, rechteloos als zij waren,

kunnen doen? Vakvereenigingen die de belangen der leden behartigen,

hadden de werkende vrouwen toen nog bijna niet. Hoe ter wereld hadden

zulke meisjes, die tot ’s avonds elf uur gebonden waren, gelegenheid om

in vergaderingen of andere bijeenkomsten haar stem te doen hooren?

In het jaar 1886 scheen mij een kans te zullen worden geboden. In die

dagen toch werd de term „sociale rechtvaardigheid” een modewoord. Op

het oogenblik zou ik niet met zekerheid kunnen zeggen of het nieuwe

woord de nieuwe denkbeelden deed ontstaan, dan wel of de nieuwe geest

die begon te ontwaken, in het nieuwe woord tot uiting kwam. De

terminologie bestond echter en toen de regeering een commissie benoemde

wier taak het zou zijn, onder leiding van de heeren Verniers van der

Loeff en Goeman Borgesius, een onderzoek in te stellen naar den

toestand in fabrieken en werkplaatsen, meende ik, dat het ook op den

weg dier commissie zou kunnen liggen zich het lot van de staande

winkeljuffrouwen aan te trekken. Dus wendde ik mij tot die commissie

met het verzoek, op grond van de door mij opgedane ervaringen, haar te

mogen voorlichten omtrent de nadeelige gevolgen die vele vrouwen door

haar arbeid in winkel en magazijn ondervonden.

De commissie bleek van mijn advies niet gediend. „Winkels en

magazijnen”, zoo luidde het antwoord op mijn verzoek, werden geacht

niet te vallen onder de rubriek „werkplaatsen”. Eenigen tijd later

echter ontving ik een brief met de mededeeling, dat de commissie van

enquête alsnog bereid was mij te hooren. Gaarne gaf ik aan dien oproep

gevolg.

In het onderhoud dat ik op 7 Januari 1887 met de commissieleden mocht

hebben, bleek mij echter al heel spoedig, dat het de heeren niet te

doen was om inlichtingen aangaande de arbeidsvoorwaarden in winkels en

magazijnen, doch dat zij hoopten van mij gegevens te krijgen, die het

toen reeds zichtbare streven, om vrouwen zooveel mogelijk uit fabrieken

en werkplaatsen te weren, meer kracht kon bijzetten. Dat ik voor dit

doel mijne medewerking niet wenschte te verleenen, behoeft geen betoog.

Tijdens het onderhoud vroeg de voorzitter der commissie mij, of ik

reeds met den Inspecteur van het geneeskundig staatstoezicht contact

had gezocht, wat betreft het invoeren van zitgelegenheden voor

vrouwelijk winkelpersoneel. Die vraag, waarop ik een ontkennend

antwoord moest geven, gaf mij een nieuw middel aan de hand. Alvorens

echter stappen in die richting te doen, meende ik het resultaat der

enquête te moeten afwachten, al veronderstelde ik geen oogenblik, dat

een wettelijk voorschrift, in den geest als ik had bedoeld, er het

gevolg van zou zijn.

Intusschen kreeg ik op mijn spreekuur gelegenheid te over om nieuwe

ziektegevallen waar te nemen, analoog aan die welke ik te voren had

geconstateerd. Daarnaast ontving ik voortdurend brieven van ouders,

wier dochters werkzaam waren in winkels of magazijnen, die mij smeekten

mijn actie toch niet te staken, omdat lotsverbetering voor die meisjes

dringend noodig was. Ook een aantal winkeljuffrouwen richtten

gezamenlijk een brief tot mij, waarin zij hare positie vrijwel

onhoudbaar noemden.

Toen besloot ik niet langer te dralen om den Inspecteur van het

geneeskundig staatstoezicht in Amsterdam van een en ander op de hoogte

te brengen. In antwoord op mijn schrijven deelde hij mij mede, „dat de

winkeliers niet gedwongen konden worden maatregelen te nemen om de

bedienden te doen zitten; en dat inkrimping van den arbeidstijd het

eenige middel zou zijn om den meisjes wat meer rust te verschaffen”.

