Heeft dit boek een inleiding noodig? Strikt genomen niet, want het moet
voor zichzelf spreken, maar ik wil toch gaarne van zulk een
avant-propos gebruik maken voor enkele opmerkingen van algemeenen aard.
Men mag gerust gelooven, dat ik tegen de publicatie heb opgezien als
tegen een berg, en dat ik lang heb geaarzeld alvorens er toe over te
gaan. Het is iets anders om aanteekeningen te houden en herinneringen
op papier te zetten, dan dat alles prijs te geven aan de openbaarheid.
Ten slotte ben ik gezwicht voor vele vriendelijke aansporingen uit ons
land en daarbuiten. Laat mij nu dit echter bekennen: toen ik dan
eenmaal bezig was met het doorlezen van oude brieven en papieren, met
het maken van aanteekeningen om alles te schiften en te ordenen, heb ik
toch meer en meer het bemoedigend besef gekregen, dat ik met het
schrijven van dit boek eenig nut kon stichten. De vrouwen en meisjes
van tegenwoordig mochten het zich nog wel eens duidelijk voor oogen
stellen, hoe moeilijk, hoe saai en weinig verheffend het leven is
geweest van hare grootmoeders en moeders, en vooral van hare ongehuwde
tantes. Daardoor zouden zij te beter waardeeren, hoeveel meer zij in
den hoogeren zin van het leven kunnen genieten, nu de wegen zijn
gebaand voor een vrij en onafhankelijk bestaan, ook voor de vrouw. In
de volgende hoofdstukken heb ik niet telkens de parallel getrokken
tusschen voorheen en thans, maar naar ik meen treedt de tegenstelling
toch telkens op den voorgrond.
Nog een andere overweging heeft mij tot de uitgaaf doen besluiten.
Dergelijke levensschetsen van vrouwen zijn zeldzaam in ons land. Het
nageslacht zou daarom licht tot de gevolgtrekking kunnen komen, dat in
de nu afgeloopen halve eeuw, welke gekenmerkt is door een zoo sterken
ommekeer, de vrouwen aan al die hervormingen geen werkzaam aandeel
hebben genomen.
Een volledig relaas van alles wat ik heb beleefd en ondervonden, heb ik
niet willen geven. In dat geval zou het boek veel te omvangrijk zijn
geworden. Toch kan er uit blijken hoeveel teleurstelling, tegenwerking
en zelfs verdachtmaking mijn deel zijn geweest, maar tegelijk hoe ik
steeds in de moeilijkste tijden steun en vriendschap en liefde heb
mogen ondervinden van hoogstaande mannen en vrouwen. Daardoor is
althans het bekende gezegde: „pioniers moeten te gronde gaan”, aan mij
gelukkig niet bewaarheid.
Aan den avond van mijn leven gekomen, mag ik met dankbaarheid terugzien
op een loopbaan als slechts weinigen ten deel valt. Alle vormen van
droefheid maar ook van vreugde heb ik leeren kennen. Bijna de geheele
wereld heb ik doorreisd en daarbij de heerlijke ervaring opgedaan, dat
overal lieve en oprechte vrienden wonen, die ik met hartelijkheid
gedenk. Het is mij een bemoedigende en een troostrijke gedachte, dat,
nu ik geen werkzaam aandeel meer kan nemen in het hervormingswerk, een
uitgebreide internationale briefwisseling mij op de hoogte houdt van
hetgeen er op verschillend gebied in de wereld geschiedt.
Grooter echter is mijn dankbaarheid, omdat ik de verwezenlijking heb
mogen beleven van drie belangrijke factoren voor een gelukkiger en op
hooger peil gebracht leven van de vrouw. De politieke en de economische
onafhankelijkheid der vrouw en het moederschap naar begeeren, zijn met
mijn medewerking in ons land tot stand gekomen. Daarom zal ik, wanneer
het uur van heengaan voor mij gekomen is, gerust mogen zeggen, dat ik
er het mijne toe heb bijgedragen om de wereld voor de vrouwen een
beetje beter achter te laten dan ik haar gevonden heb.