HET WILLEKEURIG MOEDERSCHAP

Vrouwenleed.—Het middel gevonden.—Roeien tegen den stroom op.

—Uren van twijfel en dagen van strijd.—Het einde kroont het werk.

Reeds gedurende mijn studententijd en vooral tijdens mijn verblijf in

het gasthuis te Amsterdam, werd ik herhaaldelijk gekweld door de

gedachte aan het vele en zware leed door vrouwen geleden, die maar

telkens weder zwanger werden, hoewel die toestand om de een of andere

reden noodlottig voor haar leven kon worden.

In de lange gesprekken die ik op de kraamkamer met haar voerde, hadden

zij mij uiteengezet, waarom het voor haar onmogelijk was nieuwe

zwangerschap te voorkomen, als onthouding van geslachtsgemeenschap

daarmede gepaard moest gaan. Vrouwen die niet anders dan kwijnende of

levenlooze kinderen ter wereld brachten, zoo goed als zij voor wie elke

nieuwe bevalling een nieuwe worsteling met den dood beteekende, kwamen

toch steeds weer in zwangeren toestand in de kraamkamer terecht.

Gezinnen, waarin het aantal kinderen, gezien den lichamelijken toestand

der moeder en de levensomstandigheden der ouders, toch reeds groot was,

namen toch telkens weer in omvang toe. Uren achtereen kon ik over dit

probleem peinzen, zonder dat ik uitkomst zag. Soms besprak ik het

ingrijpende vraagstuk met eenige mijner medestudenten, maar die zagen

het geheel anders in. „Ja,” zeiden zij doodkalm, „dat is nu eenmaal het

lot der vrouw”. Of ook wel: „Laten wij blij zijn, dat er geen middelen

bestaan om zwangerschap te voorkomen. Waren ze er wel, dan zou de

wereld binnen afzienbaren tijd door gebrek aan menschen te gronde

gaan.”

Het toeval, dat in ons leven dikwijls een groote rol speelt, deed mij

in Londen bijna direct verzeild geraken in een kring van lieden, die

zich ook in het openbaar bezig hielden met dezelfde kwestie, waarover

ik in mijn eentje zoo dikwijls had nagedacht. Toen ik in Engeland

vertoefde, stelden Annie Besant, Dr. Drysdale, de uitgever Truelove en

vele anderen, zich voortdurend bloot aan gerechtelijke vervolging,

omdat zij in het openbaar de beperking van het kindertal bespraken en

over dit onderwerp hunne gedachten publiceerden. In datzelfde Engeland

had toen reeds eenige jaren te voren een boek het licht gezien,

geschreven „by a doctor of medicine”. Het werk dat den titel voert

„Elements of Social Science”, met den ondertitel: „Physical, Sexual and

natural Religion”, is later ook in de Duitsche, Fransche,

Nederlandsche, Italiaansche en Portugeesche taal verschenen. De

schrijver, een leerling van Malthus en John Stuart Mill, tracht in zijn

merkwaardig boek aan te toonen, dat de bevolking, indien geen

belemmerende invloeden optreden, zich in geometrische reeks kan

vermeerderen, 1, 2, 4, 8, 16, 32 enz., terwijl in het gunstigste geval,

in een zelfde periode de middelen van bestaan slechts kunnen toenemen

in arithmetische reeks, 1, 2, 3, 4, 5, 6, enz. Hij toont zich in het

vervolg van zijn wetenschappelijk werk een geestverwant van Malthus,

wat betreft de gevolgen welke daaruit voor gezin en maatschappij

voortspruiten, doch hij bestrijdt zijn leermeester als het gaat om de

middelen ter voorkoming van overbevolking en wat daarmede samenhangt.

Het principe van Malthus: „late huwelijken en geslachtelijke onthouding

vóór het huwelijk”, keurt de „doctor of medicine” op sociale en

medische gronden af. Zijn meening is, dat men zich van

anticonceptioneele middelen heeft te bedienen.