Aan het slot van zijn brief verwees de schrijver mij naar den

Inspecteur van den Arbeid. Nog dienzelfden avond wendde ik mij

schriftelijk tot dezen ambtenaar, en ziet, ik mocht de voldoening

smaken, dat hij niet alleen ten volle het belang van de zaak begreep,

maar ook volkomen bereid bleek mij te helpen. Intusschen meende de

Inspecteur, dat bij den hem inzonderheid juist bij winkelhouders

gebleken onwil om met gewoonten te breken, mijn persoonlijke

bemoeiingen in deze niet veel zouden baten, zoolang zij niet door een

desbetreffende wettelijke bepaling werden gesteund. Reden waarom hij

meende, dat eene beweging, op touw gezet door de belanghebbenden en

bevorderd door mij en mijne collega’s, in meer dan één opzicht het

meeste effect zou hebben. Terstond liet ik eenige afschriften maken van

den brief, mij door een aantal winkeljuffrouwen gezonden. Medici die

daarvoor m.i. het allereerst in aanmerking kwamen, kregen een exemplaar

en tevens het verzoek met mij een actie te willen beginnen om

verbetering in den bestaanden toestand te brengen. Ten overvloede

citeerde ik in mijn schrijven de woorden van den Inspecteur van den

Arbeid, dat een beweging als die welke ik thans op touw ging zetten, in

meer dan één opzicht het meeste effect zou hebben.

Hoe bedroevend was ook dit keer weer het resultaat van mijn poging om

met de collega’s voor een sociaal belang samen te werken. Twee medici

berichtten, dat zij op mijn verzoek niet konden ingaan, de anderen

antwoordden in het geheel niet.

Toen heb ik in Januari van het jaar 1894 den volgenden oproep aan de

vrouwen van Nederland in alle couranten gepubliceerd en een copie er

van gezonden aan de besturen van bestaande vrouwenvereenigingen:

De gezondheid van een groot aantal jonge meisjes wordt, naar vele

winkeliers beweren, aan door U gestelde onredelijke eischen

opgeofferd.

Volgens dat beweren namelijk, zoudt Gij verlangen, dat bij Uw

binnentreden in een winkel het bedienend personeel U staande

ontvangt.

Om nu zeker te zijn dat aan dit verlangen wordt voldaan, plaatst de

winkelier eenvoudig geen stoelen of bankjes achter de toonbank.

Zoodoende is het personeel wel verplicht om gedurende den tijd dat

de winkel geopend blijft, voortdurend „op de been” te zijn. Dank

zij dezen maatregel moet een groot aantal winkelmeisjes behoudens

den zeer beperkten tijd die voor het gebruik der maaltijden wordt

toegestaan, dagelijks 12 to 14 uren achtereen staande doorbrengen.

Hoe nadeelig dit is voor het vrouwelijk lichaam blijkt hieruit, dat

sommige inspecteurs van het geneeskundig staatstoezicht bij den

minister er op hebben aangedrongen, dat aan onderwijzeressen—die

gewoonlijk slechts 5 uren per dag les geven op de school en dan nog

met een rusttijd daartusschen van twee uren—de gelegenheid wordt

gegeven om gedurende de lesuren te kunnen zitten.

En zoo Gij wilt weten welke de ernstige gevolgen zijn van het

onmatig lang achtereen blijven staan van vrouwen, raadpleeg dan

eens uw geneesheer. Sedert mijn vestiging hier ter stede heb ik

herhaaldelijk patiënten gehad, die, tengevolge van het langdurig

staan, hun gezondheid en levenslust voor altijd zagen verwoest.

Hoezeer dit gevaar door de winkelmeisjes zelve wordt gevoeld, moge

blijken uit het schrijven dat mij voor eenigen tijd werd toegezonden.

Dit schrijven luidde:

Hooggeachte Mevrouw!

