Ik heb in den laatsten tijd te veel gelagchen; en, als
humoristisch-sentimenteel verteller--d. w. z.: als kwakzalver onder de
schrijvers--voegt 't mij toch, bij beurten ook 'reis een traan weg te
pinken--: ligt hield men mij anders voor zoo'n humorist _pur-sang_--en
daarvoor----de Hemel behoede mij en de mijnen!
* * * * *
Waren soms de avonden aan boord gekunsteld vrolijk--droef en somber
volgden de nachten: als droomen mij kwelden--droomen van huis!
Eens op een nacht droomde ik weêr: en zóó een zonderlingen, zóó een
wijsgeerig bespiegelenden droom droomde ik--dat ik dien te boek
stelde--in de hoop, daardoor den meest sentimentelen lezer te
bevredigen.
* * * * *
--_Adagio patetico._
Ik droomde dan----
----en zie--ik droomde, dat ik
dood was.
Mij dacht, 't sterven was niet pijnlijk geweest: ik was 's avonds
vergenoegd naar kooi gegaan, en--toen ik 's nachts meende wakker te
worden, om me eens van de linker- op de regterzijde te wenden--bemerkte
ik, tot mijne verbazing, doch zonder leedwezen--dat ik dood was. Ik vond
't zonderling, wel ietwat onverwacht ook: de menschen zouden 't een
treffend sterfgeval noemen; maar onaangenaam vond ik 't niet. 't Was een
gewaarwording--die ik trouwens niet beschrijven zal, omdat ik elkeen in
dezen den tijd wil laten voor zichzelf te oordeelen--: een
gewaarwording, tusschen waken en dommelen, tusschen zijn en niet
zijn--kortom, zooals ik me altijd had voorgesteld dat de dood wezen
moest.
Terwijl ik nu peinsde en nadacht over 't geen ze wel met mij doen
zouden, en wat er toch van mij worden mogt--want, hoe vreemd 't klinke,
ik zag en hoorde en gevoelde alles inwendig nog duidelijker dan toen ik
leefde--terwijl ik zoo peinsde en nadacht----verscheen op eens de Engel
der Verschrikking aan mijn voeteneind. 't Was werkelijk een Engel: geen
rammelend beenderspook met zeis en zandmeter--doch een vriendelijk,
hoewel streng uitziend man, met lange witte haren, een zwarte toga, en
groote vlerken: iemand, die zichzelf zeker niet herkennen zou uit de
afbeeldsels, welke ik, bij mijn leven, wel van hem meende gezien te
hebben.
En de Engel des Doods sprak mij aan, zeggend: »Kind, gij zijt in den
vreemde gestorven; geen ouders of vrienden kunnen voor uw begrafenis
zorg dragen: zoo maak gebruik van 't voorregt dat ik allen zwervelingen
schenk: kies u de plaats, waar gij wilt, dat ik u ter aarde bestelle,
opdat gij, die bij uw leven geen rust vondt, nu ten minste uw hoofd in
vrede neêr moogt leggen."
»Goede geest", antwoordde ik, »gij hebt mij weggerukt in den bloei
mijner jaren; smart hebt ge mij niet aangedaan,--en ik ben er u dankbaar
voor; ook was mij 't leren niet zóó zoet, dan dat ik u verwijten zou 't
mij te hebben ontnomen;--maar toch had ik gaarne, na volbragte loopbaan,
mijn vaderland en vrienden weêrgezien. Nu ge mij echter die vreugd niet
hebt gegund--eilieve, wat raakt 't mij, wáár ge mijn ligchaam bergt!
Neem mij, als 't u goeddunkt, en plof mij in de zee!"
* * * * *
En de Engel tilde mij op, en dekte mij met een Hollandsche driekleur tot
doodswâ, en rolde mij in een lap zeildoek, en bond mij een zwaren kogel
aan de voeten;--'t was geen werk voor een Engel, zal men zeggen--doch,
lezer, herinner u, dat ik u den Man beschreef als een vriendelijk man,
en volstrekt geen bullebak. Daarna greep hij mij in de armen, verhief
zich hoog in de lucht, en deed mij, als wijlen; Daniël O'Rourke, in zee
plompen.