Toen ik het boek in handen kreeg, had ik zoowel schrijver als uitgever

reeds herhaaldelijk ontmoet, en met de lieden die de in het werk

verkondigde leer, in woord en geschrift voorstonden, was ik in contact

getreden. Groot was mijn vereering, was ook mijn bewondering voor de

mannen en vrouwen, wier levensdoel het was om, desnoods ten koste van

eigen geluk, de wereld en de menschen gelukkiger en beter te maken. Ik

had den grootst mogelijken eerbied voor hunne hooge levensopvatting,

waaraan een sterk geprononceerd sociaal bewustzijn ten grondslag lag.

Ofschoon ik mij, misschien door mijn gebrek aan voldoende kennis in dat

opzicht, met de economische basis waarop hun leer gegrondvest was, niet

kon vereenigen, begreep ik toch dat uit een medisch en sociaal-medisch

oogpunt bezien, het middel, dat zij ter bereiking van hun doel

aanprezen, voor de menschheid groote waarde moest hebben. Wie

deugdelijke anti-conceptioneele middelen tot zijn beschikking had, zou

onnoemelijk veel leed kunnen voorkomen. Dat hadden de gesprekken met de

kraamvrouwen in het Amsterdamsche ziekenhuis mij wel geleerd, dat wist

ik door den aanblik van zooveel zuigelingen, wier geboorte alles

behalve met blijdschap tegemoet was gezien, wier bestaan in vele

gevallen noch voor de ouders, noch voor de gemeenschap, ook maar in het

minst gewenscht was. Restte dus slechts de vraag, of de toen ter tijd

bestaande voorbehoedmiddelen tegen ongewenschte bevruchting inderdaad

deugdelijk waren. Een antwoord in bevestigenden zin durfde ik daarop

niet geven. Ik twijfelde aan de betrouwbaarheid, aan het absoluut

doeltreffende dus, zoo goed als aan de geschiktheid voor het gebruik;

en ik wist niet of onder de aanwending de gezondheid zou kunnen lijden.

Zoo moest ik dan eigenlijk constateeren, dat de omgang met de lieden

die behoorden tot de kringen, waaruit de schrijver van het boek in

kwestie was voortgekomen, mannen en vrouwen die zich Neo-Malthusianen

noemden, omdat zij wel de leer van Malthus aanhingen, doch bij de

bestrijding van het door hem beschreven kwaad, hun eigen middelen en

niet de zijne gebruikten, mij wel veel theoretische kennis omtrent het

vraagstuk had geschonken, doch dat ik, wat de praktische oplossing

betreft, nog vrijwel op het doode punt was blijven staan.

In het vaderland teruggekeerd, werd de kwestie waaraan ik te Londen

mijn volle aandacht had geschonken, aanvankelijk door andere dingen die

mij bezig hielden, op den achtergrond geschoven. De gratis consult-uren

voor min- of onvermogende vrouwen, die mij uit den aard der zaak weer

in nauw contact brachten met vertegenwoordigsters der zoogenaamde

volksklasse, waren oorzaak dat het diepingrijpende probleem mij weer

voortdurend bezighield. Hoe kon het ook anders, waar ik schier

dagelijksch ziekten moest constateeren, welke een rechtstreeksch gevolg

waren van ongewenschte zwangerschappen, waar voorts herhaaldelijk

bleek, dat kinderen uit dergelijke zwangerschappen geboren, niet alleen

voor hun ouders maar ook voor de maatschappij, in stoffelijken en

zedelijken zin, een last beteekenden.

Nog steeds zoekende naar het middel waarmede dit euvel op afdoende

wijze kon worden bezworen, vond ik, het was in den aanvang van het jaar

1882, in een Duitsch medisch tijdschrift een artikel, geschreven door

dr. Mensinga uit Flensburg, die in gevallen als waarover ik peinsde het

gebruik van een pessarium occlusivum aanbeval. Het zuiver

wetenschappelijk artikel maakte zulk een indruk op mij, dat ik

onmiddellijk contact zocht met den schrijver. Een langdurige collegiale

briefwisseling volgde, waarin Dr. Mensinga mij volkomen op de hoogte

bracht van de wijze waarop het middel moest worden aangewend. Ook

stelde hij eenige exemplaren tot mijn beschikking. Hoewel Dr. Mensinga

mij de verzekering had gegeven, dat het middel volkomen onschadelijk

was voor de gezondheid van hen die het aanwendden en dat het

beantwoordde aan het doel, wilde ik mij toch eerst daarvan zelf

overtuigen, alvorens ik het durfde aanbevelen.