Door dezen komen tot U de vrouwen en meisjes wier roeping het is,

om van des morgens acht uur tot des avonds negen à elf uur de

menschen te bedienen, die in de verschillende winkels iets wenschen

te koopen. Wij zijn verplicht om altijd te staan, met uitzondering

van die enkele half-uren, gedurende welke wij iets moeten

gebruiken. Voor andere menschen is het een genot zich een oogenblik

te kunnen bewegen, wanneer die menschen een langen tijd hebben stil

gezeten, maar voor ons, hoe moede en afgemat wij ook zijn, is het

een genot om na het lange staan nog eens even heen en weer te

kunnen loopen. Vooral dàn, wanneer wij in de periode zijn, welke

wij niet nader behoeven aan te duiden, is het voor ons, althans

voor de meesten, eene ware kwelling en er zijn weinigen onder ons,

die niet lijden aan de U maar al te goed bekende kwalen. Natuurlijk

zullen vele winkeljuffrouwen op Uwe eventueel daartoe gestelde

vraag niet altijd openhartig durven antwoorden, want—hun bestaan is

er mede gemoeid.

De patroons maken in hunne onkunde met het vrouwelijk lichaam, geen

onderscheid tusschen de mannelijke en vrouwelijke bedienden. Zij

verbieden eenvoudig het zitten en handhaven dat verbod, door het

niet verstrekken van stoelen. Dat wij staan wanneer er menschen in

den winkel komen, ja zelfs, wanneer wij ze nog slechts zien

naderen, niets is natuurlijker. De zaak van den patroon gaat boven

alles; maar dat het ons niet gegund wordt te zitten wanneer er

totaal niets te doen is, dat is niet alleen tyrannie, maar, wij

behoeven het U allerminst te zeggen, dat is doodend voor ons. De

kwalen waaraan wij daardoor gaan lijden, doen ons huiveren voor de

toekomst en toch leggen de patroons ons die taak op. Dat is in één

woord verschrikkelijk, Mevrouw. U als geneeskundige en wat wellicht

meer zegt, als vrouw, U kunt ons helpen, U kunt ons onze gezondheid

doen behouden, hetgeen nog meer zegt dan ze ons te kunnen hergeven.

U kunt ons helpen, och, wij bidden U, wilt het ook. Op Uw

initiatief zouden de patroons met klemmende redenen kunnen worden

aangespoord het „zitten” te vergunnen en stoelen te verstrekken en

zij, die onvatbaar bleken voor overreding van eene zijde als de Uwe

tot hen gekomen, zouden moeten ondervinden dat hun belang daarbij

schade leed. Geloof ons Mevrouw, de dames hebben zich slechts bij

advertentie te vereenigen om niets te koopen dáár, waar aan de

winkeljuffrouwen geene stoelen verstrekt zijn, en binnen zeer

korten tijd zouden vele onzer grieven zijn verdwenen. Van een

enquête bij de winkeljuffrouwen is weinig te hopen, want ééne

pennestreek en de patroon maakt hen broodeloos. Zij gaan liever ten

gronde, en vooral de weinig ontwikkelden onder ons, door gebrek aan

levenskracht dan door gebrek aan werk en dus aan brood. U kunt ons

helpen Mevrouw, U kunt de dames, die onze patroons bevoordeelen, de

overtuiging geven, dat handelen plicht is. Luiheid doet ons niet

klagen, evenmin zucht tot gemak, maar enkel en alléén het gevoel

hetwelk ons inwendig zegt, dat wij elken dag meer moede, elken dag

meer afgemat worden, door kwalen welke onkundigen niet aan ons

kunnen zien of waarnemen en welke wij aan onze patroons niet kunnen

kenbaar maken. In enkele winkels, waar vrouwen de zaak geheel

bestieren en als patroon optreden, is het gaan zitten vergund. Die

kunnen oordeelen. Mevrouw nog eens, wilt ons helpen!... Enz.

Vrouwen van Nederland! Herhaalde pogingen om de rechtmatige grieven

dezer economisch zwakken uit den weg te ruimen, hebben gefaald. Thans

roep ik Uwe tusschenkomst in. Laat ten duidelijkste blijken, dat de

wreede eisch U door winkeliers toegedicht, niet bestaat.

