»JOSEPH."
_Andante affettuoso._
't Anker werd geligt; de breede lappen werden bijgezet; met een zacht
briesje dreven we langzaam de zee te gemoet.--De wind nam toe; we gleden
voorbij de vuurtorens, voorbij ton en baak----nog weinig oogenblikken,
en Hollands kust zou uit ons oog verdwenen zijn.
* * * * *
Ik zat, en tuurde naar de verre oeverkanten.
De lucht hing zwoel en dampig, de zee lag kalm en vriendelijk: 't was de
ziekelijke kalmte van een dier slaperige, half heldere, half mistige
herfstdagen, die over alles een waas spreiden van kwijnende
lusteloosheid. Mat en glansloos stond de ondergaande najaarszon aan den
melkkleurigen hemel: ze straalde niet, ze verborg zich ook niet--doch
met den glimlach eener stervende scheen ze weemoedig op ons neêr te
zien, alsof ook zij afscheid nam, en zich terugtrok uit een vreugdeloos
leven.--Had een orkaan mij door de haren geblazen, had een tropische
gloed mij de wangen gebrand--'t ware mij liever geweest: onder storm en
bliksem, als een Vliegende Hollander gedreven, had ik mijn vaderland
willen verlaten! Maar nu--die slappe koelte, die slechts aarzelend de
zeilen vulde; die dof glinsterende golfjes, die mij, den nieuweling, zoo
vreedzaam lonkend welkom heetten--o, 't was of hun kruipende tred mij
grafwaarts voerde!
Wat zou ze met mij doen, de magtige Zee? Zou ze mij brengen naar een
land van leven en arbeid, waar ten minste een stoffelijk fortuin en een
rijke natuur mij de ballingschap zouden verzoeten;--of, naar een land
van heimwee, en nieuwe, ongedeelde beproeving? Zou ze mij later _nog
eens_ liefderijk opnemen, en me, zielsverlangend, terugdragen naar 't
ouderlijk huis;--of, zou ze mij achterlaten in 't verre oord, om mij
slechts troost en rust te gunnen in 't graf van den vreemdeling--?--Ja,
had ik Ulieden bij me--gij, die me altoos liever waart dan ziel en
zaligheid!--met wat vreugd zou ik haar begroeten, die wijde zee; met wat
vervoering zou ik uitroepen: »_Thalatta, Thalatta, sei mir gegrüsst!_"
Dan zou geen vreemdelingschap mij hard vallen; ik zou den geboortegrond
weinig betreuren: want, gelijk de dagen vele zijn, dat droeve mist en
regen dien bodem omhullen--zóó waren ook talrijk de zorgen, die mijn
jonkheid er doorworstelen moest. Vol moed en levenslust zouden we zamen
't nieuwe leven zijn ingetreden: ligt toch, dat we elders wat meer zon
en vreugd vonden, dan onder den karigen hemel dien we vaarwel zeiden.
Ook op den breeden Oceaan, ook in de wildernissen van 't verre Oosten,
zouden we, in elkaârs stem en blik, in elkaârs warmen handdruk, alles
blijven vinden wat 't leven ons kostelijks schonk; ook dáár zouden
liefde en huislijke vrede ons een _t'huis_ hebben geschapen.------Maar
gij zijt achtergebleven--en ik ben alléén gegaan; alléén ben ik:
vrijwillig banneling, voor een weinig geld, dat ik altoos
verachtte!--Moeder, en broêr, en zuster--waar zijt gij! Neen--staat niet
vóór me als schimmen uit 't verleden, als spookgestalten van beminde
dooden! We dachten immers ten beste te handelen; 't was immers goed en
noodig, dat ik heenging, om in den vreemde 't brood te zoeken dat 't
vaderland mij scheen te weigeren; 't was goed en noodig, dat ik den
zoeten band verbrak, die ons als één deed leven en ademen; dat ik
opwaakte uit de droomen en spelen mijner jeugd, om te gaan arbeiden voor
ons aller toekomst. Verwijt 't mij dan niet, dat ik uw woning gemaakt
heb als een sterfhuis, waarin er één gemist wordt, die wég is, voor
jaren, jaren--misschien voor altijd! En is er een plaats ledig aan den
disch, is de kleine kring gebroken rond den haard--o, moeder, schrei
niet, tob niet; lach, wees vrolijk--doe, wat ikzelf te vergeefs zal
trachten: vergeet en hoop!
* * * * *
Zóó zat ik, en tuurde.--En toen ik uit mijn mijmering ontwaakte, waren
de oude vuurtorens niet meer daar; doch, door den nevel mijner tranen,
zag ik--een kleurloos uitspansel en een loodgraauwe zee--lucht en
water--niets meer!
* * * * *
Daar klinkt een schorre kreet--»hip hip hip, hoera!"--De laatste baak is
gepasseerd--»welkom, welkom in zee!"--De kapitein houdt een speech,
waarin hij spreekt van »eendragt, sympathie, wederzijdsche hoogachting
en onderling vertrouwen"; de stuurluî volgen, tot bootsman en hofmeester
toe--alles geeft handjes en wenscht een voorspoedige reis. En roode- en
rhijnwijn gaan rond, likeuren, bitter en madeira: men klinkt en drinkt,
men lacht en joolt, en neemt de zaak luchtig op: een overbevolkt moeras
heeft men immers verlaten--een eeuwig bloeijenden lusthof gaat men te
gemoet----o zoete waan!--Doch _ik_ wist beter.--Wel nam ik den wijn, en
klonk en dronk;--maar ik was niet vrolijk, moederlief--vrolijk was
Gabriël niet.
October 1865.