Herhaaldelijk waren vrouwen uit verschillende klassen der bevolking mij

komen raadplegen over een middel ter voorkoming van bevruchting, die

allen daarvoor redenen van socialen, moreelen of medischen aard hadden,

en die ik steeds zonder afdoenden raad had moeten laten vertrekken.

Enkele van deze vrouwen, die daartoe het meest in aanmerking kwamen,

zond ik toen brieven, waarin ik haar mededeelde, dat ik thans een

middel meende te hebben om haar te kunnen helpen, maar alvorens ik het

vol vertrouwen durfde aanbevelen, moesten zij die het wilden aanwenden,

in de eerste maanden af en toe bij mij komen om onderzocht te worden.

Eenige vrouwen waren daartoe gaarne bereid. De resultaten waren van

dien aard, dat ik na eenige maanden met gerustheid durfde verklaren,

een onschadelijk, doeltreffend anti-conceptioneel middel in handen te

hebben.

Hoewel ik het niet noodig vond openlijk reclame voor die hulp te maken,

achtte ik mij toch verplicht, waar zulks noodig en nuttig scheen,

bekend te maken, dat ik bereid was vrouwen, voor wie een zwangerschap

op grond van sociale, moreele of medische overwegingen niet gewenscht

was, een anti-conceptioneel middel aan de hand te doen.

Geen oogenblik heb ik mij gevleid, dat dit onderdeel van mijn medisch

werk door het gros mijner collega’s met instemming zou worden begroet.

Ik wist te goed hoe vastgeroest zij zaten in conventioneele begrippen

en hoe weinig zij op de hoogte waren van het sociale leven. Medewerking

verwachtte ik in dit opzicht van hen allerminst. Van den anderen kant

echter had ik ook niet gedacht, dat mijn optreden zoo’n storm van

verontwaardiging zou wekken. Heel de medische wereld stortte de fiolen

van haar toorn over mijn hoofd uit, en de enkelen die het innerlijk met

mij eens waren, zwegen, uit vrees dat ook hun de algemeene

verontwaardiging zou treffen. Moeilijke tijden heb ik toen doorgemaakt

en zwaar voelde ik het gemis van den man, bij wien ik ook in dit geval

mijn hart had kunnen uitstorten. Helaas, mijn goede vader was niet

meer; en de weinige vrienden op wie ik ook toen mocht blijven bouwen,

konden door hun gemis aan medische en sociologische kennis, niet ten

volle het groote belang begrijpen, dat de menschheid bij dit deel van

mijn arbeid had. Zoo vaak ik de kwestie die mij bezig hield, met hen

besprak, gaven zij mij, volkomen te goeder trouw natuurlijk, een raad

die praktisch hierop neerkwam, dat ik in het openbaar zou verklaren mij

te hebben vergist en van plan te zijn dergelijke hulp voortaan niet

meer te verleenen. Nooit heb ik in tweestrijd gestaan of ik misschien

toch verstandiger deed hunne denkbeelden tot de mijne te maken. Te

zwaar drukte daarvoor het leed dat ik had gezien, te groot schenen mij

de zegeningen die ik van dit deel van mijn werk voor de maatschappij en

de menschheid verwachtte.

Zeker was het moeilijk en pijnlijk, als eenige vrouw-doctor in den

lande, te moeten oproeien tegen den stroom van leugen en laster door

mijne mannelijke collega’s alom tegen mij verspreid. De vaste

overtuiging echter, dat de zaak die ik diende ten volle mijn zorgen

loonde; het innig bewustzijn, niet alleen individueel leed te kunnen

verzachten, maar ook een groot sociaal belang te behartigen, schonken

mij de kracht op het eenmaal ingenomen standpunt te blijven volharden.