Toont dit, door telkens wanneer Gij een winkel binnentreedt waar geen

gelegenheid tot zitten achter de toonbank bestaat, aan den patroon te

kennen te geven, dat uwe verdere bezoeken van het bestaan dier

gelegenheid worden afhankelijk gesteld.

Zoodoende kunt gij in korten tijd de voldoening smaken, een ernstig

kwaad te hebben uitgeroeid en voor talrijke vrouwen den toch reeds

harden strijd voor het bestaan eenigermate te hebben verlicht.

Dr. Aletta H. Jacobs.

Amsterdam, 18 Januari 1894.

Met dezen oproep bereikte ik inderdaad dat de zaak onder de aandacht

kwam van het groote publiek. In enkele steden werden vrouwencomité’s

opgericht, die den winkeliers deden weten, dat zij mijn poging om het

personeel zitgelegenheid te verschaffen, wenschten te steunen.

In Rotterdam richtten een tweehonderdtal vrouwen het volgende schrijven

tot de aldaar gevestigde winkeleigenaars:

Ongetwijfeld heeft de oproeping van Dr. A. Jacobs, in verschillende

dagbladen opgenomen, ook uwe opmerkzaamheid tot zich getrokken. Die

oproeping vestigde weer eens met nadruk onze aandacht op eene reeds

zoo vaak besproken zaak: namelijk het nadeelige voor vrouwen en

meisjes om langen tijd achter elkaar te staan.

Sommigen onzer neigden er toe, den raad van Dr. Jacobs te volgen en

openbaar te maken, dat wij voortaan alléén in die winkels zouden

koopen waar aan vrouwelijke bedienden gelegenheid tot zitten werd

gegeven,—maar bij nader inzien gelooven wij dat een zoodanige

dwangmaatregel noch noodig, noch wenschelijk is.

Niet noodig, omdat reeds vele winkeleigenaars stoelen aan hunne

vrouwelijke bedienden geven, en niet wenschelijk omdat wij de

vrijheid, die wij zelven zouden vragen, ook zooveel mogelijk aan

anderen willen laten.

Wij vleien ons daarenboven, dat alle chefs wel bereid zullen

gevonden worden, om den winkeljuffrouwen gelegenheid tot zitten te

geven, als zij maar zeker weten, dat dit hunne cliënteele aangenaam

is.

Het doel van dit schrijven is dus ook alleen, openlijk en met

nadruk uit te spreken, dat de ondergeteekenden wenschen dat aan de

winkeljuffrouwen van Rotterdam gelegenheid tot zitten worde

gegeven. Wij achten de noodzakelijkheid van dezen maatregel

voldoende toegelicht door de woorden van Dr. Jacobs en andere

deskundigen en voeren dus geen verdere gronden voor de

wenschelijkheid aan, maar vertrouwen in deze op uwe welwillende

medewerking.

Het vakblad „De Manufacturier” wijdde in eenige op elkander volgende

nummers welwillende beschouwingen aan mijn manifest. Zonder de daarin

genoemde feiten te ontkennen en zonder in het minst mijn goede

bedoelingen voorbij te zien, meende de redactie van den anderen kant

toch ook te moeten wijzen op de bezwaren voor den winkelier aan het

inwilligen van mijn verzoek verbonden. Het groote publiek, zoo betoogde

het blad, is te veeleischend. De cliënteele stelt er prijs op, dat het

personeel haar staande ontvangt. Bovendien meende de redactie, dat de

ruimte achter de toonbanken te gering was om er zitplaatsen te kunnen

aanbrengen.

In „Het geïllustreerd Politienieuws” van 25 Januari 1894, werd mijn

oproep in zijn geheel opgenomen. De redactie betuigde in een uitvoerige

noot haar ingenomenheid met mijn denkbeeld, al vreesde zij dat van de

dames weinig medewerking zoude komen, reden waarom zij alleen dàn

succes van mijn actie meende te mogen verwachten, wanneer evenals bij

de arbeidswet, de Staat deze ernstige zaak ter harte wilde nemen, door

het vaststellen van bepalingen, beschermend voor de jonge meisjes van

Nederland, die als winkeljuffrouw in haar onderhoud moesten voorzien.

