De aankomst.—Nieuwe vrienden.—Studie en ontspanning.—Ik ga naar
Nederland terug.—Het medisch congres te Amsterdam.—Gevestigd in de
hoofdstad.
Te Sappemeer had men mij vreeselijke verhalen opgedischt van Londensche
koetsiers, die jonge meisjes naar verkeerde adressen in afgelegen
straten brachten. Hoewel die vertelsels weinig indruk op mij maakten,
had ik voor alle zekerheid, de plattegrond der Britsche hoofdstad
nauwkeurig bestudeerd. Ik wist bij aankomst in Londen vrij goed welken
weg ik moest nemen om de woning te bereiken, waar mevrouw Rennefeld
kamers voor mij had gehuurd. Intusschen bleek de koetsier, die ik luk
raak had uitgepikt, geen booze plannen te mijnen opzichte te koesteren.
Hij reed mij langs den kortsten weg naar het opgegeven adres, en
nauwelijks was ik daar aangekomen, of mevrouw Rennefeld bracht mij haar
welkomstgroet. Zij hielp mij bij het uitpakken, en toen met behulp van
hetgeen ik uit Holland had meegebracht, mijn kamers een gezellig,
huiselijk aanzien hadden gekregen, moest ik mede naar hare familie, bij
wie zij inwoonde. Allerhartelijkst werd ik daar in den huiselijken
kring ontvangen. Het verdere gedeelte van den dag moest ik daar
doorbrengen. Al dadelijk dien eersten dag had ik het voorrecht bij mijn
nieuwe kennissen den wereldberoemden schilder Alma Tadema te ontmoeten.
Merkwaardig gauw voelde ik mij in de nieuwe omgeving thuis, en toen ik
aan den avond van dien eersten dag mijn kamers weer betrad, had ik het
gevoel alsof ik er reeds ik weet niet hoe lang woonde.
Den volgenden ochtend wachtte mij alweer een prettige verrassing. Ik
zat nog aan het ontbijt, toen twee jonge dames haar opwachting kwamen
maken. Zij introduceerden zich als medische studenten, kennissen van
den heer Gerritsen uit Amersfoort, die hun, door middel van een
uitvoerig telegram, verzocht had mij zooveel mogelijk van dienst te
willen zijn. En nu kwamen zij maar dadelijk haar hulp aanbieden. Het
ijs was spoedig tusschen ons gebroken. Reeds enkele uren later toog ik
met mijn nieuwe vriendinnen naar de medische school voor vrouwen in
Henriette Street, waar zij mij voorstelden aan vele mannelijke
hoogleeraren en aan nog meer vrouwelijke studenten. Van verschillende
kanten werd ik al dadelijk bij dit eerste bezoek, uitgenoodigd om de
lessen aan de school te komen volgen. Van Henriette Street voerde onze
weg naar Dr. Drysdale, de man die hoewel ik in Londen betrekkelijk
weinig met hem in aanraking kwam, mijn later leven sterk heeft
beïnvloed. Door Dr. Drysdale kreeg ik contact met Annie Besant, die
toentertijd in samenwerking met Charles Bradlaugh, zoowel in woord als
in geschrift, propaganda maakte voor de vrije gedachte. Ook Bradlaugh
en zijn dochters mocht ik ontmoeten.
Voor wie omtrent de in die dagen te Londen op den voorgrond tredende
persoonlijkheden niet volkomen georiënteerd zijn, diene, dat Charles
Bradlaugh (1833–1891) reeds op zeventienjarigen leeftijd zijn strijd
aanving tegen het Christendom, met een vlugschrift, getiteld: „A few
words on the Christian Creed” (1850). Hij betoonde zich tijdens mijn
verblijf te Londen in woord en geschrift, evenals dr. Drysdale, een
voorstander van de malthusiaansche theorie. Door deze personen kwam ik
weer in aanraking met andere mannen en vrouwen, die door hun propaganda
voor het „bewust moederschap” of door hunne theorieën omtrent
„willekeurige beperking van het kindertal”, het schijnheilige Engeland
uit die dagen in opschudding brachten.
Nog vóór ik mij zelf voldoende rekenschap van mijn bedoelingen had
kunnen geven, en vóór ik eigenlijk wist of ik het wenschte en wilde,
stond ik te Londen midden in de radicale groepen op wetenschappelijk,
politiek en zedelijk gebied, wier harde strijd gericht was tegen
conservatisme en schijnheiligheid. Ik bezocht de vergaderingen waar
Bradlaugh en zijn kleine schare volgelingen hunne opvattingen omtrent
de politiek van het oogenblik ten beste gaven. ’s Zondags woonde ik de
bijeenkomsten van de toen nog jonge „Fabian Society” bij en ook de
arbeidersvergaderingen hadden mijn volle aandacht.