Toch bleven ook de uren van twijfel mij niet bespaard. Dan dwaalde ik

in het Vondelpark laan in, laan uit, zonder iets van de omgeving in mij

op te nemen, mijn hersens pijnigend met de vraag of ik mij, ondanks

alles, misschien toch vergiste. Kon algemeene bekendheid met een middel

ter voorkoming van zwangerschap, tengevolge hebben dat geen kinderen

meer ter wereld werden gebracht? Zou extra-matrimonieele

geslachtsgemeenschap er uit kunnen voortkomen? En als het aantal

geboorten afnam, zou dan de economische positie van het land in gedrang

kunnen komen? Al die vraagstukken hielden mij bezig en eischten een

antwoord van mij, die zich op economisch gebied toch maar een leek kon

noemen. Dan hield ik mij zelf voor, dat in elke normaal aangelegde

vrouw de drang naar het moederschap immers zoo sterk is, dat in ’t

algemeen gesproken, slechts overwegingen van ernstigen aard haar er toe

zullen leiden, van dat moederschap ’t zij geheel, ’t zij ten deele,

afstand te doen. Ontegenzeggelijk, redeneerde ik verder, zou bekendheid

omtrent preventief-middelen het aantal ongewenschte geboorten doen

verminderen, maar moest dit niet worden toegejuicht, zoowel van een

sociaal als van een sociologisch of individueel standpunt bezien? Als

er minder ongewenschte individuen ter wereld kwamen, zou immers het ras

verbeteren, de sociale welvaart en het menschelijk geluk grooter

worden. Zoowel mijn studie over dit onderwerp, als eigen waarneming en

nadenken, hebben die overtuiging rotsvast bij mij gevestigd. Reeds toen

voelde ik heel sterk wat Nietzsche later treffend juist onder woorden

zou brengen: niet de uitbreiding van het ras, maar het op hooger peil

brengen van de menschheid dient het doel van ons bestaan te zijn.