Om echter te toonen hoe volkomen zij met mijn streven in het belang van

duizenden meisjes sympathiseerde, publiceerde de redactie in hetzelfde

nummer een plaat, waarop een aantal winkeljuffrouwen de

Koningin-Regentes een adres komen aanbieden, met het verzoek om de

beweging door mevrouw Dr. Aletta Jacobs zoo eervol begonnen, van

staatswege te willen steunen.

Helaas was het weer de groote pers, die het belang van de zaak niet

bleek te begrijpen. De Amsterdamsche Courant verklaarde in haar nummer

van 29 Jan. 1894, naar aanleiding van mijn oproep een onderzoek te

hebben ingesteld of en in hoever het mogelijk was aan mijn wensch te

voldoen.

Het blad wendde zich niet tot de winkeljuffrouwen, doch tot de leiders

der groote zaken. Het resultaat van die enquête ligt vóór mij. Wanneer

ik nu na zooveel jaren herlees wat de heeren op de hun gestelde vraag

antwoordden, zie ik, dat de beweging gekwalificeerd werd als „een

overdreven, ziekelijke geschiedenis, waaraan geen enkel verstandig

mensch zijn tijd zou verbeuzelen”. „Bij mij”, verklaarde een chef,

„werken de meisjes van 9 tot 12 uur; dan hebben zij een half uur rust;

van 12½ tot 4½ uur werken, dan weer een half uur rust, daarna werken

van 5 tot 6 uur, weer een half uur rust en dan om 9 uur sluiten. Dat is

toch waarlijk niet te zwaar werk.”

Een andere bedrijfsleider schreef: „Wat betreft het bespottelijke

oude-wijven praatje als zou het staan bij de meisjes allerlei kwalen

veroorzaken, daaraan geloof ik volstrekt niet. Alle meisjes zijn

volkomen gezond en zien er flink uit. Mocht er dan ook tengevolge van

het door U bedoelde schrijven een dame bij ons in den winkel komen, die

zeide niet meer bij ons te zullen koopen, wanneer de meisjes geen

gelegenheid kregen om te zitten, wij zouden eenvoudig zeggen: „Gaat U

dan maar naar een ander; wij laten ons door niemand voorwaarden

stellen, wij doen wat wij meenen dat goed is èn voor onze klanten, èn

voor ons personeel èn voor ons zelf.”

Ik zie, dat weer een ander magazijnhouder trachtte te suggereeren, dat

winkeljuffrouwen den door mij geciteerden brief niet hadden geschreven.

„Het zou wel reclame-makerij harerzijds zijn.”

Dat de werkgevers zóó zouden redeneeren verbaasde mij niet, na alles

wat ik zelf van hen en van niet-patiënten had gehoord.

Verbazing en ergernis wekte de uitspraak van twee niet met name

genoemde doctoren, door het blad als specialisten op het gebied van

vrouwenziekten geïntroduceerd. De een getuigde boudweg: „de ziekten,

waarop mevrouw Jacobs zinspeelt, bestaan alleen bij gehuwde vrouwen,

die twee of drie kinderen hebben gehad.” En verder wilde hij nog wel

verklaren het in principe wenschelijk te vinden, dat de meisjes—en ook

ieder ander—kunnen zitten. „Het staan geeft echter volstrekt geen

aanleiding tot zoo’n kolossale bron van ellende als dr. Jacobs doet

voorkomen. Dan moesten ook maar de ziekenverpleegsters worden

afgeschaft. Die staan veel meer en hebben een veel vermoeiender werk.”

De ander schreef dat men, „om er grondig over te kunnen oordeelen,

eerst een studie zou moeten maken van de verschijnselen, die zich

voordoen bij meisjes, die den geheelen dag staan en in hoever diezelfde

verschijnselen bij andere meisjes niet voorkomen.”

