Hebt ge wel eens een neef, of broêr, of vriend van een eerste zeereis
zien t'huiskomen? Hebt ge, wanneer 't verdoolde schaap per Zierikzeesche
boot zou arriveren, hem in dat Zeeuwsche stedeken opgewacht, en van dáár
't trajekt tot Rotterdam met hem zamen gemaakt?
Zóó iets deed ik onlangs.
De boot slingerde een weinig--doch mijn bereisde neef op 't achterdek
aan 't wandelen, om te toonen hoe zeevast hij op de beenen stond. 't Was
gloeijend heet--maar onverstoorbaar hield zich onze held buiten de
beschuttende zonnetent, opdat 't middagvuur nog een laatste hand mogt
leggen aan de roode kleur van gelaat en handen, waarop hij zoo trotsch
was. Straks ging hij zitten--niet, gelijk een gewoon mensch, op een
bank of krukje--neen, met roekelooze gratie zette zich de waaghals op 't
ijzeren hekje naast de raderkast, en verrigtte er de ijzingwekkendste
evolutiën, om toch een iegelijk de overtuiging te schenken, dat _hij_
niet over boord vallen _kon_. Maar hij had geen rust: zijn koffers
moesten nagezien worden: zijn koffers, waarop met enorme letters de
namen van Batavia, Samarang, Tagal en Brouwershaven prijkten; een gesp
werd losgemaakt en weêr aangetrokken, een touw werd versjord:--want men
moest 't weten, dat die koffers met die uitheemsche etiquetten _hem_
toebehoorden!--Aan de stad genaderd, kamde mijn brave zich den
haveloozen vlasbaard wat uit, trok een norsch, regt cosmopolitisch
gezigt, gaf zich zooveel mogelijk 't woeste air van een pas
geretourneerden Marco Paolo, en stapte aan wal met den zwaaijenden gang
van een op zee gewonnen en getogen zeebonk.--In zijn moeders woning
geïnstalleerd, behield hij nog geruimen tijd de hebbelijkheid, van net
te doen alsof hij in zijn geboortestad den weg niet meer kende; ja, wel
een jaarlang ná zijn terugkomst, bleef hij, tot groot ongerief der
huisgenooten, een gedecideerde antipathie aan den dag leggen tegen
aardappelen, groenten, en dergelijke "Hollandsche burgerkosten"; terwijl
hij zich schadeloos stelde door 't gebruik van aanzienlijke hoeveelheden
drooge rijst, die hij, in de oogen zijner verbaasde medeaanzitters,
oneetbaar maakte door toevoeging van _curry_, _lombok_, _sambal_,
_trassi_, en meerdere zulke stankverspreidende ingrediënten, van wier
genot--hoewel hij slechts weinig maanden in Indië had doorgebragt--hij
gemoedelijkweg verzekerde, zijn maag niet meer te kunnen spenen.
Vroeg men dien neef van mij, wat hij eigenlijk op zijn togten alzoo
gezien had--dan wist hij bitter weinig meê te deelen.
In 't eerst verwonderde mij dit, en vond ik 't zooveel te belagchelijker
in hem, dat hij roemen dorst op een bereisdheid, waarvan hij blijkbaar
zóó weinig vruchten had geplukt.
Sedert ik echter zelf een uitstapje naar Java volbragt, leerde ik op 't
humaanst den onschuldigen reizigerstrots van mijn goeden neef verklaren,
en tevens de onmogelijkheid waarin hij zich bevond, om op de tallooze
tot hem gerigte vragen steeds belangwekkende en romaneskklinkende
antwoorden te geven.
* * * * *
Er zijn er onder de landmenschen, die zich voorstellen, dat men op zoo'n
zeereisje--naar Oost-Indië b.v.--al magtig veel te zien krijgt, en die u
zonder schromen--gelijk wij onzen neef--voor stompzinnig en gevoelloos
zullen uitmaken, wanneer ge, t'huiskomend, hun niet een menigte curieuse
bijzonderheden kunt opdisschen. »Vertel ons toch--roepen ze--: hoe ziet
de zee er uit; hoe hoog zijn de golven; wat eet men aan boord; ontmoet
men soms zeeslangen en meerminnen; zijn de zilte wateren groen of blaauw
gekleurd; heeft men ook last van kakkerlakken; braakt een vulkaan
werkelijk rook en vlammen uit; is een haai heuschelijk zoo'n bloedgierig
beest; speelt zoo'n scheepskapitein niet erg den bully; en is 't waar,
dat damespassagiers altoos 't eerst aanleiding geven tot
krakeelingen--?"--Andere daarentegen, zijn van meening, dat de drie of
vier maanden aan boord doorgeworsteld, niet anders _kunnen_ opleveren,
dan een vagevuur tusschen waken en slapen, bestaan en niet bestaan: een
polaire winter voor ligchaam en geest, waarin geen zon verrijst dan 't
noorderlicht van eten en drinken, en gedurende welken de mensch niet
verstandiger zou kunnen doen, dan oogen en ooren sluiten, en in een
beerehuid kruipen, om te slapen en zich op de duimen te zuigen.