Wel hebben de ervaringen in die dagen van strijd opgedaan, mijn geloof

en goed vertrouwen in de menschen bedenkelijk aan het wankelen

gebracht. Bij voorbaat wist ik, dat lieden met een bekrompen inzicht,

die immers al wat nieuw is uit den booze achten, zich met mijne

denkbeelden niet konden vereenigen. Ook was ik er van overtuigd, in hen

wier godsdienstig gevoel in botsing moest komen met mijne opvattingen,

zoo goed als in degenen die de sociale toestanden in eigen land niet

kennen, mijn tegenstanders te moeten zien. Dit deerde mij niet. Zelfs

koesterde ik de hoop, door woord en geschrift, enkelen van hen op den

duur tot andere gedachte te kunnen brengen. Dat mijn collega’s, en

onder hen vooral de verloskundigen en gynaecologen die zich door mijn

werk in hunne broodwinning bedreigd zagen, met geen ander doel dan mij

den arbeid onmogelijk te maken, zelfs voor de gemeenste lastercampagne

niet zouden terugdeinzen, had ik echter geen oogenblik verwacht. Hadden

zij de doelmatigheid of betrouwbaarheid van het middel in twijfel

getrokken, waren zij opgekomen tegen de sociale gevolgen van de

toepassing, dan had ik mij met het mij ten dienste staande materiaal

kunnen verdedigen, dan ware het een eerlijke strijd geweest, gebaseerd

op meeningsverschil en ervaring. In dien geest werd later soms een

enkele keer in het Geneeskundig Tijdschrift gediscussieerd. Zoo vaak

dit geschiedde heb ik mij steeds in het debat gemengd, met het

resultaat dat ik vrijwel altijd als overwinnares het strijdperk

verliet. In den beginne echter zochten mijn bestrijders hun heil in

achterklap, niet in het openbaar doch in ’t geniep, gevolg van het feit

dat de bewijzen voor hun lasterpraatjes ten eenen male ontbraken. Zoo

beschuldigden zij mij van het opwekken van abortus, en op dezelfde

wijze werd rondgestrooid dat ik een onzedelijk leven leidde. Hoe gaarne

had ik in het openbaar dien laster ontzenuwd! Helaas, men stelde mij er

niet toe in de gelegenheid. Wat mij ter oore kwam, kreeg ik nooit langs

directen weg te hooren. Gelukte het mij, bij hooge uitzondering, den

oorsprong van een lasterpraatje te ontdekken, dan bleek een obstetricus

of gynaecoloog zich daaraan te hebben schuldig gemaakt. Nooit schroomde

ik den lasteraar, oog in oog, ter verantwoording te roepen. Meestal

maakte de man in kwestie zich van het geval af, met de opmerking dat

hij voorkoming van bevruchting op één lijn plaatste met

vruchtafdrijving, een opvatting waarvan het onlogische door ieder moet

worden ingezien die weet, dat het tweede als een strafbaar feit, het

eerste als een geoorloofde handeling wordt beschouwd. Daarbij kwam nog,

dat de individuen die mij op deze wijze tegenwerkten, van hunne

onhoudbare persoonlijke opvatting in deze materie verder nooit iets

lieten merken.

Naarmate mijn medische praktijk zich uitbreidde en men mij als een

geduchte concurrente ging beschouwen, kwamen andere collega’s het koor

der lasteraars versterken. Niet in staat mij tegen deze duisterlingen

te verdedigen, bleef ik rustig mijn weg vervolgen en trachtte steeds,

zoo eerlijk mogelijk, in het openbaar mijn arbeid te verrichten.

Wat al schijnheiligheid heb ik in die dagen leeren kennen! En nu denk

ik o.a. aan predikanten, die openlijk tegen de voorbehoedmiddelen

waarschuwden, doch hunne vrouwen naar mijn spreekuur zonden voor het

inwinnen van advies. Ik herinner mij dames, die de middelen welke ik

haar had aangeraden, trouw in toepassing brachten, doch zich desondanks

geen oogenblik ontzagen, op theevisites en naaikransjes den staf over

mij te breken. Medici kwamen mij opzoeken met het doel om te vernemen

hoe de door mij aangeprezen middelen moesten worden toegepast, maar

terzelfder tijd schaarden zij zich in het openbaar aan de zijde mijner

tegenstanders.

Met vreugde wil ik echter constateeren, dat tegen de ergerlijke

ervaringen die mij uit den aard der zaak niet bespaard konden blijven,

ruimschoots opwogen de dankbaarheid van vele vrouwen, de hartelijke

vriendschapsbetuigingen van waarlijk hoogstaande lieden.