Ik gierde naar omlaag, als een pijl uit den boog: als een bruinvisch
schoot ik door de bovenste lichtblaauwe waterlaag; haaijen zwommen mij
na, en kantelden zich, en openden hun wijde muilen om mij te
verslinden;--doch zóó zwaar was de kogel aan mijn voeten, en zóó snel
trok hij me omlaag, dat geen der vratige monsters mij in mijn vaart kon
bereiken;--dat deed mij trouwens genoegen; want ik had bij mijn leven
wel gezien, hoe ze den armen matroos, wiens kogel niet zóó wigtig was
geweest als de mijne, in stukken hadden gescheurd, vóór de man een vaâm
diep gezonken was.--Trapsgewijze begon ik minder snel te dalen: reeds
veel honderd vademen had ik afgelegd in de diepte. Ook werd de kleur van
't water immer donkerder; vreemde visschen schoten mij voorbij: visschen
en monsters, waarvan Buffon noch Bleeker gewagen: visschen en monsters,
zooals Schiller's _Taucher_ ze in 's aardrijks kolken ontmoette. En ik
zonk zachter en zachter, en 't waterig uitspansel óm mij hulde zich meer
en meer in schemerduister; zachter en zachter daalde ik----tot ik
eindelijk niet meer daalde: de digtheid van 't water was in evenwigt met
die van mijn lijk en mijn kogel----merkwaardig! zelfs ná mijn dood mijn
physica nog zóó in 't hoofd te hebben gehouden--!--Intusschen zweefde ik
daar--regt op-en-neêr, als een Cartesiaansch duikertje in een
zuurflesch: boven mij 't donkerblaauw watergewelf, onder mij de zwarte
afgrond, rondom mij een duistere eenzaamheid--want geen visch, geen
monster bewoog zich in dit Lethe--hier scheen 't rijk der levenden ten
einde--hier heerschte de vergetelheid der Benedenwereld.
Hoelang ik zoo gezweefd heb in mijn droom, weet ik niet--: gezweefd
tusschen twee zeeën: duizende vademen van de oppervlakte, duizende
vademen van den bodem. Zóóveel weet ik--dat ik niet rusten kon in mijn
waterig graf: ik wentelde mij om-en-om, ik sloot de oogen--maar rusten
kon ik niet: immer staarde ik vóór mij heen in 't vochtig uitspansel
rondom mij----maar rusten--neen, rusten kon ik niet.
En de Engel des Doods, zijn woord gedachtig, ontfermde zich over
mij.--Eensklaps--juist toen ik begon te bespeuren, dat mijn stoffelijk
overblijfsel fraai aan 't verkalken was onder de werking van millioenen
onzigtbare schelpdiertjes: want zelfs in deze regionen des doods bleek
de levende natuur te arbeiden--eensklaps voelde ik mij opgeheven uit 't
water, en bevond mij wederom in de armen van den gevleugelden Genius.
»Mijn zoon," sprak hij, »ik heb uw billijke klagte vernomen. Rust heb ik
u beloofd, en rust zal ik u schenken: zoo wijs mij een ander oord, waar
gij meent die te zullen vinden."
En ik riep tot hem: »O Geest, begraaf mij wáár 't u lust--doch niet weer
in een killen afgrond als deze: laat mijn stof in de aarde rusten; delf
mij een bed in 't warme zand van de Sahara!"
Toen geschiedde mij naar mijn wensch. Nog vóór 't zilte vocht mij uit de
kleêren was gedroogd, vond ik mij huiselijk toegedekt onder een sprei,
zóó warm en zacht, als iemand, die zooeven van den bodem des Oceaans was
opgevischt, slechts verlangen kon.
Hier, dacht ik, zou ik slapen--hier zou ik een doô met eere zijn.
Maar, naauw had ik mij neêrgevlijd in de gemakkelijkst mogelijke
houding--of----
----ai mij--wat wroet er
den grond boven mij weg--wat knaagt er aan mijn gebeente--wat wringt
mij den schedel van den romp--wat pikt mij de starre oogen uit 't
hoofd!--: 't zijn hyenas, en Gouls, en zwarte gieren! Wee--wat gehuil,
wat gegrijns, wat gekras! Wat doe ik, arme doode, weerloos lijk--wat doe
ik, tegen zóó'n overmagt van ongedierte!------Doch stil--'k hoor een
loeijen in de verte--'t verscheurend vee heft de koppen op, en laat af
van mijn verminkte beenderen--zij vlugten, onder akelig geschreeuw,
onder helsche kreten van teleurstelling en spijt!--: hoor--'t is de
Simoun die opzet, die nadert, die hen verjaagt, die de zandzee doet
golven, die gloeijende stofkolommen opheft tot de wolken, en die,
stormend over mijn graf, mijn opgewroete knoken zachtkens overdekt met
't vale doodskleed van den Bedouin. De pestwind, die honderden pelgrims
't leven benam, had mijn geraamte voor schennis en oneer beveiligd.
