[1] Is dit geen passende zin voor ’n Christelijke scheurkalender?
[2] Hier begon de tweede zin.
[3] De wet van 7 Juli 1896 heeft hierin „verandering” gebracht. Daarin
wordt bepaald dat de dagvaardingen en alle andere exploiten zullen
gedaan worden als volgt:
„Nummer 9. Ten aanzien van de getrouwde, niet van tafel en bed
gescheiden vrouw, wat betreft de dagvaardingen en alle andere
exploiten, die haar ten verzoeke van haren echtgenoot worden
uitgebragt, aan haar in persoon of aan haar werkelijk verblijf, en,
wanneer dit is ter woonplaats van haren echtgenoot, alsdan aan haar in
persoon, of, zoo de deurwaarder haar aldaar niet vindt, aan het hoofd
van het plaatselijk bestuur van die woonplaats, of aan dengene, die hem
vervangt, invoege, als in art 2 van dit wetboek is voorgeschreven,
terwijl bovendien in dat geval het exploit zal moeten worden
aangekondigd in een dagblad der woonplaats van den man, of bij gebreke
daarvan van een naburige plaats en een afschrift van die aankondiging
zal moeten worden aangeplakt aan de buitenzijde der hoofddeur van het
door hem bewoonde huis.”
„Deze aankondiging zal alleen bevatten de dagteekening van het exploit,
de aanwijzing van den persoon te wiens verzoeke, en de persoon aan wie
het exploit is gedaan, de vermelding van den deurwaarder, die het
gedaan heeft en van den persoon aan wie afschrift van het exploit
gelaten is; voorts, indien de aankondiging eene dagvaarding betreft, de
aanwijzing van den regter voor wien, en van dag en uur der
teregtzitting, tegen welke gedagvaard is, en indien de aankondiging de
beteekening van eene regterlijke uitspraak of beschikking betreft, de
aanwijzing van den regter door wien en van den dag waarop de uitspraak
gewezen of die beschikking genomen is. Het aangeplakte afschrift der
aankondiging zal op het verzoek van de vrouw door den deurwaarder
onmiddellijk moeten verwijderd worden.”
Verder heeft genoemde wet „gunstige”—, ei, mijn hemel!—„gunstigèr”
bepalingen betreffende het „onherroepelijk van kracht zijn van een bij
verstek gewezen vonnis” en dito-dito.—O, voorwaar, Dirk heeft me
verteld dat zandaardappelen van ’t jaar zoo slecht zijn, zoo glazig,
zoo heelemaal niet geschikt voor gestampten pot—„gunstiger” condities
aangaande de maatregelen „tot behoud der goederen tijdens de procedure
tot scheiding van goederen, tot echtscheiding en tot scheiding van
tafel en bed”—, maar deze schoone wet trad in werking 1 Januari 1897,
toen bovenstaande dialoog al klassiek van ouderdom was. En, melieven,
wat beteekent het wanneer zotte bepalinkjes door minder-zotte of
èven-zotte vervangen worden? Ik voorspel u dat er eens een tijd zal
zijn van simpel verhuisbiljet-aanvragen, dat onze hersenen zóó zwaar
zullen groeien, dat het beneden-navelige niet meer van „invloed” zal
zijn op eer, overspel etc. Eer mummelt een kikker over Kant, eer groeit
een bloem op uwe hand—ei, ei, dit rijmt—, èèr cancaneert de doodsangst
in uwe binnenkameren gelijk een dronken krankzinnige, eer drinkt gij
wijn uit uw schedel, eer zuigt gij honig uit rots en olie uit
kei—vergelijk testament—eer werpt een smousje leeuwen, eer wordt de zee
tot een venijngezwel, eer baart een vrouw góúd (tientjes met beeltnis
van Wilhelmina Regina), eer wordt het nierenvet der tarwe
druivenbloed—, éér perkamenten wetjes, wijze kwijl uit pruimenmonden—,
éér sabbelpraatjes eens onvruchtbren mans, het van de aarde
allerschoonste, liefde, huwelijk, snoert in drekton van een bindend
reglement. O, klootjesvolk, draagt úít het laken uwer dochteren, draagt
úít het rood-bevlekt van weggeslagen kuischheid èn bidt tachtig dagen.
Wellicht verstaat gij huwlijk ééns als niets meer is onteerd dat is
bevrucht, wellicht dààgt eens de Dag in uw ontuchtge harten, zal òns
hoereeren ù een lichtnis zijn.
[4] Deuteronomium XXII. 8.
[5] Deuteronomium XXIII. 3.
[6] Dit papiertje werd nóóit door Georgine ontvangen. Waarschijnlijk
werd het bij den man zélf, „het wettig domicilie”, bezorgd—zie
bladzijde 343.—Wat doet ’t ’r toe?—Wat zegt één triestige grap méér of
minder? Spier.
[7] Zie noot voorgaande pagina.
[8] O grappenmakerij! ’t Kan goed geweest zijn—zoo’n rechter-Cupido.