............... Ween vrijelijk, mijn vrouw: er bestaat geen wijde,
wijde wereld—er is ’n aarde met klamme kamertjes en straten; er is geen
God: er zijn kérken—er is geen liefde: er is gehoereer om geld en
bezit—er zijn geen mènschen: er zijn nìèt-voelende, stupiede clowns—er
is geen vrijheid: er is de gedrochtlijke overheersching eener alles
bevuilende klasse. Laat uw tranen gaan door dit boek, mijn kind,—dit
eerlijk boek dat ik rinklen zal door de ruiten dezer liederlijke
burgerij, niet vragend om datgeen waarom anderen plegen te vragen.
O, ik bén weer sterk door mijn geloof in de bevrijding van alle
verdrukten—er daagt een horizon, er daagt nieuw leven. En al ondergaan
wìj nog de smart, de ellende der heerschende levensbeschouwing, wij
mogen niet te lang verwijlen bij dingen die klein zijn in verhouding
tot den grooten strijd dien wij mede gaan strijden. Want nù weet ik hóé
het zal zijn, nu wéét ik volkomen wat mij vroeger vaag voor den geest
stond, nu wéét ik dat geen waarlijk vrije, bevrijde liefde voor een
vrouw of een kind mogelijk is, vóór het moeras dat ons allen verpest is
gedempt.
Berusting, mijn kind, is een schoon iets en voorwaar zij past ons als
denkende menschen, als kleinlingen tegenover eene godheid, die wij ons
voorstellen willen als almacht van waarheid en recht. Het past ons
ernstig te bepeinzen de dagen des ouden dags en het
onvergankelijk-grootsche der materie in hare oneindige phasen.
Maar berusting tegenover deze clowns, die wreed, zelfzuchtig en driest,
geen andere schoonheid kennen dan het beest Kapitaal, berusting
tegenover onderdrukkers, lieden-zonder-verheffing, zònder idealen, ware
de dood voor ons best zieleleven.
Samen zullen wij thans mede onze schouders zetten onder dit oude,
hideuze gebouw, onder deze verachtelijke ruïne, al beleven wij nimmer
de donderende instorting, den razenden tuimel van binten en muren op de
hoofden der fulpen schooiers.
Nù nog is huwelijk een beschimping, een hóón, een stinkend
bourgeois-braaksel, nù nog is de godheid boerenbedrog, kwijl van
dienstjes en boeken, maar het einde nadert van dit verkankerd leugenras
dat moordt, er op los hoert, vrouwen versjaggert en kinderen opkweekt
in bedrog.
Het einde nadert door hén, die onze makkers en genooten zullen zijn.
Mijn kind, ge moet mèt mij trachten het triestige van kamertjesleven te
ontvluchten. Bij tijden in stille schemeruren zullen wij zacht-spreken
over onze herinneringen, de oude smart hervoelen. Maar nu wij geleerd
hebben kracht bij en met andren te zoeken, zullen wij beiden den
schoonen opgang kennen uit dezen stratenwalm, uit de besmetting der
bourgeoisie, den opgang door de wijde poorten van ons nieuw en groot
geloof.
En, wanneer onze kinderen ouder geworden, zullen zij tot ons komen—in
eerbiedige liefde.