In die dagen was het ook, dat tusschen mij en Carel Victor Gerritsen

hechte vriendschapsbanden werden gelegd. Te voren zag ik hem

betrekkelijk weinig. Was hij in Londen geweest, dan kwam hij mij de

groeten brengen van gemeenschappelijke vrienden, doch overigens

kruisten onze wegen elkander slechts bij hooge uitzondering. In den

strijd ter voorkoming van ongewenschte geboorten, schaarde hij zich

zonder voorbehoud aan mijne zijde. Op ondubbelzinnige wijze gaf hij

uiting aan zijn bewondering voor den moed, dien ik aan den dag legde

door alleen op te tornen tegen vooroordeel, verdachtmaking en

verguizing. Waarlijk, Carel Victor Gerritsen is de eerste en langen

tijd de eenige Nederlander geweest met wien ik onomwonden over deze

belangrijke kwestie van gedachten kon wisselen, in de overtuiging, dat

mijn woorden, mijn opvattingen bij hem weerklank vonden. Wel was

ongeveer terzelfder tijd dat ik mijn strijd voerde, hier te lande een

Neo-Malthusiaansche Bond opgericht, doch evenals de Engelsche

zustervereeniging, berustte ook deze organisatie op economischen

grondslag. Daarbij kwam dat zij mijns inziens te veel in ’t geheim

werkte, reden waarom ik aan het streven mijn volle medewerking niet kon

schenken. Sympathiek heb ik het werk van den Neo-Malthusiaanschen Bond

in ons land nooit kunnen vinden. Aanvankelijk als lid toegetreden, liet

ik mij spoedig weder van de lijst der leden schrappen, en nooit heb ik

sindsdien neiging gevoeld de gelederen der Neo-Malthusianen te helpen

versterken. Men concludeere hieruit niet, dat ik mijn overtuiging

omtrent het gebruik van anti-conceptioneele middelen, in alle gevallen

waar het gewenscht blijkt bevruchting te voorkomen, ooit heb gewijzigd.

Het tegendeel is waar. De ervaringen in mijn later leven opgedaan,

werden bewijzen te meer voor de juistheid van mijn opvatting, dat deze

middelen, zoo goed als alle hulpbronnen waardoor kwalen van

lichamelijken of maatschappelijken aard kunnen worden voorkomen,

openlijk door daartoe bevoegden, in casu dus door doctoren moeten

worden verstrekt, en dat zij het gebruik er van niet mogen tegen

werken. Het verkeerde van den tegenwoordigen toestand wortelt in het

feit, dat deze middelen nog maar al te vaak in ’t geheim en heel

dikwijls ook door onbevoegden worden verstrekt.

Thans, aan het einde van mijn leven gekomen, smaak ik de voldoening,

dat hooggeplaatste mannen en vrouwen, corypheeën op wetenschappelijk

gebied, de noodzakelijkheid van controle op de geboorten inzien en niet

alleen uit een economisch, maar evenzeer uit een sociaal medisch en

eugenetisch oogpunt, beperking der geboorten aanbevelen.

In de laatste jaren, ik had mijn medische praktijk toen reeds geruimen

tijd neergelegd, mocht ik tal van buitenlandsche professoren en

doctoren ten mijnent zien, die inlichtingen kwamen vragen omtrent mijne

ervaringen op dit gebied. In het Kerstnummer van The Pictorial Review,

verschenen in het jaar 1920, heeft eene Amerikaansche journaliste over

dit deel van mijn levenstaak een artikel gepubliceerd. Een stroom

brieven uit Noord- en Zuid-Amerika, zoo goed als uit Canada en

Australië, waren er het gevolg van. Zoo groot bleek het aantal, dat ik

mij niet in staat achtte op ieder schrijven afzonderlijk te reageeren

en ik de bemiddeling der redactie van het Amerikaansche tijdschrift

moest inroepen.

Ook na het Congres voor Birth-Control, van 11 tot 15 Juli 1922 in

Londen gehouden, kwamen verschillende buitenlanders naar Den Haag om,

nu ziekte mij had belet de besprekingen in de Engelsche hoofdstad bij

te wonen, op die wijze met mij in contact te komen en inlichtingen te

krijgen over de zaak, die mij reeds jaren geleden nauw ter harte ging.

Mannen als John Maynard Keynes, Havelock Ellis, Edward Carpenter,

Harold Cox, Knut Wicksell, Edward Westermarck, H. G. Wells en andere

bekende persoonlijkheden, hebben het congres bijgewoond en openlijk

verklaard, de hooge waarde te erkennen van het willekeurig moederschap,

waar dat gewenscht wordt. De medische sectie van dit Congres, dat door

164 doctoren uit verschillende landen werd bij gewoond, zoo goed als

door Lord Dawson, lijfarts van den Koning van Engeland en Sir Arbuthnot

Lane, een der eerste chirurgen uit Londen, hebben contraceptive

middelen, daar waar gezinsbeperking gewenscht is, aanbevolen. Daardoor

is dit groote vraagstuk actueel geworden in kringen, waar het tot

volledige ontwikkeling kan worden gebracht.

Laat ik dit hoofdstuk eindigen met er op te wijzen, dat men na al die

jaren nog geen beter middel heeft gevonden ter voorkoming van

ongewenschte geboorten, dan het door mij steeds voorgeschreven

Mensinga-pessarium.

Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs · 第 14 / 47 题