De ware opvatting ligt ook hier, gelijk elders, in 't midden.
Zij, namelijk, die verwachten, op zee iets anders te zullen aanschouwen
dan lucht en water, moeten zich, uit den aard der zaak, jammerlijk
bedrogen vinden.--Voor den schilder, den dichter, den natuurminnaar,
steekt in die woorden, _lucht en water_, een schat van onuitputtelijk
schoon: zóó iemand ziet dan ook op zee veel meer, dan penseel of pen
zouden kunnen teruggeven.--Doch wee hem, die, door een alledaagschen
reis- en kijklust aangespoord, de bevrediging zijner manie op den
breeden oceaan zou willen zoeken--: die man zal zich gruwelijk vervelen,
en zijn domheid verwenschen, dat hij de vette weilanden en omwilgde
slootjes van Holland verliet, om te gaan staren, dagen, weken, maanden
lang, op een graauwen waterplas, voor _hem_ zoo doodsch en onbewoond,
als de wolken die er óver drijven.
Vooral op de reis van Holland naar Java beklaagt zich de min diepzinnige
passagier over de weinige afwisseling, die de togt hem biedt.--Gedurende
't zeilen van Indië naar huis, ontmoet men verscheiden malen land, en
doet 't somwijlen aan. Men passeert dan altijd 't Kaapland digt genoeg,
om op 't Kaapsche rif naar kabeljaauw te kunnen angelen, en, onder 't
kruisen, de sombere, in stormen gehulde bergen van Afrika's uithoek te
kunnen bespieden; te St. Helena neemt 't schip gewoonlijk water in, en
hebben de reizigers dus gelegenheid, om--'t zij mét of zonder behulp van
den Engelschen sherry--in geestdrift te geraken bij 't leêge graf van
den Corsicaanschen gier; kort daarop stuurt men Ascension rakelings
voorbij; en krijgt ten slotte, als men niet tusschen de Hesperiden
doorloopt, vaak nog een bergtop van de Azoren in 't oog.--Op de heenreis
echter--als men ze voorspoedig maakt--geen zweem van dat alles. Juist,
wanneer 't den nieuweling zoo aangenaam zou zijn: als hij slechts
uitkijkt naar een ijsberg, een vulkaan, een onbewoond eiland--des noods
een zaagvisch of cachelot--om zijn stervend dagboek met bladen vol
schilderachtige beschrijvingen te verrijken----juist dan, niets van dat
alles! Een armzalige haai, een verdwaalde walvisch, een kudde blazende
»botskoppen", een vliegend vischje, een troep bruinvisschen of bonieten,
wat albatrossen, »dominees", »bootsluî", »kleêrmakers", zwaluwen,
Kaapsche duiven en boebi's[1]----nu ja, die visschen- en vogelwereld
had hij zich kunnen voorstellen. Land wil hij zien: hooge bergen, verre
kusten! Hij benijdt den Sindbad van vorige eeuwen, die, door schraalheid
van water en proviand, _genoodzaakt_ werd, nu en dan 't anker neêr te
laten; hij zou een ligten aanval van scheurbuik zegenen, waardoor 't
binnenloopen in een verafgelegen haven onvermijdelijk werd; en hij bidt
om een goedig orkaantje, dat zijn schip, met behoud van volk en lading,
aan de kust van la Plata of Madagascar zou vastzetten. Te vergeefs tuurt
hij aan den horizon naar Teneriffe's spitse piek; te vergeefs tracht
zijn binocle de nevelen te doorboren, die de tuinen der Gelukkige
Eilanden wreedelijk omsluijeren; 't bestaan van St. Helena blijft voor
hem, niet minder dan dat van 't meer Kinibaloe, een punt van blind
geloof; de Tafelberg eindelijk, weet hij, vertoont zich even zoo weinig
als de Man in de Maan; en, »na zooveel leed en ommezwerven", zal hij
zich niet mogen verheugen in den aanblik van zijn natuurlijk element,
vóór zijn 't rondzien ontwend oog zich verkwikken zal aan 't donkergroen
der eilanden, die sluimeren in Straat Soenda's schoot--als smaragden,
los gestrooid in een bekken van kristal.