Laat ik alweer ter verduidelijking voor sommige mijner lezers in dit
verband even zeggen, dat de „Fabian Society”, hoewel geheel op
socialistisch standpunt staande, geen agitatie onder de arbeiders
wenscht. Hare leden behoorden toen en behooren ook nu in hoofdzaak tot
de intellectueele middenklasse. Zij gelooven aan de mogelijkheid van
een beter inzicht bij de bezittenden. De naam der vereeniging is
ontleend aan Fabius Cunctator, een Romeinsch consul, bekend om de
verstandige taktiek die hij in den oorlog tegen Hannibal voerde.
Zoo waren dus mijn avonden door vergaderingen van velerlei aard in
beslag genomen. Als ik die bijeenkomsten bezocht, had ik reeds vele
uren van inspannenden arbeid achter mij. Mijne ochtenden bracht ik
steeds door in het groote kinderhospitaal in Great Ormondstreet. Daar
woonde ik eerst de druk bezochte poliekliniek bij en deed vervolgens
met een der geneesheeren de ronde door de zalen. ’s Middags begaf ik
mij naar een der hospitalen voor vrouwen, ’t zij om de theoretische
lessen van een bekend hoogleeraar te volgen, dan wel om hetgeen ik
theoretisch had geleerd, in de praktijk te zien toepassen. En nu is het
wel merkwaardig, dat terwijl de Engelsche vrouwelijke studenten die tot
de hospitalen toegelaten wilden worden, vele moeilijkheden te
overwinnen hadden, voor mij de deuren terstond opengingen.
De zeer enkele vrouwelijke doctoren stonden in die dagen in Engeland op
zeer gespannen voet met hunne mannelijke collega’s. De vakbond wenschte
haar niet als leden toe te laten, uit de medische vergaderingen werden
zij geweerd. Ik daarentegen mocht niet anders dan welwillendheid
ondervinden. Gehuwde medici noodigden mij in hun huiselijken kring;
ongehuwden waren, zoo vaak ik met hen in aanraking kwam, de
voorkomendheid zelve. De oorzaak van dit verschil in opvatting heb ik
eigenlijk nooit volkomen kunnen opsporen. Zeker, men wist dat ik mij in
het eigen land zou gaan vestigen en men behoefde dus geen concurrente
in mij te zien. Concurrentie was echter evenmin te vreezen van de
Amerikaansche vrouwelijke studenten, die in Londen hare studie kwamen
voltooien. Toch werden zij alles behalve vriendelijk ontvangen.
Misschien had ik die bevoorrechting te danken aan mijn jeugd en aan het
feit, dat ik, hoewel nog jong in jaren, met ernst en toewijding mijn
taak vervulde.
Van al de hospitalen die ik in Londen leerde kennen, boezemde het pas
opgerichte kleine ziekenhuis voor vrouwen in de Marylebone Road, mij
het meeste belang in. Aan het hoofd daarvan stond de eerste
vrouw-doctor in Engeland, Mrs. Garrett Anderson. De vrouwelijke medici
die met haar samenwerkten, hun aantal was trouwens gering, hadden
zonder onderscheid in het buitenland, meestal te Parijs, gestudeerd en
daar ook hare diploma’s verworven. Aangezien de jongste onder haar de
vier kruisjes achter den rug had, werd ik met mijn vijf en twintig jaar
als een baby beschouwd. Met dat al kwam men mij hartelijk en
vriendschappelijk tegemoet; en wat mij betreft, ik voelde mij in het
kringetje der vrouwelijke collega’s volkomen thuis. Vooral Mrs. Garrett
Anderson, die zich niet alleen voor de medische wetenschap
interesseerde, maar ook voor de sociale toestanden een open oog toonde,
had mijn volle sympathie. Ook tot haar zuster Mrs. Millicent Fawcett,
in die jaren reeds presidente van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht
in Engeland, voelde ik mij in hooge mate aangetrokken. Dank zij mijn
relatie met deze vrouwen, kreeg ik herhaaldelijk uitnoodigingen voor
„drawing-room meetings”, waar dan ten behoeve van een veertig- of
vijftigtal vrouwen uit de hoogere kringen, lezingen werden gehouden
over het nut en de noodzakelijkheid van het kiesrecht voor de vrouw.
Mij behoefde men van die noodzakelijkheid niet te overtuigen. Sinds
jaren vond ik het vanzelf sprekend, dat de vrouw op politiek gebied
dezelfde rechten diende te hebben, welke den man werden toegekend. Toch
bezocht ik gaarne die bijeenkomsten, omdat ik er de argumenten leerde
kennen, waardoor anderen overtuigd moesten worden. Mijn kennismaking
met de eerste strijdsters voor het vrouwenkiesrecht in Engeland, een
kennismaking die in vele gevallen tot een hechte, innige vriendschap
leidde, dateert uit die dagen.
In het Gedenkboek 1894–1919, uitgegeven door de Vereeniging voor
Vrouwenkiesrecht, heb ik aan dit deel van mijn verblijf in Engeland een
artikel gewijd.
