Pomposo e con brio.
Ook U is de kroon der poësie ontroofd, Zee van mijn Vaderland! Ook gij
zijt niet meer die ge vroeger waart: vroeger, toen 't Godendom troonde
over de wonderen uwer diepte; als uw strand weêrgalmde van vreugdekreten
uit Gladheim en Asgard's Reuzenstoet uit peuren toog aan uw oevers, of
konijnen strikte in uw duin.
Wie heeft de Helden der Edda verstrooid? Wie heeft Krakèn opgeschrikt
van uit uw afgrond, en Jormungandr[3] uw kolken doen verlaten?--Was 't
Thor met zijn moker, of Hymer met zijn vischhoek?
De mensch, die worm der schepping, heeft zich meester gemaakt van uw
gebied; met de Runenspreuken zijns vernufts heeft hij uw golven getemd;
met den bezem zijner beschaving heeft hij Goden en Monsters weggevaagd,
tot aan 't uiterste einde van 't bevrozen Thule.--Waar eertijds de
Weefzang der Walkyren uw strand deed daveren--klinkt thans 't ruischend
maatgeluid van Botgorschek's kapel; waar, in angst en strijd, de woeste
Kaninefaat zijn terpen bouwde--ziet men badkoetsjes rijden in zee, en
schoone dames, lagchend en gerust, zich flodderend vermeijen in uw
versterkend nat. Waar toen, de fiere Zeekoning zijn met roof beladen
hulkje zag te gronde gaan, waar de stoute wereldveroveraar zijn beste
gaven offerde om uw woede te bezweren--vliegen nu, trots wind en
stroomen, trots Monsters en Goden, duizend scherpgekielde vaartuigen, uw
golven doorklievend, en spottend met uw verloren grootheid--als waart ge
niet sterker dan 't plasje, waarop kinderen spelevaren.
* * * * *
Ja, de kroon der poësie is U ontroofd!
* * * * *
Maar treur niet, Zee van 't Noorden, treur niet: want een andere kroon
is U opgezet.
Aanzie wat ge waart in de dagen van Hymer en Thor; aanzie ook wat ge
_nu_ zijt!--: Zijt ge niet, meer dan toen, de eerste, de Koninginne
onder de zeeën!--Van dáár, waar ge de Landhoofden vaneenscheidt, om een
doortogt te banen voor de boden, van weelde en beschaving--tot aan den
breeden zoom, waar ge, spokend langs Noorweêgs klipgevaarten,
tezaâmvloeit met de graauwe wateren der ijzige Poolzee--zijt ge niet
overal 't middenpunt, dat de volkeren van wijd-en-zijd tot zich trekt!
Wél is der Goden veste in puin gevallen;--maar zijn niet de hoofdzetels
der menschen, zijn niet London en Harwich, Brouwershaven en Katwijk
verrezen aan uw oevers!--Wél wascht niet meer uw branding eens Odin's
doorluchtig voetenpaar;--doch hebben niet andere godjes, hebben niet
Victoria en Napoleon III, Bismarck en Heemstra hun gansche goddelijk
ligchaam in uw zilt gedompeld!--Wél is der Noren brandfakkel
uitgebluscht;--maar hebben niet Tromp en de Ruijter, Merrimac en Monitor
't lot der natiën beslist op uw vlakte!--Wél verstomde voor goed der
Skalden harpgetokkel;--maar heeft niet Heinrich Heine u bezongen,
Noordzee--en ben _ik_ niet bezig uw lof te verkonden, ik, Gabriël--ik!
* * * * *
En nog wreekt ge U soms, ondankbare, op den mensch, die U den eerelauwer
rond de slapen vlocht! Nog, wanneer een bode van 't Noordwesten U uit
den doodslaap wekt, en U heimelijk tijding influistert van de verbannen
Goden daarginds----trilt en hijgt uw boezem bij de herinnering; dan
jaagt de toorn nijdige rimpels over uw fronsend voorhoofd; dan staat gij
op, in blinde woede, en beukt 't schamel bolwerk dat ge opwierpt tegen U
zelf; of vergrijpt U aan goed en leven van den armen visscher, die van
Goden noch Godinnen weet.
Zelfs op _mij_ schijnt ge heden vergramd te zijn, omdat ik U spreken
dorst van langvervlogen heerlijkheid: zelfs _mijn_ barkje schudt en
schommelt ge, als kon 't zwakke ding 't gebeteren, dat Thor, Thor niet
meer is.--Zeg, Noordzee--is dát 't loon voor mijn lofzang; betaalt gij
zóó uw barden, dat ge hen zeeziek maakt!
Toch heb ik U lief, Zee van mijn Vaderland; sombere schoone, met uw
sluijer van nevel en mist! Moeder van Hollands rijkdom, Schutgodin van
Engelands magt--ik heb U lief! En ter uwer eere heb ik dit lied
aangeheven, zamen met de luide stem van den wind die me U te gemoet
voert!
Want schoon zijt ge nog--als in de ure, toen Caligula schelpjes zamelde
aan uw strand. En is ook de Krakèn tot panharing geworden, en de
Zeeslang tot kabeljaauw--toch blijft Gij immer nog de Magtige, de
Gevreesde, de Hooggeprezene--eeuwig, eeuwig--zoolang er water zal zijn
in uw bed, en zand aan uw oevers!
Zee van mijn duinen--ik heb U lief!
October, 1865.