* * * * *
Maar 't water--hoor ik vragen--de zee zelf, is zij niet oneindig rijk
aan treffende verscheidenheden, onbeschrijflijk schoon in de majesteit
van haar nooit rustende onmeetlijkheid! Is zij niet schoon, wanneer
golven van dertig voet hoog haar met schuim gekroonde kammen doen
sprankelen in de zon, als heuvelen van saffier: als nu eens 't hulkje
wegtuimelt in 't warrelend golfdal--dan weêr----
----Halt, jongeling--strijk uw wieken, wisch u 't dichterlijk angstzweet
van de slapen! die Pegasus-ridjes naar 't verhevene maken doorgaans den
ongelukkigen jockey tot een Icarus, en laten, per slot van rekening, den
aanschouwer zoo koud als een Uranusbewoner!
Ik antwoord u, o dichtlievend lezer, met de--woorden van een ander, zeer
groot dichter--:
»--------------'t is wel verheven,
Altans, bij storm! doch ik verkoos de lieve dreven
Der aarde in zoo'n geval. 't Verheevne wordt ook vrij
Eentoonig ras, op zee, als in de poëzij."
Wanneer men voor 't eerst aan boord stapt, voelt men zich vervuld van
een kostelijk enthousiasme voor al wat golft en al wat drijft: men zou
de peregrinaties van een notedop in een stroopflap kunnen vereeuwigen.
Getrouwelijk beschrijft men dan ook een eersten storm, mitsgaders de
poëtische gewaarwordingen, die zoo'n phenomenon in 's menschen boezem
doet ontbranden.
Edoch, zoodra men eenmaal de stereotype termen van: _klepperende
touwen_, _loeijende vlagen_, _schuimende wateren_, _donderende
stortzeeën_, _ratelende bliksemslagen_, en wat dies meer zij, in
behoorlijke volgorde heeft opééngestapeld--ontwaart men, tot zijn niet
geringe spijt, dat van een zoo grootsch natuurverschijnsel weinig anders
te bezingen overblijft, dan de veelmeer in 't oog vallende kleine
jammeren, die er onvermijdelijk uit voortvloeijen, en die alras den
rijksten schat van poëzie doen verkeeren tot een hoopje druipend,
bibberend, diep ongelukkig proza--: als daar zijn: _zeezieke heeren_,
_zieltogende dames_, _benaauwde hutten_, _door lekwater bedorven
beddegoed_, _gebroken wijnglazen_, _omgesmeten soepterrienen_,
_druipnatte matrozen_, _gemelijke stuurlui_, _ongenaakbare kapiteins_,
en _dronken hofmeesters met builen op 't hoofd_.
Van dáár dan ook, dat geen stormbeschrijving ooit zóó treffend en
waarachtig gegeven is, als die van den Schoolmeester: want waarlijk--hoe
grootsch en verheven een onstuimige zee den landbewoner, die haar van
rots of duin overziet, moge toeschijnen--van een schip bekeken, levert
ze, met al haar bovengemelden stoet van rampen, zelfs den
stoutstgewiekten hoogvlieger zóó weinig stof tot geestverheffing, dat de
enthousiast, die haar met woorden prijzen _wil_, daartoe geen veiliger
weg kan inslaan dan dien van een aangename parodie. En, wat 't
onmogelijke en onwaarschijnlijke van zoo'n geparodieerde schilderij
betreft--men geloove mij, dat zelfs 't dansen van quadrilles met de
inboorlingen van een onbewoond eiland, in werkelijkheid minder
onwaarschijnlijk is, dan de vervoering, waarin sommige jeugdige
dagboekschrijvers voorgeven te geraken, wanneer ze van door hen
bijgewoonde stormen een tafereel gaan ophangen.