Vroeger dan aanvankelijk in mijn bedoeling had gelegen, keerde ik naar
Nederland terug. Van 8 to 15 September 1879 werd namelijk te Amsterdam
een internationaal congres ter bevordering der geneeskundige wetenschap
gehouden, dat vele mij bekende Engelsche hoogleeraren en doctoren
wenschten bij te wonen. Op hun aanraden besloot ik ook naar Amsterdam
te gaan om dan, na afloop der bijeenkomsten, mijn studie in Londen te
hervatten. Daarvan is toen echter niets gekomen. Tijdens den duur van
het congres ontving ik zooveel aanvragen van Amsterdamsche families om
voortaan bij haar de huispraktijk te willen waarnemen, zoovele moeders
verzochten mij het medisch toezicht op hare kinderen uit te oefenen,
dat het mij verstandiger leek niet meer naar het buitenland te gaan.
Dank zij het congres was mijn naam op aller lippen. Het kwam mij voor,
dat ik met die onverwachte en ongezochte reclame mijn voordeel moest
doen. En zoo besloot ik mij reeds aanstonds als praktiseerend arts in
de hoofdstad te vestigen.
Hoe dikwijls werd gedurende de congresdagen mijn naam in de dagbladen
vermeld! Hoe vaak releveerden de kranten dat het congresbestuur, aan
welks hoofd professor Donders stond, bij alle feestelijkheden en elke
gebeurtenis van eenige beteekenis toonden, mijn aanwezigheid op prijs
te stellen.
Laat ik in dit verband citeeren wat het Algemeen Handelsblad van 9
September 1879 onder het opschrift: „De doctoren ten Raadhuize”,
schreef over de ontvangst, welke den congressisten aan den avond van
den eersten dag op het Prinsenhof door het stadsbestuur was bereid:
„Luider stemme kondigde de huissier de genoodigden aan. Voor het
gemeentebestuur, met den burgemeester aan het hoofd, maakten de heeren
het gewone compliment. Te negen uur was de raadzaal eivol, maar nog
steeds kwamen nieuwe gasten.
„Een naam werd den volke verkondigd, die de algemeene aandacht trok.
„Dr. Aletta Jacobs!”, klonk het, en op de meest bescheiden wijze kwam
de eerste Nederlandsche vrouwelijke doctor binnen. De Burgemeester
maakte voor haar eene uitzondering. Het bleef niet bij een buiging,
maar als hoofd der gemeente begroette hij Mejuffrouw Jacobs in de
raadzaal der hoofdstad met betuiging van warme sympathie.”
Nog een andere avond van datzelfde congres staat mij nu, na meer dan
veertig jaren, levendig voor den geest. ’t Was een feestelijke
bijeenkomst, ter eere van de buitenlandsche gasten georganiseerd. Het
programma vermeldde o.a. twee tableaux vivants. Bij het eerste levende
beeld, dat het heden en het verleden moest voorstellen, zagen wij
Lister tegenover Ambroise Paré op het slagveld. Daverend applaus
weerklonk door de zaal. Het handgeklap werd ten slotte een ovatie voor
den Engelschen geleerde, die in de zaal aanwezig was. Men riep, men
juichte zoo van ganscher harte, dat Lister ten slotte op het podium
verscheen om voor die hulde zijn dank te betuigen.
Het tweede beeld, „de toekomst”, bleek een copie van Rembrandt’s
„Anatomische Les” te zijn, met dit verschil echter, dat de
mannenfiguren door vrouwen waren vervangen.
Het Algemeen Handelsblad van 16 September 1879 schreef daarover:
„Zij die doceerde, Prof. Tulp, was een bekende doctores. Natuurlijk was
zij het niet zelve, maar in kleederdracht, gestalte en gelaat zoodanig
geïmiteerd, dat haar naam uit aller mond klonk. En nu was het de beurt
van Dr. Aletta Jacobs om de betuigingen van algemeene sympathie te
ontvangen.”
Ook de buitenlandsche bladen lieten zich niet onbetuigd.
Dr. Petithan, die in een Fransch medisch blad, „Le Scalpel”, verslag
uitbracht over het congres, schreef over mij:
„J’ai saisi l’occasion de la 4e conclusion pour rendre hommage à
l’étude de la médecine par les femmes, si bien représentées au Congrès
par Mlle. Jacobs. J’ai dit que c’était aux femmes médecins qu’il
appartenait d’apprendre à leurs soeurs, toutes les lois de l’hygiène et
leurs devoirs les plus essentiels trop souvent ignorés.
„Il n’est pas possible de se figurer la science sous une forme plus
charmante que celle de cette jolie juive de 25 ans, suivant les
discussions les plus délicates avec un aplomb et un tact parfait,
restant femme gracieuse toujours, et me remettant, en signe de
reconnaissance, un savant mémoire sur les localisations cérébrales”.
[1]
Laat ik, oude vrouw, dit hoofdstuk besluiten met speciaal mijn
lezeressen in vertrouwen te vertellen, dat doctoren uit alle
windstreken van Europa mij tijdens het congres en ook daarna, hun hart
en hand aanboden. Die huwelijksaanzoeken hebben, waarom zou ik het
verzwijgen, mijn gevoel van eigenwaarde gestreeld. Mijn hart echter
bleef volkomen onbewogen.