Hoe dwaas deze en soortgelijke uitlatingen op zich zelf beschouwd ook

mochten zijn, mij gaven ze aanleiding op de zaak terug te komen, en

telkens weer te verklaren, hoe noodzakelijk het was om de

winkeljuffrouwen gelegenheid te geven, nu en dan te kunnen uitrusten.

Intusschen werd door de winkeliers zelf meer en meer aan mijn wensch

voldaan en daarnaast gingen verschillende vereenigingen aandringen op

het wettelijk instellen van een vervroegd sluitingsuur voor winkels en

magazijnen, alsmede op de verplichting om aan de bedienden in de

verkoopgelegenheden zitplaatsen te verschaffen. Dit duurde totdat in

1902 door den toenmaligen Minister van Binnenlandsche zaken bekend

gemaakt werd, dat een wetsontwerp in zake het verplichtend stellen van

zitgelegenheden voor winkelpersoneel in voorbereiding was.

Te Amsterdam bestond toen reeds eenigen tijd een comité ter verkrijging

van een wettelijk vastgesteld sluitingsuur voor winkels en magazijnen.

Uit een mededeeling den twintigsten December 1902 door dat comité in

„de Telegraaf” gepubliceerd, citeer ik het volgende:

Ons Comité heeft zich tot h.h. medici te Amsterdam gewend om met

van ter zake kundigen verkregen bewijsmateriaal te kunnen optreden

om de stelling te bewijzen, dat het lang staan voor vrouwelijke

winkelbedienden hoogst nadeelig is voor de gezondheid. Het Comité

meldt echter over de te dien einde rondgezonden vragenlijsten:

„Ondanks herhaalde aanschrijvingen is het ons niet mogen gelukken,

een beduidend aantal antwoorden machtig te worden. De houding dier

h.h. medici echter is in dezen (op zijn zachtst uitgedrukt)

onbegrijpelijk. Want toen in Berlijn eene dergelijke enquête werd

ingesteld, hebben de plaatselijke artsen wel geantwoord. Het

resultaat hiervan heeft het „Handlungs-Gehilfenblatt” des

„Centralverbandes der Handlungs-Gehülfinnen Deutschlands”

gepubliceerd.

Voorloopig moet het comité zich dus behelpen met wat men te weten

is gekomen uit een rapport van de ziekenkas der Berlijnsche

kooplieden, waaruit ten duidelijkste blijkt, dat de groote

meerderheid der artsen de voor de gezondheid schadelijke werking

van het aanhoudend staan erkennen, en dat het derhalve in het

belang der volksgezondheid noodzakelijk is, den verkoopsters het

gebruik maken van zitgelegenheden toe te staan, gedurende den tijd,

dat zij niet door het bedienen van het publiek worden in beslag

genomen.”

Blijkt uit het bovenstaande niet duidelijk, hoe weinig de toen in de

hoofdstad praktiseerende medici doordrongen waren van hun socialen

plicht? Hoe weinig beseften zij, dat het toch in de eerste plaats op

hun weg lag ziekten te voorkomen, indien de gelegenheid zich daartoe

bood.

Toen in 1902 de zaak waarvoor ik sinds jaren had geijverd, zich in de

belangstelling der regeering mocht verheugen, heb ik nog eenige

Kamerleden op de hoogte gebracht van de groote belangen, voor duizenden

jonge vrouwen verbonden aan het tot stand komen van een wet als door

mij bedoeld en gewenscht.

Daarna was mijn taak in deze afgeloopen. Inderdaad heb ik de voldoening

gesmaakt, dat ongeveer twintig jaar nadat ik voor de eerste maal

gewezen had op de noodzakelijkheid om het bedienend personeel in

winkels en magazijnen achter de toonbank gelegenheid te geven om te

gaan zitten, het aanbrengen van zitplaatsen bij de Wet werd

voorgeschreven.

Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs · 第 18 / 47 题