* * * * *
Kan men dus over 't geheel zeggen, dat bereisdheid ter zee den bezitter
weinig regt geeft tot zelfverheffing--bereisdheid te land mag daartoe
evenmin een voorwendsel zijn.
Vroeger, ja--toen men den rid van Londen naar Edinburgh (»_God
willing_") in drie weken volbragt, was zoo'n togt werkelijk een
_landreis_. Maar nu, dat men in minder uren dan toen dagen denzelfden
afstand doorloopt, en gedurende dien tijd geen enkele maal _land_ onder
de voeten krijgt--nu kan toch de reiziger, die een poos lang op de
banken van een spoorwegwaggon zat te suffen, moeijelijk spreken van de
ondervinding die hij op zijn togten opdeed, en van 't vele vreemde dat
hij in de door hem doortrokken oorden ontmoette.--Een landreis per
dampwagen is als een zeereis per stoomboot: 't meesterstuk--of
monsterstuk--van menschelijke vinding, verschrikt de dieren in 't veld
en de visschen in den schoot der wateren; doet alle natuurschoon
wegvlieden van voor zijn verschroeijenden adem; verwerkt heuvelen en
bergen tot afzigtelijk praktische kolenschuren, en zal weldra de reine
Muse van poëzie en schoonheidsgevoel in de lompen steken van een
geldverdienende, met roet besmeerde fabriekarbeidster[2].
De éénige landreiziger, die, mijns inziens, nog op bereisdheid bogen
mag, d. i. die met regt beweren kan, van een land en zijn bewoners iets
gezien te hebben--is niet hij, die in één dag naar Parijs, en van dáár,
in drie dagen, naar Moskou stoomt----'t is de _rara avis_, die waarlijk
_voor zijn pleizier_ reist: de gemoedelijke trekvogel, die, op jonge
beenen, met een jolig makker aan den arm, den knapzak op den rug, en een
paar tientjes in de beurs, zijn Geldersch of Rhijnlandsch voetreisje
maakt.--Deze alléén ziet veel, en »kan ook wat verhalen": hij doorkruist
de steden, die onze moderne vliegreiziger slechts in de verte als
hoopjes huizen bespeurt; hij spreekt en leeft met de menschen, die de
ander als schimmen aan den weg naauw opmerkt. Hij alléén ziet veel:
omdat hij tijd en lust heeft, in den aard der zaken dóór te dringen;
terwijl de spoorwegman, in een eeuwig rammelenden roes van 't eene
station naar 't andere rennend, niet anders kan, dan met Mundungus en
Smelfungus uitroepen: »_'t is all barren!_"
* * * * *
Bereisde lieden!--Zie ze er op aan, als ge kunt--onze hedendaagsche
cosmopolieten! Misschien zult ge aan zekere stijfheid in de knieën den
man erkennen, die zijn halve leven in een treinwaggon heeft
doorgebragt;--maar zoek bij hem geen forschgeharde trekken, geen
vrolijken levensmoed, geen diepe menschen- en wereldkennis meer.
Bereisde lieden!--Ik herinner me, op een mijner mailtogten een
_commis-voyageur_ ontmoet te hebben, zóó een verwaand en ploertig
individu, als één zijner ambtgenooten 't ooit was. Die man had twee
reizen naar de Vereenigde Staten en Californië, twee naar Indië en
Australië, en even zoovele naar China en Japan gemaakt: hij had meer van
onzen aardkloot gezien dan een Cook of Bontekoe--maar, met zijn vettige
bakbaardjes, zijn bleeke gelaatskleur en stijve witte dasjes, geleek hij
juist zooveel op een wereldburger als mijn goede catechiseermeester
zaliger.--Een andermaal sprak ik een oude Jufvrouw, die mij vertelde:
hoe ze te Calcutta geboren, te Melbourne opgevoed, en in Schotland
gehuwd was; hoe ze in Kaapstad sedert had geleefd, en nu, bij haar
familie te Padang, rustig haar levenseind hoopte af te wachten. 't
Mensch toonde voor 't overige, in doen en laten, niet de minste
superioriteit boven een gewone Delftsche stovenzetster--!
Zulke voorbeelden hebben in _mij_ al spoedig den ontluikenden
bereisdheidstrots gefnuikt.
* * * * *
En toch, toch, goedgunstig lezer--ben ook _ik_ niet geheel vrij van dien
trots: ik kan hem in anderen en mezelf verklaren en door de vingers
zien.