En ik dankte den Simoun, omdat hij de lijkenroovers verdreef, en mij zoo
liefderijk een laatste eer bewees.--En nogmaals strekte ik de stramme
leden uit, en drukte mij 't bekkeneel op de schouders, en sloot de
oogen, en--------------------maar of ik de oogen sloot, en mij keerde
van zîj op zîj----rusten kon ik niet: immer hoorde ik hyenas brullen, en
Gouls tandeknarsen, en gieren den snavel spitsen----en rusten--neen,
rusten kon ik niet.
* * * * *
Alsdan verscheen mij ten derden male de Engel des Doods.--»Rust heb ik u
beloofd, en rust zal ik u schenken", herhaalde hij: »zoo zoek u ten
derde malen een groeve uit."
En ik antwoordde: »O groote Genius, even goed als groot, gij, dien de
menschen afschilderen als een gluipenden moordenaar--vergeef mij, zoo ik
van uw welwillendheid misbruik make. Edoch, ik bid u--zoo gij werkelijk
hen liefhebt die ge tot u naamt--ik bezweer u--brengt mijn gebeente
over in 't land mijner kindschheid, waar ik speelde en zong met broeder
en zuster--met zuster en broeder, en vader en moeder--die nu ook allen
reeds dood moeten zijn, gelijk ik. Delf mij dáár een graf: een stil
graf, onder sombere dennen: naast 't kerkje, waar moeder mij ten doop
hield, als de orgeltoon vrolijk galmde ter mijner eer. Laat mij dáár
rusten, en slapen aan moeders zijde!--De wormen zullen er mij
verteren;--doch 't zullen de wormen zijn van mijn geboortegrond; de
wormen, of de kinderen der wormen, die zich gemest hebben aan 't vleesch
van mijn vrienden en magen.--En éénmaal, wanneer alles vervuld zal
wezen, en alles geleden--als de bazuin zal klinken, met magtige stemme,
met hemelsche muziek--klinken, tot aan 't diepste diep der Poolzee, tot
aan den uitersten uithoek der Sahara----dan zal ik ontwaken, _zamen_ met
hen die ik heb liefgehad--en _zamen_, als we geleefd hebben--_zamen_,
als we begraven zijn--zullen we opstaan, en ingaan tot 't eeuwig
licht----!----O, goede Genius, laat mij dáár rusten--laat mij dáár
eindelijk rusten!
* * * * *
Zóó sprak ik.--En de Engel des Doods verhoorde mijn bede; en begroef mij
onder de eigen zerk, waar vader en moeder, en broer en zuster sliepen.
En ook ik rustte er en sliep er----ik sliep er en ik rustte er----
-----tot ik----
----'s morgens wakker
werd, en, half verheugd, half spijtig, begrijpen moest--dat 't alles
slechts een droom was geweest.
* * * * *
_Mijne vrienden! men zal ons allen begraven._
* * * * *
Doch is 't u onverschillig, hoe en wáár?
Zegt niet _ja_: want met dat _ja_ zoudt ge iets laakbaars
zeggen.--Hildebrand heeft 't vóór mij betoogd; en ware 't niet, dat ik
zoo'n opmerkelijken droom gedroomd had--ik zou 't niet wagen, _zijn_
taal hem ná te stamelen.
Gij noemt uw ligchaam stof--en ge hebt regt. Maar, is dat stof niet 't
geen ge boven alles liefhebt, zoolang ge rondwandelt op aarde?--Een
moeder is u dierbaar; is 't slechts haar geest--of, telt gij ook 't
stof, dat 't uwe gebaard en gezoogd en gekoesterd en beschermd heeft?
Gij bemint een jonge vrouw; prijst ge in haar niet, meer dan al 't
overige, 't schoone stof, dat uw oog en zinnen boeit? Gij schat een
vriend hoog; is u de stoffelijke hand onverschillig, die zoo vaak de uwe
in zaâmgedeelde vreugd en droefheid drukte?--En zult ge dan uw eigen
omhulsel, waarin gij genoten en geleden hebt, waarvoor gij zwoegdet en
tobdet, ván u werpen, als een afgedragen opperkleed!--: zelfs een ouden
jas smijt men ongaarne op een mesthoop!
Waartoe dan dat cynisme! Waarom ook niet den dood, dien eindpaal van ons
streven, een weinig geidealiseerd! Waartoe ons der stoffelijkheid
geschaamd!--God schiep ons ligchaam; Hij schiep 't goed en krachtig en
schoon:--mijne vrienden--laat ons dan ook in 't ligchaam Gods werk
_blijven_ eerbiedigen!
Januarij, 1866.