Wie beseft niet den roem die er in ligt, _bereisd_ te heeten--zij 't dan
ook per spoortrein of stoomboot! Wie boog nooit onder den hartstogt die
den aspirantwereldburger aandrijft: om _veel_ te zien, of liever,
om--hoe oppervlakkig--_velerlei_ te zien! »_That craving desire, natural
to untravelled men of fresh and lively minds, to see strange lands, and
to visit scenes famous in history or fable._" Wie, in 't kort, reisde
nooit tot voldoening van zijn _ijdelheid_--!
Er blijft ons ook van langverleden omzwervingen zoo'n zoete,
dichterlijke herinnering bij, die ons onwillekeurig 't hoofd doet
opheffen. De reis, met al haar verveling, met haar bezwaren en
vermoeijenissen, schuift men op den achtergrond: hitte en koû, gebrek en
ongemak zijn vergeten. Maar vóóraan op 't schouwtooneel des geheugens
opent zich in nevelig zachten kleurendos een panorama van 't schoone en
liefelijke, van 't vreemde en boeijende--hoe weinig ook--dat men
aanschouwde. Van 't gloeijend Oosten herinnert men zich slechts
palmboschjes en zwartoogige feeën, van 't barre Noorden ziet men slechts
sombere sparrewouden, met donzige sneeuw omzoomd, en bevolkt door de
blonde nymphenwereld die de verbeelding zoo gaarne rond den warmen haard
't leven roept.--Men heeft te Rio de Janeiro drie weken met averij
gelegen--: men denkt er niet aan, hoe warm 't daar was, en hoe duur, en
hoe afschuwelijk 't logies, en hoe onaangenaam de bevolking;--men
gelooft slechts aan dien éénen avond, toen men schelpen zocht aan 't
zeestrand, en de zon zoo prachtig onderging over de bergen en wouden van
't onmeetlijk Brazilië. De mailroute heeft men afgelegd van Suez naar
Alexandrië--: men weet niet meer van de wolken stofs, die mond en neus
en ooren vullen, noch van de smerige Arabieren waarmeê men zamen in een
beestewagen werd gestopt;--men ziet droomend slechts de vale woestijn,
die Israël doortrok, de luchtspiegelingen, en de witte zandheuvels--dan,
plotseling oprijzend als uit een zee van groen, de koepels en minarets
van 't groot Caïro; men ziet den Nijl, en de Pyramiden, en de Delta, en
't klassiek Alexandrië----tot verbeelding en herinnering elkaâr de hand
reiken, om uit de dorre Oostersche werkelijkheid den schat van
Oostersche poëzij te verwekken, die ons in 't Bijbelsch geschiedverhaal
en in de sprookjes der Duizend-en-Een-Nacht zoo onverklaarbaar boeit en
meêsleept.
En als men dan is teruggekeerd in den sleur van 't dagelijksch
leven--dan bewaart men voor zichzelf een rijk en leerzaam souvenir, dat
de tijd aldóór tot liefelijker vormen afrondt.--En voor anderen?
Welnu--voor anderen heet men een man van ondervinding, en mag, zoo
nederig weg, in schrijven en spreken, den »bereisden Roel," den »Heer
Jurriaan" uithangen, door 't éénig magtwoord: _ik ben er geweest_.--Ja,
men neme 't hoe men wil--schoon 't reizen ter zee en te land in onzen
tijd een ware oude-vrijsters-bezigheid is geworden; schoon er
tegenwoordig meer moed toe noodig is, van zijn huis naar zijn bureau te
kuijeren--als wanneer men nog blootstaat aan accidenten met rijtuigen
en dakpannen--dan om een mailtogt naar China te aanvaarden----toch zal
't, om _dat_ magtwoord alléén zelfs bij overigens redelijke wezens, een
toppunt van glorie en zelfvoldoening blijven, den evenmensch te kunnen
toeroepen: »_ik_ heb mijn oog laten weiden, mijn vleeschelijk oog, over
landouwen, die gij, huismusch, achter uw moeders kagchel gezeten,
slechts als stipjes op de wereldkaart bekeken hebt!"
O, ijdelheid der ijdelheden!
* * * * *
Zeker!--En ook ik, Gabriël, beken volgaarne mijn zwakheid in dit opzigt.
Hebben we niet--broêr Willibald en ik--ons eerste uitstapje naar London
gemaakt, grootendeels met 't doel, onszelf te mogen opblazen bij de
gedachte, de zee overgestoken, en op transoceanischen bodem den voet te
hebben gezet!--Herinnert ge u nog, broêr Willibald, hoe we wandelden
door de groote wereldstad--wij, jongens in jaren, maar toch moedig,
onbeschroomd, soms roekeloos! Hoe we er rondzwierven, terend op een pint
_stout_ en een _mutton-chop_--overal heen--vol verachting voor
hoofdstraten en omnibussen--_per pedes apostolorum_--geen hol ons te
donker, geen steeg ons te naauw: opdat we toch met regt er ons op zouden
kunnen beroemen, »dat we gansch London met voeten gemeten hadden"--!
Besloot _ik_ niet later, bij mijn vertrek uit Indië, met de mail te
reizen: vooreerst, om spoediger t'huis te zijn, doch, hoofdzakelijk, om
ééns met een _suprême dédain_ op allen te kunnen neêrzien, die niet, als
ik, een zeker aantal punten van den aardbol met eigen zolen hebben
gedrukt!--En zelfs _nu_, terwijl ik deze bekentenis neêrschrijf--heeft
't niet al den schijn, of ik mezelf slechts beschuldig, om ongestraft
alweêr dezelfde dwaasheid te mogen begaan, en--quasi een fout
opbiechtend--enkel de gelegenheid beoog, aan een iegelijk te vertellen:
hoe ik, nog zóó jeugdig, reeds te Singapore heb ananas gegeten, te
Pointe-de-Galles topazen van Candy gekocht, te Aden een regiment
Fellah's ontmoet, te Suez uit een echte _chibouk_ echten _Ratakia_
gerookt, in de woestijn te vergeefs naar manna en kwakkelen gezocht, te
Caïro de moskee van Mehemed-Ali betreden, te Messina mij aan
_Marsala_-wijn berauscht, te Massilia _Notre-dame-de-la-Garde_ bestegen,
te Arles de dochters der Phoeniciërs, en te Avignon 't Pauselijk kasteel
bewonderd, te Dijon _Bourgogne_ gedronken, te Parijs _'t Quartier Latin_
bezocht--ja, te St. Quentin voor 't eerst artisjokken geproefd heb--!
* * * * *
IJdelheid der ijdelheden!--Nogmaals en nogmaals galmen we 't den
ijdelsten aller koningen na.
Doch, daar we minder wijs--hoewel misschien wat verstandiger en
liefderijker zijn, dan de wijze Joodsche despoot--zoo vergeven we
onszelf en den naaste ook _deze_ kleine ijdelheid, laten elk in vrede
zijn stokpaardje berijden, en zegenen voor 't minst hierin onze dorre
eeuw van stoom- en dommekrachten: dat ze aan elk de gelegenheid biedt,
om op zijn wijs _bereisd_ te heeten.
[Footnote 1: Ik weet niet, onder welke namen Cuvier en Buffon de
bovenstaande vogels geclassificeerd hebben; ik laat hen dus de titels
behouden, die ik hun de zeelui hoorde geven.--Al deze knapen kan men
gemakkelijk door middel van spek en hoek betrappen--behalve de
professionele heeren. Inzonderheid de vogel »dominee" staat als een
toonbeeld van bedachtzaamheid bekend--»voorzigtig gelijk de slangen"; en
de oudste matrozen herinneren zich niet, dat een dergelijk weleerwaard
dier zich ooit door den lust der zinnen--den omspekten angel--heeft
laten verlokken;--Toch, beweert men, zitten ze dik in 't vleesch en warm
in de vêeren.--Zoodra een Albatros of Kaapsche duif levend aan boord
komt, wordt hij zeeziek, geeft teekenen van onpasselijkheid, en eindigt,
met, op zeer menschelijke wijs, zijn maag te ontlasten.]
[Footnote 2: Men vergeve mij deze indirekte lofrede op »de dagen van
Olim"; doch men sta mij toe, mét mijn oudoom, den organist, en mijn
oudtante, de met zes dochters gezegende domineesweduwe, van meening te
zijn: dat we, én 't tegenwoordig verval van de kunst, én den weinigen
trouwlust onzer huwbare jonge mannen, voor een groot deel te wijten
hebben aan den gaarkokenden, ziel- en ligchaamcreosoterenden invloed van
stoom en kolendamp.]